[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN INBRAAK.

Den volgenden avond kwam Charly Brand te Berlijn aan.

John Raffles haalde hem van het station, gekleed in de uniform van een zee-officier.

Het was reeds over negenen, toen Lord Lister het station bij den Dierentuin bereikte.

Charly Brand die, gehoorzaam het telegrafische bevel, dat Raffles hem had gezonden, daar uitstapte, liep zijn vriend achteloos voorbij en verschrikt keek hij om, toen men hem plotseling op den schouder klopte.

„Hallo! Charly! Waar ga je zoo haastig naar toe? Herken je je ouden vriend en leermeester niet eens meer?”

Met een verbaasd gelaat keek de jonge man den marine-officier aan.

Maar nu herkende hij hem en met een stevigen handdruk sprak hij:

„Heb je voor uitbreiding van de Duitsche zeemacht gezorgd?”

„Ja”, antwoordde Raffles lachend, „en ik verzeker je dat ik, als ik admiraal was, in een enkelen nacht de mooiste oorlogsschepen van Engeland uit de havens zou stelen.”

„Is er iets belangrijks voorgevallen, dat je mij uit Londen hebt teruggeroepen?”

„Ik heb verschillende dingen beleefd. Ik vond bijvoorbeeld een jong meisje, dat vijf vaders heeft en een minister, die heden werd veroordeeld om haar vader te zijn.

Ter wille van dien man heb ik je hierheen laten komen.”

Al pratende waren zij uit het stationsgebouw naar buiten gegaan en daar Charly Brand geen zware bagage bij zich had, alleen een klein handtaschje, gingen zij een café in de buurt binnen om daar hun gesprek voort te zetten.

„Bij dien minister,” vertelde Raffles, „heb ik een ontdekking gedaan, die mij verschillende dingen laat vermoeden, waarvan ik graag meer zou willen weten.”

„Wat heb je daar ontdekt?”

„Wij zullen er ons vannacht samen eens van gaan overtuigen. Maar eerst zullen wij in den omtrek van het station een paar kamers in een hotel huren, opdat jij rust kunt nemen en met mij aan den arbeid gaan.”

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Tegen twee uur verlieten zij het hotel.

Zij vertelden den portier, dat zij van het Berlijnsche nachtleven wilden profiteeren.

Deze glimlachte geheimzinnig en vond dat zeer begrijpelijk.

Hij verstrekte hun zelfs een paar adressen van dansgelegenheden, waar zij zich kostelijk zouden amuseeren.

John Raffles bedankte den man, nam dicht bij het hotel een auto en reed naar het Grunewald.

In de buurt van de Hagenstraat, waar zich de villa van den minister bevond, liet Raffles de auto stilhouden, hij stapte met Charly uit en beval den chauffeur, wien hij 40 Mark ter hand stelde, daar geduldig te wachten.

„Met alle genoegen”, sprak de motorbestuurder op vergenoegden toon.

Daarop ging het tweetal de stille, rustige villastraat in, waar zich op dat uur niemand op straat vertoonde.

Alle vensters van de villa van den minister waren donker.

Door zacht te fluiten overtuigde de Groote Onbekende zich ervan, dat er zich geen wachthond in of bij het huis bevond.

Een hoog ijzeren hek scheidde den voortuin der villa van de straat. Hier klommen zij over en samen begaven zij zich naar den achterkant van het gebouw.

Raffles, die een klein, bruin handtaschje droeg, opende dit en haalde er een kunstig bewerkte zijden [24]ladder uit te voorschijn, aan welks uiteinde een ijzeren haak was bevestigd.

Dat met ijzer bezwaarde eind slingerde hij nu met groote behendigheid naar een balkon op de eerste verdieping en werkelijk bleef de ijzeren haak in het hek van het balcon vastzitten.

Door meerdere malen eraan te trekken, beproefde hij, of de ladder stevig genoeg vast zat, waarna beiden als katten naar boven klommen en eenige oogenblikken later stonden de twee mannen op het balkon.

Een poosje bleven zij daar luisterend staan.

