Op een der volgende dagen slenterde John Raffles door de straten van Berlijn en keek vol belangstelling naar het stadsleven, dat daar zijn gewonen gang ging.
Onwillekeurig bleef hij staan bij een advertentiezuil, die door een troep menschen was omgeven. Hij deed moeite om over de schouders en hoofden der voor hem staanden te lezen, wat hier op zoo opvallende wijze de publieke aandacht trok.
Door zijn rijzige gestalte gelukte het hem al spoedig, te lezen wat deze opeenhooping van publiek had veroorzaakt en een guitig lachje gleed langs zijn aristocratische trekken.
In zijn schrandere oogen tintelde een met moeite bedwongen vreugde, toen hij de volgende aankondiging las:
Schouwburgzaal
Köpenickerstr. 68.
Zaterdag den 22 Mei 1909 en volgende dagen:
op werkdagen 8½ uur. Zondags 8 uur.
De groote Engelsche
sensatie—detective—comedie:
„Lord Lister”
genaamd Raffles de groote onbekende.
door Curt. Matul.
Plaatsbespreking van af heden.
„Alle drommels”, sprak hij glimlachend tot zichzelf, terwijl hij zijn horloge vergeleek met de klok van de naaste kiosk, „ik heb toevallig vanavond geen dringende bezigheden en ik ben inderdaad nieuwsgierig om mijn dubbelganger op de planken te zien.”
Hij wenkte een rijtuig en liet zich naar de Köpenickerstraat brengen, nam een logeplaats en amuseerde zich kostelijk om het uiterlijk en spel van zijn dubbelganger.
Maar nog meer genoegen deed het hem te zien, hoe het publiek bij zijn streken en trucs in luide bijvalskreten losbarstte.
Na afloop der voorstelling bleef Lord Lister nog in het restaurant van den schouwburg vertoeven.
Hij had een zoodanig plaatsje uitgezocht, dat hij dicht bij het tafeltje zat, waaraan de schrijver van het stuk met den schouwburgdirecteur hadden plaats genomen.
Na een poosje hoorde hij, dat de secretaris van het theater, die naast den directeur was komen staan, tot dezen sprak:
„Mijnheer, zooeven kwam een politie-officier met agenten het gebouw binnen. Hij zegt, bericht te hebben gekregen, dat Raffles in eigen persoon zich in den schouwburg bevindt.”
„Och kom”, antwoordde de directeur lachend, „ik hoop niet, dat onze acteur in verzekerde bewaring wordt gesteld.”
Lord Lister had aandachtig en scherp geluisterd en overlegde, op welke wijze hij zich uit zijn gevaarlijken toestand zou kunnen redden.
Hij had zich niet verkleed of vermomd, daarom kon een ontmoeting met de politie hachelijk voor hem worden.
Hij zag door de glazen deur, dat de uitgang van het gebouw door politieagenten was bezet.
Nu kwam de luitenant van politie met eenige agenten het lokaal binnen, van het eene tafeltje naar het andere loopend en de aanwezige gasten met scherpe blikken monsterend.
Raffles zat zoo, dat hij den schouder van den directeur met de hand kon aanraken. [8]
Haastig nam hij een visitekaartje, waarop hij met potlood schreef:
„Ik zou u gaarne eenige oogenblikken in uwe bureau willen spreken.”
Hij overhandigde het kaartje aan den directeur en amuseerde zich om het verbaasde gezicht van dien heer bij het lezen der door Raffles geschreven woorden.
Van het antwoord hing voor Raffles veel af.
Directeur Bitterfeld fluisterde den schrijver van het stuk eenige woorden in het oor, waarop deze als geëlectriseerd van zijn stoel wilde opspringen, zich echter wist te beheerschen en op kalmen toon sprak:
„Wees zoo goed, ons te volgen.”
Niemand lette op de heeren, toen zij door een zijdeur zich naar de eerste étage begaven.
Daar aangekomen, wierp de directeur nogmaals een blik op het hem door Raffles overhandigde visitekaartje, dat niet den naam van den beruchten Engelschman droeg, maar waarop John Hallborn te lezen stond.
