Den volgenden morgen stond Tom reeds vroeg op. Zijn eerste gang was naar den spiegel. Eigenlijk was dit overbodig, want zonder zich daarin te bekijken, kon hij aan zijn half dicht oog en aan de pijn, die hij daaraan had, wel voelen, dat de buil nog niet verdwenen was.
„Het doet leelijk pijn, maar dat moet je er voor over hebben, want het staat kranig,” mompelde hij bij zichzelf.
Zijn moeder was den vorigen middag inderdaad geschrikt, toen zij haar lieveling, want dat was Tom, zoo gehavend zag. Zij had zich eerst ongerust gemaakt over zijn oog, maar toen haar man haar verzekerd had, dat het niets was dan een gewone buil, was die angst geweken. Zij had er van alles aan willen doen, koude compressen en zooal meer, maar Tom had zich hier heftig tegen verzet, vreezende dat zijn fraaie buil dan misschien den volgenden dag verdwenen zou zijn.
„Niet doen, ma, anders is hij morgen misschien weg,” had hij gezegd.
„Maar, jongen, je ziet er zoo vreeselijk uit. Ik ben bang, dat [78]je oog morgen heelemaal dicht is,” bracht zijn moeder wanhopig in het midden.
„Dan kijk ik door het andere, moes.”
En nu was het de volgende dag en stond Tom als een ijdel meisje voor den spiegel. Hij was tevreden over zijn uiterlijk, dat zijn moeder toen hij beneden kwam „verschrikkelijk” noemde en dat de lachlust opwekte van zijn twee oudste zusjes, die er hem duchtig om plaagden.
„Gaan jullie van middag ook kijken, meisjes?” vroeg mevrouw Stubbens aan Coba en Laura.
„Neen, ma, mevrouw Van Scheik heeft ons meegevraagd om vanmiddag met Coba en Bertha en mijnheer en mevrouw natuurlijk, een groote wandeling te gaan maken, als u het goed vindt.”
„Daar heb ik niets tegen, dan willen Annie en Paula Tine zeker wel meenemen, want papa en ik hebben geen tijd, wij moeten noodzakelijk eenige bezoeken afleggen. Maar zullen jullie goed op haar passen, meisjes?”
„Wij zullen haar niet uit het oog verliezen, tante,” antwoordde Annie.
„Dat is goed en pas vooral op, dat je niet op een gevaarlijke plaats gaat staan, waar je een bal tegen je aan kunt krijgen,” voegde mijnheer Stubbens erbij. „Thomas vindt dat zoo’n buil goed staat, maar ik zie jullie toch liever zonder.”
De kinderen beloofden het en een uur later begaven zij zich vroolijk op weg.
Vol geestdrift volgden zij het spel, dat met vuur gespeeld werd, en toen eindelijk na een heftigen strijd Tom’s elftal een schitterende overwinning behaalde, juichten zij hem uitbundig toe.
Intusschen was Bertha van Scheik diep ongelukkig. Reeds zoolang had zij zich op Paula’s komst verheugd en nu deze er eindelijk was, mocht zij niet naar haar toe.
„Hè, ma, ik heb er zoo naar verlangd, dat Paula komen zou,” zeide zij verdrietig tot haar moeder, „waarom mag ik nu niet [79]met Annie en Paula mee naar den wedstrijd?”
„Neen, Bertha, ik vind het niet goed. Je weet, dat tante Tillens en wij niet wel met elkaar zijn, het kan dus niet. Tante zou er misschien niet op gesteld zijn.”
„Waarom wordt u dan niet weer goed op tante?”
„Luister nu eens, Bertha, je bent nog veel te jong om dat alles te begrijpen, maar je bent te oud om als een klein kind te dwingen. Laat het dus genoeg zijn, dat ik het liever niet heb. Vroeger was Coba zoo’n vriendin van je, is dat nu ineens uit na de komst van Annie?”
