[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Ter Dood Veroordeeld.

De majoor was niet alleen, maar bevond zich met een aantal andere officieren in een vrij groot vertrek op de eerste verdieping van het huis dat door een petroleumlamp verlicht werd en waar een groot vuur in den haard brandde, dat een aangename warmte verspreidde.

Raffles had den majoor dadelijk vlak in het gelaat gekeken, en bij zichzelf de opmerking gemaakt, dat hij zelden zulk een onaangenaam boosaardig gezicht gezien had.

De kleine, sluwe vossenoogen, dicht naast elkander geplaatst, de breede, korte neus, aan het ondereinde opgewipt, de breede mond met de dikke lippen en de uitstekende jukbeenderen, wezen op een Mongoolschen afkomst, en het lage voorhoofd en de vooruitstekende kaken gaven hem een aapachtig voorkomen.

Van onder zijne borstelige wenkbrauwen keek hij de drie binnengebrachte vreemdelingen achtereenvolgens nieuwsgierig aan, en wendde zich toen tot den Luitenant die mede was binnengetreden met de vraag:

—Wat heeft dat te beteekenen Luitenant? hoe komt gij aan die drie snuiters?

In korte woorden, en met de hand eerbiedig aan zijn pet rapporteerde de luitenant het geval.

Terwijl hij luisterde nam het gelaat van Majoor Geschoff een dreigende uitdrukking aan en hij streek zich eenige keeren met zijn groote hand over den knevel.

Toen de luitenant zijn rapport geëindigd had, zeide Geschoff op ruwen toon:

—Zij zijn bij de Rooden geweest, wel, dan zijn het spionnen!

Hij wendde zich tot zijne officieren en vervolgde:

—Wij zullen de zaak snel even afdoen, mijne heeren, en ons als krijgsraad constitueeren.…

De stafofficieren bogen zwijgend, en daarop namen zij allen plaats, zeven in getal, achter de ruw houten tafel die midden in het vertrek stond, en overdekt was met kaarten en rapporten.

Majoor Geschoff had als president in hun midden plaatsgenomen.

Achter de drie Engelschen stond een zestal soldaten met de bajonet op het geweer, de stafofficieren droegen allen de revolver en iedere poging tot verzet was dus bij voorbaat gedoemd om te mislukken.

Majoor Geschoff steunde zijn kin even in zijn hand, keek de gevangenen loerend aan, en begon:

—Gij zijt immers Engelschen?

—Ja Majoor! antwoordde Raffles voor de anderen.

—Uwe namen?

—Ik ben graaf Wilburn, deze heer is mijn secretaris Finsburry en deze man is mijn chauffeur.

Majoor Geschoff haalde de schouders op en zeide droog:

—Nu ja, men kan gemakkelijk een naam opgeven. Het doet er ook niet toe! Wat kwaamt gij hier uitvoeren?

—Ik kwam jagen bij mijn vriend Baron Iwan Dobrinsky.

Een daverende vuistslag van den majoor op het tafelblad deed hem ophouden.

—Gij durft hier dus zonder meer bekennen dat gij een vriend zijt van dien renegaat, dien vervloekten overlooper?

—Ja, en daar ben ik trotsch op, antwoordde Raffles met stemverhooging.

—En gij mijnheer? zoo wendde de majoor zich tot Charly.

—De vrienden van den graaf zijn natuurlijk ook mijn vrienden, antwoordde de jonge man eenvoudig.

—Zoo? welnu, dan zult gij er ook niets op tegen hebben, het lot van uw meester te deelen, zeide Geschoff op kouden toon.

—Daar vraag ik om! hernam Charly.

—Wat waart gij voornemens, toen de luitenant u in de vlakte aantrof?

—Wij waren op weg naar Petrograd!

Majoor Geschoff liet een verachtelijk lachje hooren.

Ik verlies mijn tijd—Uw zaak is helder als glas! Uw pas is door dien bandiet van een Trotsky onderteekend, gij zijt als burgers midden in het [7]operatie-terrein aangetroffen—er kan geen twijfel zijn aangaande uwe bedoelingen!

Tot dusverre had Majoor Geschoff zich van de Engelsche taal bediend, welke hij met een sterk accent maar tamelijk goed sprak.

Hij wendde zich nu tot de andere officieren, en ging op fluisterenden toon voort, maar thans in de Russische taal.

