[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

Naar Petrograd!

Raffles deed een omstandig verhaal van zijn wedervaren en de kapitein viel hem geen oogenblik in de rede, maar luisterde met aandacht, het hoofd een weinig gebogen.

Toen Raffles gereed was, zeide de officier:

—Ik kan de waarheid van uwe beweringen gemakkelijk controleeren, want ik heb gisteren een paar vliegers naar de stellingen van Kolodoserskoi gezonden, en verwacht die ieder oogenblik terug. Daar zal men van hen zeker wel een en ander omtrent uw tocht naar het vijandelijke kamp gehoord hebben. Gij zult echter wel begrijpen dat wij U hier onmogelijk kunnen houden, al zouden wij de medische hulp van een bekwaam geneesheer en de sterke armen van twee menschlievende mannen zeker wel kunnen gebruiken. Ik heb echter juist gisteravond strenge orders gekregen, onder geen beding vreemdelingen in onze gelederen aan te nemen,—wij hebben daar juist treurige ervaringen mede opgedaan—er liepen vurige verraders onder!

—Wij zelven verlangen niets liever dan weder naar ons land terug te keeren, kapitein! hernam Raffles. De toestand is hier echter zoo verward, dat ik geen uitkomst zie! Ik meende hier stellig Witte troepen te zullen vinden!

—Misschien zullen zij hier spoedig genoeg zijn! zeide de kapitein der Bolsjewiki op somberen toon. Generaal Judenitsch staat voor de poorten van Petrograd, en misschien is hij de stad wel reeds binnengetrokken, terwijl ik hier met U spreek.

—Wat raadt gij mij aan te doen, kapitein? ging Raffles voort. Ik wensch tot iederen prijs naar de hoofdstad terug te keeren, want een mijner vrienden heeft daar mijn geld in bewaring, hetwelk ik dringend noodig heb, daar de Witten mijn zakken op even doeltreffende als volledige wijze hebben leeggehaald!

De kapitein dacht even na en zei toen:

—Ik kan niet anders doen dan U een vrijgeleide te geven tot Petrograd. Is de stad nog in onze handen, dan zult gij geen moeilijkheden ondervinden—maar als Judenitsch is binnengerukt, dan sta ik voor niets in! En gij behoeft er niet aan te denken met een trein naar Duitschland te kunnen reizen, want op alle lijnen en op het geheele spoorwegmateriaal is door de militairen beslag gelegd.

—Maar hoe komen wij dan weder weg? riep Charly uit.

—Er zou maar één middel zijn, Mijnheer! antwoordde de kapitein. Gij zoudt van hier per slede tot Nygyrska, aan de spoorlijn van Petrograd naar Wiborg, aan de Finsche grens kunnen gaan. Van de eerstgenoemde plaats af loopen er nog op ongeregelde tijden personen-treinen, ofschoon het de grootste moeite kost, daarin een plaats te krijgen. Van Wiborg zoudt gij dan verder per trein naar Abo aan den Finschen golf kunnen reizen, en daar wachten, tot zich een scheepsgelegenheid naar Engeland, Frankrijk of Scandinavië voordoet!

—Nu, ik zal mij in ieder geval dit jachtavontuur nog lang herinneren! zeide Raffles glimlachend. Als dus alles medeloopt, zouden wij over eenige weken in Engeland terug kunnen zijn—en als dit eens niet het geval was—dan zou het maanden kunnen duren! Laat mij u mogen zeggen, kapitein, dat dit geenszins strookt met mijn plannen! En daarom zouden ik en mijn vrienden het zeer op prijs stellen indien gij ons passen tot Petrograd zoudt willen geven.

—Zooals gij wilt, Mijnheer, hernam de kapitein.

Op dit oogenblik kwam een depecherijder het vertrek binnen, die in de militaire houding voor zijn chef bleef staan, en salueerde.

—Wat is er, Michael? vroeg deze.

—De beide vliegers zijn teruggekeerd, kapitein!

—Mooi zoo, zeg dat zij op mij wachten!

De koerier vertrok en de kapitein wendde zich weder tot Raffles met de woorden:

—Ik zal u moeten verzoeken, hier te blijven, tot ik het rapport van mijn luitenants heb aangehoord. Gij zult mijn houding billijken, daar ben ik zeker van! [12]

Raffles boog, zonder te antwoorden en de kapitein verliet het vertrek.

