De portier van het grand hotel aan het Alexanderplein opende met groote voorkomendheid het portier van een juist voorgereden omnibus, nam zijn met goud omzoomde pet af en maakte een eerbiedige buiging voor twee elegante heeren, die uit het rijtuig stapten en die hij met geoefenden blik dadelijk herkende als Engelschen of Amerikanen.
En dit vermoeden werd bevestigd door de etiketten, welke op de koffers waren geplakt en waarop de naam Londen te lezen stond.
„Kan ik twee kamers krijgen?” vroeg de oudste, een rijzige, slankgebouwde man van ongeveer veertigjarigen leeftijd.
„Yes, Sir”, antwoordde de portier, terwijl hij de heeren naar twee, op de eerste verdieping gelegen, deftig gemeubileerde vertrekken bracht.
De vreemdeling informeerde niet naar den prijs der kamers, maar nam er zijn intrek met het optreden van iemand, voor wien geld geen rol speelt in de wereld.
Voordat de kellner de gasten verliet, vroeg hij:
„Hoe lang denken de heeren te blijven?”
„Onbepaald,” antwoordde de oudste der twee, „minstens echter drie dagen.”
Zoodra portier, kellner en huisknecht, die den pas aangekomenen logeergast in elk hotel als een zwerm vliegen omgeven, hun hielen hadden gelicht, ging de jongste der beide Engelschen naar het raam en keek naar buiten, naar het gewoel op het Alexanderplein.
De ander had den reiskoffer geopend en begon de kleeren en het linnengoed in de kasten te bergen.
„Wat is dat voor een groot gebouw aan de overzijde van het plein?” vroeg de zoon van Albion, die bij het venster stond.
Zijn reismakker kwam dichtbij hem staan, keek ook naar buiten en een spottend glimlachje vloog over zijn gelaat.
„Dat, my boy, dat is het Berlijnsche hoofdbureau van politie. Het is van veel meer beteekenis dan Scotland Yard in Londen. De beambten, die hier werken, zijn de wakkerste, de beste detectives, die ik ken. Zij hebben maar één gebrek..”
„En dat is?”
„Zij worden te slecht gesalarieerd.”
Nu lachte ook de jongste.
Na eenige oogenblikken vervolgde de oudste der twee vrienden:
„In verband met het bestaan van deze heeren ben ik niet graag lang in Berlijn, hoewel het, behalve Londen, de eenige stad is, waar ik mij op mijn gemak gevoel.
„Men leeft hier bijzonder aangenaam, maar voor langeren tijd kan men zich hier niet, zooals in Londen, onopgemerkt ophouden.
„Jij bent nu voor den eersten keer in je leven in de schoone keizerstad aan den oever van de Spree en je [2]kent de wijze voorzorgen en maatregelen der politie nog niet, waarmee elke burger en elke vreemdeling wordt lastig gevallen.
„Langer dan drie dagen mag je niet in Berlijn vertoeven zonder je pas of andere legitimatiepapieren te vertoonen.
„Bij ons in Londen interesseert het niemand, of wij Mr. Smith of John of Soundso heeten.
„Hier echter moet iedereen bekend staan onder den naam, dien hij, niet of tegen zijn eigen wil, bij zijn geboorte heeft gekregen.”
„Ik begrijp uit je woorden,” antwoordde de jongste, „dat in Duitschland de politie iedereen onder voogdij stelt. Dat is hier dus evenals in Rusland.
„Ik begrijp alleen niet, waarom je dezen keer niet naar Parijs, maar naar Berlijn bent gegaan.”
Zijn reismakker lachte opnieuw en, terwijl hij een sigarette aanstak, sprak hij:
„Ik moet steeds denken aan de lauweren, die de hoofdman van Köpenick heeft behaald. En ik durf beweren, dat een dergelijke grap als die, welke de geniale schoenmaker tot vermaak der geheele wereld hier heeft uitgehaald, nog gemakkelijker uit te voeren is in de uniform van een luitenant van politie.
„Ik wed, dat een officier van politie nog veel meer gedaan kan krijgen dan een eenvoudige hoofdman.”
„Je hebt groote plannen! Mag ik weten welke?”
„Neen”, antwoordde de ander, „het is vroeg genoeg, als je die verneemt, wanneer ik ze ten uitvoer breng en ik denk dat reeds morgen te doen.
„Ga nu met mij, want ik ga alles, wat ik voor de zaak noodig heb, aanschaffen.”
Samen verlieten zij het hotel en schijnbaar toevallig gingen zij de Alexanderstraat in.
De oudste der beide heeren keek met onderzoekende blikken langs de huizenrijen en bleef hier en daar naar een verhuurbordje staan kijken.
Na een poosje ging hij een huis binnen, waaraan een bordje was uitgehangen, dat vermeldde, dat daar kamers werden verhuurd voor dagen, weken of maanden.
Zonder te loven of te bieden huurde de onbekende in het pension een kamer, betaalde een week vooruit en liet zich de sleutels overhandigen van huis- en portaaldeur.
„In deze pensions”, sprak hij, toen zij zich weer op straat bevonden, „zijn wij zeer ongegeneerd. Niemand let op de huurders, als zij uitgaan of thuiskomen. Als men heeft betaald, kan men, zonder door iemand te worden opgemerkt, zijn kamer binnengaan, bewonen en verlaten.”
Zij gingen eenige straten verder en kwamen eindelijk in de Rozenstraat.
Hier wonen huis aan huis kooplieden, die handel drijven in oude uniformen en gedragen kleeren.
Een dergelijken winkel gingen zij binnen.
„Wij hebben een paar uniformen noodig, die van een luitenant van politie en van een wachtmeester. Wij willen namelijk het gecostumeerde feest van de roeivereeniging mee bijwonen. Kunt gij ons aan iets dergelijks helpen?” vroeg de onbekende aan den winkelier.
„Gij kunt bij mij zooveel uniformen krijgen als gij verkiest”, luidde het antwoord.
Het duurde dan ook niet lang, of hij had voor de beide vrienden de volledige uniformen, benevens sabels en verder toebehooren, klaargelegd.
Na eenig loven en bieden betaalden zij, lieten zich het gekochte inpakken en namen het pak mee.
Op hun gemak de straten doorslenterend, liepen zij in de richting van de Linden.
Bij den hoek van de Friedrichstrasse bleven zij staan en de oudste sprak:
„Hier zie je alle rangen van de Berlijnsche politie. Die daar in het midden, die met de beambten staat te praten, is luitenant van politie en die vóór hem staat, is wachtmeester.
„De anderen zijn gewone agenten.
„Kijk nu nauwkeurig, zooals ik het ook doe, naar de manieren en wijze van doen van deze lieden, opdat wij precies kunnen optreden, zooals zij dat gewend zijn te doen.”
Bijna een half uur lang stond het tweetal onder de Linden om naar het interessante stadsgewoel te kijken.
Inderdaad echter bestudeerden zij elke beweging der politiebeambten en begaven zich eindelijk haar het café, dat zich het dichtst bij bevond, op welks balkon zij plaats namen.
Van hun zitplaatsen keken zij nog eenige uren lang naar het doen en later der beambten van politie. Daarop reden zij naar de gehuurde kamer in het pension en legden daar het pak neer.
Zij begaven zich nu naar het hotel terug om uit te rusten en brachten den avond in een schouwburg door.
Reeds vroeg in den morgen verlieten zij den volgenden dag hun hotel, om de door hen gehuurde kamer op te zoeken. [3]