Maar alles bleef rustig in huis.

Niemand had eenig geluid vernomen.

Nu opende Raffles met behulp van een kleinen looper de balkondeur en zij traden het vertrek binnen.

Bij het licht van een kleine electrische zaklantaarn zagen zij, dat zij zich in de eetkamer van den minister bevonden,

„Volg mij”, fluisterde Raffles tot zijn vriend. Daar hij zich bij zijn eerste bezoek goed georiënteerd had, viel het hem niet moeilijk, den weg te vinden.

Nadat zij verscheiden kamers waren doorgeloopen, bevonden zij zich in de studeerkamer van den minister. Zijn slaapvertrek moest een verdieping hooger liggen en daardoor had de Groote Onbekende het voordeel, ongestoord te kunnen werken.

Met een smal breekijzer opende Raffles de schrijftafel, maar hij vond niets, dat voor hem eenige waarde kon hebben.

Daarop ging hij naar de kleine brandkast, die in een hoek der kamer stond.

Hij boorde rondom het slot gaten en kon zoodoende eindelijk met weinig moeite het slot indrukken.

Op dezelfde wijze brak hij ook de binnendeur open.

Charly Brand, die zijn vriend hielp, gaf dezen plotseling een waarschuwend teeken.

Dadelijk werd het licht der electrische zaklantaarn uitgedoofd en beiden luisterden aandachtig.

Duidelijk hoorden zij in de kamer, die aan het studeervertrek grensde, voetstappen.

„Maskers voor!” fluisterde Raffles, „wij moeten ons verbergen!”

Als een schaduw gleed hij achter de gordijnen, terwijl Charly Brand languit op het tapijt onder de schrijftafel ging liggen.

De deur der studeerkamer werd geopend en een heer in overjas en met een cylinder op, trad binnen, streek een lucifer aan en draaide de kraan eener gaslamp open.

Op het oogenblik, waarin hij den arm ophief om het licht te ontsteken, werd zijn arm gegrepen, naar achteren gedraaid, een slag kwam op zijn schedel neer en half bewusteloos viel de minister, want deze was het, die nu pas thuis was gekomen, op den vloer neer.

Als in een nevel zag hij twee mannen met zwarte maskers, die hem bonden en hem een samengevouwen doek in den mond stopten.

Hij kon geen enkele beweging maken, noch geluid geven.

Nu begaf John Raffles zich weer naar de brandkast, nam al de aanwezige contanten, die zich daarin bevonden en die eenige duizend Mark bedroegen, eruit en ging daarna een stapel papieren doorzoeken, die alle het stempel droegen van het Fransche ministerie van oorlog.

Toen Raffles deze stukken bij zich stak, deed de minister wanhopige pogingen om zich van zijn boeien te bevrijden en ondanks den prop, dien hij in den mond had, slaakte hij een kreet van woede.

Maar de groote onbekende ging kalm zijn gang.

Hij ging aan de schrijftafel zitten en begon de brieven door te lezen.

Charly Brand keek over zijn schouder naar den inhoud der papieren en bemerkte, dat zij hier een waardevolle en zeer belangrijke vondst hadden gedaan.

De brieven bewezen duidelijk, dat de minister een spion was in dienst van de Fransche regeering en reeds jarenlang zijn positie van vertrouwen misbruikte door schurkenstreken uit te halen.

Raffles keek met fonkelende oogen naar den man, die aan alle leden beefde en sprak:

„Het zou mij eigenlijk verwonderd hebben, als iemand, die zijn eigen vleesch en bloed verloochent en die als een hartelooze schurk handelt, in zijn zaken een man van eer zou blijken te zijn.

Gij zult nu wel weten, wat u te doen staat.

Gij hebt hedenavond een schrijven ontvangen van den advocaat van uw onwettige dochter, betreffende een afkoopsom van 50.000 Mark.

Ik zie in uw chèqueboek, dat gij op de Duitsche Bank een vermogen van bijna twee millioen Mark liggen hebt. Dat is veel te veel voor een man, die vrouw noch kinderen heeft.