—Hij mag dan een Roode zijn, maar hij is althans heel wat beleefder dan die oude schurk van een majoor der Witten, die ons had willen laten fusilleeren! bromde Henderson.

Daarop keerde hij zich tot Charly en vervolgde:

—Het moet mij van het hart, Mijnheer Brand, ik heb voorloopig meer dan genoeg van Rusland. Het kan dan vroeger heel belangwekkend geweest zijn, maar het reizen op dit tijdstip is geen pleiziertje!

—Ik ben het volkomen met je eens, Henderson! antwoordde Charly glimlachend. Ook ik zal den hemel danken als wij weder goed en wel in Engeland terug zijn!

De drie mannen moesten geruimen tijd wachten, bijna een uur, maar toen keerde de kapitein terug, stak Raffles en zijn metgezellen met een spontaan gebaar de hand toe en zeide:

—Alles is in orde, Mijne heeren. Ik heb van de beide vliegers vernomen, dat alles zich inderdaad zoo heeft toegedragen, als gij mij hebt medegedeeld. Thans blijft mij niets anders over, dan u de passen ter hand te stellen, welke de generaal van onze divisie zoo even voor u heeft laten opstellen en onderteekenen.

Hij nam een drietal passen uit de portefeuille, welke hij bij zich had, en overhandigde ze aan de Engelschen.

—Daarmede kunt gij naar Petrograd komen, zonder te worden lastig gevallen. Natuurlijk geldt dit slechts voor zooverre de stad nog in onze handen is. De berichten luidden gisteren helaas zeer ongunstig, en ijlboden wisten zelfs te verhalen dat een vooruitgeschoven troepenafdeeling van Judenitsch tot in de voorste stadswijken van de hoofdstad was doorgedrongen. Alle risico blijft dus voor uwe rekening, bedenk dat!

—Dat spreekt van zelf, kapitein! zeide Raffles. Ik dank u, ook namens mijne reisgezellen voor uwe bemoeiingen en verzoek u, ons in staat te stellen onze reis te vervolgen, door ons de slede en de paarden af te staan, welke ons hier hebben gebracht en welke wij aan de Witten hadden ontnomen. Als gij dit wenscht zullen wij één en ander te Petrograd achterlaten en in handen van de Roode troepen daar stellen, die ze dan als oorlogsbuit kunnen beschouwen.

—Onder deze omstandigheden kunt gij er over beschikken, mijnheer! zeide de kapitein. Wanneer wilt gij vertrekken?

—Zoodra de paarden en wij zelven zijn uitgerust, antwoordde Raffles.

—Gij zult er goed aan doen, zoo spoedig mogelijk de hoofdstad te verlaten! hernam de kapitein. Weliswaar zijn de verhalen omtrent de hongersnood, die er zou heerschen en welke in de buitenlandsche bladen blijkbaar gretig worden opgenomen sterk overdreven, maar toch heerscht er gebrek en als de stad eens werkelijk werd ingesloten, dan zou zij zich binnen enkele weken, ja misschien binnen enkele dagen moeten overgeven! En nu moet ik afscheid van u nemen, mijnheer! Mijn plicht roept mij en wij moeten eene verkenning in Oostelijke richting ondernemen. Het feit, dat de Witten het gewaagd hebben, u tot hiertoe te achtervolgen, baart ons veel zorg—ik vrees, dat zij eene omtrekkende beweging uitvoeren, welke ons, als zij slaagt, in groot gevaar zou brengen.

Hij salueerde voor de drie vreemdelingen en had het volgend oogenblik de gelagkamer verlaten.

Langzamerhand kwamen de reizigers weder bij van de ondervonden vermoeienissen, bij het knappende houtvuur en een goed glas heete wijn.

Zij voorzagen zich van eenige levensmiddelen, betaalden met geld, hetwelk Henderson in zijn zak bleek te hebben en dat aan de aandacht van de Witten ontsnapt was, en laadden deze in de slede, die hen hier had gebracht.

Toen de paarden geheel en al waren uitgerust en goed gevoederd waren, spande Henderson de dieren opnieuw voor de slede, en de reizigers namen weder in het voertuig plaats.

Het was toen omstreeks tien uur in de morgen.

