De „staalmagnaat”—Forster—hief het hoofd op toen zijn jonge vrouw binnenkwam.
Zij opende en sloot zelf de deur en trad daarna langzaam de kamer binnen, voortdurend haren echtgenoot aanziende.
—Ge liet me roepen!
—Ja! Wat duurt dat toch lang altijd. En waarom leert ge nooit goede antwoorden te geven aan graaf Timmys?
—Ik gaf een goed antwoord—antwoordde Issi nonchalant.—Hij vroeg mij alleen of ik bij u wilde komen. Meer niet. Wanneer hij mij gevraagd had, of ik onmiddellijk had willen komen, dan was dit natuurlijk ook gebeurd.
—Goed! Goed!… Je deed niets anders dan lezen. Mijn belangen staan toch wel hooger dan die vervloekte romannetjes?
—Heeft uw „graaf” dit zoo goed gezien?—vroeg Issi niet zonder scherpte.—Niet alleen is het bespottelijk om je te omringen met al die adellijke vleiers, maar het gespionneer schijnt je welgevallig te zijn.
—Dat moet wel! Aangezien mijn vrouw mij niet in de gelegenheid wenscht te stellen om haar gade te slaan wanneer ik het wil, ben ik genoodzaakt andere maatregelen te nemen.
—Bah!…
Dit was het eenige wat Issi hooren liet, waarop onmiddellijk een uitbarsting van Forster volgde:
—Zeker!… Zeker!… Ik wil weten wat je uitvoert … Ik ben je heer en meester. Ik heb je genomen voor mij … Je behoort mij toe … Niemand anders. En jij met je overdreven kunsten, met je krankzinnige beginselen zou mij treffen … mij vernietigen. Jij zelf bent de oorzaak, dat ik je moet laten bewaken. Zoolang jij niet verandert, beschouw ik je als mijn gevangene.
—Zoolang ik zelf wil!—viel Issi hem driftig in de rede. [8]
—Wat meent ge wel? Ge hebt geen wil. Ik, ik alleen ben baas. Zonder mij ben je niets. Een kind van een werkman.
—Een éérlijke man dan toch!
Forster sprong als van een adder gebeten overeind. Hij liep op Issi toe, doch deze week op zijde en greep het schelkoord.
—Nog één stap, Forster, of ik schel, en je baronnen en graven, die je toch al verachten, kunnen dan getuigen zijn van de mishandeling die gij mij toedienen wilt.
Dit scheen te helpen, want Forster bleef staan en siste tusschen de tanden:
—Slang!—
—Hebt ge mij daarom laten roepen? Om me dàt te zeggen?—vroeg Issi, met een van drift trillende stem.
Forster gaf geen antwoord, want de telefoon ratelde en dus moest hij den geluidshoorn opnemen.
Issi bleef geduldig staan. Zij kwam weer tot zichzelf en begreep, toen zij haar echtgenoot zoo driftig hoorde telefoneeren, dat er weer een of andere dringende zaak moest behandeld worden.
Forster legde de telefoon neer en keerde zich naar zijn vrouw.
—Zijt ge verstandig geworden?
—Laten wij tenminste dáár niet meer over spreken. Dat is al zoo menigmaal door ons behandeld. Maar dat gij mij ’t verwijt doet van mijn geboorte is schandelijk. Ik vroeg u niet te trouwen. Liever woonde ik gelukkig op een twee-en-dertigste étage, in een kleine kamer, dan hier met ongeluk.
—Ongeluk dat ge je zelf op den hals haalt.
—Dank je!
—Is ’t dan zoo niet? Kun je niet alles krijgen wat je begeert? Ben jij niet de schoonste vrouw van New-York? Wordt ge niet geprezen als een gelukkige sterveling? Maar je vervloekte overgevoeligheid, je idiotisme, dàt, dàt is een belemmering. Ben ik een man om zich over mij te schamen? Kijkt niet iedereen mij naar de oogen? Wordt mijn naam niet genoemd in schier alle steden der wereld?…
—Met eere?
—Wat kan mij dat schelen? Met eere of met vrees! Als hij maar genoemd wordt. Dan is ’t mij allang goed. Geld is de hoofdzaak. Dan hebt ge macht. Met macht doe je alles. Dàt is de hoofdzaak. Al ’t andere is nonsens. Je bezit een macht met je oogen …
—Was ik maar leelijk.
—Dan moest ik je niet hebben—gaf hij ruw terug.
—Misschien was ik dan gelukkiger.
Forster werd weer driftig. Hij sloeg met de vuist op tafel en riep:
—Genoeg! Ik heb je hier laten roepen om een verklaring te hooren, waarom jij gisteravond niet mee wilde gaan naar de partij, die mijn vriend Baltimore gaf, ter eere van jou?
—Omdat ik van alles walg.
—Verklaar je nader.
—Ga zitten!—gebood Issi—en als je mij wilt aanhooren zal ik je alles zeggen. Ook ik was van plan je een verklaring te geven. Zoo kan ’t niet langer. Luister.
