[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

IN DE MISDADIGERSKROEG.

Het was reeds bijna elf uur in den avond en het gewone nachtleven van de Friedrichstraat had een aanvang genomen.

Op den hoek van de Schuttersstraat stond Lord Lister naar een kleinen volksoploop te kijken.

Toen hij er dichterbij kwam, zag hij, hoe een agent van politie een jong meisje bij den arm vasthield en haar wilde wegbrengen.

Eenige mannen met echte misdadigerstronies volgden den politiebeambte.

Toen deze zich op eenigen afstand van het samengeschoolde volk bevond, sprong plotseling een der mannen naar hem toe en sloeg hem met een looden stok den helm van het hoofd.

De agent liet het meisje los en wilde zijn wapen te voorschijn halen.

Voordat hij echter zoover kwam, had een ander der kerels, een groote, zwartharige man, die volgens zijn uiterlijk over reuzenkrachten moest beschikken, hem met een gummistok, dien hij uit zijn mouw te voorschijn haalde, een geweldigen slag op de hersens gegeven, zoodat de agent bewusteloos neerviel.

In het volgende oogenblik hadden de kerels het meisje beetgepakt en liepen met haar de Charlottenstraat door tot aan de Jonkerstraat.

John Raffles, die het interessant vond om eens het intieme leven der Berlijnsche misdadigers gade te slaan en te keren kennen, was hen gevolgd en zag, dat de mannen met het meisje in een kelderlokaal in de Jonkerstraat verdwenen.

Lord Lister begreep dadelijk, dat dit lokaal een misdadigerskroeg was.

Vol belangstelling daalde hij de donkere, smalle keldertrap af en keek eens rond in de vuile, verwaarloosde ruimte.

Aan ongedekte houten tafeltjes zaten jonge mannen met vrouwspersonen van verschillenden leeftijd; zij speelden kaart en dronken bier.

Van het jonge meisje en de drie mannen, die hij op straat had gezien, ontdekte Raffles echter niets.

Zij moesten zich in het andere vertrek bevinden, dat door een katoenen gordijn van het eerste was gescheiden.

De waard, die achter een toonbank, die zich dicht bij het katoenen gordijn bevond, glazen spoelde en bier tapte, nam Raffles met onderzoekende blikken op en wilde hem beletten, het achtervertrek binnen te gaan.

Maar een goed gekleed heer, die een cylinder op het goedverzorgde hoofd droeg, en die Raffles ook met een scherpen blik had opgenomen, wendde zich tot den waard en sprak, terwijl hij naar Raffles wees:

„Alles in orde!”

Dus begaf de Groote Onbekende zich naar het achterste vertrek.

De bezoekers, die zich daar bevonden, waren allen stamgasten van den boevenkelder, die hier geregeld bij elkaar kwamen.

Raffles zag, dat het meisje met de drie kerels in een hoek zat.

Schijnbaar toevallig ging hij ook naar die zijde van het vertrek, nam plaats op een der stoelen vlak bij het groepje en bestelde een flesch wijn bij den herbergier, die door zijn gasten nooit anders dan „Ratel-Max” werd genoemd, omdat hij altijd te veel sprak.

Alsof hij niet het minste belang stelde in hetgeen om hem heen voorviel, zoo begon Raffles zijn wijn te drinken.

Intusschen merkte hij op, dat de man met het zwarte haar, die het meisje uit de handen van den politieagent had gered, op driftigen toon tot haar sprak en blijkbaar iets van haar verlangde, waarmede zij het niet eens was.

De zwartharige, wiens kleeding betere dagen had gekend, maar toch van eenigen opschik getuigde, keek met zijn schuwe, fonkelende oogen woedend naar het meisje.

Plotseling sprong de jonge vrouw op en riep uit:

„Ik wil het niet langer doen. Ik heb je reeds twintig [14]keer gezegd, dat ik morgen een betrekking als dienstmeisje ga zoeken. Ik heb genoeg van het leven, elke hond heeft een beter bestaan dan ik.”

„Ik sla je alle ribben stuk! Is dat je dank, dat ik je uit de klauwen van dien politieploert heb gered?” klonk het brutale antwoord.

„Als jij me niet de straat op had gejaagd als een beest, om mij daar mijn schandelijk bedrijf te laten uitvoeren, zou ik niet in hechtenis zijn genomen.

Ik zeg je nu voor de laatste maal, laat mij met rust! Morgen verhuur ik mij als dienstmeisje.”