„Neen, ma, dat is het niet, maar u weet hoe onaardig Coba tegen Annie kan zijn; als u dat wist, zou u haar in mijn plaats ook niet meer tot vriendin willen hebben. Weet u, wat zij verleden week gedaan heeft? Annie heeft het thuis niet willen vertellen.”
„Annie had een mooi porceleinen beeldje en dat liet zij ons laatst zien. Zij was er erg zuinig op, want haar papa had het haar uit Engeland gezonden en zij bewaarde het ingepakt in haar koffer, uit angst dat het breken zou. Nu dan, Coba vroeg aan mij of ik dien middag met haar ging fietsen, maar ik had aan Annie beloofd om met haar te zullen gaan wandelen en toen ik haar dat zeide werd Coba zoo driftig, dat zij Annie’s beeldje nam en het met een smak op den grond wierp, waar het natuurlijk in stukken viel. „Ziezoo, naar kind,” riep zij, „dat is omdat je altijd afspraakjes met Bertha maakt, zoodat zij nooit meer met mij uitgaat.” Annie begon natuurlijk vreeselijk te huilen, en het was ook niet de eerste keer; zij doet wel meer van die dingen.”
„Foei, hoe leelijk van Coba, dat had ik nooit van haar gedacht. Is mevrouw Stubbens het nog te weten gekomen?”
„Neen, ma, Laura wou het dadelijk aan haar mama gaan vertellen, maar Annie wilde het niet hebben. Zij zag ook wel, dat Coba er eigenlijk zelf van geschrikt was, maar ondertusschen is Annie haar mooie beeldje kwijt. Coba is zoo jaloersch van Annie.” [80]
„Het is heel onaardig van haar en het is eigenlijk zeer verkeerd dat haar moeder niet weet, dat zij zulke dingen doet, maar wij zullen ons daar maar niet mee bemoeien; jij moet vooral niets van haar aanbrengen, Bertha, dat staat zoo leelijk. Maar zeg mij eens, wat is die Paula voor een meisje, vertelt Annie je wel eens van haar?”
„O, ma, u moet haar over Paula hooren, dat is zoo’n snoes! Annie houdt dol veel van haar, zij is zoo zacht, en haar ma was altijd zoo aardig voor Annie.”
„Zij was altijd zoo lief,” mompelde mevrouw Van Scheik.
„Zeg, moesje, mag ik haar nu niet hier brengen?”
„Neen, Bep, vraag er nu niet meer om; ik kan het je niet toestaan. Het spijt mij heel erg, dat mevrouw Stubbens Paula hier gevraagd heeft, het geeft niets dan moeilijkheden.”
Bertha had er verder natuurlijk niet meer om durven vragen en was met haar vader en moeder en Clara en de meisjes Stubbens gaan wandelen, terwijl haar broers naar den wedstrijd gingen.
„Gaan jullie allemaal mee naar huis?” vroeg Tom, toen deze was afgeloopen, aan zijn vrienden, „dan kunnen wij in den tuin wat uitblazen.”
De jongens namen het graag aan en kort daarop zaten zij met de drie meisjes op het groote grasperk achter het huis van de familie Stubbens.
„Zoo, zijn jullie daar en hebben jullie gewonnen?” hoorden zij eensklaps de stem van Tom’s vader.
„O, prachtig, mijnheer, 3–1!” riepen de vrienden door elkaar. „Tom heeft zich zoo flink gehouden!”
„Nou, maar Frans was buitengewoon,” bracht Tom in het midden.
„Als jullie dan zoo dapper gestreden hebt,” merkte mevrouw Stubbens op, die er intusschen bijgekomen was, „dan zal een glas limonade zeker wel smaken?”
„Als het u blieft, mevrouw!” klonk het in koor. [81]
Toen mevrouw Stubbens een oogenblik later met den verfrisschenden drank terugkwam, vroeg zij: „Jongelui, zouden jullie zin hebben ter eere van de overwinning hier te blijven eten? Gaat het straks maar even vragen, jelui hebt je van middag zoo flink gehouden, dat ik vind dat je wel een pretje verdient.”
