[Inhoud]
Twaalfde Hoofdstuk.

Twaalfde Hoofdstuk.

Flik en Flok.

Toen Tine, die reeds half sliep, door haar moeder werd uitgekleed, zeide het kleintje met een slaperig stemmetje: „Maatje, mag ik het hondje hebben?”

„Eerst lief slapen, dan zullen wij het morgen aan papa vragen,” antwoordde haar moeder en kuste haar, toen zij eindelijk in bed lag, goeden nacht.

Den volgenden morgen, zeide mevrouw Stubbens: „Tine mag dit briefje voor mama in de bus doen. Zal je het heel netjes doen?”

„Wat voor briefje?” vroeg de kleine, nieuwsgierig naar de enveloppe kijkend. Eenige drukletters kon zij al lezen, maar geschreven schrift was haar nog te moeilijk.

„Kleine meisjes mogen niet vragen, dat heb ik Tine van morgen al meer gezegd,” antwoordde haar moeder, want de kleine had haar van het oogenblik dat zij was opgestaan, tot dat zij naar haar fröbelles zou gaan voortdurend achtervolgd met de vraag of zij het hondje mocht hebben.

In het briefje, dat zij weg moest brengen, gaf mevrouw [100]Stubbens juist daartoe haar toestemming. Ze vroeg daarin, of Mina Holst den volgenden dag het hondje zou mogen komen brengen.

Zoodra zij om twaalf uur thuis kwam, snelde Tine naar haar moeder toe. „Heeft maatje al aan papa gevraagd of ik het hondje mag hebben?” vroeg zij dadelijk.

„Tine, luister nu goed,” zeide mevrouw Stubbens streng, „als je er nu nog ééns om vraagt, komt het hondje niet.”

Het kind begon te huilen.

„En als je huilt ook niet. Ga nu spelen.”

Pruilend verliet Tine de kamer en ging haar troost zoeken bij Tom en Annie, die juist waren thuis gekomen.

„Wat scheelt eraan, Tine, waarom huil je?” vroeg Tom.

„Ik wou zoo graag het hondje hebben, maar maatje zegt, als ik er nog ééns om vraag, dan krijg ik het hondje niet.”

„Heeft moes dat gezegd? nou wees dan maar stil, want dan geloof ik stellig, dat je het krijgt.”

„Zou je denken, Tom?” vroeg Annie, „nu, dat zou dol zijn, een kleine hond! Ik wou dat ik er een had.”

„Hebben jullie dan geen hond op Wilgenhorst?” vroeg Tom.

„Niets dan een heel ouden waakhond, maar papa zegt altijd: „als er ooit een dief komt, zal Bruno kwispelstaartend naar hem toe loopen en hem een poot geven.”

Tom begon luidkeels te lachen. „Nou, zeg, dat is ook een mooie waakhond,” zeide hij.

„Zeg, Tine,” voegde hij er een oogenblik later bij, als jij dat hondje krijgt, zullen wij hem leeren om door een hoepel te springen en op te zitten en pootje te geven en allerlei kunstjes meer en …”

„Je weet niet eens of zij hem hebben mag, Tom,” viel Coba, die intusschen was binnengekomen, haar broer in de rede, „praat er nu niet zoo over anders geeft het weer een zondvloed van tranen, als Tine dien hond niet krijgt.” [101]

„Als Tine hem niet hebben mag,” antwoordde Tom, „dan moet zij maar wachten, tot ik groot ben en mijn eigen geld verdien, dan kan zij bij mij komen wonen en dan nemen wij net zooveel honden als Tine maar hebben wil.”

„Een mooie rommel zal dat bij jullie worden,” merkte Coba op, „ik heb een hekel aan honden, zij bijten alles stuk.”

Toen de kinderen den volgenden dag om twaalf uur uit school kwamen, vonden zij in de huiskamer Mina, die een groote sluitmand op de schoot had. Annie snelde verheugd op het oude menschje toe en toen Mina zich eindelijk uit haar onstuimige omhelzing had losgemaakt, zeide zij: „Wat denken jullie nu wel, dat ik hier in deze mand heb? Mag ik het hun laten zien, mevrouw?”

„Zeker, Mina.”

De meisjes gingen ieder aan een kant van Mina staan om goed te kunnen zien en toen tilde de oude juffrouw voorzichtig het deksel op.

„O!” riepen de kinderen beiden in verrukking, want in de mand bevonden zich twee allerliefste kleine fox-terriërs met ronde kopjes, lompe pootjes en schitterende oogjes.

