[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

De aanslag op Judenitsch.

Charly gaf zich gewonnen, daar hij wel inzag dat Raffles zich vast had voorgenomen om het geheim te doorgronden, en niet eerder zou rusten, voor hij den inhoud van het briefje ontdekt had.

—Kan ik je tenminste helpen? vroeg hij.

—Neen, mijn jongen, ik geloof dat het beter is als ik dit alleen doe, in een hotel opereert men beter alleen!

De eetzaal was nu langzamerhand leeggeloopen en de schoone Poolsche stond nu ook op en liet zich door haar kleinen donkeren metgezel haar bontmantel omhangen en verliet met denzelfden koninklijken tred waarmede zij gekomen was, de zaal.

Maar van dat oogenblik af zou zij niet meer ontkomen aan den spiedenden blik van den Grooten Onbekende.

Raffles wenkte den kellner, betaalde hem—gaf dertig roebel fooi, wat maar juist even voldoende bleek te zijn, waarop hij zich haastte er vijftig van te maken en verliet op zijn beurt met Charly de eetzaal.

In het hotel was als schrille tegenstelling met den nood der tijden een danszaal ingericht waarin een strijkje van Hongaren meesleepende dansmuziek speelde. En in die zaal danste men als of er niet nog steeds om het bezit van de stad gestreden werd tusschen de Witten en Rooden—men danste er, zooals de edellieden tijdens het hoogtepunt van de Fransche Revolutie in hun gevangenis in de Bastille dansten, tot op het oogenblik dat zij met karren tegelijk naar de guillotine werden gevoerd.

De Poolsche was deze zaal binnengetreden, en zij vertoefde er bijna een uur.

Raffles scheen volstrekt geen vermoeienis meer te gevoelen, en bewaakte haar evenals een kat het een muizenhol doet.

Maar toen scheen zij er genoeg van te hebben, en zij ruischte weg, nagezien door alle heeren in de zaal, terwijl de kleine zwarte man, die steeds in haar gezelschap was geweest, achterbleef.

Feodora Leszinsky begaf zich naar hare kamer, en Charly vroeg op fluisterenden toon:

—Nu zal het dus voor ons ook tijd worden om onze kamers op te zoeken?

—Ja, mijn jongen! antwoordde Raffles, het doet mij leed dat ik je van een deel van je nachtrust beroofd heb, maar wezenlijk, deze zaak houdt mij zoozeer bezig dat ik niet zal rusten, alvorens ik ze tot klaarheid heb gebracht. Ik zelf zal een paar uur rust nemen en dan zullen wij eens zien wat het briefje bevat! [22]

De beide vrienden zochten hun kamer op, na zich te hebben vergewist dat de logeerkamer van de schoone Poolsche inderdaad op hun eigen verdieping gelegen was en dat zij zich in haar appartementen had teruggetrokken.

Het was omstreeks één uur in den nacht.

Men hoorde hier zeer zacht en gedempt de tonen opklinken van het kleine orkestje in de danszaal, waar men, zooals de kellner verzekerd had, den geheelen nacht zou blijven doordansen!

Dit maakte natuurlijk de onderneming van Raffles niet gemakkelijker, daar hij nu rekening moest houden met de mogelijkheid, dat hij op de gang nog gasten zou tegenkomen. Hij was echter niet van zins zich daarom van zijn voornemen te laten terughouden.

Ofschoon Charly poogde, zoolang mogelijk wakker te blijven, won de vermoeienis het van hem en hij sluimerde in.

Wat Raffles betreft—hij had zich voorgenomen om juist half vier in den morgen wakker te worden—en het scheelde ook geen vier minuten!

Hij sprong zonder eenig gerucht te maken uit het bed, schoot snel eenige kleedingstukken aan, liet zijn revolver in zijn zak glijden, en zijn kleine electrische zaklantaarn, die hem steeds had vergezeld.

Vervolgens opende hij behoedzaam de deur van zijn kamer en keek in de gang.

Deze was flauw verlicht door een paar kleine electrische lampjes in de zoldering aangebracht, en lag daar stil en verlaten, maar daar beneden klonk de zachte gedempte dansmuziek nog altijd door—en tegelijkertijd kon men hier duidelijk het dof gerommel van het geschut hooren!

