[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Feodora Leszinsky.

Het was tien uur, toen Raffles en zijn makkers de hoofdstad of liever een der voorsteden binnen kwamen.

Aan alles was te zien, dat hier nog niet lang geleden verbitterd gestreden was.

Eenige huizen, half in puin geschoten, rookten nog, en overal lagen paardencadavers, overblijfselen van kanonaffuiten, geweren, uitrustingsstukken van allerlei aard.

Maar de Witten waren hier meester, dat was zeker.

Want overal ontmoette men hunne troepen, die op patrouille waren of kwartier maakten voor hen die na hen zouden komen.

Uit eenige uitroepen, welke hij opving maakte Raffles op, dat meer dan de helft van de hoofdstad in handen der Witten was en dat de Rooden zich nog met de grootste hardnekkigheid verdedigden ten Oosten van de Newa rondom het Alexander Newsky-Plein, op het Basilius Eiland, en bij het Admiraliteitsplein. [17]

De Witten schenen echter te hopen, dat zij er binnen vier en twintig uur in geslaagd zouden zijn, de tegenpartij geheel en al uit de stad te verdrijven.

Eindelijk hield de aanvoerder van het konvooi zijn paard in en zeide tot de drie Engelschen:

—Ik heb bevel, U tot hier te begeleiden, mijne heeren! Hier scheiden zich onze wegen dus. Ik wil U nog slechts den raad geven u niet al te ver in het centrum van de stad te wagen want gij kunt hier het gedonder van het geschut hooren, en er wordt daarginds hevig gestreden. Op den linker oever van de Newa zult gij echter genoeg hotels vinden—die echter ongehoord duur zijn—daarvoor waarschuw ik u!

—De linkeroever is dus nog in handen der Witten? vroeg Raffles.

—Dat was hij althans nog een paar uur geleden!

—Dan kan ik van geluk spreken, want mijn vriend, die mijn geld in bewaring heeft, woont daar! Wij zullen er nu aanstonds heengaan!

—Ik vrees dat gij dan zult moeten loopen, mijne heeren, want gij zult wel vruchteloos op een huurslede of een rijtuig wachten!

Dat begrepen Raffles en zijn metgezellen ook—de huurkoetsiers zouden er wel niet veel voor gevoelen, naar het centrum der stad te rijden, terwijl ieder oogenblik de kansen konden keeren, en een granaat hen en hun voertuig kon verpletteren!

En zoo namen zij afscheid van den aanvoerder van het konvooi en trokken te voet de stad verder in.

—Waar gaan wij nu het eerst heen? vroeg Charly, toen zij een paar honderd meter verder waren.

—Naar den Engelschen Consul, die mijn geld in bewaring heeft, antwoordde Raffles. Wij zijn hier wel in een stad, die voor de helft nog in handen is van lieden die niets van geld willen weten, maar zonder dat aardsche slijk zouden wij toch in een uiterst onaangename positie komen. Ik zou werkelijk niet weten hoe wij naar ons eigen land zouden kunnen terugkeeren. Hij woont hier niet ver vandaan en ik denk wel dat hij op dit oogenblik thuis is, want men gaat thans werkelijk niet voor zijn genoegen de straat op!

Dat was zeker zoo want op niet al te verre afstand was de hemel rood van de vlammen, die uit sommige stadswijken opstegen, en de lucht was vervuld van het gedonder van het geschut, terwijl nu en dan vuurpijlen opstegen, zoeklichten den hemel afzochten en granaten met donderend geweld uiteenbarstten.

Na een half uur loopens hadden de drie mannen het fraaie huis van den consul bereikt, en Raffles begaf zich alleen naar binnen, toen de bediende hem op zijn schellen had medegedeeld dat zijn meester tehuis was.

Hij bleef nauwelijks tien minuten weg en keerde met een vergenoegd gelaat terug.

—Nu kunnen wij tenminste ergens onderdak krijgen! riep hij uit. Want men mag zeggen wat men wil—zelfs hier, in het brandpunt van het Bolsjewisme, is het geld nog altijd de bewegingszenuw van het geheele stoffelijke bestaan!

—Waar gaan wij heen? vroeg Charly.