De jongens vonden het natuurlijk heerlijk en nadat zij hun limonade gedronken hadden en wat waren uitgerust, spoedden zij zich naar huis om de verlangde toestemming te vragen en zich te verkleeden.
„Wel, Paula, heb je plezier gehad?” vroeg mevrouw Stubbens, toen de meisjes na het heengaan van de jongens het huis in kwamen.
„O, mevrouw, het was heerlijk, ik heb nog nooit zoo’n pret gehad.”
„Toon dan maar, dat je het hier prettig vond, door over veertien dagen terug te komen,” zeide mijnheer Stubbens, „dan is die jongejuffrouw jarig,” voegde hij op Annie wijzende erbij, „en zij vindt natuurlijk dat haar zielsvriendin daarbij hoort.”
„Dol graag, mijnheer!” antwoordde Paula met een stralend gezichtje. Zij had den geheelen dag genoten en vond het een verrukkelijk vooruitzicht, zoo spoedig te mogen terugkomen. Als haar moeder het nu maar goed vond!
„Je hadt er toch niets tegen, dat ik het meisje vroeg, Dora?” zeide de heer Stubbens, toen hij met zijn vrouw alleen was. „Zij is je toch zeker meegevallen?”
„Er was geen sprake van meevallen. Vroeger was ik bang, dat het kind geen gezelschap voor de meisjes zou zijn, maar zoodra ik wist, dat het een dochter was van Paula Helmers, was ik daar natuurlijk niet meer bang voor. Zij is een zeer net meisje, zelfs wel een beetje ouwelijk voor haar jaren, maar dat komt natuurlijk, omdat zij alleen woont met haar moeder.”
„Weet jij ook waarom mevrouw Van Scheik en haar zuster gebrouilleerd zijn?”
„Ach, dat is een heel oude geschiedenis,” antwoordde mevrouw [82]Stubbens, terwijl ze in ieder servet een verrassing vouwde, „het ware weet ik er ook niet van. Mijnheer Tillens schijnt vroeger op het advocatenkantoor van den ouden heer Hermsen gewerkt te hebben en daar moet toen iets gebeurd zijn. Hij schijnt stukken weggemaakt te hebben, die betrekking hadden op de familie Van Scheik. Hoe het precies was, weet ik niet, maar Van Scheik was woedend op hem, vertelde Mina mij, vooral ook omdat hij bleef volhouden, dat hij er niets van wist; dat hij die papieren zelfs nooit in handen had gehad.”
„Hij werkte daar toch niet alleen?”
„Met Stokman, den vader van den jongen Stokman, die nu nog op dat kantoor is, maar die ontkende eveneens en werkelijk scheen de schijn erg tegen mijnheer Tillens te zijn. Hij is toen weggegaan en heeft buiten zijn intrek genomen in dezelfde villa, waar nu nog zijn vrouw en dochter wonen. Zij hadden juist genoeg om stilletjes van te leven, maar, zooals je weet, is de twist tusschen de beide families nooit bijgelegd. Mevrouw Van Scheik heeft mij verleden week, toen ik bij haar was om over Paula te spreken, dit alles verteld, omdat ik de geschiedenis toch al half wist. Het komt mij voor, dat zij wel graag weer met haar zuster zou willen verzoenen, maar haar man wil niet, hij is bang voor een weigering van den kant van mevrouw Tillens.”
„Ik begrijp niet, dat de menschen er plezier in hebben, zoolang in vijandschap te leven,” merkte de heer Stubbens op. „Ik houd niet van familietwisten en zou er nooit aan meedoen. Maar, van den ouden heer Hermsen gesproken, Dora, zou je niet eens met Annie een bezoek aan haar grootmoeder gaan brengen? Annie schijnt er van den zomer niet gelogeerd te hebben, dus zal de oude dame wel verlangend zijn om haar te zien.”