Bij het hooren van die woorden was de zwartharige kerel van zijn stoel opgesprongen.

„Je wilt dus niet meer werken voor je brood? Geen profijt trekken van je mooie snuitje? Ik zal je eens flink op je hersens trommelen, zoodat hooren en zien je vergaat.”

Het jonge meisje, dat een merkwaardig fijn en interessant kopje had, en in wier oogen een bijna kinderlijke naïeve uitdrukking lag, keek als om hulp zoekend om zich heen.

Maar aan alle kanten zag zij grijnzende hoonende tronies.

„Wil je doen, wat ik je beveel, of wil je dat niet?” brulde de zwartharige met gebalde vuist.

Met angstig afwerend gebaar hief het meisje, als om mededoogen smeekend, haar handen op en riep met een vastberadenheid, die Raffles niet bij haar had vermoed:

„Neen!”

Zij kroop weg voor de neerdalende vuist van den woesteling als een angstig vogeltje.

Maar voordat de vuistslag haar kon treffen, was een redder voor haar komen opdagen.

John Raffles was met een ruk van zijn stoel opgesprongen, had de vuist van den zwartharigen jongen man beetgepakt, zijn pols met een handige beweging omgedraaid en had den kerel tegen den muur gesmeten, waar hij met een harden plof neerviel.

Een woest geschreeuw weerklonk uit de monden der andere gasten van den boevenkelder.

Raffles had, onbevreesd voor alle dreigementen, die hem naar het hoofd werden geslingerd, het meisje bij den arm gegrepen en het naar zijn tafeltje gebracht.

„Vervloekte hond!” riep een van de makkers van den zwartharige, „dat zal je nog niet zoo glad zitten.”

De Groote Onbekende zag, dat de schreeuwer een scherp mes in de handen hield.

„Maak appelmoes van hem!” brulde een der anderen.

De zwartharige was weer opgesprongen.

Het witte schuim stond hem van woede op de lippen.

Maar hij had den moed niet, Raffles aan te vallen.

Hij had ontzag gekregen voor de kracht van dezen onbekende, die hem zooeven maar al te duidelijk was getoond.

Maar deze houding viel niet in den smaak der kroeggasten; zij begonnen hem voor den gek te houden.

„Wat!” schreeuwden zij, „de mooie Adolf durft den fijnen meneer niet aan! Wat een held!”

„Ik steek hem dood!” riep de zwartharige woedend en wilde zich met opgeheven mes op zijn vijand werpen.

John Raffles liet hem kalm naderbij komen. Hij hief niet eens zijn hand op om zich te verdedigen.

Alleen zijn ijskoude, scherpe blik scheen den ruwen kerel te willen doorboren.

Met een luiden gil wilde het jonge meisje haar beschermer behoeden voor een messteek van den misdadiger, maar Lord Lister weerde haar vriendelijk terug.

Brullend en schuimbekkend van woede hief de zwartharige den arm op om Raffles het mes in de borst te stooten, maar in het volgende oogenblik, nog voordat hij in staat was om zijn plan ten uitvoer te brengen, had Raffles hem een trap in de maagstreek gegeven, die hem als een bal door het lokaal deed rollen.

Deze nieuwe nederlaag van den makker maakte diens vriend bijna zinneloos van woede.

Als een krankzinnige stortte ook hij zich met opgeheven mes op Raffles, die nu een stoel opnam en met dezen zoo bliksemsnel om zijn hoofd rondzwaaide, dat het niemand mogelijk zou zijn geweest om hem te naderen.

Op dit oogenblik kwam de waard met den heer met den cylinder het lokaal binnen.

Eén der kerels, die toch nog de brutaliteit had, om op Raffles los te stormen, kreeg zulk een geweldigen slag met een stoelpoot, dat deze in splinters uit elkaar vloog en den aanvaller op den grond slingerde.

Dit was het teeken voor alle aanwezige gasten, om Raffles aan te vallen. Een waar oproer ontstond onder de aanwezigen.

Met stoelen en flesschen, bierglazen, messen en bordjes wilden de schavuiten den vreemdeling te lijf trekken. [15]

Op dit oogenblik kwam de waard tusschenbeide, hij plaatste zijn reusachtige, gespierde gestalte voor Raffles, haalde een revolver te voorschijn en schreeuwde:

„Als iemand van jelui lust heeft om een blauwe boon te krijgen, laat-ie dan maar opkomen!