—Maak het kort,—antwoordde hij zeer norsch.
—Kort? O, ’t is zoo eindeloos lang het verhaal van ’t leed, dat tusschen ons is. Maar kort zal ik ’t vertellen. Toen ik nu ruim een jaar geleden met jou trouwde, wist ik zoo weinig van alles wat er gebeurde. Ik wist niet dat jij een mensch was, die niets ontziet wanneer het er op aankomt geld te verdienen. Alles offert gij daaraan op. Toen wist ik nog niet op welk een wijze gij de onmetelijke kapitalen hadt verkregen, die jou in staat stellen zoo te leven als nu! Wel heb ik mij menigmaal verwonderd dat gij zoo spoedig opgeklommen waart, maar ach, hier in ons land, waar zooveel avonturiers hun slag slaan, is niets vreemd. Ik begreep er dus niets van, doch pijnigde mijn hersenen ook niet met een oplossing van dit vraagstuk. Later toen ik, zooals jij het noemde, „de groote wereld” werd binnengeleid … toen ik hoorde en zàg hoe de kapitalen zich vermeerderen,… toen ik bemerkte dat gij met vuur speeldet en de wereld meende te kunnen beheerschen, heb ik je gewaarschuwd. Jij meende [9]toen dat ik met je vijanden had gesproken. Jij maakte tumult. Jij sloot mij òp. Jij ontnam mij mijn vrijheid. Jij omringde mij met een bende trawanten, die gij huurdet. Mannen van adel. Adel die niet geadeld was en die vreugde schepte in jouw plannen. Zij stelden mij tot spot. Zij moesten mij lééren!… lééren … Gij meendet, dat gij alles doen mocht wat gij zèlf wilde. Gij vernietigde iets in mij … mijn geloof in de menschen. Waarom liet gij mij niet de eenvoudige typiste?… Waarom naamt gij mij? Dacht gij met jouw geld, waar bloed aan kleeft, mij gelukkig te maken?…
Even zweeg Issi en keek haar man doordringend aan.
Toen vervolgde zij:
—Gij zijt daarna begonnen met mij te overtuigen van je goed recht. Ik zàg … ik begreep alles!… Ik wist de gruwelijke oneerlijkheid van jou bestaan … van het bestaan der staalcombinatie, waarvan gij de ziel bent. Ik smeekte je er niet mee verder te gaan.… op te houden met zoo schandelijk bedrijf. Ge wildet niet, en ge dwongt mij met je mee te leven. Gisteren moest gij mij meenemen naar die partij van Baltimore, omdat er geld te verdienen was. Ik moest dienen om de aandacht af te leiden. Dat wilde ik niet …
Forster sprong op …
—Eén oogenblik nog—zeide Issi—ik ben zoo gereed. Thans zeg ik je, dat het niet langer zoo kan! Ik wil niet. Ik ga heen en ge moet zelf weten wat ge doet. Maar ik wil niet genoemd worden bij de namen van hen die niets dan ellende brengen over de wereld. Ge meent dat een vrouw een zwak, een onnut schepsel is. Vergis je niet. Ik weet dat gij thans niet alleen met je staal bezig bent een ontzettende daad te bedrijven, maar dat ge ook je onzalig geld uitzet op een hooge troefkaart … Wees gewaarschuwd.
Vermoeid zweeg Issi.
Forster knarste op zijn tanden.
—Eens—stiet hij uit,—kwam een man met je vader in botsing … en—vervolgde hij somber—je vader werd gedood, zoo men zegt bij toeval. Jij hebt iets, meen ik, van die krankzinnige eerlijkheid van je vader … Ik zou kunnen bewerkstelligen dat een toeval ook jou trof … Jij hebt mij gewaarschuwd … ik doe het jou!…
Geheimzinnig hadden deze woorden geklonken. Heesch had Forster ze uitgestooten en Issi moest onwillekeurig huiveren voor den man, aan wien ze vastgekoppeld was. Vooral toen hij gewaagde van haar vader, schrok zij hevig op. Een geweldig vermoeden rees bij haar naar boven. Was Forster misschien de moordenaar? O! die pijnlijke onzekerheid. Die gruwelijke onzekerheid. Dat was om gek te worden!…
Forster bemerkte den angst bij Issi en ging koud, meedoogenloos voort:
—Van dit oogenblik af moogt ge geen voet meer buiten dit huis zetten zonder geleide. Ik zal mijn orders geven. Niemand moogt ge buiten mij, of mijn zaakgelastigde—Forster gebruikte gaarne mooie woorden—ontvangen. Tot op het oogenblik dat gij uit eigen vrije beweging naar mij toe zult komen om met mij te genieten van het door mijn vernuft verdiende geld, wordt ge beschouwd als mijn gevangene.
—Dat is onrecht,—riep zij uit.