Daaronder had de groote onbekende geschreven:
„Een vriend van John Raffles.”
„Wat wenscht gij van mij?” vroeg de schouwburgdirecteur vol belangstelling.
Raffles lachte hartelijk.
„U, evenals den geachten heer, die in uw gezelschap is, mijn dank betuigen voor de geniale wijze, waarop mijn persoon vanavond hier is weergegeven.”
Hij reikte beiden heeren de hand.
„Ik veronderstel, dat de uitgang der zijtrap niet bewaakt wordt door de politie?”
„Stellig niet!” antwoordde directeur Bitterfeld, „maar voor alle zekerheid zal ik u tot aan den uitgang vergezellen.”
Daar aangekomen, drukten zij elkaar nogmaals de hand en daarop verdween Raffles.
De beide heeren keerden terug naar de restauratiezaal, waar de politie nog steeds aanwezig was om naar den grooten onbekende te zoeken.
Ongeveer tien minuten later kwam een dienstman het lokaal binnen, naderde den politie-officier en overhandigde, dezen een briefje.
Deze opende het en las:
„Staak uw vruchtelooze pogingen om mij te vinden en wees zoo verstandig om op uw gemak een potje bier te gaan drinken. Ik heb het gebouw reeds verlaten.
Met hoogachting en beleefde groeten,
John C. Raffles.”
De luitenant, een flinke, joviale kerel, overhandigde het kaartje aan den schouwburgdirecteur, die dichtbij hem stond.
Beide heeren barstten uit in een hartelijken schaterlach en toen de inhoud van het briefje na een korte poos ook bij de verdere aanwezigen bekend was, heerschte algemeene vroolijkheid in het lokaal.
Menig glas werd geledigd op het welzijn van den genialen meester-dief.
Den volgenden dag werd den directeur, gedurende de avondvoorstelling een prachtige lauwerkrans overhandigd, nadat hij eerst voor het voetlicht was geroepen. Op het rood satijnen lint was in groote gouden letters gedrukt:
„Als blijk van vriendschap aan u opgedragen door John C. Raffles, den Grooten Onbekende”.
Om dezen krans te bestellen, had Raffles zich in den middag naar een bloemenwinkel in de Friedrichstrasse begeven en toen hij weer naar buiten trad, merkte hij tot zijn groote verbazing, dat hij door een persoon gevolgd werd.
Toen hij den man met een scherpen blik monsterde, ontdekte de groote onbekende, dat het een van de pandjesbazen was, die door hem bij den neus was genomen.
In de ochtendbladen had een reproductie gestaan van het portret en den brief van John Raffles en daarom had hij zijn gelaat nu voorzien van een vollen bruinen baard.
Ondanks deze voorzorg moest de pandjesbaas hem herkend hebben.
John Raffles, die het zeer onaangenaam vond om achtervolgd te worden, nam een huurrijtuig en reed daarin verder.
Toen hij zijn hoofd buiten het portierraampje stak, bemerkte hij, dat zijn vervolger met een anderen man in druk gesprek was en dezen, met heftige gebaren in de richting van het zich verwijderende rijtuig, iets vertelde.
Nu kwam het er op aan, om zijn vervolgers vóór te blijven.
Lord Lister haalde eenige goudstukken uit zijn zak te voorschijn en sprak tot den koetsier:
„Hier hebt gij geld, koetsier, en rijd nu zoo hard als het paard kan loopen, men vervolgt mij.”
De koetsier, een echt Berlijnsch type, begreep dadelijk, waarom het te doen was. Hij ranselde het paard en het rijtuig vloog als een pijl uit den boog de straat langs.
Maar ook de vervolgers deden hetzelfde en toen zij zagen, dat het rijtuig, waarin Raffles zat, niet in te halen was, omdat hun paard niet zulk een flink draver was als dat van den vluchteling, verlieten zij hun [9]rijtuig bij de eerstvolgende gereedstaande auto, betaalden hun koetsier en namen plaats in den motorwagen.
