Toen Annie den volgenden morgen beneden kwam, lag er op de ontbijttafel naast haar bord een brief en zij zag dadelijk dat deze uit Engeland kwam van haar vader.
„Een brief van papa,” riep zij blij, „voel eens, tante, wat een dikke, hier staat nu het nieuws in, waarvan juffrouw Mina sprak.”
„Ik zou hem maar gauw lezen,” zeide mevrouw Stubbens, die wel begreep, wat het nieuws was, dat Annie in dat schrijven van haar vader lezen zou.
Annie scheurde de enveloppe open en daar kwamen twee brieven uitvallen, de een was van haar vader, maar de ander, die zeer kort was en geschreven op fraai fantasie papier, versierd met een rand van rozenknopjes, kwam van iemand, die zij niet kende. „Mary Ackfield” stond eronder, maar Annie kon dien naam niet ontcijferen.
„Kijkt u eens, tante, wat staat daar?” vroeg zij, haar tante het briefje overhandigende.
„Mary Ackfield,” las haar tante voor haar. „Wat een beeldig papier, Annie.” [113]
„Ja, tante, maar wie is dat, Mary Ackfield, die ken ik niet.”
„Neen, Annie, maar je zult haar leeren kennen en heel veel van haar gaan houden, dat weet ik zeker, lees maar eerst den brief van je vader en dan dien van juffrouw Ackfield, ik geloof, dat het beter is.”
De brief van mijnheer Van Walen begon als gewoonlijk met allerlei grappige verhalen over al wat hij daar zag en beleefde, maar toen kwam het bewuste nieuws:
„… en nu, Annie, heb ik groot nieuws voor je. In November kom ik voor een weekje naar huis, maar niet alleen, dan breng ik iemand mee, die voor mijn kleine Annie een moedertje zal worden, een lief, zacht moedertje, Annie, die voor jou geheel de plaats zal innemen, van je eigen vroeg gestorven moeder, die zeker niet anders zou wenschen, dan dat ik haar kind een teedere, lieve verzorgster zou geven, die haar zal liefhebben en een goed, braaf meisje van haar zal maken. In het begin van December trouwen wij, je aanstaande mama is een Engelsche dame, maar zij is langen tijd in Nederland geweest, zoodat zij goed Hollandsch kan praten, en zij is zóó lief, Annie, dat je wel van haar móét houden, als je haar ziet. Zij wilde zelfs niet op onze aankomst in Nederland wachten, om kennis met je te maken, maar wilde dit nu alvast schriftelijk doen en daarom sluit zij hierbij een briefje aan jou in. Ik hoop dat je van je nieuwe maatje zult houden, Annie; tracht het te doen, al was het alleen om mijnentwil.
Je je liefhebbende vader.”
„O!” had Annie onder het lezen telkens geroepen en toen zij den brief uit had, riep zij: „O, tante, ik krijg een nieuwe mama!” [114]
Het klonk, zooals mevrouw Stubbens wel verwacht had, nogal verschrikt.
„Ik begrijp best, Annie,” zeide haar tante, „dat het een vreemd idee voor je is, maar ik ken Mary Ackfield, zij heeft dikwijls bij een van mijn vriendinnen gelogeerd, die ook een vriendin van haar is. Zij is werkelijk allerliefst, ik weet zeker, dat je dol veel van haar zult gaan houden.”
„Het was zoo prettig alleen met papa en juffrouw Mina,” antwoordde Annie op klagenden toon en nam toen het briefje van juffrouw Ackfield ter hand.
„Mijn lieve, kleine Annie,” las zij.
„Het zal nog zoo lang duren, eer ik persoonlijk met je kan kennismaken, dat ik dit alvast op het papier wil doen. Je vindt het misschien hard, Annie, dat ik, zooals je wellicht denkt, een deel van je vaders hart aan je ontstolen heb, maar dat heb ik niet gedaan, het behoort je nog heelemaal toe en er is plaats genoeg in voor ons beiden, zooals hij mij wel eens lachend verzekert en dat is ook het geval met het mijne, kindlief, ik hoop dat je de groote plaats, die ik je daarin heb toegedacht, zult willen innemen. Wil je beproeven van mij te houden, Annie? Wat mij betreft, ik zal je alle liefde schenken, die een eigen moeder aan haar dochter geven kan. Tot ziens dus, lieveling, wees in gedachten hartelijk omhelsd door
MARY ACKFIELD.”