„O!” riepen de kinderen beiden in verrukking.

„O!” riepen de kinderen beiden in verrukking.

Dadelijk vroeg Tine: „mag ik er een van hebben?”

„Ja,” antwoordde haar moeder, „en het andere is voor Annie.”

„Haal jij ze er nu eens netjes uit, Annie, zonder ze te laten vallen,” zeide Mina. „Zij zijn al tien weken oud en kamer-zindelijk, mevrouw,” voegde zij er tot mevrouw Stubbens bij, terwijl zij Annie hielp om de witte molletjes op den grond te zetten.

„O, Tine, zijn ze niet schattig?” riep Annie in verrukking.

„Kijk,” hervatte Mina, „zoodra ik ze zag, dacht ik dat is nu een aardig hondje voor Annie en ik had het haar met haar verjaardag willen geven maar nu ik er toch een voor Tine moest brengen, heb ik Flokje ook maar meegebracht.”

„Mag ik hem houden, tante?” vroeg Annie, het hondje opnemende.

„Wel zeker, Annie, het huis is groot genoeg.” [102]

„Heerlijk, heerlijk, heerlijk!” riep Annie om de tafel heendansend, nadat zij Flok weer op den grond had gezet, en door haar vroolijkheid aangestoken, holden de twee witte hondjes haar achterna en rolden daarbij over elkaar heen.

Flokje was geheel wit met een bruin snoetje en bruine wenkbrauwen, terwijl Tines hondje een zwarten neus en een zwarte vlek op den rug had.

„Wel, heb ik ooit, twee, dat is leuk!” klonk eensklaps een vroolijke stem en Tom, die altijd als een bom een kamer in kwam vallen, trad binnen.

„Dag, Thomas,” zeide zijn moeder op terechtwijzenden toon.

„O, ja, dag moes,” en op Mina toestappende, gaf hij haar een hand en zeide; „dag, juffrouw.” Toen streelde hij de hondjes en vroeg: „heb jij er ook een gekregen, Ans? hoe heeten zij?”

„Ja, deze is van mij,” antwoordde Annie op haar hondje wijzende, „en hij heet Flok.”

„Dan heet de andere natuurlijk Flik,” zeide Tom. „Vind je dat goed, Tine, het is geen moeilijke naam om te zeggen, is het niet?”

„Waarom Flik?” vroeg Tine.

„Flik en Flok is de naam van een boek,” legde haar moeder uit. „Ken jij het, Thomas, heb jij het gelezen?” vroeg zij aan Tom.

„Ja, moes, Frans heeft het; het is zoo leuk, er staan zulke aardige platen in, de mooiste vind ik die, waar Flik en Flok onder water op den telegraafkabel zitten. Ik zal het nog eens aan Frans te leen vragen, dan kunnen Annie en Tine de platen ook eens zien.”

„Hè, ja,” zeide Annie, die Flok had opgenomen om hem aan Coba en Laura te laten zien, die op dat oogenblik binnenkwamen.

„Coba en Laura, dit is juffrouw Holst, over wie Annie je [103]zoo dikwijls gesproken heeft,” zeide mevrouw Stubbens, toen de meisjes haar begroet hadden. „Je weet wel, juffrouw Mina, die het huishouden doet bij oom Van Walen en nu bij Annie’s grootmama is.”

Mevrouw Stubbens was wel trotsch, maar zij zou toch nooit willen, dat de meisjes, tegen wie ook, onbeleefd waren.

De beide jonge juffrouwen waren echter nog een graadje trotscher dan haar moeder. Vanwaar zij stonden, knikten zij Mina dus uit de hoogte toe en deden verder, alsof zij er niet was.

„Annie,” vroeg juffrouw Mina, die van Coba en Laura geen andere behandeling verwacht had, want zij kende hen wel, zij had ze het vorige jaar nog op Wilgenhorst gezien, „heb je onlangs ook een brief van mijnheer gehad?”

„Van papa? neen, juffrouw Mina, waarom vraagt u dat zoo?”

„Dan zal je er wel gauw een krijgen met groot nieuws er in. Je grootma heeft er een ontvangen, dus zal je papa jou ook wel gauw schrijven.”

„Wat voor nieuws?” vroeg Annie natuurlijk nieuwsgierig, „komt papa terug?”

„Ik zeg niets, hoor, je pa zal je wel heel gauw schrijven.”

„U maakt mij zoo nieuwsgierig. Heeft papa dan aan grootma dat groote nieuws geschreven?”

