Het is in ons vak wel een eigenaardige gewoonte om de Hyacinthen steeds voor te stellen. De tweede plaats is aan de Tulpen, en dan komen de Narcissen, Crocussen, enz. Deze rangschikking is zonder twijfel toe te schrijven aan de meerdere of mindere belangrijke plaats, die de gewassen in den loop der jaren hebben ingenomen, zoo ook aan den omvang der aanplanting.
Ook ik zal beginnen met de Hyacinthen, hoewel ik me misschien aan de verdere volgorde niet altijd zal kunnen houden.
Allereerst een stukje geschiedenis, die m.i. wel de moeite waard is.
Weet ge wel, dat de Hyacinthen in de grijze oudheid geen onbekenden waren? Reeds ten tijde van Vespacianus werden ze door den schrijver Dioscorides in diens epistels vermeld. Ze schijnen echter eerst in 1596 hier te lande uit de Levant te zijn ingevoerd. Aanvankelijk waren slechts vier verscheidenheden bekend, t.w.: enkelbloemig wit, dubbelbloemig wit, purperrood en violet. Doch elf jaren later bestonden er reeds elf.
Wat de enkelbloemige variëteiten betreft, deze schijnen altijd wel den voorrang genoten te hebben, maar toch heeft men zich weleer veel moeite gegeven om uit zaad nieuwe dubbelbloemige soorten te winnen, althans de oude Hyacinthengeschiedenis (Anno 1613) gewaagd er van. Ook de bekende Peter Voorhelm vermeldt ze in zijn schrifturen van 1753, en later ook de markies de St. Simon, die over Voorhelm en zijn Hyacinthen in 1786 schrijft.
Als vakman heb ik veel in oude paperassen gesnuffeld, en onder ’t vele goede ook veel gevonden, dat in later jaren gelogenstraft werd. Zoo beweerde men o.a. wel eens, dat de Nederlandsche bodem voor de cultuur der bloembollen niet geschikt zou zijn. Wanneer ooit een veronderstelling onjuist is gebleken, dan is het wel deze, want nergens ter wereld tieren de bloembollen zóó welig als in Holland met zijn verschillende soorten van zand- en kleigronden.
Dat de Hyacinth nu ruim een eeuw geleden nog niet was, wat ze thans is, zeggen ons de oude afbeeldingen, waarop de bloemtrossen voorkomen met een geringer aantal nagels (bloemkelkjes, die samen een tros vormen). Dank zij echter de energie der Hollanders, eerst liefhebbers, later kweekers, handelaars en exporteurs, werd de Hyacinth, wat ze nu is. Door zorgvuldige behandeling en door veredeling werd de bloemtros grooter en breeder gebouwd, zoo ook dichter met nagels bezet. De afbeeldingen in dit album getuigen ervan.
Met de verbetering der bloemen door kruisingen verkreeg men vanzelf ook nieuwe verscheidenheden, en mag men de overlevering gelooven, dan zouden er omstreeks 1750 reeds tweeduizend soorten bestaan hebben, een aantal zóó respectabel, dat wij er heden ten dage, nu ons vak op zulk een hoog peil staat, in één woord „paf” van staan.—Zoo inderdaad dat enorme aantal heeft bestaan, dan zijn daarbij wel veel minderwaardige geweest, die men als onbruikbaar of niet loonend heeft opgeruimd.
Dat ook verzwakking aan het verdwijnen van veel variëteiten niet vreemd zal zijn, deden mij onlangs eenige oude plantboeken, die den stand der cultures weergeven van 1817 tot ruim 1850, vermoeden. Prachtboeken zijn het, wat de bewerking betreft, want het schrift (het zal nog wel met een veerenpen geschreven zijn) is als het ware dat van een calligraaf. Elk jaartal, waarboven het traditioneele „Anno”, is zoo prachtig geteekend, dat het als kunstwerk kan aangemerkt worden. Vergeefs heb ik gezocht naar den naam van den schrijver, vergeefs ook zocht ik in de hedendaagsche bescheiden naar de meeste der soorten in de oude plantboeken vermeld. Dat zich onder de afgestorvenen veel moois bevonden heeft, daaraan valt niet te twijfelen. Ze [9]hebben echter wegens zwakheid of ouderdom naar het schijnt het voorbeeld van den schrijver der plantboeken gevolgd, en dit ondermaansche voor goed verlaten.
„Sic transit gloria mundi”: Zoo vergaat de roem der wereld! Maar niet alzoo die der Hyacinthen. Wel is waar kweekt men thans geen 2000 verscheidenheden, maar nog een zéér beduidend aantal, waarvan een paar honderd als de beste handelssoorten gelden, d.w.z.: die, welke wegens haar goede broei-eigenschappen kooper zoowel als den verkooper de meeste voordeelen bieden, en die uit den aard der zaak dan ook in groote hoeveelheden worden gekweekt.
Jammer dat de bolletjes evenals het menschdom niet voor ziekte gevrijwaard zijn. Om in bijzonderheden te treden zou mij te ver afvoeren. Het zou U moeilijk aan het verstand te brengen zijn, wat „oud- en nieuwziek”, „zwartrand” of „snot” (lacht niet) is.—Het behoeft U als kooper niet af te schrikken, want de kweeker waakt! Evengoed als ge Uw huisarts hebt, die Uw krankheden na vaststelling zijner diagnose weet te bestrijden en vaak erger weet te voorkomen, zoo ook vinden de bolletjes hun doctoren in hun kweekers, die op de meest afdoende wijze te werk gaan, zoo zij ten minste hun taak ernstig opvatten.
Waar gij als leek voor een bloembed geplaatst wordt en aan geen enkele plant iets bijzonders ontdekt, daar ziet het geoefende oog van den teeler aan een enkel stipje van enkele millimeters in doorsnede, dat de bol niet „van harte” gezond is. Het onvermijdelijke gevolg is dan, dat de bol met loof en al wordt uitgetrokken, ja zoo de kwaal ernstig is, moeten zelfs de 5 of 6 geburen van den kranke hetzelfde lot ondergaan uit vrees, dat ook deze besmet zijn en het euvel zouden doen voortwoekeren.
Zou Uw huisarts ook zoo afdoende te werk durven gaan en U om de een of andere reden van het leven te berooven. Mij dunkt, hij zal er zich wel voor wachten. Nog minder zou hij het wagen zich aan Uw buurman te vergrijpen!
Laat U echter niet afschrikken, want ’t is heusch zoo erg niet. Betrekt slechts Uw waar van een der vele betrouwbare kweekers, want wilt ge goeden resultaten bereiken, dan is deze maatregel hier een gulden regel.