„Nu, kind,” vroeg haar tante, toen Annie den brief had uitgelezen, „heb ik te veel gezegd, is het niet een heel lief briefje van Mary?”
„Ja, tante,” antwoordde Annie, maar zij vond de gedachte een nieuwe moeder te zullen krijgen maar half prettig. Bovendien had zij aan brieven schrijven een hekel, behalve natuurlijk aan die welke zij aan haar vader schreef, want daarin kon zij alles [115]vertellen, wat zij op school en bij oom en tante Stubbens beleefde. Om nu aan juffrouw Ackfield te moeten schrijven, die zij in het geheel niet kende, vond zij echter vreeselijk, zij was er zelfs, o wonder, aan tafel stil van.
Haar oom had medelijden met haar en stelde haar daarom voor om na het eten met hem en Flok een wandeling te gaan maken. „Tine kan van avond niet mee, omdat het dan te laat voor haar zou worden,” voegde de heer Stubbens erbij, toen hij zag dat het gezicht van de kleine betrok, „maar zij gaat morgen heel alleen met papa uit. Vind je dat niet deftig, Tine, met papa en Flik te gaan wandelen? Dan mag je Flik aan den ketting vasthouden.”
Tine klapte van blijdschap in haar handjes. „Dan kan hij niet wegloopen, paatje.”
„Als je hem maar goed vasthoudt, kan hij niet weg.”
Annie vond het ook heerlijk met oom Stubbens uit te mogen gaan en snelde na tafel dadelijk naar boven om zich klaar te maken en Flok zijn halsband om te doen.
„Waar zullen wij heengaan?” vroeg haar oom, toen zij op straat waren. „Heb jij al bedacht, waar je graag heen zou gaan, Annie?”
„Neen, oom.”
„Nu, wat zou je dan zeggen van een bezoek aan „het Koetje?”” („Het Koetje” was een uitspanning even buiten de stad gelegen.)
„Heerlijk, oom, mag Flok daar komen?”
„Natuurlijk, anders zou ik het toch niet voorstellen. Wij zouden het kleine mormel immers niet buiten kunnen laten. Hij zou onmiddellijk verdwalen.”
Annie stapte deftig naast haar oom voort, terwijl Flok aan zijn ketting voor hen uit trippelde en van tijd tot tijd, als het te druk werd, tusschen hen in kwam loopen, alsof hij bij hen bescherming zocht.
Alles ging goed. Een minuut of tien, nadat zij de laatste huizen [116]van de stad achter zich hadden gelaten, bereikten zij „het Koetje” en Annie zat daar heel deftig met haar oom in den tuin iets te gebruiken.
„O, daar is meneer Stokman!” riep Annie eensklaps en in de aangeduide richting kijkende, zag de heer Stubbens een lange jongeman het hek binnenkomen.
„Dag, meneer!” riep Annie, zoodra het jongmensch dicht genoeg genaderd was om haar te kunnen hooren. „Dag, meneer, kijk eens, heeft Flok geen mooien halsband aan?”
Stokman keek verwonderd op en kreeg een kleur, toen hij het meisje zag.
Zij moest eens weten, dacht hij, welke plannen de oude mevrouw en ik tegenover haar gekoesterd hebben, maar als mijnheer Stubbens mij aan die mooie betrekking helpt, dan kan mevrouw Hermsen dat zaakje zelf opknappen; zij zegt wel dat er geen kwaad in steekt, maar recht pluis is het toch niet en hier heb ik een prachtige gelegenheid om kennis te maken met mijnheer Stubbens.
„Oom,” zeide Annie, toen Stokman met een diepe buiging zijn hoed voor den heer Stubbens afnam, „dit is nu meneer Stokman, die bij grootma met ons gespeeld heeft. Komt u bij ons zitten, mijnheer?”
„Als mijnheer Stubbens het mij veroorlooft, zeer graag,” antwoordde Stokman.
„Het zal mij zeer aangenaam zijn, nader kennis met u te maken, mijnheer Stokman,” zeide de heer Stubbens. „Ik heb door de kinderen al veel over u gehoord. U is, meen ik, werkzaam bij de firma Hermsen?”
„Om u te dienen, mijnheer,” antwoordde Stokman plaats nemende.
