[Inhoud]

Iets over de werkzaamheden en: Wat het vroege voorjaar biedt.

Orde en regelmaat, ze zijn geboden in elke zaak, en niet het allerminst in het bloembollenbedrijf, zoo men althans met succes wil werken.

Reeds in September begint men de gronden te bemesten en te spitten, daarna de hoeken (stukken gronds met een oppervlakte van doorgaans 100 Rijnlandsche roeden) met grebben te doorschieten en te omtrekken opdat het overtollige water worde afgevoerd. Vanzelf ontstaan nu op elken hoek 3 of 4 akkers, terwijl elk dezer akkers weer in 20 à 30 bloembedden van volkomen gelijke afmeting wordt verdeeld, met eene tusschenruimte van één voet om als looppad dienst te doen. [10]

Nauwelijks is deze verdeeling gereed, of het planten der bollen neemt een aanvang. Uit het eerste bed wordt om te beginnen de aarde tot op een diepte van pl.m. 10 cM. verwijderd. De blootgelegde bodem wordt gelijk geharkt en daarna met ’t een of ander bolgewas beplant. De onderlinge afstand, waarop geplant wordt, hangt af van den aard of de grootte der bollen, en varieert van 10 tot 15 cM.—Is nu bed No. 1 beplant, dan worden de bollen bedekt met de aarde uit bed No. 2, dat dan weder gelegenheid biedt om het planten voort te zetten.—Bed No. 3 levert vervolgens de aarde voor No. 2, enz.

Komt in dien planttijd eens een kijkje nemen, mijn vrienden, en tracht dan eens het schijnbaar eenvoudige werk met dezelfde nauwkeurigheid te verrichten als onze geoefende arbeiders.—Gewis, ge zult niet aanstonds slagen.

’t Is dien planttijd alles „haast-je, rept-je”, vooral bij kweekers met een groot „kraam” (zoo noemt de kweeker zijn gansche bezit aan bloembollen) omdat nà het planten en als ’t kan, vóór het invallen van de vorst alles tevens „gedekt” d.w.z. van een rietbedekking voorzien moet zijn, want hoewel de gewassen tamelijk winterhard zijn, verdragen ze scherpe vorstwinden minder goed.

Zelfs tot in December kan bij open weêr nog geplant worden, en is de taak eenmaal volbracht, dan komt voor den bollenman een kleine periode van betrekkelijke rust. Weliswaar geven dan enkele laat-rijpende gewassen, zooals Gladiolussen, Begonia’s, Canna’s, Dahlia’s, e.a. eenige bezigheid, maar in verhouding tot de drukte en de beslommeringen, die de hoofdgewassen geven, staat zulks niet.

Rust is in ons bedrijf zulk een schaarsch artikel. Zelfs de bloembol weet er weinig van, want nauwelijks is hij zoo ongeveer tegen Juli afgestorven, of hij toont weer neiging om wortels te maken. Vooral de Narcis gaat aan dit euvel spoedig mank, en elke kweeker zal moeten ervaren, dat een minder stipte behandeling van zijn „kraam” op schade uitloopt.

Is de periode van rust voor den kweeker betrekkelijk kort, ook voor de bol is dat het geval, want in drogen toestand is ze reeds bezig om inwendig de bloem voor het volgende jaar te vormen. Snijdt in September of October eens een bloembol in de lengte juist middendoor, en ge zult reeds het beginsel van de bloem ontdekken.

Keeren wij thans nog even naar den wintertijd terug, naar den tijd van ijs en sneeuw. Hoe merkwaardig goed verdragen onze bloembollen de reine sneeuwbedekking—iets waarover elke bloemist zich verheugt. Zachte of z.g. open winters zijn in ons vak niet geliefd, daar zich de bloembollen dan te vroeg ontwikkelen en reeds in Januari of Februari hun spruiten, of om de juiste term te gebruiken, hun „neuzen” toonen door de rietbedekking heen, die dan eerst half, en een korte spanne tijds later geheel moet verwijderd worden.—Komt de winter dan wat laat, dan behoef ik U niet te zeggen, dat ’s kweekers gezicht niet al te vroolijk staat.

Echter nóch de tijd, nóch de natuur bekommert zich om de menschen of de belangen van den mensch. ’t Zou ook verkeerd zijn, want wat den een van nut is schaadt den ander, hetgeen ook voor den kweeker geen nieuws is. Kalm neemt hij de rietbedekking weg, zoodoende de beplante oppervlakte blootleggende.