De chauffeur riep wel op verontwaardigden toon: „Deze auto is bezet!”, maar de persoon, die den pandjesbaas vergezelde, hield den man een penning voor zijn verbaasde oogen, waaruit bleek dat hij beambte van politie was en sprak:
„Dienstzaak! Ik ben aansprakelijk voor de schade!”
„Nu, vooruit dan maar”, antwoordde de chauffeur, „waarheen?”
De politiebeambte wees den chauffeur het rijtuig, dat reeds in de verte verdween.
„Wij moeten het huurrijtuig, dat daar ginds rijdt, inhalen. Rijd snel, gij kunt een tienmarkstuk extra verdienen.”
„Dien sneltrein zullen wij in een oogenblik hebben achterhaald”, sprak de chauffeur en voort ging het met groote snelheid.
Als de bliksem zoo snel stoof de auto door de stille straat, waarin zich bijna geen enkele voetganger vertoonde en binnen eenige minuten was het rijtuig, waarin Raffles zat, ingehaald.
De politiebeambte, die Bender heette en een van de meest bekende vervolgers van Berlijnsche misdadigers was, schreeuwde, toen de auto, die niet snel genoeg tot stilstaan kon worden gebracht, tot den koetsier van het huurrijtuig, dat zij voorbijstoven:
„Blijf staan! In naam der wet!”
De koetsier, die wel inzag dat het een nuttelooze moeite zou zijn om niet te gehoorzamen, hield onmiddellijk de teugels van zijn paard in.
Op hetzelfde oogenblik sprong Raffles uit het rijtuig en verdween een seconde later in het eerste het beste huis.
Zoodoende had hij ongeveer twee minuten voor op zijn vervolgers, die eerst uit de auto moesten stappen, voordat zij hem konden nasnellen.
Raffles was langs de trap van het huis, dat vier verdiepingen telde, naar boven gevlogen en had met een kleinen looper de zolderdeur geopend.
Haastig sloot hij haar weer achter zich dicht en door een dakvenster klom hij naar buiten.
Hij snelde nu over de daken met evenveel gemak, alsof hij zich op den beganen grond voortbewoog.
De beambte van politie had zonder een oogenblik te aarzelen denzelfden weg genomen als de vluchteling.
Toen hij door het dakvenster naar buiten klom, zag hij, dat de Engelschman blijkbaar niet verder kon.
Met meesterlijke behendigheid snelde Bender langs den ongewonen weg, die over de daken leidde, voort, terwijl hij uitriep:
„Geef u over!”
Maar hij had moeten bedenken, dat Raffles tot dusverre nog door geen enkelen detective ter wereld gevangen genomen was.
De Groote Onbekende kwam naar den politiebeambte toe en Bender meende hieruit te mogen begrijpen, dat hij zich gewonnen gaf.
Maar voordat hij Raffles pols kon beetpakken, kreeg hij een vuistslag, die hem op het dak deed neertuimelen.
Bewusteloos bleef hij liggen.
Op dit oogenblik verscheen de pandhuishouder met eenige politie-agenten, die hij ter hulp had geroepen, eveneens op het dak.
Tevergeefs keek Lord Lister om zich heen, op welke manier hij zijn vlucht zou kunnen voortzetten.
Vóór hem ging de muur loodrecht naar beneden en had geen enkel steunpunt. Deze muur sloot aan een der zijden een binnenplaats af, die ongeveer tien meter breed kon zijn.
Op eenigen afstand hoorde hij reeds de stemmen van zijn nieuwe vervolgers.
Toen nam hij een overmoedig besluit.
Hij ging op zijn rug liggen en liet zich zoo langs het tamelijk steile dak aan den straatkant neerglijden tot in de dakgoot.
Voorzichtig kroop hij langs den rand, totdat hij aan de plek kwam, waar de waterpijp langs het huis naar beneden ging.
Eenige minuten bleef hij in geknielde houding in de goot liggen, daarop eerst liet hij zich langzaam afglijden langs den rand van het dak. Eindelijk hing hij geheel vrij, zich alleen met de handen aan de goot vasthoudend, boven de enorme diepte.
