[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Toebereidselen.

Nu Raffles zich éénmaal vast had voorgenomen, om zijn plan ten uitvoer te brengen, begon hij ook dadelijk met koortsachtigen ijver aan de toebereidselen.

Charly had zich in het onvermijdelijke geschikt en ondanks zichzelf bewonderde hij de weergalooze stoutmoedigheid van dezen man, die zelfs onder deze omstandigheden niet terugschrok voor een onderneming welke ieder ander zeker als waanzinnig en tot mislukken gedoemd zou beschouwen!

Dadelijk na het ontbijt verlieten de beide mannen het hotel, nadat zij Henderson hadden gewaarschuwd.

Deze kreeg in opdracht zoo mogelijk voor een zeer snelle auto te zorgen ofschoon dat zeker niet gemakkelijk zou zijn, daar Henderson alleen maar Engelsch sprak.

Raffles en Charly wisten een huurauto machtig te worden en de eerste gaf den chauffeur het adres op van een kleine straat dicht bij het Admiraliteitsplein.

De man scheen even na te denken, en zeide toen:

—Dat zal U honderd roebel kosten, mijnheer, ik geloof dat die buurt nog door de Rooden onder vuur wordt genomen.

—Dat kunnen wij afwachten, zeide Raffles bedaard.

Zij stapten in en de auto zette zich in beweging.

De chauffeur had vrij wat moeite het voertuig naar de hem opgegeven plaats te brengen, want hier en daar lag de sneeuw nog zeer dik en bovendien waren de straten nu en dan versperd door barricades of de puinhoopen van door het granaatvuur vernielde huizen.

Maar eindelijk bereikten zij toch de aangewezen straat.

Raffles gelastte den chauffeur te wachten en verzocht Charly in de auto te blijven tot hij zou zijn teruggekeerd.

Hij liep haastig de straat in en hield ten slotte stil voor een oud huis waarvan hij jaren geleden een kamer op de bovenste verdieping had gehuurd, waarnaar hij echter tijdens den oorlog niet had kunnen omzien.

Zooals hij wel vermoed had, was deze kamer intusschen reeds herhaalde malen aan anderen verhuurd, zooals de portier van het groote huis hem medegedeeld had.

Maar de tegenwoordige huurder, die bij het leger der Rooden dienst deed, was reeds veertien dagen geleden heengegaan, en sedert dien had men niets van hem vernomen.

Raffles greep de gelegenheid aanstonds aan en zeide tot den portier:

—Ik zal U eens wat zeggen! Ik heb deze woning eenige jaren geleden gehuurd en ofschoon ik er volstrekt geen rechten op wil doen gelden zou ik ze gaarne weder betrekken gedurende een paar dagen, ik ben niet rijk genoeg om een duur hotel te betalen en ik beloof U dat ik aanstonds weder zal verhuizen als de tegenwoordige huurder mocht terugkeeren.

Raffles had hem onder het spreken een goudstuk in de handen gedrukt,—en al was het dan een Engelsch, de portier verbaasde er zich ten zeerste over dat hij in deze stad goudgeld te zien kreeg! Raffles noemde toen den naam waaronder hij eenige jaren geleden de woning gehuurd had.

De man scheen even in beraad te staan, maar de Engelsche Souverein had hem reeds zoo week als boter gemaakt—hij wist wel dat hij voor dat geldstukje gemakkelijk vijftig en zelfs zestig roebels zou kunnen maken! En daarom zeide hij:

—Ik denk wel dat het zal gaan, mijnheer! Gij zult er echter zeer weinig meubels vinden en die zijn nog van den huiseigenaar!

—Dat doet er niet toe. Ik kom hier slechts eenige dagen met een paar mijner vrienden wonen.

Raffles knikte den man toe, keerde naar de auto terug, en zeide op zachten toon tot Charly:

—Het lot is ons gunstig! We hebben nu een dak boven ons hoofd, ik heb dezelfde kamer kunnen huren, waarin ik destijds mijn vermommingen heb weggeborgen. [26]

—En denk je dat die er nog zijn?

—Dat zullen we aanstonds onderzoeken!

Raffles betaalde den chauffeur, Charly stapte uit en te voet begaven de beide vrienden zich naar het huis.

De portier geleidde hen naar een vrij groote kamer op de bovenste verdieping en vroeg toen:

—Hebben de heeren geen bagage bij zich?

—Neen, die is aan de grens opgehouden! antwoordde Raffles voor de vuist weg, maar wij zullen U een week huur vooruit betalen!

—Dan is alles in orde, mijne heeren, zeide de man waarop hij zich terugtrok. Zoodra het geluid zijner voetstappen was weggestorven sloot Raffles de deur van het eenvoudig gemeubelde vertrek en trad snel op een der hoeken toe, die het verste van de ramen verwijderd was.