Raffles bedacht zich echter niet, maar trad naar buiten, trok zachtjes de deur achter zich dicht en stak snel de gang over.

Hij wist dat Feodora Leszinsky een kamer als slaapvertrek gebruikte terwijl de andere als een soort salon werd benut.

Hij stond nu voor de deur van dit laatste vertrek en draaide behoedzaam aan de kruk.

Zooals hij wel kon verwachten, was de deur van binnen met den sleutel gesloten. Dit was echter voor iemand als Raffles geen bezwaar.

Hij haalde een klein instrument te voorschijn, hetwelk de Witte met zijn sleutelbos en nog wat andere schijnbare waardelooze voorwerpen in zijn bezit hadden gelaten, stak dit in het slot, en draaide van buiten af voorzichtig den sleutel in het slot om.

Deze manoeuvre had nauwelijks eenige seconden geduurd.

Raffles vergewiste zich nog eens dat men hem niet bespiedde, en opende vervolgens snel en geruischloos de deur welke hij dadelijk weer achter zich sloot.

Het was stikdonker in het vertrek, maar de deur die tot het slaapvertrek toegang gaf stond op een kier, en vandaar drong een flauw lichtschijnsel in den salon door—er brandde dus een nachtlicht in het slaapvertrek.

Het eerste wat Raffles deed, was naar deze tusschendeur te sluipen en haar te sluiten.

Het tweede was zich te overtuigen dat het raam uitzicht gaf op een balkon dat langs den geheelen zijgevel van het hotel liep, en aan welks einde zich een brandladder bevond.

Na zich op deze wijze te hebben vergewischt, dat zijn aftocht gedekt was in geval van nood, schoof Raffles de gordijnen weder dicht en ontstak zijn zaklantaarn, teneinde het vertrek te onderzoeken.

Er stonden niet veel, maar zeer fraaie meubels en daaronder was een klein schrijfbureau van rozenhout waarvan het blad gesloten was.

Raffles trad er dadelijk op toe, onderzocht met kennersoog het slot, haalde minachtend de schouders op en opende het blad met evenveel gemak alsof er een sleutel op gezeten had.

Het Bureau scheen gebruikt te worden, want er lag briefpapier in en een vloeilegger, een sierlijke schrijfmap, en de laden, eveneens voor een deel gesloten, bleken brieven te bevatten.

Raffles haalde er eenige uit de enveloppen en las ze vluchtig door.

Deze lectuur scheen hem groot belang in te boezemen, want een half uur later las hij nog altijd!

Zijn gelaat teekende verrassing, toen hij eindelijk de laadjes weder dicht schoof, na de brieven weder allen op hun plaats te hebben gelegd.

Hij wilde ook de klep reeds weder sluiten, toen zijn oog viel op een slordig opgevouwen stukje papier, dat half uit de schrijfmap stak.

—Dat papiertje lijkt al zeer veel op het briefje hetwelk de kellner heden avond aan onze schoone dame ter hand stelde! dacht hij.

Hij vouwde het open en las slechts deze woorden: [23]

—“Houd je gereed. Word een dezer dagen in dit hotel verwacht.”

Een oogenblik bleef Raffles in gedachten met het briefje in de handen staan en daarop stak hij het weder in de schrijfmap en sloot het bureau.

Een oogenblik hield de gedachte hem bezig, dat er in het naastgelegen vertrek voor een waarde van minstens honderd duizend roebel aan juweelen was te vinden—maar Raffles scheen andere plannen te hebben—want hij opende slechts weder de tusschendeur op een kier, zooals hij ze gevonden had, en verliet het vertrek zonder meer leven te maken, dan een vos zou hebben gemaakt.

Hij overtuigde zich dat de weg veilig was en stond met een paar sprongen weder voor zijn eigen kamer.

Een minuut later had hij zich weder ontkleed en te bed begeven.

Charly sliep nog altijd rustig en Raffles dacht er niet aan hem wakker te maken, ofschoon hij in de kamer van de schoone Poolsche zeer veel belangrijks had ontdekt.….