„Ik geloof het wel, maar je pa zeide in dien brief, dat hij meteen aan jou zou schrijven, dus zal je niet te lang behoeven te wachten.”

„De koffietafel is klaar,” kwam mevrouw nu zeggen. „Juffrouw Holst wil u tusschen Annie en Tine gaan zitten? dat zullen zij, denk ik, wel prettig vinden.”

Coba en Laura keken knorrig.

Wat had dat nu te beteekenen, meenden zij, Mina Holst was toch maar een gewoon kindermeisje geweest, moest die mee aan tafel zitten? Zij ergerden zich zoozeer, dat zij geen woord spraken. Dit viel echter niet op door het drukke gebabbel van [104]Annie en Tine en hoewel tante Dora altijd aan Annie had gezegd, dat kinderen aan tafel niet het hoogste woord mochten hebben, liet zij hen vandaag maar begaan. Verbieden zou trouwens toch niet veel geholpen hebben, daarvoor waren de kinderen veel te opgewonden.

„Wij zullen onze kamerdeur maar goed dicht houden, Laura,” zeide Coba, toen zij na de koffie samen naar boven gingen om niet langer genoodzaakt te zijn het gezelschap te genieten van „die dienstmeid,” zooals Coba haar met minachting noemde.

„Waarom, Co?” vroeg Laura verbaasd.

„Wel, omdat ik geen zin heb al mijn mooie dingen door die jonge honden te laten vernielen. Zij bijten natuurlijk alles stuk. Zoo vervelend ook, dat ma heeft toegestaan, dat die dieren hier zouden komen, ik begrijp het niet van ma en nu nog die Mina aan de koffie, ik zou je danken om juffrouw Mina of juffrouw Holst te zeggen tegen dat mensch!”

Laura was uit zichzelve eigenlijk niet zoo bespottelijk trotsch en onaardig als Coba, maar zij voelde groote bewondering voor haar oudere zuster en volgde haar in alles na tot niet geringe ergernis van haar vader.

„Je weet, Dora,” zeide deze toen de kinderen naar school waren en Mina weer vertrokken was, „dat ik je geheel vrij laat in de opvoeding van de meisjes, maar het was toch wel wat bar, zooals Coba en Laura zich vandaag tegenover die arme Mina aanstelden. Coba wordt bij den dag trotscher en onverdragelijker en als dat niet verandert, zal ik ingrijpende maatregelen moeten nemen en haar naar een strenge kostschool sturen, waar die malle kuren haar wel afgeleerd zullen worden. Het is niet alleen voor haarzelve, maar zij heeft ook een zeer verkeerden invloed op Laura, die haar in alles nadoet. De manier, waarop die twee de dienstboden behandelen, is eenvoudig ongehoord, maar nu moet het uit zijn.”

Mevrouw Stubbens zuchtte. Zij wist wel, dat zijzelf veel schuld had aan Coba’s onaardig optreden; het kind volgde [105]slechts in het overdrevene de lessen die haar moeder haar had ingeprent.

„Ik zal eens ernstig met Coba spreken,” antwoordde zij eindelijk, „maar Coba heeft een eigen wil, die moeilijk te buigen is.”

„Zeg haar dan maar gerust, dat ik ook een wil heb. Ik weet dat zij een heilzamen afschrik van kostscholen heeft, ook al weer door de angst om daar in aanraking te komen met meisjes, die minder zijn dan zij. Het zou veel beter geweest zijn, als wij de meisjes, op de gewone openbare school gedaan hadden in plaats van op deze bijzondere, dan hadden zij vandaar naar de jongens hoogereburgerschool of het gymnasium kunnen gaan en later kunnen studeeren.”

„Ik ben er beslist tegen, meisjes met jongens samen te laten leeren; ik vind het heel goed, dat zij met Thomas en zijn vrienden spelen, maar ik zou het niet goed vinden, dat zij den geheelen dag met jongens samen waren en daar zou jij toch ook niet voor zijn.”

„Ach, ik weet het niet, zooals zij nu opgroeien is het toch ook niet goed. Met welk recht zien onze kinderen uit de hoogte neer op andere meisjes, die even beschaafd en misschien nog wel knapper zijn dan zij?”

„Ik heb je al gezegd, dat ik er met Coba over spreken zou,” antwoordde mevrouw Stubbens een weinig ongeduldig, „en ik beloof je, dat ik het doen zal.”

