[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

Raffles doet een ontdekking.

Er heerschte een oogenblik stilte in de bibliotheekzaal, waar Professor Edenshir met Forster zat te praten.

Professor Edenshir had juist geluisterd naar de uiteenzetting van een beursspeculatie en zat nu te denken over het antwoord dat hij geven moest op de vraag van Forster: „Hoe is de politieke toestand op het oogenblik in Europa?”

Raffles klopte langzaam en met grooten ernst de asch van zijn sigaar en zeide:

—Die vraag, mijn waarde heer, is zeer moeilijk te beantwoorden. Vanzelf doet u deze met een bepaald doel. Ik mag toch wel aannemen dat u als groot-industrieel, als groot-kapitalist, zeer goed op de hoogte zijt van den algemeenen politieken toestand. U bedoelt dus de meer diplomatieke, de geheime nota’s der mogendheden. Nu ben ik wel-is-waar bevriend met verschillende diplomaten. Een geleerde moet zijn vrienden nooit zoeken in eigen kring, ziet u. Vandaar dat ik me speciaal heb toegelegd mijn vrijen tijd te besteden aan liefhebberij-politiek. Van liefhebberij is dit ernst geworden en menigmaal heb ik gezien dat een advies mijnerzijds gegeven opgevolgd is. Ik daarentegen hoorde dus de intiemste dingen en nu spijt het mij werkelijk, mijnheer Forster, dat ik u, uit kracht van die opgelegde geheimzinnigheid, niet vertellen mag wat ik er van denk.

Forster’s oogen glinsterden. Deze kerel was een macht. Dien moest hij voor zich weten te winnen zonder dat het veel kostte. Die andere politieke kerels eischten zoo’n gruwelijk hoog aandeel in de winst dat hij het meer dan erg vond. [16]

Misschien wilde die professor wel toebijten. Geld was immers alles! En bovendien, deze kerel hier wist immers niet van zaken doen?

—U behoeft ook geen geheimen te verklappen, professor—poogde Forster vriendelijk te zeggen, terwijl hij Raffles voortdurend aanzag,—maar ik vroeg u alleen uw opinie.

—Buitengewoon gunstig voor de staalindustrie—zeide Raffles geheimzinnig.

—Meent u?—vroeg Forster in spanning.

—Natuurlijk—antwoordde Raffles.—Het is immers al een publiek geheim dat men bezig is met het afsluiten van bindende contracten voor de komende jaren.

Raffles vermoedde dit slechts op grond dat Forster er iets van had uitgelaten, doch nu hij het zoo positief zeide, gaf het den schijn, alsof Raffles meer wist en kreeg hij in de oogen van Forster een zeer bijzondere waarde.

Forster zweeg stil. Hij probeerde, zooals hij het bij zichzelf noemde, „Professor Edenshir te vangen”, maar de gelaatstrekken van dezen waren zóó ondoorgrondelijk, dat hij met geen mogelijkheid iets te weten kon komen.

Raffles van zijn kant moest meer weten van dezen millionnair. Dat hij iets in zijn schild voerde geloofde hij stellig. De belangstelling in de politieke omstandigheden was te gespannen om alleen een uiting te wezen van nieuwsgierigheid.

Er zat iets achter.

Wist Raffles nu maar met welke diplomatieke agenten de „staalmagnaat” onderhandelde, dan was hij al een heel eind verder.

Hoe hij evenwel het gesprek wendde of keerde, Forster liet geen naam hooren en hulde zich in een geheimzinnigheid die zelfs Raffles niet vermocht te onthullen.

Had Professor Edenshir nu maar niet gesproken over zijn politieke kennissen in dien zin dat Forster weten wilde wie het waren, dan was er nog een kans geweest.

Nu was het slechts een vragen wederzijdsch zonder tot een oplossing te komen.

’t Was nu reeds tegen middernacht en Raffles was nog niet ver gevorderd.

Plotseling was zijn besluit genomen; hij zou probeeren door inbraak achter de geheimen van Forster te komen.

