Elvira Manthé had juist haar hotel verlaten en ging de Leipzigerstrasse in, om zich naar haar advocaat te begeven, toen bij den hoek van een zijstraat iemand haar arm greep en tot haar sprak:
„Eindelijk tref ik je zonder je nieuwen beschermer.”
Bleek van schrik bleef zij staan en keek bevend van angst in het hoonlachende gelaat van den zwartharigen jongen man.
„Kom eens mee om den hoek, dan kunnen wij rustig een woordje met elkaar spreken. Iedereen behoeft niet te hooren, wat wij met elkaar te behandelen hebben.”
Bijna willoos volgde het meisje den zwartharige en toen zij de stille zijstraat insloegen, floot de jonge man en uit een der portieken kwam een vriend van hem te voorschijn, die daar had staan wachten.
„Heb je haar eindelijk gesnapt?”
„Dat duifje heb ik en nu zullen wij met haar afrekenen. Laat eerst eens kijken, wat je aan geld bij je hebt.”
Met een ruwe beweging ontnam hij het jonge meisje het handtaschje, waarin zich verscheiden goudstukken bevonden.
„Ik zie, dat het je goed gaat,” lachte de zwarte spottend, terwijl hij het goudgeld in zijn zak liet glijden. „Maar dat is niet genoeg. Wie zoo’n kerel als Raffles tot minnaar heeft, kijkt niet op een paar duizend mark.”
„Beleedig een edel mensch niet!” riep het jonge meisje uit.
Beide mannen lachten luidkeels.
„Heb je zoo iets ooit meer gehoord?” riep de zwartharige tot zijn kameraad. „Nu vertelt ze waarachtig, dat Raffles, die gauwdief, een edel mensch is. Achter de tralies hoort hij voor minstens vijftien jaar en daarvoor kan jij zorgen.
„Als hij mij vandaag niet duizend mark stuurt, zal ik er voor zorgen, dat de politie hem inpikt.
„Je kunt hem zeggen, dat ik weet, waar hij uithangt. Een van onze lui heeft meer verstand in zijn kop dan die kerels op het Alexanderplein en verbeeld je vooral niet, dat je zoo gemakkelijk van mij afkomt.
„Ik vind je steeds weer terug en als je niet doet, wat ik je zeg, zal ik de zedelijkheidspolitie inlichten, wat voor eentje jij er bent en dan—je weet het, dan laten ze je niet meer los.”
Het jonge meisje was te bevreesd voor de twee ruwe kerels dan dat zij kon beseffen, hoe ongegrond de bedreigingen waren, die hij tegen haar uitte.
„Vanmiddag om zes uur kom je hier terug op dezelfde plaats, waar wij nu staan en dan breng je mij het geld. Kom je niet, dan laat ik den edelen man om zeven uur gevangen nemen.
„Ga nu maar heen en groet hem namens mij.”
Als een opgejaagd wild snelde het jonge meisje heen.
Zij wist niet, wat zij moest doen.
Radeloos liep zij de straten door en tegen vier uur kwam zij weer in het hotel terug.
De portier deelde haar mede, dat de heer Von Treuenfells—onder dien naam had Raffles zich in het hotel bekend gemaakt—om zes uur bij haar zou zijn.
Zij begaf zich naar haar kamer en schreef een brief.
Op haar zwerftocht door de straten van Berlijn had zij niet gemerkt, dat de zwartharige haar had achtervolgd.
In de buurt van het hotel bleef hij staan om te zien of zij het gebouw weer zou verlaten, of dat Raffles misschien zou verschijnen.
Even voor zes uur zag hij, dat zij uit het hotel naar buiten trad om het plein over te steken.
Een oogenblik later stond hij naast haar, hield haar tegen en sprak:
„Heb je het geld?”
Maar nu geschiedde iets, wat hij niet had verwacht.
Elke aarzeling en vrees was van het jonge meisje geweken. Met van toorn flikkerende oogen antwoordde zij:
„Waag het niet, mij nog eenmaal aan te raken, of ik lever u oogenblikkelijk over aan de politie.” [27]
Stom van verbazing keek hij het jonge meisje met groote oogen aan.
Voordat hij iets kon antwoorden, had zij hem den rug toegekeerd en was in het hotel teruggekeerd.
Hij zag niet, dat zij het gebouw door een anderen uitgang weer verliet.
Hij floot met een spottend lachje op het gelaat en in zijn oogen lichtte een gevaarlijke gloed.
„Wacht maar!” siste hij, „dat zal je den nek breken!”
Op dit oogenblik ontwaarde hij een auto, waaruit Raffles stapte, gevolgd door Charly Brand, welke laatste den zwartharige onbekend was.
Een oogenblik keek hij hen na; hij zag, hoe zij het hotel binnentraden en zoo snel als zijn beenen hem konden dragen, rende hij naar het politiebureau, dat zich in het stationsgebouw bevond.
John Raffles was intusschen naar den portier gegaan en vroeg deze, of juffrouw Manthé te spreken was.
„Het spijt mij, heer baron,” antwoordde de portier, „de juffrouw is een kwartier geleden uitgegaan en liet dezen brief voor u achter.”
De groote onbekende nam den brief en verliet met zijn vriend het hotel.
Zij staken samen het plein over en namen plaats aan een tafeltje in den tuin van een café.
Juist had Raffles den kellner een bestelling gedaan, toen hij zag, dat op eenigen afstand van het café eenige politie-agenten, voorafgegaan door den zwartharigen jongen man, naar het hotel snelden.
„Dat is om ons te doen,” fluisterde Raffles, terwijl hij Charly Brand de beambten wees.
„Wij zijn geen minuut te vroeg heengegaan. Als een muis zouden wij in de val hebben gezeten. De zwarte, dat is de kerel, uit wiens macht ik mijn beschermelinge heb gered, heeft haar verblijf ontdekt en moet hebben gezien, dat wij het hotel binnen gingen.
„Kom, wij zullen dit plaatsje verlaten.”
Hij legde een geldstuk op tafel en toen de kellner, met het bestelde kwam, zag hij tot zijn verbazing, dat de beide gasten verdwenen waren.
Raffles had met Charly Brand in een auto plaats genomen en was weggereden.
Eerst nu nam hij den brief uit zijn zak om te lezen wat Elvira hem te vertellen had.
De brief luidde:
JOHN C. RAFFLES.
Ik heb elken dag den Hemel gedankt voor de groote diensten en de onbaatzuchtige vriendschap, die gij mij hebt bewezen, hoewel gij niet hebt kunnen weten of gij met uw edel hart misschien een onwaardige de behulpzame hand hadt geboden.
Ik heb heden ingezien, dat ik u als loon voor uw vriendschap slechts in groote moeilijkheden kan brengen en heb begrepen, dat iemand, die zoo diep is gezonken als ik, het recht niet heeft, met eerlijke, fatsoenlijke menschen om te gaan.
Ik smeek u daarom, mij te vergeten.
Ik heb ook niet de minste hoop, dat mijn leven ooit anders zou kunnen worden.
Leef wel! De Hemel zal u rijkelijk beloonen voor al het goede, dat gij over hebt voor de armen en ongelukkigen.
Vergeet een rampzalige, die niet anders kan handelen en wees niet boos op mij.
Mijn laatste gedachte zal een zegewensch voor u zijn.
ELVIRA MANTHÉ.
Toen Raffles den brief tot het einde gelezen had, zuchtte hij, streek meermalen met de hand over het voorhoofd, sloot zijn oogen en gaf den brief zwijgend aan Charly Brand. [28]