Graaf Timmys zat naast professor Edenshir voor in de auto en merkte met eenige verbazing op dat men niet naar het gewone buiten ging van den Russischen gezant.
—’t Is ook een buitengewoon geval—antwoordde Raffles terug.—Zoo direct zijn wij er.
Inderdaad. Raffles reed het park in en voor een allerliefste villa bleef de auto staan.
De deur werd onmiddellijk geopend en het vriendelijke gelaat van een ongeveer veertigjarige meid-huishoudster werd zichtbaar.
Tot heden toe liep dus alles goed.
Prachtig zelfs.
Met kalmte en waardigheid bracht men Issi naar een heerlijk groote tuinkamer, waar bloemen haar een vriendelijk welkom toeriepen.
Toen dit geregeld was gaf Raffles Charly een wenk en zeide:
—Graaf Timmys, wilt u mij even volgen?
—Gaarne.
Raffles ging naar een klein kamertje dat nergens ramen had. Wel was er een klein smal luchtgat, maar meer ook niet. ’t Scheen wel een proviandhokje te zijn, want nergens was ook maar een bewijs, dat er ooit iemand langer had vertoefd dan noodig was tot het verkrijgen van voorwerpen die daar opgeborgen waren.
Raffles stiet met den voet tegen een soort matras, en hij mompelde: „Ah, toch om gedacht.”
Hij keerde zich om en zeide tegen Timmys:
—Ziehier uw kamer voor dezen nacht, morgen zullen wij nader spreken.
Meteen gaf Raffles hem een duw, hield hem even een watje met vocht, dat een bedwelmenden invloed uitoefende, onder den neus en legde hem daarna neer op een matras, dekte hem toe met een deken, zette een zeer lange kaars bij hem neer, met allerlei benoodigdheden, zooals water, een fleschje wijn, cigaretten, opdat hij zich niet vervelen zou als hij ontwaakte.
Raffles met Charly gingen nu naar beneden, en namen afscheid van elkander, met de belofte dat Charly zorgvuldig op zou passen, en dat Raffles zoo spoedig mogelijk terug zou keeren.
Raffles reed nu met spoed naar het Victoria-Hotel, nadat hij eerst in een garage de boodschap achtergelaten had:
—Breng die auto onmiddellijk bij Mr. Forster, „den staalmagnaat”, terug met dezen brief:
De brief luidde:
Mr. Forster, bijgenaamd „de Staalmagnaat”.
Mijnheer!
Hierbij in beleefden dank terug uw auto, welke ik noodig had tot uitvoering van mijn plannen.
Professor Edenshir met zijn assistent en uw echtgenoote heb ik gevankelijk als reisgezelschap [24]meegenomen bij mijn vertrek naar de oude wereld.
Van mij zult gij, indien ge mij met rust laat, geen last ondervinden in uw poging om uw millioenen op een oneerlijke wijze te vermeerderen.
GRAAF TIMMYS.
Daarna ging Raffles weer terug naar het Victoria-Hotel, na eerst zorgvuldig de grime van professor Edenshir te hebben verwijderd.
Reeds dadelijk bij zijn binnentreden werd hij hartelijk verwelkomd door den directeur van het mooie, groote hotel en deze informeerde belangstellend naar het uitstapje, dat Lord Divonshart gedaan had in de provincie New-York.
Lord Divonshart ging naar zijn appartementen, en opende nu de stukken, die hij gestolen had uit het bureau van Forster.
Getallen … niets dan getallen, die millioenen vertegenwoordigden.…
Maar boven dit alles een plan dat opeens de geheimzinnigheden openden die Forster omgaven.
Forster moest al het staal en ijzer, alle grondstoffen aankoopen tot een lagen prijs. Hij en een graaf, verbonden aan een der gezantschappen, waren de compagnons in deze millioenen-affaire.
Wanneer nu alles in hun handen vereenigd was, zou men invloed gaan uitoefenen op de internationale politiek, dat wil zeggen, men zou partij probeeren te trekken van geschillen, die tusschen de mogendheden gerezen waren.
Dan zou men aanvankelijk doen alsof de voorraden staal en ijzer gecontracteerd verkocht waren aan één mogendheid en de andere zou zeer hooge prijzen gaan besteden voor staal en ijzer.