—Naar een goed hotel. Ik weet er een aan het Newsky-Prospect. Het Alexander Hotel. Het is een der eerste van de stad.

—Maar ligt het in een buurt, die voor ons veilig is, dat wil zeggen, in een stadswijk, welke in handen van de Witten is? hernam Charly.

—Ja.

—Nu, dan moeten wij er maar spoedig heengaan! Ik wil wel bekennen, dat ik tamelijk vermoeid ben na al die avonturen van de laatste dagen!

—Een goed souper—voor zoover het te krijgen is!—en een goed bed zullen ons wel weder geheel doen bekomen van onze ontberingen, beste jongen! zeide Raffles. En nu snel op weg, want het wordt al laat, en ik ben er niet zeker van of men ons wel zal opnemen nu er nog zoo hevig gevochten wordt.

De drie reisgenooten begaven zich op weg en twintig minuten later stonden zij voor het groote hotel, dat thans echter een somberen indruk maakte daar bijna alle lichten daarbinnen gedoofd waren, zeker om geen doelwit op te leveren voor vijandelijke vliegers.

Het deed wel zeer zonderling aan dat er dicht bij de deur een sierlijk uitgedoste portier op post stond, alsof men zich in vollen vrede bevond, en er niet vlak in de buurt slechts weinige uren geleden verbitterd gestreden was.

De man ontving de drie reizigers zoo rustig, dat het hun een oogenblik was alsof zij al hun avonturen van de laatste dagen slechts gedroomd hadden en dat er geen sprake was van strijd tusschen zonen van één stam.

Raffles vroeg naar kamers, en het bleek dat er nog verscheidene open waren, zij het dan tegen [18]prijzen, welke vroeger eenvoudig ondenkbaar geweest zouden zijn.

Voor twee kleine kamers moest Raffles honderd vijftig roebels per nacht betalen!

Hij vertrok echter geen spier van zijn gelaat en besprak de kamers.

—Zijn er veel reizigers? vroeg hij toen.

—Naar de omstandigheden te rekenen, vrij wat mijnheer! antwoordde de man. Er zijn veel Duitschers die hier zaken komen doen.

Raffles keek Charly glimlachend aan.

—Steeds de ouden gebleven! zeide hij zacht. Zij zouden zaken gaan doen in de hel, als het mogelijk was om daarheen te gaan—en er ook weder vandaan te komen. Intusschen—wij hebben vrede met elkander gesloten, en ik denk er niet aan ergens anders heen te gaan! Wij zouden daar trouwens zeer waarschijnlijk ook onze oude tegenstanders aantreffen!

De drie mannen begaven zich nu allereerst naar de hun aangewezen vertrekken.

Raffles en Charly zouden er een van betrekken, Henderson het tweede, aan de tegenovergestelde zijde van de gang gelegen.

Nadat zij zoo goed en zoo kwaad als het ging toilet hadden gemaakt, begaven Raffles en Charly zich naar de groote eetzaal, terwijl Henderson afzonderlijk zou avondmalen.

De brave kerel zelf bleef er onder alle omstandigheden op staan dat “de afstand zou worden bewaard” zooals hij het noemde.

Honderden malen had hij, in den loop van gevaarvolle avonturen en reizen, gezamenlijk met zijn meester de maaltijden gebruikt, en met hem in dezelfde hut, onder dezelfde tent geslapen.

Maar niet zoodra was men weder in de beschaafde wereld terug, of hij wilde weder de chauffeur van Zijne Lordschap zijn, en niets anders.

En zoo zaten dan de twee vrienden in de groote eetzaal, waarvan de gordijnen zorgvuldig waren dichtgetrokken, zoodat er geen licht naar buiten kon doordringen.

Het souper-uur had juist geslagen en de zaal was vrij goed bezet, en wel met een zoo zonderling allegaartje, als men daar in tijden van vrede zeker niet bijeen had aangetroffen.

Er zaten daar Polen, binnen enkele jaren schatrijk geworden, er waren Galicische Joden die hun voordeel hadden weten te doen met de conjunctuur, en in eens schatten hadden verdiend, er zaten militairen, thans uitsluitend Witten, en dan was er een groot aantal demi-mondaines, die eensklaps als paddestoelen uit den grond schenen te zijn geschoten.