Hier moet en zal rust heerschen!”

„Help dien spion naar de andere wereld! Sla den hond de hersens in!” klonk het als antwoord uit de menigte.

Als een bende wilde dieren, met de hoofden in de schouders, en oogen, die van wraaklust en bloeddorst fonkelden, stonden de kerels rondom Raffles en den waard.

„Gij vergist u,” riep de kastelein, „die man is geen speurhond of spion, hij is meer waard dan honderd van jelui met elkaar!”

„Hoe, ken je hem dan?” vroeg een roodharig jongmensch, „heb je soms met hem te zamen in de nor gezeten?”

„Dat juist niet,” antwoordde de waard, „maar als jelui vandaag het ochtendblad hadt gelezen, dat daarginds op tafel ligt, dan zou je zijn portret hebben gezien.

Die man is Raffles!”

Deze naam had een uitwerking, alsof olie op de woeste golven werd gegoten; de oogen, die zooeven nog schitterden van wraak en bloeddorstigheid, kregen een schuwe en nieuwsgierige uitdrukking.

De handen, die reeds voor den aanval waren opgeheven, zonken naar beneden en de wapens werden weggeborgen.

Nu vroeg Raffles op kalmen toon aan de aanwezigen:

„Wie van jelui nu lust heeft om mij te verraden, moet vlug naar den dichtstbijzijnden politiepost gaan, wie dat echter niet wil, dien noodig ik uit om een flesch wijn met mij te ledigen.”

De bende, die zooeven nog den grooten onbekende in stukken had willen scheuren, brak uit in een luid hoera.

Allen staken Raffles de hand toe en ieder van hen was er op gesteld een handdruk te krijgen van den beroemden en door hen allen zoozeer vereerden meesterdief.

Eenigen tijd daarna verliet Raffles het lokaal, nadat hij den waard honderd mark had gegeven als tegemoetkoming in de onkosten der gemaakte vertering.

Met zijn beschermelinge ging hij de Charlottenstrasse door. Daar het meisje netjes gekleed was, kon hij, zonder opzien te verwekken, een groot koffiehuis binnengaan.

Toen zij daar aan een tafeltje in een der hoeken hadden plaats genomen en het jonge meisje tijd had gehad om weer geheel op haar verhaal te komen, vroeg hij naar haar naam.

„Ik heet Elvira Manthé,” luidde het antwoord.

„Leven uw ouders nog?”

Een smartelijke trek vertoonde zich op het mooie gezichtje.

„Ik heb alleen een moeder gehad, maar zij is een jaar geleden gestorven. Wij voorzagen samen in ons onderhoud door het naaien van linnengoed.

Na den dood van moeder verloor ik mijn werk in het groote magazijn, omdat de chef meer van mij verlangde, dan ik hem als fatsoenlijk meisje kon toestaan.

Toen werd ik ziek en had geen werk meer.

Eenigen tijd later leerde ik een jongen man kennen, die mij door mooie woorden en bedreigingen maakte tot dat, wat ik nu ben.

Maar zooals gij zelf hebt gehoord, ik wil dit leven niet langer leiden. Ik wil trachten als dienstmeisje mijn brood te verdienen.”

Het was de gewone geschiedenis, zooals bijna al deze ongelukkige schepsels doormaken.

„En leeft uw vader nog?” vroeg Raffles.

„Zeer zeker,” antwoordde het jonge meisje, „en ik ben uit papieren, die mijn moeder heeft nagelaten, te weten gekomen, dat hij een der aanzienlijkste inwoners van Berlijn is en in een villa in het Grunewald woont.”

Raffles spitste de ooren.

Nu begon de zaak belangwekkend te worden.

„Hebt gij uw vader wel eens opgezocht?”

„Ja, kort na moeders dood!”

„En wat antwoordde hij u?”

„Hij wees mij de deur en zei, dat mijn moeder waarschijnlijk wel meer minnaars zou hebben gehad dan hem en dat het in ’t geheel niet vaststond, dat hij mijn vader was.

Ik zelf echter merkte, zoodra ik hem zag, dat wij zeer veel op elkaar gelijken.”

„Heeft deze beschuldiging eenigen grond?” vroeg Raffles. „Antwoord mij onomwonden. Gij kunt mij gerust uw volle vertrouwen schenken.”

Het jonge meisje bloosde.