De beurs was op ’t oogenblik wat men in deskundige kringen slap noemt. Alleen iedereen was verbaasd dat Forster door talrijke agenten alles opkocht wat ook maar eenigszins dienstig was.
De internationale berichten waren immers zóó rustig dat niemand in de eerste jaren althans eenige vrees koesterde dat het tot een oorlog komen zou.
En Forster’s plannen waren zoo geheimzinnig, zóó af, zóó buitengewoon ondoorzichtig, dat men met geen mogelijkheid ook maar bij benadering raden kon wat er eigenlijk gebeurde.
Raffles las aandachtig al die plannen, die, hoewel nog geheel onvolledig, hem een inzicht gaven in de ploertige wijze van werken, die de „staalmagnaat” er op nahield.
Zorgvuldig borg hij de dingen in een enveloppe weg en sloot ze in een der koffers, die op zijn pakkamer stonden.
Toen zette hij zich nader en dacht zeer ernstig na.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Forster was thuisgekomen en ging allereerst naar de vertrekken van zijn vrouw.
Niemand was er aanwezig.
Wat kon hier gebeurd zijn?
Een angstig voorgevoel maakte zich meester van Forster.
Hij riep de kamenier bij haar naam, doch kreeg geen enkel antwoord.
Zijn oog viel op een klein briefje, dat op een werktafeltje lag.
Hij rukte het open en las:
Mijnheer Forster!
Vanmiddag verzocht graaf Timmys mij even een boodschap te doen. Ik ging. Bij mijn terugkeer zag ik niemand meer. Zelfs John was vertrokken. De overige bedienden wisten van niets en ik deed onderzoek. Het bleek mij dat mevrouw gevlucht is en ik wilde mij niet blootstellen aan uw toorn.
Vergeef mij.
CHARLOTTE,
kamenier.
Roerloos stond hij daar.
Eindelijk rilde hij, als schudde hij iets van zich af en liep naar de breede marmeren gang.
Met luide stem brulde hij:
—Timmys!… Timmys!!…
De deuren der kamers van het overige dienstpersoneel [25]werden geopend en men snelde naar Forster toe, die nog steeds stond te roepen!…
Niemand kon antwoord geven op de vragen, de driftige vragen van Forster.
Stil!
Een auto reed voor!
Forster zelf vloog naar de deur en liep den chauffeur, die het briefje met de auto bracht, bijna omver.
—Vanwaar komt ge?
—Garage „Motor Car’s Cy.”—antwoordde de man.
—Wat moet je?
—Dit briefje geven—zeide de chauffeur nijdig, die alles behalve gesticht was over den door Forster gebruikten toon.
Forster las met inspanning het geschrevene.
Hij waggelde naar binnen, zocht een doorgang door de opdringende bedienden en sloot met harden slag de deur der bibliotheek.
De beheersching was evenwel te hevig geweest en een groote zwakte kwam over den „staalmagnaat”.
Ruim een uur zat hij zoo.
Toen was het alsof hij opleefde.
—Wat weet die Timmys eigenlijk? Hij weet dat ik in geheime betrekking sta tot enkele diplomaten, maar meer ook niet. En dat hij ’t geheele rommeltje heeft meegenomen is mij wel. Als alles achter den rug is, en niemand mij meer treffen kan, zoek ik hem toch. Nu is het slechts uitstel van executie. Wacht maar, Timmys … Wacht maar!.… Het komt wel …
Een vreemde glimlach ontsierde zijn toch al zoo wreed gelaat en het werd er nog onaangenamer door.
Forster ging voor zijn bureau staan en drukte op het geheime knopje.…
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Hij stak de hand uit … tastte driftig in ’t rond … vond niets … stiet een doordringenden kreet uit … en sloeg met een harden slag op den grond … bewusteloos.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Uren lag hij zoo.
Niemand van het personeel waagde het om binnen te komen en er heerschte een groote ontroering bij allen, die in het huis Forster’s waren.
Den volgenden morgen drongen twee bedienden binnen en vonden Forster nog steeds bewusteloos. In allerijl werden doktoren geroepen, die onmiddellijk tot behandeling overgingen.
Forster’s sterk gestel was een reden dat eenige uren later hij de oogen opsloeg en direct vroeg, zij het dan ook met zwakke stem:
—Alles moet geheim blijven! Beloof me dit.
De doktoren keken elkander aan.
Forster zag dit. Hij werd driftig en riep thans, veel luider:
—Is het al bekend? Vervloekt. Laat mij de couranten zien.
