[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN DOOD MAN.

Den volgenden morgen, terwijl Raffles met Charly Brand aan de ontbijttafel zat, keek hij de brieven en documenten in, die hij den minister had afgenomen.

Verschillende der stukken waren in cijferschrift geschreven.

Raffles bestudeerde ze, om het schrift te ontcijferen. Dit gelukte hem ook; na een half uur had hij de oplossing gevonden en kon hij de brieven van het begin tot het eind lezen.

Het was juist zooals hij had vermoed.

De minister was inderdaad een schurk, die aan de Fransche Regeering allerlei geheimen betreffende vestingplannen had meegedeeld.

Geërgerd door den inhoud der documenten, sloot Raffles ze weg en nam een courant op.

Nauwelijks had hij deze eenige minuten ingezien, of hij sprong op en antwoordde op den vragenden blik van Charly Brand:

„Vraag nu niets! Maak je gereed, je moet dadelijk met mij mee naar het Ziekenhuis la Charité.”

Charly Brand had moeite, zich zoo snel te kleeden als zijn ongeduldige vriend dat wenschte.

Toen hij met Raffles in een auto zat en naar la Charité reed, gaf Raffles hem de courant, die hij nog steeds in de hand hield en sprak:

„Lees!”

Charly Brand las het volgende:

Stadsnieuws. Een zekere Elvira Manthé trachtte gisteravond om zes uur zelfmoord te plegen. Voorbijgangers zagen, hoe zij plotseling van de Wilhelmsbrug in het kanaal sprong. De reddingsboot, die dadelijk werd losgemaakt, nam het levensmoede jonge meisje, ondanks haar hevigen weerstand, op. Zij werd naar la Charité overgebracht.”

Dit bericht had Raffles tot zoo grooten spoed aangezet.

Toen zij in het ziekenhuis aankwamen en naar het jonge meisje informeerden, kregen zij ten antwoord, dat zij reeds hersteld was en de inrichting over een half uur zou verlaten.

Er bleef Raffles dus niets anders over dan voor de deur af te wachten totdat het jonge meisje zou verschijnen.

Het duurde bijna een half uur, voordat zij naar buiten trad.

Lord Lister gevoelde een diep medelijden in zich opkomen, toen zij met vermoeide, langzame schreden en met een bleek, droevig gelaat naar hem toekwam. Hij snelde haar tegemoet en geleidde haar naar de auto, daarop gaf hij den chauffeur het adres op van zijn pension en bracht haar daarheen.

Zij mocht nu niet alleen gelaten worden, want al haar wilskracht was gebroken.

Raffles hield zich met haar bezig, alsof zij een jongere zuster van hem was. Het duurde niet lang of hij vernam van haar, dat de bedreigingen van den zwartharige haar tot de wanhopige daad hadden gebracht.

„Hoe hebt gij zoo dwaas kunnen zijn!” sprak Raffles, „door eenige waarde te hechten aan de woorden van dien deugniet. Wees nu niet meer beangst, mijn kind, alles komt in orde.

Gij zult, vergezeld door een gezelschapsjuffrouw, een reis naar het zuiden maken om volkomen te herstellen. Uw vermogen zal op een soliede bank worden vastgezet en van de rente zult gij ruim kunnen leven.”

Zij wist niet, hoe zij hem kon danken.

De groote goedheid, die hij jegens haar aan den dag legde, overweldigde haar zoodanig, dat zij in een krampachtig snikken losbarstte.

Reeds dienzelfden avond kreeg John Raffles bericht van den advocaat, dat de minister het verlangde bedrag had uitbetaald en dat het geld op naam van het jonge meisje bij de Duitsche Bank was gedeponeerd.

Lord Lister wreef vergenoegd zijn handen.

Daarop begaf hij zich naar den advocaat en stelde [29]dezen in het bezit van een aanklacht tegen zijn collega.

„Ik zal dien lichtzinnigen heer,” sprak Raffles, „een flinke straf bezorgen.”

Hij zocht nog een anderen rechtsgeleerde op en droeg dezen het proces tegen den bankier op. Eenige dagen later konden de advocaten hem mededeelen, dat, wijl de omstandigheden bijzonder gunstig waren voor het jonge meisje, de heeren zich bereid verklaarden, haar een flinke schadeloosstelling uit te keeren.

De bankier zoowel als de advocaat betaalden ieder 20,000 Mark en waren blij, op deze wijze van de zaak af te zijn.

De groote onbekende deponeerde het geld bij het vermogen, dat de minister op de Duitsche Bank had vastgezet en zocht daarna voor zijn beschermelinge een ervaren reisgezellin van gepasseerden leeftijd.

Hij vond deze persoon en wel de weduwe van een Pruisisch officier van justitie, een dame, die in alle opzichten te vertrouwen was en die een goeden indruk op hem had gemaakt.

Met haar regelde hij alles, wat de toekomst van het jonge meisje betrof.

Zij zou in Zwitserland haar opvoeding voltooien en Raffles zou van tijd tot tijd iets van haar hooren.