Ten slotte kon men er wel zeker van zijn, dat er in deze zaal ook eenige Bolsjewiki zaten—maar zij pasten wel op, dat men ze niet als zoodanig zou herkennen! Er werd zeer veel wijn en champagne gedronken, die met fabelachtige prijzen werd betaald, en als men de met spijzen beladen tafels zag, dan kon men zich niet begrijpen, dat er in de buitenlandsche bladen van “ontzettend gebrek” werd gesproken—als men niet wist, dat de gewone burger zich dan ook dit voedsel onmogelijk kon verschaffen, wegens de ongehoorde prijzen.

Op dat tijdstip kostte te Petrograd, een goed middagmaal, zonder wijn evenwel, ongeveer honderd zeventig roebels!

Toen Raffles en Charly hadden plaats genomen, trad er juist een vrouw binnen op wie zich dadelijk aller blikken vestigden.

Zij was zeer schoon en van waarlijk vorstelijke gestalte.

Fluweelzwarte oogen in een ovaal, eenigszins olijfkleurig gelaat, een kleine roode mond, als met een penseel getrokken wenkbrauwen, donzen wangen, en een prachtige hals, overgaande in een weelderigen boezem, welke een Titiaan zou hebben verrukt.

Zij was in gezelschap van een kleinen zwarten man, die haar met groote eerbied scheen te behandelen.

In de sierlijk gevormde ooren schitterden twee zeer groote diamanten, en haar ver ontbloote hals was omgeven door een snoer parelen van groote waarde.

Ook haar vingers leken wel vonken te schieten zoo waren zij overladen met juweelen ringen.

Zij scheen even rond te zien, en ging toen naar een nog onbezet tafeltje, niet ver van de beide vrienden verwijderd.

—Een zeer schoone vrouw! zeide Charly op zachten toon.

—Ja, zij heeft een Poolsch type. Als de Poolsche vrouwen schoon zijn, dan zijn zij ook ware Venussen.

—Men kan wel zien, dat de Witten hier thans de overhand hebben, anders zou zij het zeker niet [19]wagen in het publiek met zooveel kostbaarheden te pronken.

—Dat mag je wel zeggen—en ik vind het tamelijk gedurfd, want niemand kan immers weten hoe de zaken reeds morgen zullen staan. Als de Rooden het verloren terrein terugwinnen—als die vrouw dan nog hier is—en als de Bolsjewiki zich haar opschik herinneren, dan zal zij die niet veel langer meer bezitten.

—Zou dat kleine mannetje met zijn stekende oogjes haar echtgenoot zijn?

—De man heeft inderdaad het type van den echtgenoot eener buitengewoon schoone vrouw. Ik heb opgelet, dat bevallige en groote vrouwen dikwijls gehuwd zijn met kleine onbeteekenende mannen. Misschien deden zij het om hun schoonheid des te beter te doen uitkomen!

—Dat is weer juist iets voor jou, Edward! zeide Charly verwijtend.

—Laten wij dan in dit geval aannemen, dat die man haar broeder is—of haar minnaar. Voor haar vader is hij veel te jong. Hij kan ternauwernood veertig jaren zijn.

De kellner kwam aandragen met het bestelde, en de beide vrienden zetten zich aan den maaltijd.

Maar intusschen hield Raffles geen oog van de schoone vrouw, die zooeven was binnengetreden en die in hooge mate zijn belangstelling scheen te trekken.

Eensklaps bleef hij een paar seconden doodstil zitten, met zijn lepel halverwege zijn bord en zijn lippen.

Maar reeds het volgende oogenblik at hij rustig verder.

Charly had echter goede oogen, en hij had de verbazing van Raffles gezien.

—Wat was er—waar keek je zoo naar? vroeg hij nieuwsgierig.

—Ik keek naar onze schoone Poolsche, Charly, antwoordde Raffles zacht.

—Maar je zag er zoo verwonderd uit.

—Dat was ik ook, en ik hoop dat jij het alleen gemerkt hebt!