Hij sloeg hier een punt van het vloerzeil terug, en nu zag Charly een soort luik, dat hij echter niet als zoodanig herkend zou hebben, als hij niet half en half verwacht had wat hij te zien zou krijgen, dat bijna anderhalve meter in het vierkant mat.

Niet zonder groote moeite wist Raffles het open te krijgen—en daar zagen zij nu een aantal platte blikken doozen, alles voorzien van een etiket, waarvan de opschriften echter door vocht en door stof bijna onleesbaar waren geworden.

—Ik heb dat luik zelf gemaakt, zeide Raffles en de ruimte benut tusschen het plafond en den vloer die tamelijk groot is, zooals je ziet. En nu zullen wij eens zien hoe de inhoud zich wel gehouden heeft in al die jaren.

Hij nam een paar blikken uit de schuilplaats, en opende ze.

De doozen waren vrij sterk door de roest aangetast, en de inhoud bleek op eenige plekken van motten en houtwurmen te hebben geleden.

Maar gelukkig niet zoo erg als Raffles wel gevreesd had.

Nu kwam er een groote roode doos te voorschijn, die een aantal pruiken bleek te bevatten.

Deze waren allen nog geheel en al ongeschonden alsof zij zoo van den pruikenmaker kwamen. Tevens bevonden er zich eenige voortreffelijk nagemaakte en eenige echte ridderorden in.

—Zooals je ziet, gaat alles naar wensch, beste Charly, zeide Raffles glimlachend.

—O ja, het gaat voortreffelijk, hernam de jonge man meesmuilend.

—Het is alsof alles al goed en wel achter den rug is! Ik geloof waarlijk dat je het vinden van deze kleederen als de hoofdzaak schijnt te beschouwen.

—Dat is het ook in zekeren zin, zeide Raffles bedaard. Want als ik eenmaal als generaal Judenitsch kan optreden dan is de rest slechts kinderwerk.

Charly zeide niets en vergenoegde er zich mede even de schouders op te halen.

Raffles had intusschen eenige andere doozen nagezien, waarvan er een twintigtal in het groote gat stonden en eindelijk had hij er één gevonden die een generaalsuniform bevatte, nog van vóór den oorlog evenwel, en waarvan alle galons, gouden tressen en andere fraaiigheden verwijderd zouden moeten worden.

Gelukkig was de kleur door den tijd en het lange liggen een weinig verschoten en dat kwam juist goed uit.

In dezelfde trommel bevond zich nog een tweede uniform, die met eenige veranderingen zeer goed kon doorgaan voor die van kapitein.

—Ik zou je wel iets willen vragen, zeide Charly toen Raffles het noodige had uitgezocht en daarna alle blikken doozen weder op hun plaats had gezet.

—Laat eens hooren?

—Als wij ons hier vermommen als de generaal en zijn adjudant, hoe komen wij dan onopgemerkt hier weg? Of wil je tot vanavond hier blijven?

—Dat zal wel noodig zijn, Charly, want het zal waarschijnlijk verdenking baren als Judenitsch zoo vroeg in de stad komt, welke hij pas voor een deel veroverd heeft; bovendien moeten wij nog vrij wat onderzoeken, voor wij zonder gevaar onze rol moeten spelen. Dit staat vast, dat de zoogenaamde kellner geweten heeft, dat de generaal in het Admiraals-Hotel zijn intrek zou nemen en er moeten dus spionnen bij de Witten geweest zijn die dit wisten; hoe dit ook zij, wij moeten den staat van zaken goed kennen en daar zullen wel verscheidene uren mee gemoeid zijn.

Onder het spreken had Raffles de kleederen en de pruiken weggesloten in een muurkast waarvan hij den sleutel bij zich stak.

—Nu moeten wij Henderson nog waarschuwen, want de brave kerel zal volstrekt niet weten waar wij zitten. [27]

Raffles opende de deur van het vertrek weder en de twee mannen verlieten het huis, na aan den portier te hebben medegedeeld dat zij dien avond zouden terugkeeren.

Nu begaven zij zich allereerst naar hun Hotel, waar Henderson nog steeds vertoefde en daar ontving de reus voor zoover het noodig was, zijn instructies.

Hij was pas kort geleden teruggekeerd van zijn ommegang door het door de Witten bezette deel van de stad en ten slotte was hij er in geslaagd een kleine maar zeer snelle auto te huren bij een handelaar in automobielen die tamelijk goed Engelsch sprak.

Hij had den wagen niet aanstonds kunnen medenemen want de handelaar had een bespottelijk hoog garantie bedrag geëischt, en dat had hij natuurlijk niet bij zich gehad.

Het eerste wat Raffles nu deed, was zich in gezelschap van Henderson en Charly naar den handelaar te begeven en hem de gevraagde garantiesom te betalen. Vijf duizend roebel voor een auto die er op dit oogenblik zeker geen drie duizend waard was, tenminste naar de vroegere koers berekend.