„Om eens op iets anders te komen,” zeide de heer Stubbens nu, „ik heb aan Annie beloofd, dat ik haar om vier uur met Tine zou komen halen om voor Flik en Flok ieder een halsband en ketting te koopen. Dat zal later een vroolijke wandeling geven met twee kinderen en twee jonge honden!” En lachend verliet de heer Stubbens de kamer.

Toen zij naar school moest, had Annie Flok aan de zorg van Suze toevertrouwd, die de taak vol vreugde aanvaardde—want zij hield veel van honden—en Flokje meenam naar de kleine [106]spreekkamer, waar zij ging zitten verstellen, terwijl mevrouw Stubbens Flik bij zich zou houden in de huiskamer.

In het eerst ging in de spreekkamer alles naar wensch. Flok had een wollen bal gekregen om mee te spelen en holde daarmee het vertrek rond, nu en dan in een hoek van de kamer of onder de tafel stil liggende om op zijn speelgoed te knabbelen. Alles ging zelfs nog best, toen mevrouw een half uur later binnenkwam om te vragen of Suze zich vooral met de beste kousen van jongeheer Thomas wilde haasten, daar hij dien avond uit moest en ze dan aan moest hebben. „Is Flok zoet, Suze?” vroeg mevrouw ten slotte, „Flikje speelt allerliefst met een leege klos.”

„O, Flok is een schat, mevrouw,” was Suze’s antwoord, terwijl zij het hondje opnam om het eens te knuffelen.

Het was alsof Flok op die loftuitingen gewacht had. Toen mevrouw Stubbens de kamer had verlaten, zat hij vanaf een stoel Suze met zijn donkere oogjes slim aan te kijken. Nog vermoedde zij geen kwaad; zij zette het maasmandje met de verschillende kluwen wol en katoen op tafel en verdiepte zich in Toms kous.

Flokjes oogen dwaalden van Suze naar het mandje en van zijn stoel naar de tafel; het was alsof hij den afstand berekende. Van den grond op de tafel was voor een jong hondenkind als hij een ondoenbare sprong, maar die stoel dáár stond nogal dicht bij de tafel en in dat mandje bevonden zich allerlei verleidelijke dingen.

Suze vermoedde niets van wat er blijkbaar in dat kleine hondenkopje omging, zoodat zij zelfs niet opkeek, toen zij achter zich een zacht geritsel en gefriemel hoorde. Wat speelt het diertje toch zoet! dacht zij onder het afhechten van haar draad. Nu moest zij een nieuwe nemen, maar waar was haar mandje; zij had het toch naast zich op tafel gezet! Zij keek om.

„Heere mijn tijd hond, ben je bezeten?” klonk Suze’s stem diep verontwaardigd, „wat heb je nou uitgevoerd en dat juist nu ik zoo’n haast heb!” Suze huilde half en had daar ook wel [107]reden toe.—Heel zacht had Flok het mandje, dat maar zeer licht was, met zijn poot telkens een eindje verder weggetrokken; het was alsof de kleine deugniet wist dat Suze niet mocht zien wat hij deed.

Toen had hij er eerst een van die heerlijke kluwen uitgehaald en deze met alle vier zijn pootjes en zijn bekje uit elkaar zitten plukken. Spoedig was hier de aardigheid af geweest en had hij een tweede en daarna een derde kluwen onder handen genomen, waaronder ook die, welke Suze noodig had, zoodat het meisje in haar keurig maasmandje niets meer zag dan den naaldenkoker, waar Flok gelukkig nog niet aan toe gekomen was—de kluwen waren zoo heerlijk zacht, daarom had hij die het eerst onder handen genomen—en naast het mandje op tafel een hoop verwarde massa wol en katoen van verschillende kleur.

Toen Flok zag dat zijn wandaad ontdekt was, sprong hij onmiddellijk van de tafel op den stoel en zoo op den grond.

„Ik zal in vredesnaam alles maar eerst zoo terug leggen in het mandje,” sprak Suze wanhopend bij zichzelve, „ik heb nu geen tijd om het op te ruimen.” Haar ellende was echter nog niet ten einde, want daar viel haar maasbal uit de kous, waaraan zij bezig was.