—Hoezoo? vroeg Charly, wiens verbazing toenam.

—Wel, de kellner drukte haar zooeven een papiertje in de hand!

—De onze?

—Neen, hij bedient aan haar tafeltje.

—Wat zou dat eigenlijk? Ik houd die vrouw voor een zeer welgestelde demi-mondaine—en die kellner kan wel haar amant zijn!

—Dat is niet erg waarschijnlijk, want zij verstopte eerst snel het briefje, haalde het daarna zoogenaamd uit haar zilveren beugeltasch, las het en liet het toen aan haar metgezel zien. Ik heb er wel niet veel verstand van, maar ik geloof toch niet dat dit gebruikelijk is onder minnaar en minnares!

—Wel, dan zal het iets anders zijn, hernam Charly. Misschien een briefje van iemand die buiten op antwoord wacht!

—Waarom was de kellner dan zoo bevreesd, dat anderen zouden zien hoe hij het papiertje overhandigde? Neen,—zij verwachtte dat briefje, want toen de man naderde liet zij haar hand langs de tafel afhangen en hij duwde het er vliegensvlug in.

—Nu, dan weet ik het niet! hernam Charly, die niet veel beteekenis aan het geheele voorval scheen te hechten.

Maar het was duidelijk dat Raffles er anders over dacht.

Na eenigen tijd te hebben gezwegen en de schoone vrouw van ter zijde te hebben opgenomen, vervolgde hij:

—Wat den kellner betreft, die haar het papiertje in de hand moffelde—heb je niets bijzonders aan den man gezien?

—Neen, ik vind hem alleen niet heel mooi!

—Dat is hij ook niet—maar ik meen iets anders! Die man is in het geheel geen kellner!

—Lieve hemel, Edward,—waarom denk je dat? vroeg Charly verwonderd.

—Omdat hij niet bedienen kan! Kijk hem eens onhandig omgaan met zijn schalen en flesschen! Zóó draagt geen enkele kellner zelfs niet uit een ordinair wijnhuis een schaal met gerechten en een flesch champagne!

—Misschien is hij wel pas kellner geworden!

—Dat zou dan gisteren geweest moeten zijn!

—Vertel mij eens wat er eigenlijk in je omgaat, Edward, kwam Charly. Ik begin in te zien, dat je blijkbaar aan deze zaak veel meer gewicht hecht dan ik! Wat denk je toch?

—Ik denk dat hier een klein—of wellicht een groot complot gesmeed wordt, beste Charly! Zulke opvallend mooie vrouwen, in gezelschap van zulke opvallend kleine en onbeteekenende mannen, die [20]briefjes aannemen van kellners, die geen kellners zijn en die zulke schitterende juweelen dragen, ofschoon de Rooden op een geweerschot afstand staan—dat beteekent niet veel goeds!

Charly had zijn vork laten rusten en keek Raffles onderzoekend aan.

—Als ik niet meende, dat wij hier wel iets anders te doen hebben—namelijk zoo spoedig mogelijk heen te gaan—dan zou ik durven wedden, dat je veel lust hebt hier te blijven, alleen om te zien, wat er met die mooie cocotte, en dien kellner gaat gebeuren!

—Je zoudt je weddenschap gewonnen hebben, Charly—want dat ben ik inderdaad voornemens!

—Je drijft er zeker den spot mee? riep Charly verschrikt uit.

—Ik meen het in volle ernst!

—In deze stad die wel een vulkaan gelijkt, welke ieder oogenblik tot uitbarsting kan komen?

—Ik kan het niet helpen, dat dit interessante feit zich juist hier afspeelt, hernam Raffles bedaard.

—Maar als die vrouw werkelijk gevaarlijk is, en iets in den zin heeft, dan branden wij onze vingers, als wij er ons mede bemoeien! ging Charly voort.

—Wij kunnen oppassen!

—Maar die vrouw hoort hier misschien in het geheel niet thuis! hield Charly wanhopig aan.

—Dat is te onderzoeken—en als zij werkelijk niet in de stad thuis hoort,—wel, dan zullen wij haar volgen! Maar wij zullen spoedig zekerheid kunnen hebben!