Het was een verveloos ding, maar het geoefende oog van Henderson had dadelijk gezien dat de motor voortreffelijk was en dat de wagen gemakkelijk negentig kilometer per uur zou kunnen loopen.

De straten waren op dit oogenblik reeds vol Witte troepen en de ruiten rinkelden van het gedaver der voorbijtrekkende artillerie.

Als niet alle voorteekenen bedrogen, en als de Rooden niet spoedig versterkingen kregen, dan zou Petrograd zeker voor hen verloren gaan!

Overal zag men officieren, die bevelen schreeuwden en ordonnancen die op hun motorrijwielen of te paard, vliegensvlug orders gingen overbrengen of halen.

—Ik geloof dat het tijd wordt om te handelen, zeide Raffles, toen hij dit alles eens had opgenomen. Want, als het zoo voortgaat, is de geheele stad morgen in het bezit der Witte troepen, en dan zou Judenitsch wel eens kunnen verschijnen vóór wij tusschenbeide zijn gekomen. Het moet dus vóór vanavond zijn.

Door voorzichtig hier en daar navraag te doen, vernam Raffles dat het Hoofdkwartier zich nog steeds op eenige wersten afstands van de hoofdstad bevond en dat het waarschijnlijk in den loop van den nacht zou worden verplaatst.

Zoodra de duisternis begon te vallen, omstreeks vier uur in den middag, begaven Raffles en Charly zich weder naar het huis, waar zij hun vermommingen zouden aanleggen, maar onderweg liet Raffles Henderson stilhouden voor een uitdragerij, waar zij, na eenig zoeken, een gewone soldatenuniform vonden, ruim genoeg voor den reus.

Het was volkomen duister toen de kleine renwagen voor het huis stilhield. Raffles trad op Henderson toe en zei op zachten toon:

—Rijd nu de straat ten einde en trek daar op het onbebouwde veld dat zich daar bevindt, snel de uniform aan, houd daar echter je eigen kleederen onder aan, want die zul je zeker nog noodig hebben, zet je horloge met het mijne gelijk, en keer juist over drie kwartier, dus om zes uur, weder hier terug om ons op te nemen, rijd dan weg, zoodra wij in de auto hebben plaats genomen en breng ons dan naar het Admiraals-Hotel!

Henderson tikte aan zijn pet, en reed weg, terwijl Raffles en Charly zich de trappen opspoedden.

Nog zelden had de Groote Onbekende zooveel zorg besteed aan één zijner vermommingen, want hij begreep dat het thans om zijn leven ging.

Natuurlijk kende de zoogenaamde kellner Judenitsch van aanzien en ook de schoone Poolsche zou wel zeer goed weten, hoe haar slachtoffer er uitzag!

Terwijl zij druk bezig waren hun gelaat een geheele verandering te laten ondergaan, vroeg Charly:

—Dit complot is zeker lang van te voren beraamd, voor het geval Judenitsch ooit te Petrograd mocht komen, want het is niet denkbaar dat Feodora Leszinsky er ooit op heeft gerekend dat zij tot het groote Hoofdkwartier zou kunnen doordringen.

—Dat is ook mijn meening. Ik ben er echter van overtuigd, dat er nog wel andere plannen hebben bestaan, voor het geval dat de Opperbevelhebber van de Noord-Westelijke legertroep niet te Petrograd maar elders zou zijn verschenen.

—Wat zijn je plannen voor hedenavond?

—Dat moet ik van de omstandigheden laten afhangen, dat wil zeggen, van hetgeen de schoone Poolsche voorstelt! Ik denk dat zij dadelijk tracht kennis met mij aan te knoopen en mij naar een andere plek zal willen meelokken, want in het hotel zou zij haar plan moeilijk ten uitvoer kunnen brengen. [28]

De vrienden waren nu geheel gereed en Charly riep vol bewondering uit:

—Je lijkt werkelijk verbluffend veel op Judenitsch.

—Zooveel te beter! Het is een gelukkig toeval dat wij den man nog geen vier en twintig uur geleden in levenden lijve hebben gezien!

Hij raadpleegde zijn horloge en zeide:

—Nog vijf minuten! Wij zullen nu van onze kleederen snel een bundeltje maken en in de auto leggen, waarmede Henderson steeds in onze nabijheid moet blijven.

—Maar is het niet erg gevaarlijk, dat we een Russisch soldaat van hem hebben gemaakt, als hij toch eens werd aangesproken?

—Hij moet altijd zoo vlug rijden dat dit onmogelijk is, en als men hem aanspreekt moet hij maar een paar Duitsche klanken uitstooten, je weet misschien wel dat er verscheidene Duitsche soldaten bij de Rooden zoowel als bij de Witten dienst hebben genomen.

De kleederen werden snel bijeen gepakt en met een touw omwikkeld en daarop maakten de mannen zich gereed om het vertrek te verlaten waar zij waarschijnlijk niet meer zouden terugkeeren.