Het verdere moest hij aan de toekomst overlaten.

Toen hij in den nacht naar huis terugkeerde en met Charly Brand door de Mohrenstraat ging, zag hij, dat voor zijn huis verscheiden personen stonden, waaronder hij den zwartharige ontdekte.

„Ik wil die kerels onschadelijk maken,” sprak Raffles. „Luister naar mijn plan:

Jij loopt langs hen heen, raakt een van hen met je arm aan, en roept hem ter verantwoording door hem te vragen, waarom hij je overlast aandoet. Zeer zeker zal dan een twist ontstaan en ik zal den politiepost in de Friedrichstrasse daarop opmerkzaam maken.

Ik hoop, dat de kerels gevangen genomen zullen worden.

Zij schijnen er achter te zijn gekomen waar ik woon. Ik ben echter volstrekt niet van plan om gedurende mijn kort verblijf te Berlijn in handen der politie te vallen.

Als het Mr. Baxter uit Londen was, zou het een feest voor mij zijn, maar met de Berlijnsche politie valt niet te spotten. Ik heb geen zin, het inwendige van een Pruisische gevangeniscel te leeren kennen.”

De groep mannen had hen niet zien aankomen.

Raffles ging met Charly Brand de Mohrenstraat door tot vlak bij de Friedrichstrasse, toen stak Charly Brand over naar den anderen kant en begaf zich in de richting der jonge kerels.

Lord Lister keek scherp toe en zag weldra, dat Charly Brand twist kreeg met de mannen, die aanleiding gaf tot een gevecht.

Raffles maakte den in de buurt staanden politieagent opmerkzaam op het straattooneel.

Dadelijk waarschuwde deze den politiepost, die dichtbij was en met versnelden pas stormden de agenten op de kerels los.

Met groote handigheid werden deze gevangen genomen en naar het politiebureau gebracht.

Charly Brand, die als getuige mee naar de wacht ging, had een sterk bloedende hoofdwonde gekregen en zocht na een kort verhoor, waarin hij meedeelde, dat hij door de kerels was aangevallen, een apotheek op om zich te laten verbinden.

Toen hij deze weer verliet, wachtte Raffles op hem en sprak:

„Mijn arme jongen! Zij hebben je leelijk getracteerd, die schurken!”

„Dat hindert niet,” antwoordde Charly Brand lachend, „het voornaamste is, dat wij ze kwijt zijn. Nu heb ik tenminste een aandenken aan mijn reis naar Berlijn.

Ik ben blij, als ik iets voor je kan doen, dat weet je wel.”

Hij nam den arm van zijn vriend en samen gingen zij naar huis.

Den volgenden morgen haalde Raffles zijn beschermelinge met haar reisgezellin uit een pensionaat in de Potsdammerstraat, waar hij ze had gebracht en maakte alles in orde, wat voor de reis van het jonge meisje noodig was.

Een vader kon niet beter voor alles zorgen dan hij.

Steeds opnieuw drukte zij dankbaar zijn hand. De edele man had in haar oogen bijna iets van een God.

Wie was deze man, die Raffles genoemd werd?

Tevergeefs dacht zij hierover na en toen zij op zachten toon de vraag tot hem richtte, aan welk adres zij haar brieven aan hem moest zenden, antwoordde hij:

„Mijn lieve, kind! Ik kan je geen adres opgeven, misschien ben ik den eersten tijd in Londen, maar het kan ook zijn, dat ik Yokohama of New-York ben.”

„Blijft gij dat ongeregelde leven altijd voeren?”

„Een ongeregeld leven? Voor mij is het hoogst interessant. Ik geloof, dat de meeste menschen, wanneer zij sterven, weinig van de wereld hebben gezien.

Ik daarentegen maak mij dezen tijd ten nutte, reis [30]de wereld door en bestudeer alles, wat ik op mijn weg ontmoet.”

„Zult gij mij af en toe eens schrijven?”

Een smeekende blik uit haar schoone oogen trof hem.

„Maar natuurlijk,” antwoordde Raffles.

„En hoe zult gij mijn adres dan weten?”

„Heel eenvoudig. Gij kunt elke maand met het opschrift „Raffles” een advertentie in de Londensche Times plaatsen, teneinde mij uw adres op te geven.

Ik zal u dan schrijven en gij kunt mij meedeelen, of gij mijn diensten ook voor het een of ander noodig hebt.”

Reeds den volgenden dag vertrokken de beide dames naar het zuiden.

Raffles en Charly Brand hadden haar naar het station en in den trein gebracht. De beide heeren bleven bij de coupé staan en toen de trein vertrok, keken zij deze na, zoolang het jonge meisje met haar zakdoek uit het raampje wuifde.

„Een ongelukkig mensch minder in de wereld,” sprak Raffles tot Charly Brand, toen zij het perron verlieten.

