[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

De ontvluchting van Issi.

Den volgenden morgen ging Raffles reeds vroeg naar het huis van Forster toe.

Hij had zich voorgenomen dat hij, eer het jaar vier en twintig uren ouder was geworden, al een heelen boel gedaan moest hebben.

Het zou een drukke dag van voorbereiding, een drukke avond en nacht van uitvoering wezen!— —

Met vluggen, jeugdigen stap klom hij de treden van het bordes op en liep den portier voorbij, alsof hij reeds een bekende in Forster’s huis was.

Zijn eerste gang was naar Issi’s kamers.

Binnengekomen zijnde informeerde hij eens naar de gezondheid van Issi. De rust had haar zichtbaar goed gedaan en zij zag er jeugdiger en schooner uit dan ooit.

Raffles vroeg zich opnieuw af, hoe of het mogelijk was geweest dat dit meisje getrouwd was met een zooveel ouderen man, die daarenboven nog een wreedaard was.

—Mevrouwtje—zoo sprak Raffles—ik ga aanstonds op weg een goede schuilplaats voor u te zoeken. Blijft gij bij uw besluit?

—Zeker, professor.

—Goed. U begrijpt wel dat uw echtgenoot géén toestemming geeft tot uw vertrek. Daarom zullen wij geheimzinnig te werk gaan en uw heengaan zal zoo iets van een vlucht wezen.

—Alles is mij wel, professor,—antwoordde Issi,—ik wil alleen weg van onder de macht van dezen man. ’t Moet!

—Dat zal gebeuren. Houd u rustig en luister naar den raad van mijn assistent. Deze handelt meestal in mijn geest en zal u, mocht er onverhoopt een voorval komen waaruit het werken van Forster blijkt, bijstaan. Zorg er voor dat u hedenavond zeer sterk zijt.

Hierop ging Raffles weer heen, na nog even met Charly te hebben gesproken.

Zijn eerste gang was naar Forster’s kamers.

Een bediende verwittigde Raffles dat Sir Forster reeds vroeg uitgegaan was en hem verzocht had te vragen of professor Edenshir naar het bureau der hoogovens komen wilde, waar Forster op hem wachten zou.

—Zeer goed. Is graaf Timmys hier?

—Deze is hedenmorgen vroeg vertrokken.

—Waarheen?

—Naar New-York.

—Ontslagen?

—Neen, professor. ’t Was een buitengewone spoedboodschap, welke verricht moest worden.

—Waarom moest Timmys dat doen?—vroeg Raffles voorzichtig. Hij wilde probeeren dezen knecht uit te hooren.

—Dat is werk wat Timmys altijd doet.

—Is Timmys langer hier in dienst dan gij?

—O neen! veel korter.

—Dan begrijp ik niet dat Forster u niet belast met geheimzinnige zendingen … of—voegde hij er zacht aan toe—zijt gij niet betrouwbaar?

—Ik dien nu drie jaren hier. Ik ben reeds huisknecht bij hem geweest toen hij nog niet getrouwd [20]was. Ik ben maar een eenvoudige jongen, Sir, maar eerlijk. Ik heb veel gezien van mijn heer en meester, maar ik moet zwijgen, omdat ik veel verdien en daardoor mijn oude ouders steunen kan. Maar anders bleef ik geen uur meer hier.

Raffles keek den spreker eens scherp aan. Was dit soms een comediespel om hem in een val te lokken?

Doch neen. De kerel was zoo onbevangen, deed zoo eenvoudig, dat het waarheid wezen moest wat hij stond te vertellen.

Raffles moest de proef op de som hebben.

—Dus als gij evenveel, zoo niet meer zoudt kunnen verdienen ging gij weg?

—Ja. ’t Is hier met al die baronnen en graven géén werk. Op ’t oogenblik ben ik even rustig. Ik moest van Timmys wacht doen, maar anders commandeert dat „kanalje” mij veel meer dan vroeger Forster.

—Goed. Je wilt weg. Ge kunt bij mij komen.

—Hier?

—Wat bedoel je. Hier in New-York?

—Ja, Sir!

De man stamelde van hoop en blijdschap en keek naar Raffles’ lippen om te zien als het ware, wat professor Edenshir zeggen zou.

—Gij blijft hier in New-York. Onder één voorwaarde.

—En die is?

—Dat gij mij trouw zult dienen en alles zult doen wat ik wensch.

—Sir!—antwoordde de man eenvoudig—ik wil dit alles zéker doen. Maar ik heb hier veel geleerd en vertrouw weinigen meer. Ik behoef toch b.v. nooit iemand te.…..

De man zweeg.

—Nu?—vroeg Raffles.

Even schudde de man met ’t hoofd en sloeg de oogen neer.

Toen zeide hij heel zacht, zonder verband tusschen zijn daareven gesproken woorden:

—Iemand kwaad te doen bijvoorbeeld.

Raffles dacht na. Deze vraag werd niet zonder bedoeling gedaan. ’t Was wel zeer eigenaardig, dat hij dezen man nù ontmoeten moest. Probeeren dan of hij er profijt van hebben kon.

