Nadat de doktoren Forster gekalmeerd hadden en hem een stillenden drank hadden ingegeven, wilde hij hebben dat men onmiddellijk de directie zijner fabrieken liet roepen.
Deze kwam en geen pen ter wereld is in staat te beschrijven de woede, die Forster openbaarde. Als een duivel ging hij te keer en toen een der heeren opmerkte dat men toch in ieder geval een enorme winst had gemaakt, werd hij zoo boos, dat men vreesde voor zijn leven.
En toch.…..
Met ijzeren wilskracht hield hij zich staande en bezwoer dat hij tot iederen prijs de staalmarkt terug moest hebben. Hij, hij alleen moest de noteeringen hebben, niemand anders.
De telefoon ging over en een der directeuren nam den hoorn ter hand om hem enkele oogenblikken later twijfelend aan Forster te geven.
—Men vraagt u zelf!
—Geef hier! Ja. Hallo? Wiedaar?
… … … …
—Ah! Ja, dat is een beroerde geschiedenis. Men heeft gelegenheid gehad.
… … … …
—Wat zegt u? Een Engelsche Lord?
… … … …
—Niet mogelijk. Dat is niet zoo. Ik zal probeeren met den man te handelen. ’t Moet. Niet goedschiks, dan maar op een andere manier.
Nog zeer lang bleef Forster aan de telefoon. Men begreep zooveel wel uit het gesprek, dat men huiverde bij de plannen van dezen man.
Doch niemand wist dat daar buiten Lord Divonshart, met een instrument, bevestigd aan den telefoondraad, alles afluisterde wat er gesproken werd tusschen Forster en zijn compagnon … een lid van een gezantschap.
Een half uur later kwam een der directeuren van de Forster hoogovens bij Lord Divonshart in het Victoria-Hotel.
—U wenscht?
—Lord, ik kom in opdracht van mijn chef, mr. Forster. Of u onmiddellijk mee wilde komen?
—Waarom?
—Mr. Forster is eenigszins ongesteld en wenscht u te spreken.
—Over den koop?
—Ja.
—’t Spijt mij zeer, maar ’t is mij onmogelijk. Wanneer ik mr. Forster hier ontvangen kan, zal mij dit zeer aangenaam zijn.
Welke moeite men ook deed, Lord Divonshart, alias Raffles, was niet te bewegen om mede te gaan. Hij dacht: „Wanneer ik mij daarheen begeef, keer ik niet meer terug.”
Onverrichter zake keerde de directeur terug.
’t Zal zoowat middernacht geweest zijn, dat een auto stilhield voor het Victoria-Hotel en Forster, ondersteund door zijn twee directeuren, binnen trad.
Lord Divonshart moest gewaarschuwd worden.
Deze was nog op, want hij had dit bezoek verwacht.
Forster trad gejaagd binnen.
—Mijnheer—riep hij—u had wel wat meer medelijden mogen hebben.
—Waarom? [29]
—Ik ben ziek.
—Toch niet zoo ziek of u kon komen.
—Omdat het van zeer groot belang is.
—Is u een staaleigenaar? Ik koop thans tegen hooge prijzen.
—Ge hebt gekocht.
—Ook dat. Maar nog lang niet genoeg.
In sprakelooze verbazing zag Forster Lord Divonshart aan.
—Moet ge nog meer hebben?
—Ja.
—En ik kwam juist om het terug te koopen.
—Dat is onmogelijk.
—’t Moet.
—Niemand kan mij dwingen.
—Gij hebt misbruik gemaakt van mijn afwezigheid.
—Integendeel. Ik had juist naar u geïnformeerd.
—Doet er niet toe. De koop is ongeldig,
—U vergeet de leveringswet.
—Kan mij niet schelen!
—Dan leg ik morgen beslag op alles.
—Dat kunt ge niet!
—We zullen zien!
—Komt u namens een regeering?
—Namens mezelf.
—Is uw bedoeling geld te verdienen?
—Ja.
—Laat mij ’t dan terugkoopen.
—Welken koers?
—Tien procent hooger dan de uwe.
—Dank u. Wanneer er vandaag of morgen oorlog komt, maak ik minstens honderd procent.
—Er komt geen oorlog!
—Denkt u?
—Dat weet ik zeker!
—Durft u mij dat schriftelijk te geven?
—Als ge mij alles wat ge gekocht hebt terug laat koopen tegen den koers dien ik noemde.
—Neen!
