[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE BEDROGEN PANDJESBAZEN.

Samuel Löwenstein, de eigenaar van een groot pandjeshuis in de Frankfurterstraat, had weer, evenals elken dag, handenvol werk, toen een heer zijn winkel binnenkwam, die wenschte om hem zelf te spreken.

De koopman zag met een enkelen oogopslag, dat de vreemdeling zaken met hem had te verhandelen, die niet voor ooren van andere menschen waren bestemd.

Hij bracht hem derhalve in zijn klein kantoor en vroeg wat de bezoeker wenschte.

Als antwoord haalde de vreemdeling een leeren zakje te voorschijn, waaruit hij eenige kostbare diamanten nam, die hij op de schrijftafel van Samuel Löwenstein neerlegde.

De oogen van den pandjeshuishouder schitterden begeerig, toen hij de fonkelende steenen zag.

„Wat wilt gij ervoor hebben?” vroeg hij, nadenkend en vol aandacht de kostbaarheden onderzoekende.

De vreemdeling haalde de schouders op en antwoordde:

„Ik heb geld noodig!”

Samuel Löwenstein taxeerde de steenen op 10,000 Mark.

„Ik zal geven 2800 Mark”, sprak hij tot den onbekende.

„Ik heb 4000 noodig!”

„Kan ik er niet voor geven. De steenen hebben eenige gebreken en zijn niet meer waard.”

De vreemdeling mompelde: „Schurk!”, wat Samuel Löwenstein niet hoorde en sprak luid:

All right! Geef mij 3000.”

„Hebt gij legitimatiepapieren?”

De buitenlander wist blijkbaar niet, wat de pandhuishouder bedoelde.

Samuel Löwenstein maakte het hem duidelijk.

Nu haalde de vreemdeling een bijna onleesbaar, maar van een stempel voorzien document uit zijn zak te voorschijn. Het was blijkbaar door de Hongaarsche politie afgegeven.

Hij overhandigde het aan Samuel Löwenstein, die er een vluchtigen blik op wierp, met het hoofd knikte en, zoo goed en kwaad als het ging, den naam van den vreemdeling spelde.

Hij las er Katzenstein uit, Siegfried Katzenstein, en vroeg, of deze naam juist was.

De vreemde heer knikte bevestigend.

Samuel Löwenstein vulde het gebruikelijke lommerdbriefje in en betaalde de 3000 Mark.

De vreemdeling ging heen.

Nauwelijks had deze het huis verlaten, of de pandhuisbezitter begon een vreugdedans uit te voeren.

Hij riep zijn compagnon bij zich en schreeuwde opgewonden:

„Ik heb daar juist een schitterend zaakje gedaan. Heb je dien fijnen heer gezien, die daar wegging? Hij moet een groote gannef (gauwdief) zijn, want hij bracht mij uitgebroken steenen en ik heb een vierde betaald. Ze zijn onder broers 15,000 Mark waard.”

Vol innig genot bekeken de twee de juweelen, sloten ze in de brandkast weg en gingen weer terug naar hun winkel.

Een half uur later speelde zich in een pandjeshuis in de Friedrichstraat een dergelijk tooneel af. Dezelfde vreemdeling verpandde tegen een bespottelijk lagen prijs losgebroken diamanten aan den eigenaar der zaak.

De man scheen een heelen zak vol ervan te bezitten.

Want dien geheelen dag besteedde hij aan dat werk en toen het avond was geworden, had hij 15 pandjeshuizen bezocht. Eerst toen was hij voor dien dag gereed met zijn werk.

Terwijl hij met een pandhuishouder onderhandelde, liep een vriend van hem voor het huis, als om de wacht te houden, heen en weer.

„Ik begrijp er niets van”, sprak deze, toen de vreemdeling zich weer op straat bij hem voegde, „hoe is het mogelijk, dat je voor zulk een belachelijk klein bedrag die prachtige steenen van de hand doet?” [4]

Daarop gingen zij verder.

Het waren de twee Engelsche heeren, die eenige dagen geleden hun intrek hadden genomen in het Grand Hotel.

De oudste, die de steenen beleende, lachte en klopte eens op zijn portefeuille, die gevuld was met talrijke biljetten van duizend Mark.

„Ik doe reusachtige zaken, mijn beste jongen.”

„De duivel moge jou begrijpen”, antwoordde de jongste, „een zaak, waarbij men duizenden verliest, kan men toch met den besten wil van de wereld niet schitterend noemen.”

Toen bleef zijn metgezel staan, klopte hem op den schouder en antwoordde:

„Jij bent en blijft een groote domkop, mijn lieve Charly! Meen je werkelijk dat ik, de Groote Onbekende, John C. Raffles, voor wien de geheele Londensche politiemacht beeft en siddert, dat ik dien kerels ook maar een enkelen penning zal schenken?