„Het heeft mij altijd verwonderd,” hervatte de heer Stubbens, „hoe in dat kleine dorp, dat ook nog betrekkelijk dicht bij de stad ligt, die zaak zulk een omvang heeft kunnen aannemen.”
„De oude heer Hermsen had veel relaties en daar profiteert [117]de tegenwoordige eigenaar van de zaak nu van, maar ik voor mij zou toch veel liever in de stad werkzaam zijn; ik geloof, dat een jongmensch daar meer vooruitzichten heeft, daarom wil ik ook moeite doen voor die vacature hier in de stad bij Mr. Van Dungen.”
„Daar wordt een chef-boekhouder gezocht, is het niet?”
„Jawel, mijnheer.”
„Zoo, en zou u daar graag geplaatst willen worden? u heeft zeker goede getuigschriften?”
„Zeker, mijnheer, de firma Hermsen kan niet anders dan goed van mij zeggen. Ik ben er al van af mijn twaalfde jaar en heb altijd mijn plicht gedaan.”
„Kan mevrouw Hermsen u daar nu niet in helpen? Ik denk dat er wel veel sollicitanten zullen zijn en dan doet voorspraak veel goed.”
„Dat is het juist, mijnheer, daarom heb ik zoo weinig hoop. Mevrouw zou mij graag helpen, maar zij kent die heeren niet. Nu sprak mevrouw er wel van, dat zij er eens met u over zou praten, omdat u Mr. Van Dungen wel zal kennen, maar hoe zou u mij nu kunnen aanbevelen, die niets van mij afweet.”
„Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer Stokman, ik help graag een jongmensch voort, wanneer hij het verdient. Ik zal naar u informeeren en als de informaties goed zijn, zal ik met Mr. Van Dungen over u spreken. Ik ken hem heel goed en zal er zoo spoedig mogelijk werk van maken.”
„Mijnheer is al te goed,” riep Stokman dankbaar.
„Bedank mij nu nog maar niet, mijnheer, u heeft de betrekking nog niet.”
Intusschen was Annie, die veel te woelig was, om ergens lang te blijven zitten en wie het ernstige gesprek van de heeren verveelde, van haar stoel opgestaan en met Flok door den tuin gaan wandelen.
Nu kwam zij naar het tafeltje terugrennen. „Oom,” riep zij, „Flok trekt zoo, zou ik hem durven loslaten?” [118]
„Ik geloof, dat het hier wel veilig kan, maar pas op, dat je hem niet uit het oog verliest.”
Annie maakte den ketting van den halsband los en Flok sprong dartel rond, terwijl Annie achter hem aan holde.
Eensklaps hoorden de heeren een gil. „Oom, oom, hij is weg!” klonk Annie’s stem doodelijk verschrikt.
De heer Stubbens en Stokman sprongen op en liepen naar het meisje toe en nu wees Annie hun huilend, dat Flok onder het struikgewas en het hek was door gekropen.
„Het is niets,” zeide Stokman, „ik zal hem wel terughalen,” en hij liep om het hek heen en den weg op, gevolgd door Annie en haar oom.
Annie huilde nog steeds als een wanhopende.
„Stil, kindje,” troostte de heer Stubbens haar, „wij zullen hem wel vinden,” maar aan den overkant van den weg lag een bosch, zoodat het groote moeite zou kosten om het hondje terug te vinden. De heeren riepen en floten, maar geen Flok.
„Had ik Hector maar hier,” zeide Stokman, „maar die is thuis, hij zou Flok wel dadelijk opsporen. Maar, wacht eens, ik heb een idee, de kastelein hier heeft ook een grooten hond, misschien kan die het ook.”
Hij liep terug naar de uitspanning en vroeg aan den kastelein: „Van Wolderen, is Vik thuis?”
„Jawel, mijnheer.”
„Zou Vik in staat zijn een ander hondje op te sporen, zooals mijn Hector dat doet?”
„Hij vindt hem onmiddellijk, mijnheer, als u hem iets van het hondje laat ruiken.”
„Wij hebben niets dan een ketting.”
„Het is niet veel, mijnheer, maar wij kunnen het probeeren.”
Van Wolderen ging Vik halen, een grooten, mooien hond met spitsen kop en staande ooren, en bracht hem naar buiten, waar Annie en haar oom wanhopige pogingen deden om Flok te zoeken, en vroegen Annie om den ketting. [119]
„Het is niet veel. Heeft u niets anders van hem?” vroeg Van Wolderen.