Om dit waagstuk uit te voeren, waren stalen zenuwen noodig.
Nu liet hij met de eene hand de dakgoot los en omklemde hiermede de naar beneden leidende looden waterbuis.
Op straat stonden eenige vrouwen naar de doldrieste klimpartij te kijken. Zij stieten luide kreten van ontzetting uit.
Intusschen was John Raffles ter hoogte van een balkon gekomen.
Maar tot zijn schrik bemerkte hij, dat het een onmogelijkheid [10]voor hem zou zijn, om dit te bereiken.
Het gemetselde balkon was op meer dan een meter afstands van hem verwijderd.
Hij durfde het ook niet te wagen met een zijner handen de goot los te laten, want hij had geen steunpunt voor zijn voeten en moest dus beide handen gebruiken om zich stevig vast te houden.
De Groote Onbekende doorleefde vreeselijke oogenblikken.
Zijn vingers weigerden bijna hun dienst tengevolge van het krampachtige vastgrijpen en reeds dacht hij niet anders te kunnen doen dan langs de pijp verder naar beneden te glijden, toen de deur van het balkon geopend werd.
Een man trad naar buiten, maar ging verschrikt achteruit, toen hij iemand boven zich zag hangen. (Zie het titelblad.)
Met een enkelen oogopslag begrijpend, in welken gevaarlijken toestand deze vermetele waaghals zich bevond, riep hij:
„Wacht een paar seconden, ik zal u helpen!”
Haastig snelde hij in de kamer terug, om dadelijk daarna met een waschlijn terug te komen.
Hij bevestigde het eene uiteinde aan het raamkozijn en bond zich toen het andere gedeelte om zijn lichaam.
Nu klom hij over den rand van het balkon, hield zich met de rechterhand vast en greep met de linker Raffles onder den arm beet.
„Laat u nu los!” riep hij.
De Groote Onbekende sprong, terwijl hij gebruik maakte van het hem aangeboden steunpunt, met een handigen zwaai op het balkon en eenige seconden later stonden de beide mannen tegenover elkaar in de kamer.
Lord Lister dronk haastig een glas water, om zijn zenuwen te sterken en sprak daarna, terwijl hij zijn redder de hand reikte:
„Gij hebt mij het leven gered, beste vriend, en ik ben ten allen tijde bereid, het mijne voor u te wagen.”
„Dat was een gevaarlijke toestand, waarin gij u zooeven bevondt! Wilt gij mij niet vertellen, hoe gij aan die waterpijp terecht zijt gekomen?
„Uw waaghalzerij lijkt verduiveld veel op die van den dief en moordenaar Hennig.
„Ik hoop niet, dat gij een dergelijk sujet zijt. Gij ziet er ten minste niet naar uit.”
„Zoudt gij mij geholpen hebben, als ik een dief-moordenaar ware geweest?” vroeg John Raffles.
„Wel ja, waarom niet. Het zou jammer zijn, als de rechters niets te doen hadden.”
„Nu, een moordenaar ben ik niet”, antwoordde Lord Lister, „ik ben Raffles!”
Met open mond en verbaasde oogen staarde de bewoner der balkonkamer den Grooten Onbekende aan. Daarop riep hij uit:
„Raffles? Zijt gij Raffles, de man, wien het gelukt is, de pandjesbazen te bedriegen?”
De ander knikte bevestigend.
Met uitgestoken hand vervolgde de hulpvaardige man:
„Laat mij u de hand drukken. Ik ben dubbel blij, dat gij het zijt geweest, dien ik ervoor heb kunnen bewaren om den nek te breken. Het zou meer dan jammer zijn, als gij op dit oogenblik daar beneden moest liggen met verbrijzelde hersenpan.
„Maar ik begrijp nog steeds niet, hoe gij op die dakgoot zijt gekomen.”
„Heel eenvoudig, men achtervolgt mij,” antwoordde Raffles, „en er bleef mij geen andere keus over dan langs de goot en de waterpijp naar beneden te komen.