Eerst zweeg zij eenige oogenblikken, maar toen haar blik viel op het nobele, eerlijke gelaat van den man, die zijn leven voor haar had gewaagd, antwoordde zij:

„Mijn moeder had destijds, zooals zij mij heeft verteld, [16]uit wanhoop getracht, iemand voorgoed aan zich te binden, opdat zij niet ongetrouwd zou blijven en haar kind een vader zou hebben.

Daarom had zij toen verschillende minnaars.”

De oogen van den Grooten Onbekende schitterden, wat altijd het geval was, als hij bliksemsnel een plan maakte voor een van zijn groote werken.

„Kent gij de adressen van die heeren?”

„Ja”, fluisterde het meisje, „ik ben in het bezit van brieven van hen allen, welke ik vond in de nalatenschap mijner moeder. Het zijn allen voorname lieden.

Er is een professor uit Charlottenburg bij, een advocaat, die in de Friedrichstrasse woont, een dokter, een bankier en een predikant en dan in Grunewald.…”

Raffles kon niet nalaten, in een hartelijk lachen uit te barsten.

„Maar kind,” riep hij uit, „dan hebt gij een zeer ingewikkeld vaderschap. U kan het nooit slecht gaan in de wereld. Een dokter, een bankier, een advocaat, een dominee, en een hooggeleerd professor. En wat is de heer die in het Grunewald woont?”

„Minister!”

„Dus ook nog een minister! Wel, wel, de voorzienigheid heeft het goed met u voor gehad, uw weg zal langs rozen gaan”.

Het jonge meisje begreep niet, waarom haar beschermer lachte. Zij meende, dat hij zich ten koste van haar amuseerde en eene bedroefde uitdrukking verscheen op haar bleek gelaat, toen zij sprak:

„Het is heel treurig voor mij, dat, waarom gij lacht.”

De groote onbekende streelde geruststellend haar hand en antwoordde:

„Neen mijn kind, het is in het geheel niet treurig voor u, maar integendeel voor u zoo voordeelig mogelijk. Er was alleen een mensch noodig zooals ik ben, om u de voor u gesloten geldbeurzen te openen, en dat zal ik doen zoo waar ik Raffles heet. Ik zal die zaak voor u in orde brengen.

Ik zie nu, dat ge vermoeid zijt, en daarom wil ik u een voorstel doen. Waar woont ge?”

De tengere gestalte van het jonge meisje beefde bij deze vraag.

„In de Invalidenstraat,” sprak zij. „Maar ik kan daarheen niet terugkeeren. Hij zou mij daar vinden en de kostjuffrouw, een oude hartelooze koppelaarster, is zijne vriendin. Ik zou dan onmiddellijk weer in zijn macht zijn.”

„Dat veronderstelde ik reeds,” antwoordde Raffles, „en daarom zal ik u onder dak brengen in een fatsoenlijk hotel.”

„Maar ik heb geen geld,” antwoordde het meisje.

„Ik echter wel,” antwoordde Lord Lister lachend, „gij zult mij zeker wel toestaan, mejuffrouw, dat ik voorloopig alles betaal totdat gij het mij terug kunt geven.

Kijk eens, neem alvast deze honderd Mark.”

Hij opende zijn beurs en drukte haar, zonder dat de andere aanwezigen het merkten, een biljet van honderd Mark in de hand.

Zij bloosde opnieuw.

„Ik kan dat geld niet aannemen, want ik weet niet, wanneer ik het u terug kan geven.”

Raffles lachte.

„Pijnig daarmee uwe hersens niet. Uwe vaders zullen u het geld verschaffen.

Maar laat ons nu gaan! Gij begrijpt zeker wel dat ik het goed met u meen. Ik verwacht dus van u, dat gij mij wel zult willen gehoorzamen.”

Hij betaalde, hielp haar haar mantel aantrekken, nam op straat een rijtuig en bracht haar naar een rustig, hotel aan het Potsdammer Plein.

Hij zelf huurde daar een eenvoudige kamer, nam afscheid van haar en beloofde, dat hij haar den volgenden dag tegen den middag zou komen opzoeken.

Raffles echter had zich naar zijn kamer in het pension begeven en dacht er lang over na, in welke vreemde omstandigheden het toeval hem had gebracht.

Voordat hij insliep had hij een plan vastgesteld, en toen hij daarover nadacht, moest hij weer hartelijk lachen, omdat de zaak hem bijzonder grappig voorkwam. [17]