—Ik geloof niet dat wij lang hoeven te beraadslagen mijne heeren, wij moeten met de uiterste gestrengheid optreden en een voorbeeld stellen.

Hij liet nu zijn stem zoover dalen dat Raffles niet meer kon hooren wat hij zeide.

Maar eenige malen had hij naar Henderson gekeken, en nu nam hij opnieuw het woord, en vroeg op luiden toon, terwijl hij zich tot den reus wendde:

—Gij zijt zeker in dienst geweest bij het Engelsche leger?

—Ja Majoor!

—Dan hebben wij u een vraag te stellen! Wij gelooven dat gij er niet op gesteld zijt om te worden doodgeschoten?

—Niet meer dan ieder ander Majoor! antwoordde Henderson.

—Welnu, gij kunt uw leven redden, als gij ons zegt wat de man, die zich voor uw meester uitgeeft bij de Rooden heeft uitgericht en wat zijn doel was.

Een oogenblik leek het of Henderson zich op den Majoor zou werpen en hij wist zich slechts met de uiterste krachtsinspanning te bedwingen.

Toen liet hij een kort lachje hooren en zeide op minachtenden toon:

—Iets dergelijks mag hier het gebruik zijn—bij ons weet men daar niet van. Ik ben een Brit, en een eerlijk man! Ik zeg u dat wij drie volkomen onschuldige reizigers zijn,—maar zelfs al kwam mijn meester hier spioneeren, dan zoudt gij toch uit mijn mond geen bijzonderheden vernemen.

Majoor Geschoff beet zich op de dikke lippen, en wierp Henderson een woesten blik toe.

Toen zeide hij:

—Het is goed! gij hebt het zelf gewild. De krijgsraad heeft vonnis geveld en veroordeelt u tot den kogel. Het vonnis zal aanstonds voltrokken worden—gij hebt nog een kwartier om de noodige schikkingen te treffen. Hebt gij nog iets op te merken?

—Niets anders, dan dat ik voor de zaak der Witten hoop, dat hun leger niet uitsluitend is samengesteld uit mannen zooals gij! Gij maakt misbruik van Uwe macht, en dit zou u wel eens kunnen berouwen!

De majoor liet een schamper lachje hooren, en wees met een bevelend gebaar naar de deur.

Hij en de andere officieren waren onder het uitspreken van het vonnis opgestaan en hij wees nu naar de deur en zeide tot den luitenant:

—Gij hebt het gehoord! Ik wensch dat die drie spionnen binnen een kwartier terecht gesteld zijn!

De luitenant, die zeer bleek was geworden, salueerde, en daarop gaf hij bevel, de drie gevangenen de handen op de rug samen te binden.

Hun zakken werden onderzocht en men nam hen hunne papieren af.

Vervolgens gaf de luitenant een kort bevel, en de zes soldaten namen de gevangenen mede, waarop zij allen de trap afdaalden.

Uit de gelagkamer werden nog twee man gehaald om het vuurpeloton aan te vullen.

De acht soldaten omringden, op straat gekomen, opnieuw de gevangenen, de luitenant riep een kort bevel, en men begaf zich op weg.

De straten waren bijna volkomen duister en slechts hier en daar pinkte een licht achter een venster.

Het was nog zeer druk van komende en gaande Colonnes, en soms had het executie-peloton moeite zich een weg door deze menigte soldaten te banen.

De jonge luitenant, die zijn sabel getrokken had, hield de gevangenen nauwkeurig in het oog, met de linkerhand aan de kolf van zijn revolver.

Toen zij de dorpsstraat ten einde waren sloegen de soldaten een soort zijweg in en hier was het veel stiller.

Op eenigen afstand waren een dertigtal paarden aan een kamplijn gebonden.

Zij behoorden zeker tot troepen, die zooeven waren aangekomen, want zij waren nog niet allen ontzadeld.

Op een tiental meters daar vandaan, verhief zich een muur, die waarschijnlijk bij het kleine kerkhof van het dorp behoorde.

En als bij ingeving begrepen de gevangenen, dat zij aanstonds tegen dezen muur zouden worden gezet om het doodelijk lood te ontvangen. [8]

Nog tien minuten en zij zouden den muur bereikt hebben.