Hij stond op en beweerde dat hij nog even naar de patiënte ging zien, om daarna naar zijn hotel te gaan.

Morgenochtend vroeg zou hij terugkeeren.

Forster kreeg op dat moment de post binnen, die een kantoorbeambte hem bracht, zoodat de gelegenheid gunstig was om heen te gaan.

Gedurende enkele minuten bleef Raffles in de breede marmeren gang staan en deed alsof hij in gedachten verzonken was. Voor ’t geval dat ook professor Edenshir bespionneerd werd, nam hij dezen maatregel, die niets anders was dan om te zien of Forster zijn kamer ook verlaten zou.

Langzaam ging hij naar de kamers, waar Charly als ziekenoppasser bij Issi was, die thans zekerheid had dat zij niet als een gevangene werd behandeld.

Toen Raffles binnenkwam, snelde Charly op hem toe en zeide, zonder eenige tegenspraak te dulden:

—Wat is dit nu weer voor krankzinnigheid?

—Niets anders dan dit, beste jongen: Een jong onschuldig kind, dat in een zwak oogenblik toestemde in een huwelijk met een rijken plebéjer, moet beschermd worden. Daarenboven schijnt het mij toe alsof deze man iets in zijn schild voert dat niet deugt. Hij verdient een lesje. Dat is alles.

—Waar bemoeit ge je mee?

—Met alles waar ik plezier in heb.

—Mooie genoegens—bromde Charly.—Wanneer je nu nog eens een grap uithaalt, maar dit is zoo wanhopig treurig.

—Beste Charly, naderhand zult ge het goede hierin zien. Is je post van ziekenoppasser zoo zwaar?

Zonder af te wachten ging Raffles naar Issi toe, die nog steeds voor het wijd geopende raam lag.

Juist toen hij het raam wilde sluiten kwam de maan door de wolken en bescheen deze zacht den schitterend [17]aangelegden weg door het park, loopende van den hoofdweg naar Forster’s huis.

Raffles’ gedachten werden ineens in beslag genomen door een eenzamen wandelaar, die met voorzichtige schreden naderbij kwam en opzag naar de lichte vensters, waarachter Forster te werken zat.

—Nog zoo laat bezoek?—mompelde Raffles bij zichzelf, toen hij den kerel de breede trappen van het bordes meende op te zien gaan.

Toch werd er niet gebeld.

Een van ’t personeel misschien.

—Mevrouwtje—zoo begon Raffles tegen Issi—kan er nu nog bezoek komen?

—Voor Forster!—antwoordde zij mat.

—Zoo laat nog?

—Geheime zaken—merkte zij smalend op.

—Zoo! zoo!.… Een zaak als die van mijnheer Forster is geweldig van omvang. Zoo iemand heeft nooit rust.

—Meent u?

—Ja. Me dunkt ’t is altijd wat.

—Men neemt te veel, professor! O, u weet niet wat het zeggen wil. Ik lijd er onder. Elke dag is mij ellendiger. En dan wil de kerel hebben, dat ik daarin zal meedoen. Hij eischt van mij dat ik den Russischen gezant tot mij halen zou, omdat het in zijn belang is. In den laatsten tijd, professor, heb ik gehoord van vergaderingen, waarin men het wel en wee uitsprak over millioenen.

—Bereidt men een oorlog voor?

Issi knikte slechts.

—U behoeft mij niets meer te zeggen, ik weet voldoende.

—Wat zult ge doen?

—De plannen verijdelen.

—Kunt ge dat?

—Misschien.

—Zijt ge even sterk als zij?

Raffles glimlachte. Eigenaardig hoe men woorden overneemt van hen met wie men veel spreekt. Want onder de millionnairs werd nooit gevraagd „hoe rijk” maar „hoe sterk is hij?”

—Wanneer ik niet even sterk ben, zal ik compagnons nemen.

—Hoe zal men een professor in de zielkunde kunnen gelooven op zakengebied?

—Vraag niet meer, later zal u alles duidelijk wezen.

Issi zweeg even, doch zij begon later weer opnieuw:

—Ik wil hier weg. Ik moet mijn vrijheid hebben. Ik kan zóó niet leven.