Het was nog altijd bitter koud, maar gelukkig was de wind een weinig gaan liggen, en de zon schitterde aan den wolkeloozen hemel, van een pastelblauwe, aan de kim donker wordende kleur.

Nadat de geweren waren nagezien, en de revolvers waren geladen, begaven de drie Engelschen zich weder op weg.

Indien zij er in slaagden, vijftien wersten per uur af te leggen, hetgeen niet te veel berekend was, daar de paarden volkomen uitgerust waren, en de [13]sneeuw een harde, gladde oppervlakte vormde, dan konden zij voor het vallen van de duisternis Petrograd bereikt hebben.

Maar het Noodlot scheen zich ditmaal wel met hardnekkigheid tegen de reizigers te hebben gekeerd!

Want toen zij reeds heel in de verte de vage omtrekken van de hoofdstad meenden te ontwaren, zagen zij tegelijkertijd dichte, zwarte colonnes over de sneeuw naderen.

Het geschut had den geheelen dag geklonken, maar nu kwam het merkbaar naderbij.

—Zouden de Rooden retireeren? vroeg Charly, terwijl hij met gespannen aandacht door den kijker tuurde.

—Ik vrees het, antwoordde Raffles ernstig. En daardoor komen wij weder in een zeer gevaarlijken toestand. Wij zouden nu tusschen twee vuren geraken, en ditmaal zou er geen ontkomen meer aan zijn—tenminste als wij onzen weg in dezelfde richting wilden voortzetten. Wij zouden door het mitrailleur-vuur onherroepelijk worden gedood. Klaarblijkelijk zijn de Rooden gedwongen, Petrograd, of tenminste een deel ervan te ontruimen.

—Daar naderen tenminste troepen, die onordelijk oprukken, hernam Charly.

—Houdt links aan, Henderson! beval Raffles. Wij zullen trachten de stad meer in het Zuiden te naderen.

—Maar dan moeten wij een grooten omweg maken! riep Charly uit.

—Dat is minder erg, dan dat wij tusschen twee vuren zouden geraken! hernam Raffles.

Henderson had intusschen het gegeven bevel reeds opgevolgd, en de slede week nu af van den tot dusverre gevolgden weg.

Het geschutvuur werd hoe langer hoe heviger, en plotseling konden de reizigers, door den kijker, een batterij gewaar worden, die stelling had genomen ten Noord-Oosten van een lagen heuvelkling, en vandaar de Witten onder vuur nam die echter voor de drie Engelschen onzichtbaar waren.

De Rooden schoten zoo snel zij konden, en het gedonder klonk als een aanhoudend gerommel van een onweder.

Een half uur later trokken de retireerende troepen op eenige wersten voorbij, juist langs den weg, die de slede tot dusverre gevolgd had.

Het geschutvuur werd minder hevig, en het was duidelijk, dat de hoofdstad reeds voor een deel in de handen der Witten moest zijn.

—Ik geloof, dat het tijd begint te worden, ons maar weder te ontdoen van onze door de Rooden geteekende passen, zeide Raffles na eenigen tijd. Als niet alles bedriegt, zullen wij wel in een Petrograd aankomen, dat door de troepen van Judenitsch bezet is. Wij zullen echter tot het laatste oogenblik wachten met het vernietigen van die passen, welke ons reeds eenmaal aan den rand van het graf hebben gebracht.

—Maar zouden de Witten zich hier wel kunnen handhaven? vroeg Charly. Zonder den steun van Judenitsch en zijn legers zullen zij vroeg of laat terug moeten want de Rooden zijn hier zeer sterk!

—Je kunt gelijk hebben, maar voor het oogenblik moeten wij er toch rekening mede houden, dat wij met de Witten te doen krijgen!

De slede gleed intusschen met onverminderde snelheid over de bevroren vlakte en Raffles verbaasde er zich over, dat het gevecht zich niet tot hier uitgebreid had.

Misschien was het plan der Witten, zich eerst van geheel Petrograd meester te maken en dan snel in Oostelijke richting op te rukken.

Wel kwamen zij nu en dan kleine afdeelingen Rooden tegen, die hen echter ongemoeid lieten, nadat de passen vertoond waren.