De gezelschapsdame van het jonge meisje had moeite om het aan haar zorgen toevertrouwde meisje te troosten en te doen bedaren. Nadat zij afscheid van Raffles had genomen, was Elvira in een krampachtig snikken uitgebarsten, omdat zij begreep, dat zij dezen trouwen vriend nimmer terug zou zien.

Maar toch verloor Raffles haar niet uit het oog en door een detectivebureau liet hij zich af en toe bericht omtrent haar zenden.

Toen hij het stationsgebouw verliet, bemerkte hij, dat een heer hem met scherpen blik opnam.

Onmiddellijk-vermoedde Lord Lister, dat het een zijner vrienden van de politie moest zijn.

Hij maakte Charly Brand opmerkzaam op den man, die hen langzaam volgde en bij de volgende halteplaats nam hij een auto, om den vervolger te ontkomen.

Raffles wendde zich tot den chauffeur en sprak:

„Rijd naar het Grunewald, Hagenstraat, nummer 13. Rijd zoo snel mogelijk, dan betaal ik dubbel.”

Nu begon een ware jacht.

De vervolger was niemand anders dan wachtmeester Bender.

Hij had Raffles op het perron gezien en herkend, maar wist niet zeker, of hij den goede voor had.

In razende vaart snorden de beide auto’s dicht achter elkaar naar het Grunewald.

De auto van Raffles bereikte twee minuten eerder de villa van den minister.

Terwijl Charly Brand den chauffeur betaalde en hem beval te wachten, liet Raffles zich bij den minister aandienen.

Met gefronste wenkbrauwen ontving deze den grooten onbekende, het was hem aan te zien, dat hij zijn bezoeker het liefst vermoord had.

Koelbloedig nam Raffles, zonder een begroeting af te wachten, naast de schrijftafel plaats en sprak:

„Ik wilde u mijn dank betuigen voordat ik weer vertrek, dat gij op zoo fatsoenlijke wijze de aangelegenheid met uw dochter hebt geregeld.”

De minister zette een gezicht als een boer, die kiespijn heeft.

„Ik merk wel,” sprak Raffles, toen de minister geen antwoord gaf, „dat het geen aangename zaak voor u is geweest. Maar het was in elk geval beter dan uw doen en laten tegenover de Fransche Regeering.”

De oogen van den minister fonkelden bij deze woorden.

Raffles begreep, wat er in den man omging. Het ging hem als alle schurken, wanneer zij ontmaskerd worden.

Op dit oogenblik trad de bediende van den minister binnen en meldde:

„Pardon, Excellentie, een heer die beweert tot de politie te behooren, wenscht u dringend te spreken.”

Het gelaat van den minister werd bleek als een lijk.

„Het is goed,” antwoordde hij den bediende, „laat mijnheer in het salon; ik ben nog bezig.”

De bediende boog en ging heen.

„Gij hebt mij verraden,” hijgde de minister.

„Dat is niet waar,” antwoordde Raffles, „het zal uw slecht geweten zijn, dat u zoo ongerust maakt.”

De minister stond op.

Zijn knieën knikten zoo, dat hij nauwelijks kon gaan.

„Ik geloof u niet,” mompelde hij, „gij wilt mij te gronde richten.”

„Bega geen domme dingen,” riep Raffles, „en geloof mij.”

Maar de minister hoorde deze woorden reeds niet meer, maar ontsloot de deur naar de studeerkamer.

Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen zag hij dat een andere deur uit de kamer naar de gang voerde en zonder aarzelen verliet hij langs dezen weg het vertrek.

Toen hij de gang doorliep, hoorde hij in het salon [31]de stem van den wachtmeester, die tot den bediende sprak:

„Zeg tegen zijne Excellentie dat ik hem zeer dringend moet spreken.”

Maar ook de eigenaar der villa zelf hoorde deze woorden.

Luisterend stond hij bij de deur die toegang gaf tot het salon en met knikkende knieën sloop hij in zijn studeerkamer terug.

Hij geloofde vast en stellig dat hij, ten gevolge van het verraad van Raffles, nu gevangen werd genomen.

Toen de bediende de studeerkamer binnentrad, om hem mede te deelen, dat de wachtmeester hem zeer dringend moest spreken, had de minister op hetzelfde oogenblik een der laden van zijn schrijftafel geopend, een revolver te voorschijn gehaald en zich doodgeschoten.

Het schot bracht alles in huis in rep en roer.

Wachtmeester Bender was de eerste, die met den bediende het lijk van den minister naderde.

Niemand lette erop, dat Raffles, die het schot eveneens had gehoord, het huis had verlaten, in de auto plaats nam en met Charly Brand heenreed.

Des avonds bevatten de couranten het opzienbarende bericht omtrent den zelfmoord van den minister en alleen de beide Engelschen, die per nachttrein naar Vlissingen vertrokken, wisten, welke de oorzaak was van den dood van dezen staatsman.

Raffles gaf de courant aan Charly Brand, wees hem het bericht omtrent den dood van den minister en sprak:

„Het geweten van den mensch is zijn eigen rechter.”