„Ik had er al met Annie over gesproken en als er niets tusschenbeide komt, zal ik Woensdagmiddag met haar gaan. Ik zal mevrouw vooruit schrijven, dat wij komen.”
„Dat is best. Kijk, daar komen de jongens terug, dat zal [83]me een drukte geven aan tafel! wat heb je in die servetten gestopt?”
„Och, een kleine verrassing. Thomas houdt zooveel van zooiets, je moet eens op zijn gezicht letten, als hij het openmaakt. Het is maar een grapje.”
„Had je er zoo vast op gerekend, dat hij winnen zou?”
„Neen, maar als zij verloren hadden, zou ik hen toch uitgenoodigd hebben, omdat zij dan troost noodig hadden.”
Mijnheer Stubbens lachte en op datzelfde oogenblik kwam het heele vroolijke troepje de kamer in.
„Allemaal present? dat is flink,” zeide de heer Stubbens. „Thomas, ga jij de meisjes dan roepen, ik bedoel Annie en Paula en Tine, die zich aan het mooi maken zijn; Coba en Laura blijven bij mevrouw Van Scheik eten. Wij hebben geruild, wij hebben de jongeheeren Van Scheik en zij de meisjes Stubbens.”
Frits en Karel lachten en beweerden, dat zij die ruil wel eens leuk vonden.
„Heb je de meisjes geroepen, Thomas?” vroeg zijn moeder, toen de jonge dames zich lieten wachten.
„Ja, ma, ik hoor ze al.”
Kort daarop ging de deur open en traden Annie en Paula de kamer in, voorafgegaan door Tine. Het kind hield een pak in de hand, waarmee zij regelrecht naar Tom liep.
„Daar, Tommie, van Annie,” zeide zij, „maar ik mag het geven.”
Toen Tom het van haar wilde aannemen, voegde de kleine er echter bij, „ik zal het ook openmaken.”
Zij liep met het pak naar een stoel, legde het daarop en begon nu aan de touwtjes te trekken om ze los te krijgen. Zij trok en friemelde net zoolang tot zij het touw van het pak af had, terwijl Tom goedig zijn ongeduld bedwong en haar liet begaan.
„Nu mag Thomas het papier er af doen, Tine, geef het nu [84]aan hem,” zeide haar moeder, „jij het touw en hij de papieren, ieder wat.”
Gehoorzaam gaf de kleine nu het pak aan Tom, die het haastig van het papier ontdeed.
„O, een nieuwe voetbal. Jongens, kijk eens wat een mooi ding! dank je wel Annie! vooruit zeg,” riep hij tot zijn vrienden, „een rondedans.”
In een oogenblik hadden de jongens met Paula en Tine een kring om Annie heen gevormd en zongen zij luidkeels: „Lang zal ze leven! lang zal ze leven, lang zal ze leven in de gloria!”
„Maar Annie, hoe kom je er toe hun zoo’n mooie bal te geven?” vroeg mevrouw Stubbens, zoodra zij zich over het rumoer heen weer verstaanbaar kon maken. „Geen wonder dat zij blij zijn. Heb je haar zelf gekocht?”
„Oom is meegegaan, tante.”
„Ja, ik was in het geheim,” zeide de heer Stubbens. „Annie en ik zijn haar samen gaan koopen. Zij had medelijden met Tom en zijn vrienden, omdat zij zoo klaagden over hun bal en bang waren dat zij, omdat deze zoo slecht was, den grooten wedstrijd zouden verliezen. Hebben wij geen goede keus gedaan, jongens?”
„Nou, en of,” antwoordden de jongens, die allen om beurten het prachtexemplaar van nabij moesten bekijken.
„Ziezoo, nu aan tafel, dan kunnen jullie op Annie’s gezondheid drinken,” zeide de heer Stubbens. „Vooruit, maar, jongelui, naar de eetkamer.”