Het kerkhof grensde dadelijk aan het open veld dat met een dikke laag sneeuw overdekt was, met uitzondering van een tamelijk breeden weg, waarlangs pas kort geleden duizenden en duizenden soldaten waren getrokken, en die zich thans als een groezelig lint door de eindelooze vlakten slingerde.

Met gebogen hoofd liepen de drie Engelschen voort. Alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat zij half verbijsterd waren, en hun gedachten schenen beneveld.

Nog vijf minuten.….….

Dof kraakte de sneeuw onder de voeten der marcheerende soldaten en de loopen van de geweren glansden zwakjes in het maanlicht, evenals de sabel van den Luitenant.

Nu hadden zij den muur van het kerkhof bereikt.

Weer klonk een op korten toon gegeven bevel en de drie gevangenen werden tegen den muur geplaatst.

De soldaten maakten rechtsomkeer, teneinde zich op eenige meters afstand van den muur te plaatsen.

Maar juist op dat oogenblik rukte Henderson met een geweldige krachtsinspanning de touwen stuk die zijn polsen omkneld hadden.

Met één sprong als van een tijger was hij bij den vleugelman van het executiepeloton, dat juist met den rug naar den muur stond gekeerd en ontrukte hem zijn geweer.

Hij greep het wapen bij den loop en zwaaide het als een knots om zich heen. En dit alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan dat er drie soldaten met verbrijzelde ledematen of een zware hoofdwonde waren neergestort, vóór de anderen goed en wel begrepen wat er gaande was.

De Luitenant slaakte een woesten kreet en trok zijn revolver, maar vóór hij van het wapen gebruik had kunnen maken was de kolf van Henderson’s geweer met kracht op zijn schedel neergedaald en hij stortte bewusteloos voorover met het gelaat in de sneeuw.

De andere soldaten wilden vuren, maar zij waren te dicht bij, en Henderson gaf hun geen gelegenheid hun geweer aan den schouder te brengen.

Hij hanteerde het geweer alsof het een rieten wandelstokje was en het gevecht scheen hem zelfs veel vermaak te geven want hij lachte nu en dan luidkeels terwijl hij op de koppen en lijven der vier soldaten beukte.

Raffles en Charly wendden wanhopige pogingen aan om zich op hunne beurt te bevrijden en den dapperen kerel ter hulp te komen maar zij beschikten niet over de ontzettende lichaamskracht van den reus.

Maar toch hielpen zij door toe te snellen en hun voet tusschen de beenen der soldaten te steken zoodat deze struikelden en tijdelijk weerloos waren.

Toen was de strijd binnen enkele oogenblikken beslist!

Henderson zwaaide het geweer nog enkele malen, liet het als molenwieken om zijn hoofd wentelen en sloeg den laatsten soldaat met een welgerichten slag neer.

Toen trok hij de bajonet uit de schede van een der soldaten en sneed vliegensvlug de touwen door welke de polsen van zijn beide metgezellen gebonden hielden.

Dadelijk maakte Raffles zich meester van de revolver van den Luitenant en diens patroontasch, terwijl Charly en Henderson zich ieder van een geweer en van munitie voorzagen.

Tot hun groot geluk hadden de oppassers van de cavalleriepaarden eenige minuten te voren hun arbeid beëindigd en zich verwijderd. Naar de paarden, mannen! beval Raffles op zachten toon, het is onze eenige kans!

Zoo snel hun beenen hun wilden dragen, ijlden de drie Engelschen naar de plek waar de paarden bijeen gebonden stonden.

De dieren droegen allen een wollen dek, op een paar na, die nog gezadeld waren—waarschijnlijk ordonnancepaarden.

Terzijde stond een slede, die zooeven was afgespannen en nog wat verder lagen de tuigen. Zoo snel zij maar konden spanden de vluchtelingen, die zooeven aan den dood ontkomen waren drie paarden voor de slede en daarop wierpen Raffles en Charly zich op den rug van de twee gezadelde paarden terwijl Henderson in de slede plaats nam om de paarden te besturen.

In vliegende galop joegen zij weg, juist toen een paar Russchische soldaten aan wie de zorg voor de paarden was toevertrouwd, terugkeerden. Zij hadden zich zeker zooeven met een glas Wodka versterkt.

De slede vloog als een stormwind over de bevroren [9]sneeuw en Raffles en Charly spoorden hun rijdieren tot den hoogsten spoed aan.