Neen, mijn jongen, ik zal hen een aderlaten, zoodat hooren en zien hun vergaat.”


Op hetzelfde uur ongeveer als twee dagen geleden, trad een luitenant van politie den winkel van Samuel Löwenstein binnen, vergezeld door een wachtmeester, welke laatste een portefeuille met acten en een handkoffer droeg.

Met de meest onderdanige buiging begroette Samuel Löwenstein de beambten, die met een kort „goeden morgen” binnentraden.

De pandjeshuishouder voelde zich in het geheel niet op zijn gemak bij het zien binnenkomen van twee dienaren der gerechtigheid en met een zuurzoet glimlachje vroeg hij wat mijnheer de luitenant wenschte.

Deze viel hem echter in de rede met de op barschen toon uitgesproken woorden:

„Vraag mij niet, wat ik wensch, maar wacht, totdat ik u iets vraag!

Vertoon mij onmiddellijk uwe boeken. Ik heb geen tijd om mij lang bij u op te houden.

Gij staat onder verdenking van een oplichter, die gisteren in hechtenis is genomen, gestolen juweelen te hebben beleend, zonder voldoende legitimatiebewijzen van dien persoon te hebben gevorderd.”

Samuel Löwenstein verbleekte.

Hij sloeg de handen boven zijn hoofd te zamen en riep uit:

„God zal mij bewaren, mijnheer de luitenant, dat ik zulk een schande zou laden op mijn hoofd, dat in eer en deugd is vergrijsd.

God zal mij straffen, als dat waar is.

Ik kan mij in ’t geheel niet herinneren, dat ik zonder voldoende legitimatiebewijzen juweelen in pand zou hebben genomen.

Overtuig u zelf, heer luitenant.”

„Geef mij de akten aan!” beval de officier den wachtmeester.

„Tot uw dienst, luitenant”, antwoordde de wachtmeester, zijn hielen tegen elkaar slaand en het gewenschte te voorschijn halend.

De officier van politie nam ze aan en sprak:

„Katzenstein is de naam van den oplichter.

Heeft een zekere Katzenstein hier juweelen in onderpand gegeven?”

Samuel Löwenstein zette een nadenkend gezicht.

Hij legde zijn vinger, waaraan een nagel met breeden zwarten rand prijkte, in een der neusgaten en toen in den mond en alsof deze versnapering hem aan een goed antwoord had geholpen, sprak hij met gefronst voorhoofd:

„Katzenstein? Katzenstein? Die naam komt mij inderdaad bekend voor. Zou hij hier zijn geweest? Of zou hij niet hier zijn geweest? Hoe kan ik bij de ontelbare klanten, die ik heb, nog weten, of een zekere Katzenstein hier is geweest?”

„Sla uw boek op!” beval de politie-officier op korten toon.

„Ken jij Katzenstein?” riep de pandjesbaas tot zijn compagnon.

„Weet ik veel!” antwoordde deze, „jij bemoeit je met de diamanten en ik bemoei mij met de ouwe kleeren.”

Intusschen had de officier het boek naar zich toegetrokken en bladerde erin. Eenige oogenblikken later maakte hij een zacht fluitend geluid, vergeleek een lommerdbriefje, dat hij uit de portefeuille haalde, met hetgeen hij in het boek zag staan en sprak:

„Juist, dat klopt! Voor 3000 Mark, zooals het briefje ook vermeldt. Dat bedrag staat ook in uw boek genoteerd.

Ik leg beslag op de briljanten. Voor den dag met de steenen!”

Samuel Löwenstein wist, dat hem niets beters te doen stond dan te gehoorzamen.

Met bevende handen sloot hij de brandkast open, haalde de steenen te voorschijn en legde ze voor den luitenant van politie neer. [5]

Deze telde ze na, maakte er een pakje van, liet zich een kaars en lak geven, verzegelde het pakketje en zette met een gummi-stempel, dat het opschrift droeg: „In beslag genomen door de Koninklijke politie”, een kantteekening in het hoofdboek van Samuel Löwenstein.

„Gij zult wel nader bericht ontvangen”, sprak hij tot den pandjesbaas, waarna hij met zijn wachtmeester het huis verliet.

De beide compagnons staken onmiddellijk de hoofden bij elkaar en fluisterden nog geruimen tijd met geheimzinnige handgebaren en gefronste voorhoofden.

Een dergelijk bezoek werd door de beide beambten van politie in vijftien andere pandjeshuizen afgelegd.

Toen zij eindelijk in hun kamer waren teruggekeerd, sprak John Raffles tot zijn vriend en secretaris Charly Brand:

„Die visites waren de moeite wel waard. Ik heb vandaag ongeveer 60,000 Mark verdiend.