De beide vrienden sliepen voor hun doen zeer lang en stonden pas om half negen volkomen uitgerust en verkwikt op.

Zij namen een bad en daarop bracht een étage-kellner het eenvoudig ontbijt in hun kamer bestaande uit chocolade en kleine broodjes.

Toen zij voor het raam gezeten waren, vanwaar zij een prachtig gezicht hadden op het Newa Prospect, vroeg Charly nieuwsgierig:

—Nu zult je toch den tijd voor de confidenties wel aangebroken achten, mag ik vragen of ge iets bijzonders ontdekt hebt in de kamer van de schoone Feodora?

Raffles knikte bevestigend, nam een teug van de geurende chocolade en zeide toen langzaam:

—Wat ik daar vond was zeker van gewicht! Wat denk je wel dat die mooie demi-mondaine inderdaad is?

—Hoe zou ik dat kunnen weten? Misschien wel een voormalige grootvorstin.

—Neen, dat niet bepaald! Zij is in dienst van de Rooden!

—Wat zeg je daar? Dus een Bolsjewiki? riep Charly verbaasd uit.

—Niets meer en niets minder. Ik heb in haar bureau een gansche correspondentie gevonden met een Luitenant van Lenin. Zij heeft hier een zending te vervullen en daarom heeft zij, hoewel slechts voor tijdelijk, haar intrek in dit hotel genomen! Weet je wie hier verwacht wordt?

—Lenin zelf misschien?

—Neen, Generaal Judenitsch!

—Judenitsch? Hier? Hoe weet je dat?

—Het stond in het briefje hetwelk de kellner haar gisteren in handen speelde! Weliswaar werd daarin alleen de voorletter J genoemd, maar er kan niet aan getwijfeld worden of hij is bedoeld, afgaande op de overige correspondentie welke ik verwacht heb.

—En zij? Wat is haar taak?

—Haar taak is tweeërlei.—Zij moet trachten zich van de krijgskas meester te maken waarover hij het beheer heeft, en daarna moet zij hem dooden!

Charly verbleekte.

—Vreeselijk! zeide hij toonloos. Een sluipmoordenares dus!

—Ja, maar zoo zullen de Rooden het natuurlijk niet noemen, ging Raffles kalm voort. Zij zullen haar wel wreekster of iets dergelijks noemen, en in geval zij terecht gesteld wordt, heet zij natuurlijk een martelares!

—Maar je zult dat toch aanstonds bij de politie aangeven? riep Charly uit.

—Geen haar op mijn hoofd denkt daar aan! antwoordde Raffles rustig. Ten eerste is het begrip politie wat al te vaag op dit oogenblik, en in deze stad. Vergeet niet dat wij hier in een stad zijn, die tot op gisteren altijd in handen van de Bolsjewiki is geweest, en waar dus óók de politiemacht onder controle van Lenin en Trotsky stond! Maar al is dat niet zoo, ik heb heel andere plannen!

—Wat ben je van zins?

—Ik wil, om te beginnen de juweelen van die Poolsche hebben, want zij zijn zeer schoon en zij zijn haar waarschijnlijk verschaft door het Roode Hoofdkwartier, dat er ook wel niet op een eerlijke wijze zal zijn aangekomen. Die heeft zij natuurlijk gekregen om naar behooren haar rol van rijke Poolsche te spelen. Zij moet door haar schoonheid Generaal Judenitsch tot zich lokken—en dan zou de rest haar niet moeilijk vallen.

—Maar waarom heb je die juweelen dan eenvoudig van nacht niet meegenomen? ging Charly voort.

—Dat zou zeer gevaarlijk zijn geweest, vergeet niet dat wij hier in een zeer gevaarlijke omgeving [24]zijn, en dat wij letterlijk aan de genade of ongenade zijn overgeleverd van de partij die toevallig de overhand heeft! Iedereen kan ons naar onze passen vragen en ons in de gevangenis laten werpen! Een juweelendiefstal zou natuurlijk dadelijk ontdekt zijn, en wat zou er met ons gebeuren, denk je, als men die kostbare steenen bij ons vond? Je zult misschien aanvoeren, dat wij dadelijk de vlucht hadden kunnen nemen, maar ik verzeker je dat we niet ver gekomen zouden zijn! In ons land gaat men eenvoudig in een trein zitten, of wij hebben onze auto bij de hand, of wij trekken ons eenvoudig terug naar één van onze landgoederen, onder één of andere vermomming, maar dat gaat ditmaal niet. Ik wist daarenboven, dat die diamanten mij niet zouden ontgaan, als ik slechts den goeden weg volgde.