Heerlijk, dacht Flok, zij schijnt toch niet boos te zijn, want zij begint met mij te spelen; zij gooit mij zelfs die mooie bal toe. Ik vind die wel wat hard voor mijn jonge tanden, maar ze is toch mooi, en na deze overpeinzingen nam Flok de bal in de bek, waarna een wilde jacht om de tafel heen begon. Flok verkeerde nog altijd in de meening dat Suze met hem speelde, hij wachtte telkens tot zij vlak bij hem was en rende dan weer met de bal weg. Soms viel deze daarbij uit zijn bek, maar juist als het meisje haar dan wilde oprapen, had Flok haar dan weer in de bek genomen en was hij er mee weggehold.

„Al half vier!” riep Suze wanhopend, „mevrouw zal denken, dat ik mijn tijd aan het venster verbeuzeld heb. O, Flok, ik zal die kous in ’s hemelsnaam maar zonder maasbal afmaken.” [108]

Dat deed zij, maar zij vatte tevens het vaste besluit zoodra de kous klaar was, Flok voor dien middag verder uit de kamer te verwijderen. Maar waar zou zij hem brengen? Daar kreeg zij een goeden inval. In de zitkamer van de oudste meisjes stond in de muurkast nog een oude hondenmand van mevrouws vroeger hondje, Vikje, dat indertijd zoo zielig door een automobiel overreden was; in die mand zou zij Flokje leggen met zijn wollen bal tot speelgoed.

Flok was moe van al dat hollen, zoodat Suze hem nu gemakkelijk kon krijgen. Zij nam hem op—de ongelukkige maasbal lag naast hem, hij had daar ook alweer genoeg van gekregen—en droeg hem naar boven. Juist, het mandje lag nog in de kast. Suze nam het eruit, legde het op een zonnig plekje, zette Flok erin, met zijn bal naast hem en verliet de kamer. Ziezoo, nu kan een mensch weer opschieten, merkte Suze bij zichzelve op en deed in een half uur nog zooveel af, dat haar boosheid op Flok geheel verdwenen was en zij de verwarde wol reeds weer had opgekluwd, toen om kwart over vier de deur van het kamertje driftig geopend werd en Coba rood van kwaadheid kwam binnenstormen. „Suze,” riep zij, „ben jij zoo verregaand brutaal geweest, om die hond in mijn kamer te brengen?”

„Ja, ziet u, jongejuffrouw—Coba had haar gezegd, dat zij te oud was om door de dienstboden bij den naam genoemd te worden—hij was hier zoo lastig; maar is hij dan ondeugend geweest?”

„Ondeugend! dat moest je maar eens zien, het is een schandaal! je hadt moeten begrijpen, dat ik dien hond niet in mijn kamer wou hebben, je bent maar een dienstmeid, dus kan je doen wat men je zegt!”

Suze was ook niet op haar mondje gevallen. „En al ben ik maar een dienstmeid, jongejuffrouw Coba,” gaf zij ten antwoord, „dan laat ik mij toch niet onrechtvaardig behandelen. U heeft mij nooit gezegd, dat de hond niet in uw kamer mocht, dus kon ik dat ook niet weten, al ben ik maar een dienstmeid!” [109]

„Natuurlijk ben je maar een meid, verbeeld je maar niet, dat je iets meer bent, hoor!” riep Coba zoo luid, dat haar moeder het in de huiskamer hoorde.

Met een zucht stond mevrouw Stubbens op en ging eens kijken, wat er aan de hand was.

„Mevrouw,” begon Suze, zoodra mevrouw Stubbens binnenkwam, „ik laat mij niet zoomaar beleedigen! Is het niet genoeg, dat een mensch nooit een fatsoenlijk woord van jongejuffrouw Coba krijgt, moet ze mij nu nog uitmaken voor „een dienstmeid!”

„Coba was wat driftig, Suze,” zeide mevrouw Stubbens vergoelijkend; „kom eens mee, Coba, ik moet je spreken!”

Schoorvoetend volgde Coba haar moeder naar het salon, waar op dat oogenblik niemand was.

„Coba,” begon haar moeder, zoodra zij binnen waren, „ook uit naam van papa moet ik je verzoeken een anderen toon tegen de bedienden aan te slaan.”

„Bah, de bedienden! maar mama, u hebt mij toch zelf altijd gezegd, dat ik niet te familiaar met de dienstboden moest zijn, omdat zij zoo ver beneden ons staan.”

„Ik heb je nooit geleerd om onbeleefd te zijn en vandaag ben je eerst schandelijk onhebbelijk geweest tegen Mina Holst en zoo straks weer tegen Suze. Papa was van middag zoo boos, dat hij er sterk over denkt je naar de kostschool van juffrouw Mons te zenden. Nu weet je dus, waar het op staat.”