—Hoe komt ge aan zulk een gedachte?

—Dat weet ik niet. ’t Was alleen maar een vraag.

—Hebt ge hier dan al eens iemand moeten vermoorden bijvoorbeeld?

Een doodelijke bleekheid toog over ’s mans gelaat. Er ging Raffles plotseling een licht op. Deze man bleef dáárom bij Forster. ’t Kon niet anders. Hij was geketend aan dit bestaan en durfde wellicht niet eens buiten New-York, bang als hij was dat men hem nog eens arresteeren zou.

Welk een geheim zou hier nu weer achter zitten?

Raffles streek zich over ’t hoofd en zeide daarna:

—Uw vraag, uw gansche optreden geeft mij te denken. Ik wil eens ernstig met je spreken. Misschien zal dat je goed doen. Kunt ge hedenavond bij mij komen?

—Waar?

—Om acht uur in het Victoria-Hotel.

—Neen, professor. Dat zal niet gaan. Ik heb vanavond dienst.

—Is hier dan geen stil plaatsje waar wij kunnen spreken?

—Jawel, maar zeer gevaarlijk.

—Dat is minder.

—En dan, professor, niet om acht uur, maar om twaalf uur hedennacht.

Raffles keek weer naar den huisknecht. Vermoedde men iets van de plannen omtrent Issi’s vlucht?

Dat was toch niet mogelijk. Dat kon niet. ’t Was een merkwaardige samenloop van omstandigheden, die, wanneer men de macht had ze te gebruiken, allen dienstbaar gemaakt konden worden aan het doel wat Raffles zich voorgesteld had.

Buitendien, wanneer hij er voor zorgde dat Issi, bijgestaan door Charly, vluchten kon, dan was hij hier toch.

—Ik zàl komen!—zeide Raffles met harde stem, terwijl hij den man doordringend aanzag.—Maar weet dat ik nooit bang ben. Begrepen?

Hij zweeg even en zeide daarna:

—Wijs mij de plaats waar ik wezen moet! [21]

—Weet u de bibliotheek?

—Ja. Ga voort.

—Die trap gaat ge op en ik zal er wezen om met u te gaan.

Raffles verdiepte zich er niet verder in, want hij moest nog heel wat doen. Hij nam dus afscheid van den huisknecht en reed enkele minuten later naar het bureau van Forster, bij de hoogovens en ijzerfabrieken.

Raffles werd ontvangen door een ambtenaar, die hem onmiddellijk naar Forster bracht.

—U komt juist intijds, professor—riep Forster op zijn gewone luidruchtige manier. Hij zag er zeer opgewonden uit.

—Dat doet mij werkelijk genoegen. De patiënte..

—Ja, ja!—viel Forster hem plotseling in de rede—dat komt wel. Ik ben op het oogenblik aan geheel andere dingen bezig. En ik wilde u juist vragen of mijn vrouw vervoerd kan worden.

—Waarheen—vroeg Raffles in groote verbazing.

—Naar de buitenplaats van een mijner vrienden.

—Naar den Russischen gezant?—vroeg Raffles.

Als geëlectriseerd sprong Forster op.

—Hoe—weet—u—dat?…

Woest rolden zijn oogen door hun kassen, doch Raffles bleef kalm staan en zeide:

—Gewoonlijk weet ik alles, zonder dat ik er moeite voor doe. Gedachten, vriend. Gedachten, anders niet. U weet uw ziekteverschijnsel gaf mij redenen tot nadenken en dit bracht mij de wetenschap dat u zeer veel hooggeplaatste personen telt onder uw kennissen. Op ’t oogenblik is uw vriendschap buitengewoon voor dezen gezant, maar toch zal ik mij er ernstig tegen moeten verzetten dat u uw echtgenoote er zult heen brengen. Vertrouw haar liever toe aan een goed sanatorium, waar liefde en vrede, licht en reinheid heerschen.

Forster stond precies als een buldog, die gereed is voor een sprong naar het slachtoffer.

Raffles keek hem strak aan.

’t Was een zwijgend beproeven van elkanders krachten, want nu Raffles zekerheid had dat er groote geheimen bestonden, wist hij ook dat er zeer veel op ’t spel stond.

En gedachtig aan Issi’s woorden voelde hij, dat hier een inspannend maar goed werk te doen was.

—Wat u weet is gevaarlijk, professor—merkte Forster op.

—Meent u?

—Zéér gevaarlijk.

Forster drukte enorm op deze woorden, hij wilde professor Edenshir bang maken.

—Ik gevoel niets van dat gevaar. Waarschijnlijk is het dus geheel aan uw zijde.…—zeide Raffles nonchalant.

De aderen van Forster rezen op zijn voorhoofd, en toornig stiet hij uit:

—Mijnheer, nog nooit heeft iemand mij durven noch kunnen dwarsboomen. Door u laat ik ’t ook niet doen. Wie mij in den weg staat ruim ik op.

—Een oud handwerk van u?—merkte Raffles vragend op.