—En mag ik weten wat die goede weg is?

—Heel eenvoudig! Ik zal de plaats innemen van Generaal Judenitsch!

Charly liet een lichten kreet hooren, en bijna was zijn kop chocolade hem uit de hand gevallen.

Hij staarde Raffles met wijd geopende oogen aan en zeide toen, nadat hij zich hersteld had op ironischen toon:

—Wel zeker—dat is bijzonder eenvoudig! Het kon bijna niet eenvoudiger! Ik begrijp niet, dat ik daar zelf niet op ben gekomen.

—Je drijft er den spot mede, hernam Raffles kalm, en je denkt dat het moeilijk zal zijn, om mijn plan ten uitvoer te brengen.

—Moeilijk? maar Edward, het is volkomen onmogelijk!

—Waarom, als ik vragen mag?

—Waarom? Wel om alles! riep Charly uit.

—Noem mij dan eens eenige redenen, wat ik je verzoeken mag.

—Daar is om te beginnen het uiterlijk! Je hebt ditmaal niets medegenomen om je te kunnen vermommen, en het weinige dat je had, is met onze bagage verloren gegaan!

Raffles haalde de schouders op en sprak:

—Ik erken dat dit een bezwaar is, maar het is niet onoverkomelijk. Je zult je herinneren, Charly, dat ik je eens heb medegedeeld, hoe ik in alle hoofdsteden der voornaamste landen van Europa, te Berlijn zoowel als te Parijs, te Madrid, te Rome, te Weenen en te Petrograd een kleinen voorraad van vermommingen bezat, die in geval van nood moesten dienst doen.

—Zeker herinner ik mij dat, Edward, maar je gelooft toch niet dat tijdens den oorlog die bergplaatsen en die kleine kamertjes welke je gehuurd had of zelfs de kleine huizen welke je bezat, onaangeroerd zijn gebleven!

—Dat mag ik tenminste niet hopen, Charly, antwoordde Raffles. In die jaren zal er heel wat gebeurd zijn, vooral in de oorlogvoerende landen, maar in ieder geval zullen wij dadelijk op onderzoek uitgaan en zien hoe of het met mijn woning staat!

—Die is natuurlijk al lang door anderen in bezit genomen!

—Dat is zeer wel mogelijk, maar dat zou niet hinderen zoo lang men mijn geheime bergplaatsen niet heeft ontdekt!

—En als dat wel het geval is?

—Dan zouden wij ons moeten wenden tot een of anderen Theaterkapper! Ik erken dat dit lang niet hetzelfde is, maar na eenige uren werk zouden wij hetgeen de man ons verschaft, voldoende hebben kunnen veranderen.

—Maar de uniform, Edward? Hoe kom je daar aan?

—Judenitsch draagt een zeer eenvoudige generaalsuniform, en toen wij hem zagen was hij in veldtenue. Een dergelijke uniform is zeer gemakkelijk ergens te krijgen—wij zullen er aanstonds eens op uitgaan.

—Zijn ridderorden?

—Namaken of bij een opkooper aanvragen.

—Zijn gevolg?

—Hij komt hier niet met zijn geheelen staf, maar slechts met zijn adjudant en dat ben jij!

—Maar ik ken niet voldoende Russisch!

—Er wordt ook niet van je verlangt dat je je mond opendoet!

Charly zocht met inspanning naar nog andere tegenwerpingen, maar hij kon er geen vinden en liet zich wanhopig achter in zijn stoel vallen, terwijl hij een gebaar van machteloosheid maakte.

Toen bromde hij:

—Ik zeide het al—er is niets aan te doen. Dan moet het noodlot zich maar voltrekken! [25]