„De school van juffrouw Mons!” riep Coba vol minachting, „weet u wel, wie daarop gaan? het kind van den slager en Johanna van uw vroegeren kruidenier! Ik zou u lekker danken, om met die kinderen op één school te gaan.”

„Papa zal je niet vragen of je ervoor bedankt of niet, je kent papa, je weet als hij eenmaal iets besloten heeft, dan gebeurt het ook; je bent dus gewaarschuwd.”

Intusschen was Annie, zoodra zij uit school kwam naar haar kamer gesneld om haar hoed weg te hangen, hetgeen zij altijd [110]dadelijk moest doen en daarna ging zij naar Suze om Flok te halen.

„Is Flok zoet geweest, Suze?” vroeg zij al aan de deur van de spreekkamer. „Wij hebben zulke mooie halsbanden voor de hondjes gekocht, kijk eens deze is voor Flokje.”

„O, Annie,” riep Suze, die nog verontwaardigd was over het gebeurde met Coba, „je hadt mijn maasmandje eens moeten zien en kijk mijn nieuwe maasbal eens. Neen, hoor, Flok verdient eigenlijk niet dat u hem dien mooien halsband geeft. En jongejuffrouw Coba heeft hier zoo’n leven gemaakt, omdat ik Flok in haar kamer gebracht heb,” en nu liet Suze een omstandig verhaal volgen van haar avonturen met Flok.

„O, wat is hij stout geweest, Suze, daar moet hij klappen voor hebben.”

„Neen, Annie, je moet hem niet slaan, het stomme dier begrijpt immers niet, dat hij kwaad gedaan heeft, alle jonge honden doen zoo, hij dacht zeker, dat ik met hem spelen wou. Maar, ik weet nog niet, wat hij boven uitgevoerd heeft, ik heb nog niet naar boven durven gaan om te kijken.”

„Wat zal Coba boos zijn als hij iets van haar vernield heeft,” riep Annie, ga gauw mee kijken, Suze.”

Zij gingen naar boven, maar Flok was nergens te zien, alleen lag er een oud kleedje op den grond, dat Coba reeds lang had afgedankt en dat Flok nu blijkbaar van de tafel had getrokken om er mee te spelen, want het vertoonde kenteekenen, dat het hem tot speelgoed had gediend. Maar al zagen zij hem niet, zoo liet Flok zich toch hooren, uit de muurkast, waarin de mand gestaan had, drong een zacht gekef tot hen door, terwijl er van binnen aan de kastdeur werd gekrabd.

„Goeie grutten nog toe, ze heeft hem in de kast opgesloten, als het beest er nu maar niets in gedaan heeft!” riep Suze geërgerd, en zij wilde de kast open maken, maar er stak geen sleutel in het slot.

„O, wat gemeen!” barstte Annie verontwaardigd los, „dat [111]doet zij alleen maar om mij te plagen!” en het meisje holde de kamer uit.

„Laura, heb jij soms den sleutel van de kast in jullie kamer?” vroeg zij aan haar nichtje, dat zij op de trap tegenkwam.

„De sleutel? die steekt in het slot.”

„Neen, hij is weggenomen en Flok zit in de kast opgesloten!” riep Annie half huilend. „Coba,” riep zij nu, toen haar oudste nichtje in de gang verscheen, „Coba, wat valsch van je om Flok op te sluiten, geef mij gauw den sleutel van de kast!”

Coba, die juist van het onderhoud met haar moeder af kwam en bang was, dat deze zou hooren wat zij met den hond gedaan had, liep vlug naar Annie toe en gaf haar den sleutel. „Roep toch niet het heele huis bij elkaar,” zeide zij, „hier heb je den sleutel, maar ik wil dien akeligen hond niet meer in mijn kamer hebben, hoor!”

„Akelig spook!” riep Annie haar nog toe en snelde toen naar boven om het arme diertje uit de kast te bevrijden, waarvan de bodem niet meer zoo droog was, als toen Flok erin ging.

„O,” riep kleine Tine, die met Flik in haar armen achter Annie stond, toen deze de kast opende, „Flok heeft een plasje gedaan.”

„Het is zonde!” zoo liet Suze zich verontwaardigd hooren, „zoo zouden zij zoo’n dier nu toch onzindelijk maken, door hem in een kast op te sluiten!”

Annie zeide niets meer, maar zij en Tine liepen met hun hondjes naar beneden om hun de mooie nieuwe halsbanden aan te passen, die mijnheer Stubbens met hen was gaan koopen. [112]