Dit vermogen zult gij morgen laten verschrijven op naam van uw dochter.

Wanneer gij dat niet doet, of de een of andere list tracht te gebruiken, dan kunt gij er zeker van zijn, dat ik gebruik zal maken van de papieren, die ik hier heb [25]gevonden en dan zijn uw uren geteld. Neem hem nu den knevel uit den mond.”

Deze laatste woorden werden tot Charly Brand gesproken en deze deed wat Raffles wenschte, zoodat de minister weer kon spreken.

Het klamme angstzweet stond hem op het voorhoofd en liep in straaltjes langs zijn gelaat.

„Wie waarborgt mij, dat gij uw woord houdt?” mompelde hij met gesmoorde stem.

Bij het hooren van die woorden richtte Raffles zich vol trots op, nam zijn masker af en met een kreet herkende de minister zijn geheimzinnigen bezoeker van eenige weken geleden, den voorgewenden eerevoorzitter van de Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid, den pauselijken geheimen kamerdienaar, graaf di Salvatore.

De Groote Onbekende amuseerde zich eenige oogenblikken over het verbaasde en ontstelde gelaat van den schurk en sprak toen:

„Ik houd ervan, mijn afspraken zwart op wit in den zak te dragen.

Ik zal daarom onze overeenkomst op dit stuk papier, dat hier op de schrijftafel ligt, neerschrijven. Gij zult het daarna onderteekenen. En opdat gij weet, met wien gij te doen hebt, ben ik zoo vrij, u tevens mijn werkelijken naam mede te deelen.

Ik heet Lord Lister, bijgenaamd Raffles, de Groote Onbekende.

Maak de boeien los!”

Charly Brand knoopte de touwen los en de minister staarde den genialen man, die hem in alle opzichten de baas was geweest, met wijdgeopende oogen aan.

Raffles ging aan de schrijftafel zitten, nam pen en papier en schreef.

Nauwelijks had hij een paar regels neergezet, of de minister bracht schijnbaar onwillekeurig zijn hand naar zijn zak, haalde een revolver te voorschijn en legde in het volgende oogenblik op Raffles aan.

Maar hij had niet op Charly Brand gerekend.

Voordat hij kon afdrukken, had deze zijn hand weggeslagen en hem met een flinken vuistslag neergeworpen.

„Vervloekte schurk!” siste de jonge man.

Raffles had slechts even opgekeken.

Koelbloedig, zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, schreef hij verder.

Toen hij gereed was, was de minister weer opgestaan en tandeknarste van woede.

„Gij zijt krankzinnig, man,” sprak Raffles. „Gij wilt uzelf waarschijnlijk aan de galg brengen.

Bedank mijn vriend, dat uw schot de bedienden niet wekte. Mijn dood zou uw schurkenstreken ongetwijfeld aan het licht hebben gebracht.

Wie weet, of gij mij wel doodelijk hadt gewond. Denkt gij, dat mijn vriend of ik gezwegen zouden hebben?

En luister nu naar wat ik hier heb neergeschreven:

„Bij dezen beken ik, dat ik jegens de Duitsche Regeering verraad heb gepleegd aan Frankrijk en Lord Edward Lister heeft het recht, de mij toebehoorende en in zijn bezit zijnde papieren aan de Duitsche Regeering kenbaar te maken, wanneer ik mijn belofte, om mijn vermogen te laten overschrijven op het hoofd van mijn buitenechtelijke dochter Elvira Manthé, niet nakom.

Onderteeken dit, Excellentie.”

Met bevende handen zette de schurk zijn naam onder het document.

John Raffles droogde het stuk.

„Gij zijt er goed afgekomen. Dit document is niet alleen millioenen, het is zelfs een menschenleven waard. En nu wensch ik u wel te rusten.”

Lord Lister maakte een buiging, alsof hij zich in een salon bevond en afscheid nam van een aangenaam gezelschap.

Charly volgde zijn voorbeeld en daarop verdween het tweetal langs denzelfden weg, waarlangs zij waren gekomen. [26]