Dolf, Kelner.
Kelner (de plats neerzettend). Un chateaubriand exquis, monsieur.… Quel vin est-ce que monsieur désire?
Dolf. Niemendal! Uitrukken!… En je een beetje gepaster tegenover de verpleegster gedragen, ventje! Begrepen?… Jij heb behoorlijk te kloppen, als ’n dame bezig is zich te kleeden! Mond houen! Mond houen, kwast van ’n kerel!—en anders stuur je je patroon maar hier! Wacht je ergens op? Bonjour dan! (Kelner af—hij bindt de servet voor, begint te eten—tot Hope). Zoo. Nu éét je ’n stukje mee—’k zal je couvert klaarzetten.
Dolf, Hope.
Hope. Nee meneer—’k ga ’n uurtje rusten, als ù zoolang blijft.
[174]
Dolf. ’k Zal op jullie twée passen, als ’n waakhond (zij gaat naar haar kamer). Hope!… Je deur heeft toch wel ’n dubbel slot?
Hope. ’k Zal ’r nièt sluiten, meneer.
Dolf. Zooveel vertrouwen ineens?
Hope. Iemand, die „’n jacht met hindernissen begint”—die daar z’n vingers voor opsteekt—die.…
Dolf. Die is nog te „redden.…” Hahaha!
Hope. Misschien (een bons).… Wat was dat?
Dolf (onbewegelijk). Kan dat in … de slaapkamer geweest zijn?
Hope. Nee—’t kwam van dié kant.…
Dolf (angstig). Kijk ’ns voorzichtig.… (Zij opent de schuifdeuren op een kier, schrikt, wijkt achteruit, snelt naar binnen—hij staart ontzet in de opening).
Hope (smartelijk klagend).
O, o, lieve, goeie, beste … Hoe kom je nou zoo … O, o, o!…
DOEK. [175]