—Waar is uw moeder?

—Daar kan ik niet heen.

—Ik zal morgen een schuilplaats voor u zoeken. Dan vlucht gij morgennacht met mijn vriend, die heden geregeld bij u is om u op te passen.

—Dank u. Verlos mij van dien man. Ik heb hem nooit liefgehad.

—Genoeg. Ga rusten. Tot morgen.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Behoedzaam ging Raffles thans de trappen af. Juist wilde hij de deur der bibliotheek openen om zoo brutaal mogelijk binnen te treden, hopende daardoor te weten te komen, wie daar straks bij Forster was gekomen, of graaf Timmys trad hem opzijde.

Het livrei-pak zat strak om het lichaam en de houding was onberispelijk voor een bediende.

—Wel, graaf?—vroeg Raffles, onmeedoogend drukkend op het woord „graaf”—het schijnt dat ge u zeer goed kwijt van uw taak.

Als getroffen door een zweepslag kromp Timmys ineen onder den doorborenden blik van Raffles.

—Wat bedoelt ge?—vroeg Timmys stamelend.

—Gij spionneert—minachtte Raffles terug.

—Excuseer mij, professor. Ik doe alleen dienst als schildwacht.

—En gij volgdet mij.

—Ik stond in die nis, professor. Ik moet er voor zorgen, dat niemand die kamer binnengaat. Er is een bijeenkomst—fluisterde hij.

—Is uw meester zoo laat bezig?

—Heden wel.

—Vergeef mij dan mijn meening. Ik dacht dat u spionneerde en dat vind ik vooral van u onverantwoordelijk. [18]Hoe is het trouwens mogelijk dat gij in dezen dienst zijt?

—Forster betaalt goed.

—Hoeveel?

—Duizend dollar per maand.

—Hm!… En daarvoor bewaart gij geheimen, die zooveel schatten meer waard zijn?

—U vergist zich, professor. Niemand weet hier geheimen. Alleen personenkennis. Maar wat er gesproken wordt tusschen Forster en den Russischen gezant is ons een raadsel.

—Dus de gezant is er?

Timmys werd eerst doodsbleek, toen vuurrood en met één sprong greep hij een dolk, die in de nis lag.

Raffles had alles opgemerkt, doch vóór dat graaf Timmys bij hem was, had Raffles zich tot hem gekeerd, greep den pols als met een schroef vast, zoodat de dolk kletterend op den grond viel.

Timmys had een gesmoorden vloek doen hooren en wreef zich, een pijnlijk gezicht zettende, met kracht den ontwrichten pols.

—Dwaas die gij zijt—zeide Raffles,—gij wildet mij dooden. Waarom?

—Gij weet iets dat niemand weten mag. Gij moet sterven.

—Dat is zoo. Maar thans nog niet. Wees eens even kalm. Jij hebt mij niets gezegd, is ’t wel? En wat wildet ge nu doen? Dooden kunt ge me niet. En verraden zal ik je niet. Vervloekte Portugeesche driftkop, denk je, dat ik met jullie vervloekte geschiedenissen iets wil te maken hebben?

Hem moet ik eerst voor een poosje opbergen. Hij is te gevaarlijk door zijn ongemotiveerde drift, overlegde Raffles bij zichzelf. Ik zal hem thans even geruststellen, maar morgen is het tijd om te werken.

Hier was iets geheimzinnigs, iets dat hij doorgronden wilde. Hij gevoelde het als een ding van groot belang.

Raffles nam een bankbiljet van vijftig dollar.

—Pak aan, graaf!—spotte Raffles—en wee je gebeente als ge me een stroobreed in den weg durft leggen.

En terwijl hij wachtte totdat zijn auto voorkwam, dacht Raffles al maar over de plannen die hij uitvoeren moest als hij tot een oplossing komen wilde.

De ontdekking wàs er, maar wat zou deze brengen?

Raffles zat eenige oogenblikken daarna rustig in zijn auto, die met snellen gang hem voerde naar het Victoria-Hotel. [19]