„En ook hier zal ik niet veilig zijn.”
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen op de gangdeur werd geklopt.
Beiden luisterden een oogenblik aandachtig.
„Daar zijn zij al!” fluisterde de groote onbekende.
De man, in wiens woning hij zich bevond, keek radeloos om zich heen.
„Gij zijt verloren. Ik weet geen enkel plekje, waar ik u voor de oogen der politie zou kunnen verbergen.
„Wat zullen wij doen?
„De beambten zullen de geheele woning doorzoeken.”
John Raffles keek aandachtig in de kamer rond en bemerkte, dat de keuken, waarvan de ramen op de binnenplaats uitkwamen, onmiddellijk aan het vertrek grensde.
De huisbewoner ging intusschen naar de deur en vroeg:
„Wie is daar?”
„In naam der wet, doe open!” klonk het op energischen toon.
„Een oogenblik, ik moet mij eerst even kleeden!” riep de bewoner van het huis, om tijd te winnen.
Opnieuw werd op de deur geklopt.
John Raffles had intusschen de waschlijn genomen en bevestigde deze aan het kozijn van het keukenvenster.
Nadat hij er zich van had overtuigd, dat niemand zich in de schemering op de binnenplaats bevond, sprak hij tot zijn redder: [11]
„Zoodra ik daar beneden ben aangekomen, moet gij het touw afsnijden. Kijk eens, mag ik u dit als schadevergoeding geven voor de onkosten van het touw?”
Hij wierp den man een banknoot van honderd mark toe en was in het volgende oogenblik verdwenen.
Het duurde slechts eenige seconden of reeds had de groote onbekende de binnenplaats bereikt en met een zucht van verlichting sneed zijn redder het touw los.
Lord Lister ving het op, rolde het haastig tot een kluwen en wierp dit in de vuilnisbak.
Daarop ging hij kalm en bedaard door de gang van het huis naar de straat, waar wel twintig menschen naar de ramen van het gebouw stonden te gapen.
Zij hadden hem daarboven zien hangen en wilden nu, met begrijpelijke nieuwsgierigheid, het verdere verloop van deze interessante zaak meemaken.
Zij waren het ook geweest, die tot den politiebeambte Bender, toen deze uit zijn bewusteloozen toestand was ontwaakt, van de straat hadden toegeroepen, langs welken weg de onbekende waaghals was gegaan.
Nu stonden zij nog steeds naar boven te kijken, hun halzen uitrekkend en in de vurige hoop, elk oogenblik te zullen vernemen, dat de vluchteling gegrepen was.
Zij letten in hun groote opgewondenheid niet op den man, die zich nu bij hen voegde en met even groote belangstelling als zijzelf het huis aankeek.
„Wat is daar boven gebeurd?” vroeg hij aan een vrouw, die vlak naast hem stond.
„Zij vervolgen een dief en moordenaar,” antwoordde het oudje, „het is een van de handlangers van Hennig. Langs de waterpijp heeft hij zich naar beneden laten glijden. Toen is hij een vreemde woning binnengedrongen. Nu, zij zullen hem wel gauw hebben.”
„Als hij maar niet schiet!” sprak een andere vrouw, die met de handen in de zij druk had staan redeneeren met een paar opgeschoten fabrieksmeiden, doch nu vond dat zij hier ook een duit in het zakje moest doen.
„Als hij maar niet schiet, want ik kan dat ellendige knallen niet verdragen!”
„Kom, kom, hij zal ons hier beneden niet raken,” stelde de oude vrouw haar buurtje gerust. „Denkt u ook niet,” wendde zij zich tot Raffles, „dat wij hier wel veilig staan?”
Deze antwoordde met eenige vriendelijke woorden en het oudje richtte den blik uit haar kleine, bruine oogjes weer naar boven.
Intusschen stonden de beambten van politie nog steeds voor de deur te wachten.
Maar de bewoner van het huis scheen het er op aan te laten komen, dat zij op gewelddadige wijze zich toegang verschaften.
En reeds stonden de dienaren der heilige Hermandad op het punt om de deur open te trekken, toen de man deze voor hen ontsloot.