De duisternis begon reeds te vallen en de paarden begonnen opnieuw teekenen van vermoeidheid te geven, en nog moesten er twintig wersten afgelegd worden alvorens men de hoofdstad bereikt zou hebben, welke de reizigers thans van uit het Zuid-Oosten naderden.

Maar eensklaps, nadat zij in geruimen tijd geen, Rooden meer hadden zien voor bijgaan, naderde er over de sneeuwvlakte een afdeeling bereden manschappen, die aan de uniformen aanstonds als Witten te herkennen waren.

Voor de reizigers goed en wel wisten wat er gebeurde, had deze kleine ruitertroep zich uit de duisternis losgemaakt en omringden zij de slede.

—Wij zijt gij en waar gaat gij heen? zoo luidde de gewone, reeds zoo vaak gehoorde vraag.

—Wij zijn Engelschen en wij wilden naar Petrograd gaan! antwoordde Raffles.

—Waar komt gij vandaan? [14]

Daar loochenen niets zou helpen antwoordde Raffles:

—Wij komen van de zijde van het Onega-meer, waar gestreden is tusschen Uwe troepen en de Rooden.

—Wat deed gij daar?

—Wij kwamen daar om te jagen en zijn door de gebeurtenissen verrast.

—Wat waren uw plannen te Petrograd?

—Geen andere, dan ten spoedigste naar ons eigen land terug te keeren!

De Luitenant die deze vragen gesteld had keek Raffles en zijn metgezellen aandachtig aan en zeide toen:

—Ik zal u naar het hoofdkwartier moeten brengen, al doet het mij leed. Mijn instructies zijn formeel.

—Dan moet gij u er aan houden, Luitenant, hernam Raffles bedaard, maar inwendig rees de vraag bij hem, of hij en zijn beide reisgenooten nu nog niet aan het einde hunner beproevingen waren!

Want immers—als men hier te weten kwam dat de drie Engelschen elders door dezelfde partij reeds waren ter dood veroordeeld en slechts hadden kunnen ontkomen door aanwending van geweld, dan zag het er weder somber voor hen uit.

En toch zouden zij zich in de omstandigheden moeten schikken.

De overmacht was te groot, dan dat zij aan verzet zouden kunnen denken.

En zoo trok, juist als een paar dagen geleden, een kleine stoet over de vlakte voort, en de slede vormde wederom het middenpunt.

Henderson had opnieuw de teugels uit handen moeten geven, en keek brommend als een groote hond, wien men een been heeft afgenomen, toe, hoe de soldaat, die naast hem had plaats genomen de vermoeide paarden met vaste hand bestuurde en de slede weder op den weg bracht.

Deze bleek voor een groot gedeelte van sneeuw bevrijd te zijn en het was duidelijk dat hier reeds genie aan het werk was geweest, om den straatweg die naar de hoofdstad voerde, voor het troepenverkeer vrij te maken.

En nu begonnen reeds in de verte de lichten van Petrograd te pinken!

De vrees der Rooden was dus niet ijdel geweest!—de partij der Witten had inderdaad groote vorderingen gemaakt, en althans een gedeelte van de hoofdstad weten te bezetten.

Wie weet werd er op dit oogenblik woedend gestreden in de straten van de beklagenswaardige stad!

Inderdaad werd het vuren weder heviger en twee malen passeerde men een batterij veldgeschut, die in vollen ren, terwijl de sneeuw onder de hoeven der woest galoppeerende paarden opstoof, nieuwe stellingen gingen innemen.

—Mag ik vragen waarheen gij ons geleidt? vroeg Raffles eindelijk aan den jongen luitenant, die naast de slede draafde.

—Dat zeide ik u reeds—naar het hoofdkwartier. Generaal Judenitsch zal wel over uw lot beslissen.

Het was dus waar—de hoofdmacht van de Witten onder aanvoering van den veelgenoemden generaal stond voor de muren van de hoofdstad, het bolwerk van het Bolsjewisme en had daar op het oogenblik wellicht zijn intocht reeds gedaan!

Nog een half uur verliep en steeds meer troepen passeerden op weg naar het Oosten.

Boven Petrograd dat vlakbij scheen te liggen, hing een rossige nevel—waarschijnlijk stond een deel van de groote stad in brand.

Nu en dan klonk het gehuil der granaten, vlak boven de hoofden der mannen en even later hoorde men de losbarsting op ongeveer twee wersten afstand.