Zij begrepen maar al te goed dat hun lot beslist was, als zij weder in handen vielen van Majoor Geschoff.

Intusschen bleef hun toestand zeer gevaarlijk want ieder oogenblik konden zij op troepenafdeelingen stuiten die hen zeker zouden aanhouden nu zij in het geheel geen passen meer bezaten en stellig als spionnen zouden worden behandeld.

Zij vermeden dus zorgvuldig den grooten weg die in de richting van Petrograd liep en trachtten dekking te zoeken achter een reeks lage heuvels die zich van het Oosten naar het Westen uitstrekte.

Zoo bleven zij voortsnellen tot de vermoeidheid der paarden hen wel dwong om die snelheid te matigen.

Ook de honger begon zich nu te doen gevoelen, maar zij zouden zich tegen dat gevoel moeten verzetten want zij konden hun honger onmogelijk bevredigen. Het zou nog vele uren duren voor zij weder een bewoonde plaats aantroffen en dan was het nog de vraag of zij zich daar niet zorgvuldig verborgen zouden moeten houden.

Zij hadden nu bijna zes uren aan één stuk door gereden en zij streden uit alle macht tegen de vermoeidheid die hen bekroop daar zij wel wisten dat zij onherroepelijk ten doode gedoemd waren als zij zich met deze vreeselijke koude in deze sneeuw ter ruste legden en dat zij nimmer weer zouden ontwaken.

Het was ongeveer vier uur in den morgen en de hemel begon zich in het Oosten lichtrood te kleuren toen Henderson in de slede overeind ging staan, zijn hand boven de oogen legde en scherp in de verte tuurde.

Raffles en Charly hadden hun doodelijk vermoeide paarden ingehouden daar zij begrepen dat Henderson met zijn scherpe blik iets moest hebben ontdekt wat zijn aandacht trok.

Raffles reed op de slede toe en vroeg:

—Zie je iets Henderson?

—Ik zou zeggen dat ik daar licht zie, Mylord—daar op een paar kilometer voor ons uit, kan daar een dorp zijn?

—Ja, als ik mij niet vergis ligt daar een dorp, Henderson, maar wij weten volstrekt niet of het door de Witten of door de Rooden bezet is.

—Ik voor mij geloof dat dat er weinig toe doet, Mylord, hernam Henderson droogjes. Wat ik tot dusverre van die heeren Russen gezien heb heeft mij geen grooten dunk van hen gegeven!

—Wij zullen er toch op af moeten Henderson, en trachten wat voedsel te vinden en versche paarden te krijgen, zeide Raffles. Wij zouden anders zeker om het leven komen.

—Zijn wij op dit punt nog ver van Petrograd verwijderd? vroeg Charly.

—Hoogstens honderd kilometer, Charly, iets meer dan negentig wersten! Ik denk dat gindsch dorp het laatste is voor wij Petrograd bereikten, als wij er tenminste levend afkomen. Want met deze paarden zullen wij zeker geen tien kilometer per uur kunnen afleggen.

De drie Engelschen hadden hun vermoeide paarden weder aangespoord en het leek wel of de dieren de nabijheid van een stal en van voedsel rooken, want zij waren met nieuwe kracht bezield en vlogen over de bevroren vlakte alsof zij vleugels hadden.

Een half uur later was de zon in heerlijke pracht boven den horizon gerezen en de lichtjes van het dorp waren verdwenen.

Maar in plaats daarvan konden zij nu duidelijk de donkere omtrekken der huizen waarnemen.

Het was een tamelijk groot dorp en daar was zeker wel het noodige te krijgen en de drie Engelschen waren voornemens zich het noodige te verschaffen, want zij zouden niet lang meer zonder voedsel kunnen blijven in deze hevige, met iedere beschrijving spottende, koude.

Naarmate zij naderbij kwamen matigden zij hun snelheid, want niemand kon zeggen wie er meester was in dit dorp.

Voorzichtig kwamen de drie reizigers naderbij.

Maar eensklaps wende Charly het hoofd om en schreeuwde:

—Zij zitten ons op de hielen!

Het was maar al te waar—daarginds over de vlakte naderde een troep ruiters van bijna zestig man sterk en hun paarden joegen in vollen galop over de sneeuwvlakte.