De doktoren probeerden hem te kalmeeren, doch dit ging niet. Ten lange leste besloot men de couranten te geven en een hunner las een sensationeel stukje voor, dat dien dag aller aandacht getrokken had. Onder het dik gedrukte hoofd: „Een vreemde geschiedenis” meldden de bladen het volgende:
Heden is er in de wereld der geldkringen, in de omgeving der speculanten, iets voorgevallen, zooals alleen in Amerika, de Nieuwe Wereld, gebeuren kan.
Zoo men weet behoort de „staalmagnaat” Forster tot een der rijkste, zoo niet de rijkste, mannen van onze wereld.
In enkele jaren tijds heeft hij het weten te brengen tot dezen stand, hij die tot voor eenige jaren nog als gewoon werkman voor de hoogovens stond.
Met de kracht van een electrische vonk heeft hij zich naar boven gewerkt, maar evenals de vonk veel kwaad berokkenen kan, heeft hij ook in zijn omgeving zeer veel leed veroorzaakt. Leed aan anderen, leed aan onschuldigen. Iedereen die hem dwarsboomde, iedereen die hem op eerlijke wijze bestreed, werd doodeenvoudig „opgeruimd”. Hoe dat opruimen gebeurde, weten wij [26]niet te zeggen, niettegenstaande daarover allerlei geruchten de ronde doen.
Wel weten wij dat er een opmerkelijk aantal ongelukken voorviel tijdens de dagen dat hij als werkman op de hoogovens werkzaam was. Daarna was hij leider van de groote staking, die de ijzer- en staalindustrie enorme nadeelen heeft gebracht. Bij de inwilliging der eischen, zagen de directeuren van de verzamelde hoogovens hem in hun midden opgenomen. Reeds toen begon de verrader zijn rol te spelen. De arbeiders, wier belangen hij moest behartigen, werden ontslagen, omdat machines hun werk verbeterden of vlugger deden. Twee jaren nadien kwamen uit Europa onrustbarende berichten. IJzer- en staalprijzen stegen per minuut en met millioenen werd er gespeculeerd. Toen was hij het die door verzwijging van een draadbericht op één dag heer en meester werd en hoofddirecteur der beroemde hoogovens. Doch ook hier speelde hij een dubbele rol. Met geld, verdiend door de hem toevertrouwde kapitalen, kocht en verkocht hij privé, met het gevolg dat een jaar later hij optrad als ijzer- en staalindustrieel met de nieuwste fabrieken en hoogovens.
Forster zat evenwel nog niet stil. Eerzuchtig, hoogmoedig als hij is, streefde hij naar wereldheerschappij en verzamelde onder het mom van huisbedienden graven en baronnen om zich heen, die in werkelijkheid niets anders schijnen te zijn dan gewetenlooze diplomaten.
Een hunner, graaf Timmys, Portugees van geboorte, maar eertijds verbonden aan verschillende gezantschappen, is heden met de noorderzon vertrokken.
Hieraan is een inderdaad geheimzinnige geschiedenis verbonden.
Forster hield zijn mooie, jonge vrouw, die vroeger als typiste bij hem was werkzaam geweest, gewelddadig gevangen met het gevolg dat een zenuwspecialiteit noodig was om mevrouw Forster’s gezondheid te herstellen.
Gedurende een tweetal dagen is deze specialiteit van goeden naam en faam ten huize van Forster geweest. Gisteren schijnt deze specialiteit onheusch te zijn behandeld en kreeg hij „toevallig” woorden met graaf Timmys, die een dolk trok en den specialiteit te lijf wilde gaan.
Of dit gebeurd is, staat nog niet vast. Wel zijn mevrouw Forster, de zenuwspecialiteit en diens assistent met graaf Timmys spoorloos verdwenen.
Evenals een bediende, die al gedurende enkele jaren bij Forster dienstbaar was en die door de politie indertijd ijverig gezocht is geworden in verband met een geheime moordgeschiedenis op een secretaris van een bekend gezantschap.
Ook de kamenier is vertrokken.
Bij het instellen van een onderzoek bleek het Mr. Forster, dat uit zijn privé-vertrekken gestolen zijn zeer belangrijke documenten, waardoor de „staalmagnaat” zoo geweldig is geschrokken, dat een aanval van beroerte niet uitbleef.