Daar ziet ge ze reeds, de jonge geelachtige „neuzen”, die wanneer ze eenige dagen aan het volle licht worden blootgesteld, weldra de normale groene tint aannemen. Als goed gedrilde soldaten staan ze daar netjes in ’t gelid, een bewijs dat het planten met zorg geschiedde. Laten ze zich [13]rustig ontwikkelen, en in April zullen we eens terugkomen om van de kleurige pracht te genieten. Maar al is ’t nu pas Februari en staat Maart ook voor de deur, toch is er reeds iets te zien in ons bedrijf. Daar is reeds de Eranthis Hyemalis (No. 113) het lieve Winter Aconietje, dat hoewel korter van stengel, overigens onmiddellijk doet denken aan de boterbloemen. Wat leent zich dit kleine bolgewasje uitstekend voor vroege versiering, vooral voor randen langs de paden! Hoe spot het niet met de winterkoude! [11]

1

1

ENK. HYAC. ROI DES BELGES.

2

2

ENKELE HYACINTH MORENO.

3

3

ENK. HYACINTH L’INNOCENCE.

4

4

ENK. HYAC. QUEEN OF THE BLUES.

5

5

ENK. HYAC. KING OF THE BLUES.

6

6

ENK. HYAC. YELLOW HAMMER.

[12]

7

7

DUBB. ROODE HYACINTH.

8

8

DUBB. BLAUWE HYACINTH.

9

9

ROMEINSCHE HYACINTH.

10

10

HYACINTHENBOL MET JONGEN.

11

11

HYACINTHENBOL OP GLAS.

12

12

HYACBOL IN ’T LICHT GEBRACHT.

[13]

En wat ons nu verder nog trekt? Wel natuurlijk de Sneeuwklokjes (Galanthus Nivalis) No. 109, U allen zoo wel bekend. ’t Is toch wel haast het liefste goedje, dat ik ken, waarvan men er steeds eenige wil medevoeren. Ze vragen geen zorgvuldige behandeling, ze behoeven zelfs na den bloeitijd niet uit Uw grasveld opgenomen te worden. Plant ze losjes of op kleine hoopjes, laat ze waar ze zijn, en ze zullen telken jare behoorlijk op tijd terugkomen.

Lief geel Winter-Aconietje, nederig en toch zoo treffend schoon wit Sneeuwklokje, ge hebt ons hart gestolen. Voor Uw pracht blijft de vroege voorjaarswandelaar verrukt staan om uit te roepen: Kijk dat ’s mooi! Dat moet ik ook ’t volgend jaar in mijn tuin hebben! Ongetwijfeld zal hij dit eveneens zeggen, wanneer hij in Maart komt te staan voor een prachtveld van Crocussen, die wij onder de meest geliefde bolgewassen kunnen rekenen. Groot zijn de aanplantingen ervan, maar enorm is ook de vraag, mede omdat ze zoo bij uitnemendheid voor potcultuur geschikt zijn. Op een der volgende bladzijden zult ge de cultuurvoorschriften vermeld vinden.

Wat ik U van de Sneeuwklokjes vertelde, is ook van toepassing op de Crocussen. Ze vereischen geen zorgen, ze vragen niet, doch geven slechts. Plant ze tusschen struikgewas, in groote grasvelden, hetzij in perken of losjes uitgestrooid, plant ze waar ge wilt, zij zullen elk jaar opnieuw te voorschijn komen. Ook wanneer ze zijn uitgebloeid, en nog slechts hun grasachtig loof bezitten, kan niets hun deeren, want zelfs voor het voortdurend maaien van ’t grasveld zijn ze ongevoelig, wanneer de bolletjes ongemoeid gelaten worden.

Wat nu de soorten aanbelangd, daarin is de keuze groot, hoewel vele op elkaar gelijken. Zéér fraai en rijkbloeiend is vooral de Groote Gele Crocus (No. 106), van een zuiver goudgele kleur. Bij het forceeren in potten moet ge echter met deze soort voorzichtig zijn, want haalt men haar te vroeg voor den dag, dan krijgt ge meestal wel lof en geen bloemen. Ze mag eerst dàn aan ’t licht en de warmte in de kamer worden blootgesteld, als de gele kleur der bloemen door het witte omhulsel der neuzen zichtbaar is.

Van de blauwe soorten (No. 103) d.w.z. van lichtblauw tot purper toe, spant zeker „Purpurea grandiflora” wel de kroon. Deze zéér donkere Crocus is in de blauwe tinten, wat de soort „King of the Whites” in het wit (No. 104) is—groot en rijkbloeiend.

Zéér lief zijn ten slotte ook de „bonte verscheidenheden” (No. 105) waaronder „Sir Walter Scott”, „La Majestueuse”, „Lothair”, enz., waarvan de bloemen op fraaie wijze zijn geaderd of gevlamd. Is bij de eene soort het wit ’t meest vertegenwoordigd, bij de andere heeft het blauw of violet de overhand.

Het is natuurlijk ondoenlijk om van elke soort een beschrijving te geven, en ik vertrouw, dat ge tevreden zult zijn, wanneer ik U, zoodra ik aan de cultuurvoorschriften toe ben, eenige der beste soorten noem. Komt ge later aan de „praktijk” toe, laat me dan eens weten, of ge over mijn keus tevreden zijt. [14]