De drie Engelschen waren dus tusschen twee vuren geraakt! Achter hen kwamen de achtervolgers, en voor hen lag het dorp—en daar zou de ontvangst wel niet veel beter zijn! Zij moesten echter voor ditmaal het onzekere voor het zekere [10]nemen want in ieder geval bleef de kans bestaan dat dit dorp nog in handen der Rooden was, of dat de bevolking zich in ieder geval gewapenderhand tegen de naderende ruiters zoude verzetten.

Raffles aarzelde dus niet, maar riep:

—Vooruit vrienden! Wij moeten naar het dorp, anders leven wij over een half uur niet meer!

—Maar de paarden zijn uitgeput! kreet Charly.

—Dan zullen wij hen snel voor de slede spannen, dan trekken zij met z’n drieën!

De twee vrienden stegen ijlings af en spanden hun paarden met de hulp van Henderson voor de slede.

Maar toen zij hiermede gereed waren hadden de achtervolgers snelle vorderingen gemaakt en juist toen zij in het voertuig stapten, kraakten schoten en vlogen de kogels hen om de ooren!

Henderson bukte zich zoo diep mogelijk, en legde de zweep over de paarden, terwijl Raffles en Charly ieder een geweer grepen, vast besloten, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

Zij knielden achter in de slede neder, legden den loop van hun geweer op de rand van het voertuig en vuurden.

Twee der achtervolgers stortten van hun paarden, die ruiterloos voort ijlden.

De drie paarden voor de slede hijgden van inspanning en vermoeienis maar de arme dieren deden al hun best, en trokken de slede pijlsnel over de sneeuw.

Reeds waren de eerste huizen van het dorp duidelijk zichtbaar geworden—en daar verschenen ook eenige menschen, die haastig heen en weer schenen te loopen, achter de huizen verdwenen en dan weder te voorschijn kwamen.

Henderson spoorde de paarden tot de uiterste krachtsinspanning aan, en Raffles en Charly hadden hunne geweren opnieuw schietvaardig gehouden.

Onder het rijden vuurden de soldaten der Witten onophoudelijk op de vluchtelingen en verscheidene kogels drongen door het hout van de slede.

Eén er van nam een stuk van Charly’s mouw mede en een tweede raakte Raffles licht aan de wang.

Weer vuurden zij, en weer stortten twee mannen in vollen ren van hun paarden en bleven roerloos in de sneeuw liggen.

Maar eensklaps kwam er een groot aantal mannen uit het dorp rennen, die met geweren gewapend waren en de slede tegemoet snelden.

Blijkbaar had men daarginds het schieten gehoord.

—Het zijn Rooden! schreeuwde Henderson opgewonden. Het dorp is in hun handen.

De reus had goed gezien—inderdaad kwamen daar een paar honderd man der Roode troepen aansnellen, die zich dicht voor de slede in de sneeuw wierpen, en dadelijk een moorddadig vuur op de Witten openden.

Deze waren verreweg in het nadeel, omdat zij bereden waren en dus veel minder nauwkeurig konden schieten en voorts, omdat zij veel geringer in aantal waren.

Zij geraakten in wanorde, schenen te aarzelen—en eensklaps maakten zij rechtsomkeer, wendden den teugel en renden weg, zoo spoedig zij konden, terwijl de slede het dorp binnen stoof, waar zij stil hield voor een logement op het kleine marktplein.

De met schuim overdekte paarden die van vermoeidheid op de beenen trilden werden afgespannen, en naar den stal gevoerd, terwijl de drie Engelschen zich naar de gelagkamer haastten, waar zij dadelijk omringd werden door een aantal soldaten die alle tegelijk door elkaar schreeuwden, en wilden weten, hoe de vreemdelingen hier kwamen en hoe het stond bij de Witten.

Raffles liet hen kalm praten en begon met een maaltijd te bestellen voor zich en zijn vrienden.

Dit ging lang niet gemakkelijk, maar tenslotte wist hij toch een stuk roggebrood, wat boter, rijst en een stuk paardenvleesch machtig te worden—een delicatesse in dezen tijd, en op deze plek, zoo dicht bij de hoofdstad, waar de grootste nood heerschte.

Een der soldaten had een officier gehaald en nog terwijl de drie reisgenooten om den maaltijd zaten, kwam er een kapitein binnen met een streng maar open gelaat, die den vreemdelingen eerst verlof gaf hun honger te stillen, en daarop zijn ondervraging begon. [11]