„Waarom hebt gij niet eerder geopend?” vroeg Bender.
„Daarvan ben ik u in het geheel geen rekening en verantwoording schuldig! Dat gaat u niets aan, mijn waarde!” antwoordde de huisbewoner, die fabrieksarbeider was. „Vertoon mij, voordat gij hier verder zoo brutaal optreedt, eerst uw hondenpenning, opdat ik kan zien dat gij inderdaad het recht hebt op deze wijze mijn woning binnen te dringen.”
De beambte vertoonde zijn politiepenning, waarop de man hem liet binnenkomen.
„Bij u verbergt zich een misdadiger, dien ik vervolg.”
De fabrieksarbeider hield de hand aan zijn oor, alsof hij niet goed verstond wat de ander zei.
„Wat bedoelt gij? Misschien één van de wassen beelden, die uit het panopticum is weggeloopen?
„Nu, ga uw gang dan maar, maar dat zeg ik u, dat gij elk meubelstuk weer precies zoo neerzet als gij het vindt!”
De agenten van politie doorzochten de geheele woning, terwijl de fabrieksarbeider met een spottend lachje naar hen keek.
„Zijt gij ook politie-agent?” vroeg hij den pandjesbaas, die in zenuwachtige onrust naast Bender stond.
De gevraagde keek den ander woedend aan.
„Probeer niet mij voor den gek te houden. Mijn naam is Löwenstein. Ik ben houder van een bank van leening.”
„Nee maar, die is goed! Die mijnheer voelt zich beleedigd, omdat ik hem aanzie voor een stillen agent van politie!
„Neem hem maar dadelijk in hechtenis, heer wachtmeester, wegens beleediging van een beambte!”
Bender was zenuwachtig geworden.
Hij had de geheele woning doorgezocht, doch niets gevonden.
„Zijt gij nu haast klaar?” vroeg de fabrieksarbeider. „Misschien wilt gij de kraan van de waterleiding nog even opendraaien, daar kon hij wel eens uit te voorschijn komen, of misschien uit de kachel.”
„Ik heb met eigen oogen gezien en niet ik alleen, dat de misdadiger zich eerst op uw balkon en daarna in uw woning heeft begeven.” [12]
De fabrieksarbeider lachte.
„Welnu, dan moet hij ook nog hier zijn. Gij zult hem echter niet bij mij vinden.”
De beambte zag wel in, dat verder zoeken hier vruchteloos zou zijn en dat de vluchteling zich op de een of andere raadselachtige wijze uit de voeten had gemaakt.
„Ik wil u met genoegen een kleine aanwijzing geven,” vervolgde de fabrieksarbeider eindelijk, bij zichzelf overleggende, dat zijn beschermeling zich nu wel in veiligheid zou bevinden.
„Hebt gij in het Circus Busch wel eens den man gezien, die van een hoogte van veertig meter met het hoofd naar beneden naar omlaag springt?
„Als gij dat nog niet hebt gezien, dan hadt gij dat genoegen een kwartier geleden bij mij kunnen hebben.
„Het kereltje, dat gij zoekt, sprong als een aap, of liever als een vloo uit mijn keukenvenster, met een prachtigen zwaai precies in dien vuilnisbak daar beneden en weg was hij!”
Met een vloek verlieten de beambten de woning, terwijl zij op de trap nog het luide lachen van den fabrieksarbeider hoorden— —
Raffles had intusschen de schaar nieuwsgierigen verlaten en aan de eerste zijstraat een rijtuig genomen, waarmee hij zich naar de Linden liet brengen.
Bij den hoek der Wilhelmstraat betaalde hij den koetsier en te voet begaf hij zich naar een café, waar hij avondeten bestelde.
Toen hij op zijn gemak had gegeten, slenterde hij als een rondwandelend rentenier de Friedrichstraat langs naar zijn pension.
Hij lachte in stilte, als hij bedacht, welke gevaren hij had moeten trotseeren voor den lauwerkrans van den schouwburgdirecteur. [13]