Heusch, ik weet wel, dat gij niet allen geheel onbekenden zijt op het gebied der bloembollen en hun kweekwijze. Daar toch hebben in menig geval Uw onderwijzers wel voor gezorgd. Met velen van hen heb ik indertijd kennis gemaakt. Heele „Pieten” waren er bij, die over de bloembollen, hun groei en bloei en wat dies meer zij, zéér vakkundig konden praten, en daarmede blijk gaven, dat zij de bolletjes niet slechts hadden bekeken, maar ook gekweekt in hun tuinen en kamers, zoo ook op de school.
Zij wisten in veel gevallen wel te vertellen, welke soorten van Hyacinthen, Tulpen, Narcissen, enz., het meest geschikt waren om in potten, pannen of kistjes, zoo ook op glazen (dit laatste slaat op Hyacinthen) gekweekt te worden, en die dus voor kamercultuur, voor het zoogenaamde „broeien”, ook wel „forceeren” genoemd, waren aan te bevelen. Ja ’t is me zelfs eens voorgekomen, dat ik, onkundig als ik was voor welk doel een Narcissensoort bestemd was, op mijn vraag of met de soort „Poëticus” de welbekende Dichter Narcis met zuiver witte bloembladen en een groen-geel scharlaken gerand hart, bedoeld werd, ten antwoord kreeg: Neen, die laat zich immers niet forceeren! Ik wist toen, dat mijn vriend wenschte de soort „Poëticus Ornatus”, (No. 66) die iets grooter van bloem en welriekend is, maar overigens sprekend op eerstgenoemde variëteit gelijkt.
Zij weten het dus over ’t algemeen wel, de onderwijzers, van wie de opvoedende kracht uitgaat. Zij zijn het, die de jeugd op elk gebied tot voorbeeld strekken, bij haar de lust voor ’t een of ander vak weten op te wekken, en uitstapjes met hun leerlingen maken naar vele bezienswaardigheden, waartoe ook onze streek gerekend kan worden, elk jaar als de bloembollenvelden hun pracht ten toon spreiden.
Zonder twijfel zullen vele jeugdige lezers en lezeressen van dit album reeds een woordje kunnen meepraten, om de eenvoudige reden, dat ze òf in ons district woonachtig zijn òf reeds een uitstapje naar de velden gemaakt hebben. Desniettegenstaande hoop ik, dat ze mijn verhandeling een even welkome ontvangst zullen bereiden als zij, die den aanblik van zooveel schoons tot nog toe moesten derven. In elk geval zullen eenigszins ingewijden in mijn beschrijving allicht iets aantreffen, dat hun aandacht waard is.
Hoevelen zijn er niet, die òf niets òf weinig omtrent de bloembollen gehoord hebben, veelal omdat ze bewoners zijn van afgelegen plaatsen van ons rijk. Wellicht weten ze wel, dat in Haarlem en omstreken bloembollen gekweekt worden, maar nooit werd hun belangstelling voor het schoone bedrijf door woord of beeld opgewekt. Ziet, dat is nu juist mijn streven. Ik wil trachten hun het gemis te vergoeden, hen medevoeren langs de velden, en iets geven van de geschiedenis der bloembollen, hen bekend maken met de voortteelt, de kweekwijze en meerdere bijzonderheden aan het bedrijf verbonden. Ja, ik wil zelfs trachten kleine kweekers en kweeksters van hen te maken, en hen dusdanig voorlichten, dat ook zij hun bolletjes in hun tuinen of in potten, enz. met succes kunnen kweeken, en wanneer dan des winters, sneeuw het land en ijs vaarten, grachten en slooten bedekt, dan zullen zij hun kamers sieren met de kleurige pracht en vervullen met de heerlijke geur van „Flora’s Kinderen”. Volg mij mijn vrienden, en schaart U onder het reeds groote aantal liefhebbers. Heusch, gij zult er geen spijt van hebben.
[8]