De kleine troep was een dorp binnengetrokken, waar de Witten dienzelfden dag vasten voet hadden gekregen, en waar zij hun hoofdkwartier hadden gevestigd, in afwachting, dat zij het naar Petrograd zouden kunnen overbrengen.

Het huis van den burgemeester van het dorp, die aan de zijde der Bolsjewiki streed, was tot verblijf van den staf ingericht.

Eenige korte bevelen klonken en toen moesten de drie Engelschen de slede verlaten en het burgemeestershuis binnengaan.

Zij werden naar een kleine wachtkamer gebracht, waarvan de deur gesloten werd. Voor de deur hoorden zij het regelmatig op en neder loopen van een schildwacht. Het kleine vertrek was spaarzaam verlicht door een petroleumlamp, die zacht aan een ijzeren haak heen en weder schommelde.

Dit werd veroorzaakt, omdat onophoudelijk het geheele huis dreunde van de losbarstingen eener [15]batterij, die juist aan den zoom van het dorp was opgesteld en vandaar een der voorsteden van Petrograd onder vuur nam.

Zwijgend zaten de vrienden bij elkander.

Weliswaar was de luitenant zeer beleefd geweest, en ook de houding der soldaten had niets te wenschen overgelaten,—maar zou de generaal in dezelfde stemming verkeeren? Dat moest worden afgewacht!

Iets anders dan wachten konden zij trouwens niet doen.

Er viel niet aan te denken uit dit huis te ontsnappen waar zich een groot aantal officieren ophielden, terwijl het in de straten krioelde van soldaten, allen gewapend.

Neen, er schoot niets anders op over dan rustig te wachten.

Nog waren er geen volle tien minuten verloopen of er naderden schreden, en de deur werd geopend. De luitenant trad binnen, en verzocht de drie Engelschen hem te volgen.

Raffles zag dat de jonge militair geheel alleen was en dit dacht hem een gunstig teeken.

De luitenant geleidde de drie mannen door eenige gangen naar een vertrek waar zich vier officieren bevonden, die achter een groote tafel gezeten waren, en tot den staf van het Witte leger behoorden, dat in deze streek opereerde.

In één hunner herkende de drie reisgenooten van de portretten in de Londensche bladen en tijdschriften aanstonds generaal Judenitsch.

Het gelaat van den legeraanvoerder der Witten had een ernstige en een weinig stroeve uitdrukking, zooals hij daar onbewegelijk zat, met de kin in de hand gesteund schijnbaar zonder op het binnentreden der drie vreemdelingen te letten.

De luitenant was op de tafel toegetreden en zeide iets op eerbiedigen toon tot den generaal.

Toen hief Judenitsch het hoofd op, en de drie tochtgenooten keken in een paar staalblauwe sterke oogen, onder dichte wenkbrauwen half verborgen.

Die oogen bleven een tijdlang strak op de Engelschen gericht, en daarop wendde hij zich in het Engelsch tot Raffles dien hij blijkbaar dadelijk als het hoofd van het kleine reisgezelschap erkende:

—De luitenant heeft mij zooeven medegedeeld dat hij u en uwe metgezellen midden in de vlakte heeft aangetroffen, mijnheer de graaf. Hij heeft mij ook medegedeeld dat gij hier gejaagd hebt, en door de gebeurtenissen zijt overvallen. Ik wil dit wel aannemen, ofschoon velen u misschien op staanden voet zouden hebben gefusilleerd.

Raffles dacht aan het gevaar, hetwelk hij en zijn twee makkers nog slechts weinige dagen geleden hadden geloopen, maar hij wachtte er zich wel voor, dit avontuur aan generaal Judenitsch mede te deelen!

De legeraanvoerder wachtte even, alvorens te vervolgen:

—Ik zou uwe aanwezigheid in deze streken wellicht meer gewaardeerd hebben—… indien gij niet met drie man, maar met dertigduizend, en zoo mogelijk met drie honderd duizend waart gekomen, graaf! Ik wil u niet verzwijgen, dat het mij bitter teleurgesteld heeft, dat uwe regeering haar troepen uit Rusland heeft teruggeroepen, in stede van ons bij te staan, ons arm land van het vervloekte Bolsjewisme te zuiveren! De zaken zouden zeer waarschijnlijk heel anders staan indien de geallieerden ons de behulpzame hand hadden geboden! Wat dunkt u?