—Wat eischt ge dan?
—Vijftig procent.
—Nooit. Ik geef twintig!
—Geen denken aan!
Lang nog waren de beide mannen bezig. Lord Divonshart, alias Raffles, bleef op zijn eisch en in dolle drift gaf Forster zijn toestemming.
Raffles eischte daarvan een onmiddellijke kwitantie op een bank, die direct zou uitbetalen.
Forster schreef een kwitantie van zeven en een half millioen dollar, zijnde het verschil tusschen Lord Divonshart’s koop en verkoop. Het koopbriefje van dezen kreeg Forster.
Bovendien schreef Forster een bewijs:
Ondergeteekende verklaart hiermede dat hij uit de beste bronnen weet dat er geen oorlog komen zal.
FORSTER.
Met een glimlach op ’t gelaat liet Raffles Forster uit, die afgemat en uitgeput plaats nam in zijn auto.
Den volgenden morgen vroeg haalde Raffles het geld van de bank en deponeerde dat elders.
Daarna ging hij naar het Amerikaansche regeeringsgebouw, waar hij den staatssecretaris alles uitvoerig uiteenzette.
Deze telegrafeerde de geheime nota’s, welke noodig waren om met de Europeesche mogendheden in contact te komen.
Van dat oogenblik af moest men geduldig afwachten.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
—De „staal”-beurs opende dien dag met spanning. Er was een enorme vraag naar staal en ijzer, doch niemand kon verkoopen. Bijna alles was immers in handen van dien Lord Divonshart.
Onbevangen trad hij de beurs binnen en weldra werd hij bestormd met duizenderlei vragen.
Hij baande zich een weg door de rijen bezoekers, en raadde iedereen aan om wat hij te verkoopen had, dit op te geven aan de agenten van Forster.
Vreemd genoeg hadden allen een groot vertrouwen in Lord Divonshart. [30]
Geen wonder.
Aan allen die hem aanhielden toonde hij Forster’s briefje en vertelde daarbij kalm en waardig: „’t Schijnt mij toe dat er iets met Forster gebeuren gaat.”
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
’s Avonds was Forster bezitter van al het staal, dat er op dat oogenblik in Amerika voorradig was.
Niettegenstaande hij, zooals hij het zelf noemde, „een strop had van zeven en half millioen”, zoo zou hij toch enorme winsten maken … als.…..
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Tien dagen later.
Uit de door Raffles gestolen papieren, welke hij gedeponeerd had bij den regeerings-staatssecretaris, was het bekend geworden dat enkele groot-kapitalisten in Europa met enkele uit Amerika—onder wie allereerst Forster—het daarheen dreven dat er oorlog komen moest.
Er was geknoeid geworden, tusschen deze groot-kapitalisten en diplomaten. Landen waren gekocht en verkocht en nu, door één enkelen politieken zet, dreigde er dan werkelijk oorlog te komen.
Doch juist op het moment dat de bom te springen stond, greep Amerika in met vaste vuist en een onderzoek werd onmiddellijk door alle regeeringen ingesteld.
Enkele opzienbarende arrestaties volgden van mannen die in hooge eer en aanzien stonden.
Telegrammen werden heen en weer gezonden en het gevolg was dat men op den tienden dag na Raffles’ koopen op de beurs lezen kon, dat de internationale toestand gezuiverd was van alles wat hinderlijk was voor den vrede. En tien tegen één, zoo profeteerden, de hoogere staatslieden, dat de vrede voor geruimen tijd bestendigd was.
De beursnoteeringen waren dien dag normaal.
Alleen in den staalhoek was de verontwaardiging hevig en moest deze afdeeling op bevel van de overheid gesloten worden.
Forster die de beurs bezocht had, had een goed heenkomen gezocht, en zat thans op zijn privé-bureau.
Doch ook hier liet men hem niet met rust en men zocht hem op om onmiddellijke betaling.
De kas werd uitgeput …
En millioenen, die bij het welslagen der voorgenomen plannen zouden binnengestroomd zijn, moesten nog betaald worden.
Forster werd wanhopig.
Hij brulde dat men de deuren sluiten zou, maar niemand gaf gehoor aan zijn bevel.
Eindelijk steeg de toestand tot een paniek.
Hevige scènes waren er voorgevallen …
De toestand was niet meer te redden …
Toen greep Forster een revolver.…
Een kleine hoofdwonde scheen een einde gemaakt te hebben aan een geweldig leven!…