Hij wenkte den kellner die hen bediend had, en die dadelijk gedienstig kwam toesnellen.

Raffles wees op de schoone vrouw aan het andere tafeltje en vroeg op zachten toon:

—Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend, wie die dame daarginds is en hoe zij heet?

De kellner wierp een vluchtigen blik in de aangeduide richting en zei toen:

—Wie zij is, zou ik U niet kunnen zeggen mijnheer, maar zij heet Feodora Leszinsky, en zij is denkelijk een Poolsche, zeer rijke demi-mondaine.

—En die heer naast haar?

—Wij houden hem voor haar minnaar, ofschoon hij niet in dit hotel logeert.

—Dus dat doet die dame wel? vroeg Raffles op levendigen toon.

—Ja mijnheer, zij heeft twee prachtige kamers op de tweede verdieping.

—Zeker nog niet lang? vroeg Raffles als terloops.

—Sedert gisteren!

Raffles knikte den kellner toe en deze trok zich weder terug.

Raffles bleef eenige oogenblikken in gedachten zitten en hief toen eensklaps het hoofd op.

—Ik gaf er heel wat voor, als ik wist wat er in het briefje stond, dat de kellner haar zooeven tersluiks in de hand heeft geduwd, zeide hij op zachten toon.

—Je kunt het haar moeilijk vragen, Edward! meende Charly.

—Neen, dat zal niet gaan, hernam Raffles met een flauwen glimlach. Wij zouden echter kunnen trachten het briefje door list in handen te krijgen!

—Maar mijn hemel! hecht je daar dan zoo bijzonder aan?

—Ja, zeer bijzonder. Ik weet niet wat het is, maar die vrouw oefent een ongeloofelijke aantrekkingskracht op mij uit.

—Ha, ha! Eindelijk heb je je dan toch eens bloot gegeven! riep Charly op zegevierenden toon uit. Eindelijk ben je dan toch onder den invloed van de schitterende bekoorlijkheid van die vrouw!

—Je vergist je, Charly—ik denk alleen aan haar schitterende diamanten, hernam Raffles lakoniek. Haar uiterlijk is mij volkomen onverschillig.

Charly maakte een gebaar van teleurstelling en bromde zuchtend voor zich heen.

—Onverbeterlijk! Onverbeterlijk!

Raffles had intusschen rustig een paar halen aan zijn cigaret gedaan, waarvoor hij echter drie roebel had moeten betalen en scheen in gedachten verzonken.

Toen boog hij zich naar Charly over en zeide:

—Zij heeft het briefje in haar boezem weggemoffeld en het zal inderdaad wat lastig zijn om het uit die schuilplaats te voorschijn te brengen, zonder dat zij het bemerkt. Maar er zal toch een oogenblik komen dat zij zich van haar kleederen ontdoet en het briefje wegbergt en dat oogenblik moeten wij benutten.

—Tenminste als zij het niet voor dien tijd verscheurd heeft! merkte Charly op.

—Dat zouden wij moeten afwachten!

—Zeg mij nu eens duidelijk wat je plannen zijn! [21]

—Vannacht in haar kamer binnendringen en naar het briefje zoeken.

—En als zij ontwaakt?

—Snel heengaan en doen als of er geen wolkje aan de lucht is.

—En als zij haar revolver neemt en op je schiet, zooals Poolschen dat gewend zijn?

—Bidden, dat zij zal misschieten. Heb je nog meer aanmerkingen?

Charly maakte een stom gebaar van wanhoop, en schudde ontkennend het hoofd.

—Het blijft dus afgesproken, ging Raffles voort. Wij logeeren ook op de tweede verdieping, en het zal gemakkelijk zijn het nummer van haar kamers te weten te komen.

—Als je er dan volstrekt op gesteld bent je hoofd in een strop te steken, Edward en haar kamer binnen te dringen, dan zou ik in overweging willen geven, eenvoudig haar juweelenkistje onder den arm te nemen, en zoo spoedig mogelijk te verdwijnen zonder je verder met dat briefje van den kellner te bemoeien.

—Pardon, dat briefje kon weleens de hoofdzaak zijn, en veel meer waard dan haar juweelen!