Nu zal ik morgen de andere inrichtingen van dien aard, welke zich hier in de hoofdstad van het schoone Duitsche Rijk bevinden, met een dergelijk bezoek vereeren.”

Twee dagen later had de Groote Onbekende weer een twaalftal pandjeshuizen bezocht en sprak hij tot Charly Brand:

„Die kerels verdienden allen, zonder een enkele uitzondering, achter slot en grendel te worden gezet.

In de allereerste plaats, omdat zij te dom zijn om op eigen beenen te staan en dan vooral om hun geslepenheid.

En nu ga jij naar Londen terug.

Ik zal nog eenigen tijd hier blijven. Ik hoop nog een paar kleine, maar interessante avonturen te wagen en jij zoudt mij daarbij maar tot last zijn.”

Hij gaf Charly Brand een deel van zijn geld, bracht hem naar het station en begaf zich daarna naar Café Bauer.

De dag liep ten einde en de avondbladen waren juist uitgekomen.

De Groote Onbekende nam het Berliner Tageblatt op om de laatste nieuwtjes te lezen.

Reeds de eerste regelen, waarop zijn oog viel, schenen hem te amuseeren.

Hij las het volgende:

Opzienbarende, ongekende bedriegerij gepleegd door een onbekend oplichter ten nadeele van de Berlijnsche pandhuizen.

Eenige dagen geleden verscheen een onbekende, blijkbaar een Hongaar, die een legitimatiebewijs bezat, ten name van een zekeren Katzenstein, in meer dan twintig pandhuizen en beleende daar diamanten.

Een dag later bracht hij aldaar een tweede bezoek, vermomd als politie-officier en in gezelschap van een als wachtmeester uitgedosten medeplichtige.

Hij wendde voor, dat hij op hoog bevel beslag kwam leggen op de diamanten, welke door een zekeren Katzenstein waren beleend.

Overal gelukte de truc en de pandhuishouders werden den door hem afgezet voor bedragen van 2000 tot 6000 Mark.

De tot dusverre onbekend gebleven bedrieger wist zich op deze wijze in het bezit te stellen van een bedrag van 80,000 Mark en dit in den tijd van een paar dagen.

Ondanks de nauwkeurige navorschingen, welke de Berlijnsche politie onmiddellijk in het werk stelde, is het tot heden nog niet mogen gelukken, den dader in handen te krijgen.

De geheele zaak doet sterk denken aan den Londenschen meester-dief John Raffles.

De bedrogen pandhuishouders hebben gezamenlijk besloten, om een bedrag van 1000 Mark uit te betalen aan dengeen, die zoodanige aanduidingen in deze zaak kan verschaffen, dat de dader in handen der politie valt.”

Raffles blies behaaglijk de blauwe rookwolkjes van zijn sigarette voor zich uit en een glimlach speelde om zijn fijnbesneden lippen.

Hij liet zich door den oberkellner van het café schrijfgereedschap brengen en schreef den volgenden brief:

Aan de Redactie van het
Berliner Tageblatt.

Met het grootste genoegen las ik zooeven in uw zeer geëerd blad het artikel over mijn rooftocht ten nadeele van de Berlijnsche pandjesbazen.

Gij kunt niet gelooven, hoe tevreden ik over mijzelf ben, nu deze truc mij zoo volkomen is gelukt.

Ik heb een gedeelte van het geld, dat ik dien woekeraars afhandig heb gemaakt, gebruikt om het, zooals dat mijn gewoonte is, aan de armen van Berlijn ten goede te doen komen.

En gij hebt niet ten onrechte beweerd, dat deze geschiedenis doet denken aan den beruchten John C. Raffles. [6]

Ik ben bij dezen zoo vrij om u mede te deelen, dat ik inderdaad niemand anders ben dan John C. Raffles en dat ik mij tijdelijk in Berlijn ophoud.

Opdat gij het voor de Berlijners gemakkelijker kunt maken, de uitgeloofde 1000 Mark te verdienen, die vastgesteld zijn als belooning voor dengene, die den dader in handen der politie levert, zend ik u hierbij mijn portret, dat gij kunt publiceeren, en ik hoop, dat het mij dan gemakkelijk zal vallen, mij nog ongegeneerder in Berlijn te bewegen dan tot dusverre.

Terwijl ik u nog mededeel, dat ik reeds jarenlang abonné ben van uw blad, blijf ik met de meeste hoogachting,

JOHN C. RAFFLES.”

Met een spottend lachje op het gelaat verliet de Groote Onbekende het Café Bauer, om zijn kamer in het pension weer op te zoeken.

Dien morgen had hij zijn vertrekken in het Grand Hotel verlaten en de bagage door hotelbedienden naar het station laten brengen, vanwaar die door Charly Brand meegenomen werd naar Londen.

Zoodoende kon zijn spoor van uit het hotel niet meer gevolgd worden. [7]