—Mijn recht bedoelt ge. Een recht dat ik gekocht en betaald heb. Niemand kan mij dat beletten. Mijn macht is grooter dan ge denkt. Geen enkele rechter durft mij aan … Niemand zal het ooit wagen mij aan te vallen … Niemand … Iedereen weet, dat ik zelfs bevriend ben met de regeerders van andere landen!.…
Issi zweeg zeer stil. Zij gevoelde haar onmacht tegenover deze geldkracht en boog het hoofd als in groote vertwijfeling.
Forster riep nu graaf Timmys.
Tijdens de jaren dat Forster voor een groot deel de macht van millioenen en nog eens millioenen menschen bezat, bestond er bij de van niet geworden multi-millionnairs een eigenaardige gewoonte.
Zij, die met een ontzettende praal en pracht op grenzeloos parvenuachtige wijze leefden en hun huizen tentoonstelden, kregen het idee om enkele vertrouwde dienaren te kiezen uit den adelstand.
Meestal waren deze personen uit Europa gekomen, als avonturiers, of om op deze wijze uit te wisschen een vlek, die op den familienaam rustte. [10]
Enkelen hunner gingen doodeenvoudig gewoon aan ’t werk, om als een eerzaam burger te kunnen leven, doch anderen, gewoon aan hun luie leventje, boden zich aan als kamerpersoneel bij de millionnairs, welke meestal zeer vatbaar waren voor vleierij.
Forster nu had ook enkele bedienden, onder wie een graaf en vier baronnen.
Hij was er trotsch op dat hij vijf adellijke personen in dienst had en stelde graaf Timmys aan als chef over de anderen.
De „heeren” hadden het uitstekend bij Forster, wijl zij een zeer hoog salaris genoten en als zij hun „uitgaansdag” hadden, waren zij volkomen in de gelegenheid om de meest buitensporige genietingen te smaken.
Forster bemoeide zich alleen met graaf Timmys, een sluwen kerel, die nooit iemand open in de oogen zag, maar steeds als een gluiper met iemand sprak.
Graaf Timmys had in de tien maanden, welke hij in Forster’s dienst was geweest, zich het vertrouwen weten meester te maken van den parvenu, met het gevolg dat Forster Timmys’ zak goed vulde.
En het noodlot wilde bovendien dat Issi, die een geweldigen afkeer had van al dit „groot gedoe”—zooals zij het noemde—absoluut de adellijke bedienden behandelde als waren zij gewoon personeel.
Met haar onschuldig, rein hoofd en hart wenschte zij geen diensten gedrenkt met vleierij en gaf meer dan eens op luiden toon hare ontstemming te kennen over het optreden van graaf Timmys.
Deze, een Portugees van geboorte, was een zeldzaam hartstochtelijk mensch, die, wanneer men hem ééns beleedigde, iemand haten kon met een hevigheid die gevaarlijk te noemen was.
Forster wist dit. Hij wist ook dat graaf Timmys zijn vrouw niet mocht lijden, dat hij iedere daad aan hem vertellen zou, en kon dus geen beteren bewaker aanstellen dan dezen man.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
—Timmys—gebood Forster—ik wensch dat van dit oogenblik af niemand mijn vrouw bezoekt, zonder mijn voorkennis.
De grafelijke bediende boog.
—Verder draag ik u op om, als mijn vrouw mocht uitgaan, haar schreden te volgen. Buiten het park mag zij niet gaan.
Andermaal boog Timmys.
—U wilt daarvoor wel zorgen?
—Zeer zeker, Sir! Mag ik u nog opmerkzaam maken op mevrouw’s brieven?
—Prachtig, Timmys! Ge hebt twintig dollar méér per maand om uw opmerkingsgave. Mevrouw mag geen papier noch schrijfmaterialen hebben buiten mijn wil.
Issi stond daar als een vlammende engel. Haar oogen schoten vuur. En toch was zij onmachtig tegen gewetenlooze schurken als zij beiden waren.
Zij trilde over haar gansche lichaam en haar zelfbeheersching was zoo hevig, dat haar zenuwen te sterk werk moesten doen. Zij viel met een licht gilletje op een stoel bewusteloos neer.
Hard, koud, zeide Forster:
—Wij zullen haar wel klein krijgen, roep haar kamenier.
Enkele minuten later was deze aanwezig en binnen een kwartier opende Issi de oogen en vroeg met zwakke stem:
—Breng mij naar mijn kamers.
Ondersteund door haar kamenier schreed Issi voort naar haar kamers en bleven de beide mannen achter.
Forster zette zich neer aan de schrijftafel en bemerkende dat Timmys nog steeds te wachten vroeg hij barsch:
—Waar wacht ge op?
—Een bewijs van salarisverhooging.
—Vertrouwt ge mij niet?
—’t Is alleen voor eigen zekerheid.
—Niemand leent je toch op een vod?—vroeg Forster met een grijnslach op zijn gelaat.
—Uw handteekening opent de deuren der paleizen, Sir,—antwoordde Timmys met een glimlach.—De macht is wonderlijk.
—Dat is de macht van ’t geld—mompelde Forster, terwijl hij het gevraagde bewijs gaf. [11]