—Ik weet niet goed wat ik u hierop moet antwoorden, generaal! antwoordde Raffles. Ik denk echter, dat onze regeering is bezweken voor den aandrang van de arbeiders in ons eigen land, die aan het bloedvergieten een einde gemaakt wenschten te zien. Het is een publiek geheim, dat de regeering te Londen een gevaarlijk spel zou hebben gespeeld, indien zij den wil van een groot en machtig deel onzer natie in den wind had geslagen, en een groote legermacht hier had gelaten om aan uwen strijd deel te nemen, al wenscht zij zelve niets liever, dan een einde te zien gemaakt aan een toestand, die niet veel langer kan voortduren, zonder geheel Rusland in den afgrond te doen verzinken.

Generaal Judenitsch had zwijgend toegeluisterd, en zich nu en dan met zijn groote, gespierde hand over het voorhoofd gestreken.

Nu zuchtte hij diep en zeide op doffen toon:

—Ik kan ook niet van een vreemdeling verwachten, dat hij deze zaak uit het zelfde oogpunt zal beschouwen als wij Russen! Maar dit zeg ik u graaf, dat men er te Londen en te Parijs misschien nog wel eens spijt van zal hebben, niet aan ons verzoek om hulp te hebben gehoor gegeven! [16]

Generaal Judenitsch trommelde even met een blauw potlood op het blad van de tafel en hernam op anderen toon:

—Laten wij hier niet verder over praten, graaf! Het Noodlot moet zich voltrekken—daar kunnen wij menschen toch niets aan veranderen. Wat uwe positie betreft—ik wil niet ontkennen, dat zij op dit oogenblik voor u zeer onaangenaam is. De slag is nog onbeslist—het is evengoed mogelijk, dat wij er in slagen, Petrograd binnen te rukken, als dat de Rooden versterkingen krijgen en ons weder terugdrijven!

De generaal wierp een korten blik op de kaart die voor hem lag uitgespreid en ging voort:

—Daar intusschen de kansen, dat wij er in slagen de hoofdstad te nemen, grooter zijn dan die, dat wij teruggeworpen worden, zoo zal ik u toestaan naar Petrograd te reizen, maar dan moet gij ook onmiddellijk vertrekken, want ik kan natuurlijk niet toestaan, dat vreemdelingen de operaties van mijn leger medemaken!

—Wij zelven verlangen niets liever, generaal! kwam Raffles haastig. Wij hebben volstrekt geen geld meer, en een vriend van mij in de hoofdstad bewaart mijn reispenningen. Er is ons dus alles aan gelegen, zoo snel mogelijk in Petrograd te komen.

—Dan zal ik u een pas en een vrijgeleide geven, hernam generaal Judenitsch. Ik kan echter volstrekt geen aansprakelijkheid voor uw veiligheid op mij nemen!

—Dat begrijp ik generaal, hernam Raffles, maar al te verheugd, dat hij en zijn makkers er zoo gemakkelijk afkwamen.

—Wat ons betreft—ik hoop dat wij binnen enkele dagen zelve in de hoofdstad zullen zijn en als gij u dan bij mij wilt aanmelden dan zal ik trachten uwe terugreis te vergemakkelijken!

Raffles boog, bij wijze van dankzegging, en de generaal maakte een gebaar waaruit de Engelschen begrepen, dat hij het gesprek als geëindigd beschouwde.

Zij verlieten het vertrek, waar misschien het lot van het onmetelijke Russische rijk werd beslist, door de weinige mannen achter hunne stafkaarten aan de groote tafel, en een uur later waren zij in het bezit van passen, welke het hun mogelijk zouden maken, Petrograd nog voor het vallen van den nacht te bereiken.

Een convooi, dat over enkele oogenblikken naar de hoofdstad zou vertrekken zou hen medenemen.

En heel wat geruster dan eenige uren geleden, trokken de drie reizigers nu opnieuw over de sneeuwvlakte, in de richting van den rossigen gloed, en van de vele lichtjes, die in de verte schenen te wenken.

Daar lag Petrograd—de stad, om welks bezit zoo heftig gestreden werd!