Toen allen gezeten waren, zag mevrouw, dat de kinderen nieuwsgierig naar hun hoog opbuilende servetten keken, maar ze niet durfden openvouwen. Alleen de kleine Tine gaf het voorbeeld, vouwde dapper haar kinderservetje open en kraaide van pret, toen zij er een aardig popje van chocolade uit te voorschijn bracht.
„De knecht van Sinterklaas,” zeide zij en wilde dat heerschap fluks naar haar mond brengen. [85]
„Dat kan je begrijpen,” riep haar vader, die naast haar zat en de hand met den zwarten knecht nog juist kon grijpen, voordat deze haar mond had bereikt. „Eerst zoet eten en dan zullen wij eens zien of we niet een arm of een been van hem kunnen afbreken. Maar vindt je het niet jammer hem zoo gauw op te eten, Tine, als hij op is, dan is hij weg, dan heb je hem niet meer.”
„Dan geeft paatje mij wel een andere, is het niet?”
Iedereen lachte, maar de heer Stubbens verzekerde zijn jongste dochter, dat hij dat volstrekt niet van plan was. „Eens opgegeten, blijft opgegeten,” zeide hij, „dan komt er maar niet zoo dadelijk iets nieuws.”
Intusschen hadden de jongens en de andere meisjes Tine’s voorbeeld gevolgd en hun servet opengevouwen. Ieder vond iets aardigs: Tom een mooie penhouder, Frans een zakmes, Annie en Paula ieder een mooie inktlap en zoo was er voor ieder een kleinigheid.
„Dank u wel, mijnheer, dank u wel, mevrouw,” klonk het door elkaar en ieder wilde zien wat de ander gekregen had, zoodat de geschenkjes de ronde van de tafel deden en door allen bewonderd werden. Tine stond erop, dat haar popje eveneens van hand tot hand zou gaan, maar toch volgde zij het met angstige blikken en toen zij het eindelijk terug had, slaakte zij een hoorbare zucht van verlichting en koesterde het in haar tengere armpjes.
De jongens lieten zich na den strijd van dien middag het eten goed smaken en klonken allen dankbaar met de geefster van de mooie bal. Na tafel deden zij nog eenige kalme spelletjes, want zij waren allen min of meer moe en om acht uur namen zij afscheid, omdat toen de automobiel voorreed, waarin Annie en de heer Stubbens Paula naar huis zouden brengen. Tante Dora was wel bang geweest, dat het voor Annie wat laat zou worden, als zij meeging, maar de beide meisjes hadden zóó gesmeekt, dat zij het maar had toegestaan. [86]
„Dag, mevrouw, ik dank u wel voor het plezier, dat ik gehad heb,” zeide Paula bij het afscheid nemen.
„Dag, Paula,” antwoordde mevrouw Stubbens, „ik reken er dus op, dat je Zaterdag over een week terugkomt, zeg dat maar aan je mama.”
„Graag, mevrouw,” antwoordde het meisje en verliet met Annie en haar oom de kamer.
Het volgende oogenblik snelde de auto met luid getoeter door de straten en om half tien, dus voor haar doen zeer laat, lag Annie eerst in haar bed, waar zij van voetbalwedstrijden, van Paula en Bertha en alles door elkaar droomde, terwijl Paula onder het uitkleeden aan haar moeder vertelde van al het plezier dat ze had gehad.
„En verbeeld u hoe heerlijk, moes,” zoo besloot zij, „voor Zaterdag over een week ben ik weer gevraagd, want dien Zondag is Annie jarig. Ik mag toch gaan, moes?”
„Zeker, kind, als je zooveel plezier hebt gehad, mag je nog eens gaan, ik heb er niets tegen, maar ga nu slapen,” zeide mevrouw Tillens en verliet na nog een laatste nachtkus de kamer van haar dochter.
[87]