Forster wankelde.… Hij keek met groote oogen naar Raffles en stamelde:

—Wie zijt gij? Hoe durft ge?.…

—’t Doet mij genoegen, waarde Forster, dat ge mij, hoewel ik eigenlijk niets positiefs gezegd heb, gesterkt hebt in mijne meening.

Forster zeide niets, maar toen Raffles met een energieke beweging de deur opende en heenging met de woorden: „Als u beleefder en kalmer zijt geworden kom ik naar u toe”, kende zijn drift geen grenzen meer. Hij nam zich voor om professor Edenshir te dooden.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Raffles huurde daarna in een der meest afgelegen parken een kleine villa.

’t Was minstens zes à zeven uur rijdens van Forster’s woning af, zoodat als Issi hier naar toe vervoerd werd, men niet bevreesd zou wezen dat zij de eerste tijden ontdekt zou worden.

Raffles liet alles gereed maken, zóó, dat het voor een jonge vrouw een lusthof was.

Er waren kamers vol licht en lucht, met smaak gemeubileerd [22]en voorzien van alles wat een rustigen, aangenamen indruk maakt.

Hij nam een dienstbode aan, iemand van wie een informatie-bureau gunstige getuigenis gaf en liet deze direct alles in orde maken voor de komst van Issi.

Toen ging hij naar Forster’s huis, nadat hij zich eerst overtuigd had dat Forster nog op het Bureau was.

Tijdens Raffles’ afwezigheid was Timmys teruggekomen en met een bijna volkomen onderdanigheid boog deze.

—Graaf Timmys, ik kom daar juist van mr. Forster,—zeide Raffles.

—Ja, Sir?

—Mevrouw moet naar het buiten van den Russischen Gezant.

Een glimlach vloog over Timmys’ gelaat.

—Dat is zeer vlug. Ik ga nu mede naar Engeland,—zeide Timmys, die, nu professor Edenshir meer wist dan gisteren, meende dat hij alles zeggen moest.

—Timmys—hernam Raffles—ge moet me helpen.

—Zeer gaarne. Ik wensch het gebeurde van gisterenavond goed te maken.

—Prachtig. Maak de groote reisauto gereed. Wij kunnen mevrouw daarmede vervoeren. Doch vlug. Want binnen ’t uur moet ik weer bij Forster terug wezen.

Timmys ging zich van zijn taak kwijten.

Raffles vloog naar boven en gaf Charly en Issi last vlug voort te maken.

Toen ging hij vlug naar beneden en liep naar de Bibliotheek, waar de huisknecht nog was.

—Hedenavond ben ik niet hier. Kom morgen bij mij. Ge kunt onmiddellijk in dienst komen bij Lord Divonshart in het „Liveman-park”, Villa nummer 18.

—Morgen?

—Ja.

—Maar hier dan?

—Een getuigschrift is voldoende.

—Dat krijg ik niet.

—Wil ik er een maken voor je?

—Is ’t voor uw vriend?

—Ja. Maar later kan het je toch te pas komen. Geef me papier. Ah! laat me even plaats nemen voor ’t bureau van je meester.

—Professor!.… riep de man verschrikt—dat mag niet!

—Ach wat. Ik weet toch alles.

—Ge jaagt mij den dood in. Als Mr. Forster merkt dat gij er gezeten hebt, vermoordt hij mij.

—Dan komt ge mij maar dadelijk achterop.;

—Ik màg niet!

—Lafaard! Wel durfdet gij een daad doen die veel erger is.…

—Hoe weet ù dat,—riep de man ineenkrimpende van smart.

—Forster vertelde ’t mij!

—Dat is gemeen!

—Blijft ge dus nog hier?

—Neen!

—Laat mij door! Ga naar het door mij opgegeven adres. Ge zult het er goed hebben.

Raffles wachtte ’t antwoord niet meer af, maar trad brutaalweg de bibliotheek binnen.

Alles was goed gesloten, doch Raffles had op dergelijken tegenslag gerekend. Hij zette zijn instrumentje om sloten te openen er op en het bureau, waarin zooveel geheimen waren, was voor Raffles publiek eigendom.

Hij, die zoo menigmaal met allerlei dingen in aanraking was geweest, wist natuurlijk niet beter te doen dan te zoeken naar ’t een of ander verborgen laadje om te zien of hier bewijsstukken in lagen.

Lang mocht hij evenwel niet talmen, want ’t werd tijd om heen te gaan.

Met razende vlugheid doorzocht hij het bureau. Niets te vinden. Misschien was alles in de brandkluis van het groote kantoor.

Juist wilde Raffles den boel weer sluiten, toen hij vrij onzacht met zijn linkerhand in aanraking kwam met een knopje, dat beschermd werd door een laadje.

Een paneel week op zijde en Raffles zag een met [23]staalplaten bekleede ruimte, waarin papieren lagen.

Zonder zich te bedenken stal hij deze en sloot alles verder zorgvuldig af.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Vijf minuten later kwam professor Edenshir met Issi en Charly de trappen af en tien minuten later suisde de auto, bestuurd door professor Edenshir, door New-York’s straten de pas gehuurde villa tegemoet.