De doktoren hebben rust voorgeschreven en de verwachtingen zijn van dien aard, dat het vermoeden gewettigd mag heeten, dat mr. Forster binnen enkele dagen geheel hersteld zal zijn.
Intusschen zien wij vol belangstelling den uitslag van deze vreemde historie tegemoet.
Forster zweeg lang stil en vroeg: „Hoe weet men dit alles?”
De doktoren moesten het antwoord schuldig blijven en Forster gelastte dat onmiddellijk de bedienden ondervraagd zouden worden.
Een hunner wist te vertellen, dat een journalist was wezen vragen naar een en ander, maar dat hij niets had te weten kunnen komen.
Op staanden voet werd de man toch ontslagen en Forster gaf bevel dat niemand eenige inlichtingen geven mocht.
Dien dag hield Forster het bed.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Met zware, sonore slagen klepelde de beursklok [27]van het enorme groote beursgebouw in Wallstreet het aanvangsuur.
Stroomen heeren renden naar binnen, liepen in haastigen pas de portiers voorbij en begaven zich allereerst naar de tijdingzalen, waar door middel van electrische „tijdingborden” de stand werd aangegeven van de verschillende fondsen die verhandeld werden.
Het was een geraas en geweld, dat hooren en zien verging en nog steeds stroomden nieuwe bezoekers binnen.
Overal hoorde men den naam van Forster noemen en vooral in den „staalhoek” was de stemming wonderlijk.
De noteeringen waren dien dag buitengewoon laag en menigeen, die in tijden van spanning staal gekocht had, zag met bezorgde blikken de verschillende orders na, die blijken gaven van buitengewone slapte.
Eenigszins bezijden de groep van staalspeculanten stond een knap, elegant heer met een beminnelijken glimlach op de lippen.
’t Scheen wel alsof hij met alles en allen heimelijk spotte, zoo keek hij met een zekere minachting neer op al dat gewriemel rond hem heen.
Hij had dien morgen gelezen dat de verhouding tusschen twee Europeesche mogendheden minder gunstig was, doch wist ook dat de staal- en ijzernoteeringen geheel in handen waren van Forster.
Verschillende agenten kwamen op hem toe.
—Koopen?
—Neen!—klonk het flegmatieke antwoord—ik ben Lord Divonshart met een speciale opdracht hier aanwezig. Ik zoek Forster, een uwer groot-industrieelen.
Enkele minuten later was Lord Divonshart, alias Raffles, omringd van de zwendelagenten van Forster.
Zij allen hadden, zooals zij beweerden, enorme hoeveelheden staal en ijzer, goede kwaliteit, maar tegen zéér hooge prijzen.
Lord Divonshart noteerde steeds maar neer, en ten slotte had hij minstens drie kwart-gedeelte van den aanwezigen voorraad gekocht.
Alle verkooporderbriefjes werden geëndosseerd aan de Engelsche bank, die bij informatie mededeelde dat ten name van Lord Divonshart een bedrag was gedisponeerd van vijftig millioen dollar met een overwaarde, dat wil zeggen crediet van tweehonderd millioen dollar.
Groot was de verbazing onder de „staalmannen” bij het hooren van deze sommen en iedereen poogde iets naders te vernemen van den geheimzinnigen Lord, die zoo groote koopen sloot.
Niets kwam men evenwel te weten en de spanning steeg met ieder oogenblik.
Morgen … morgen!… dan zou men ongetwijfeld meer weten.
Lord Divonshart zat evenwel niet stil. Zoodra de beurs op het daarvoor gestelde uur gesloten werd, ging hij naar de fabrieken van Forster toe en vroeg de directie te spreken.
Hier zette hij het doel zijner komst uiteen en na een zwaren strijd kreeg hij het zoover dat de directeuren, buiten Forster om, een koop afsloten, waarbij Divonshart eigenaar werd van de geheele massa staal en ijzer die in voorraad was, en ook de nog te maken voorraad gedurende twee jaren was zijn eigendom.
Dit gerucht ging als een loopend vuurtje de beurswereld door en de meest scherpzinnigste handelaars waren voor een wijle op het dwaalspoor gebracht.
Toen ’s avonds de beursberichten binnenkwamen bij Forster, hij was op, vreesden de doktoren een nieuwen aanval van beroerte, zóó hevig scheen hij getroffen door alles wat hij las. [28]