„Neen,” antwoordde Annie bedrukt, maar eensklaps klaarde haar gezicht op, en haalde zij haar zakdoek uit haar zak. „Hier heb ik hem vóór wij uitgingen mee gewreven, dan wordt hij zoo mooi glad,” zeide het kind.
„Dat is beter, geef dien zakdoek ook maar hier, jongejuffrouw,” merkte Van Wolderen op en liet nu den hond eerst den ketting ruiken. Vik snoof en snuffelde, maar scheen onbevredigd. Toen hem echter den zakdoek werd voorgehouden en hij dien geroken had en zijn baas zeide: „zoeken, Vik!” toen begon hij te kwispelen en te trekken om los te komen. Stokman nam hem mee aan een langen ketting en nadat hij den kastelein had toegeroepen: „ik breng hem je zoo dadelijk terug, Van Wolderen,” verdween hij in het bosch, waarheen de hond hem meetrok.
„Kom,” zeide de heer Stubbens, Annie bij de hand nemende, „wij zullen maar binnen gaan wachten tot hij terugkomt. Annie, je kunt nu gerust zijn, ik ben overtuigd dat Vik den kleinen Flok heel gauw vinden zal. U schijnt mijnheer Stokman goed te kennen,” voegde hij er tot den kastelein bij, „mijnheer komt zeker nog al eens hier?”
„Ja, mijnheer, en ik ken hem al jarenlang. Een net jongmensch, vindt u niet?”
„Ik ken hem eigenlijk niet,” antwoordde de heer Stubbens; „zoo, zoo, er is dus niets op hem te zeggen?”
„Voor zoover ik weet, niet. Hij is heel anders dan zijn vader; dien heb ik ook nog wel gekend, die was ook bij Hermsen op kantoor, maar dien vertrouwde ik niet erg, die had vond ik, zoo’n valsch gezicht en dat heeft de jonge mijnheer nu heelemaal niet, die lijkt meer op zijn moeder. Een gunstig uiterlijk, dunkt u ook niet?”
„Ja zeker. Hij is zeker ook al lang bij de firma Hermsen werkzaam?” [120]
„Hij was er al te gelijk met zijn vader. Ik kom daar dikwijls in het dorp, ik heb er familie wonen, ziet u. Willem Stokman is eigenlijk ook nog een verre neef van me, door zijn moeder, maar dat is bijna niet meer uit te rekenen en zijn vader wou het nooit weten. Maar, wat ik zeggen wilde, hij, de jonge Willem, was al op het kantoor, toen mijnheer Tillens er nog was. U heeft er misschien wel van gehoord, dat er toen zoo’n herrie is geweest over weggeraakte papieren? Zij hielden het wel stil, maar zooiets lekt toch uit.”
„Ja zeker, ik heb er ook van gehoord,” antwoordde mijnheer Stubbens, die er meer van wilde weten. „Mijnheer Tillens is toen weggegaan, niet waar?”
„Juist, mijnheer, omdat men hem er de schuld van gaf, maar ik geloof er niets van, de man was veel te eerlijk en had er niets geen belang bij, de stukken zoek te maken. Wil ik u eens wat zeggen, mijnheer,” voegde Van Wolderen er geheimzinnig fluisterend bij, „ik laat mij hangen, als mijn waarde neef het niet gedaan heeft.”
„De jonge?”
„Neen, die was nog bijna een kind, die wist van niets, neen, de oude. Je durft zooiets niet hardop zeggen, maar je moogt het daarom toch wel denken.”
„Kon hij er voordeel mee hebben?”
„Dat weet ik niet, ik weet niet wat het voor papieren waren, maar ik durf er mijn hoofd onder verwedden, dat mijnheer Tillens er werkelijk niet van wist. Ik heb altijd zoo’n vermoeden gehad, dat die stukken iets te maken hadden met het huis, waarin de oude Stokman woonde, ik weet toevallig dat dit aan mijnheer Van Scheik behoort. Maar het is zoo’n oude geschiedenis, dat er nu wel niets meer van zal uitkomen.”
„Oom,” zeide Annie, die ongeduldig werd, „laten wij nog eens gaan kijken.”
„Goed, kom dan maar mee, kleine meid,” antwoordde haar oom, die medelijden met haar had. [121]
Zoodra zij het hek uit waren, liet Annie een vreugdekreet hooren.
„Daar komen zij!” gilde zij bijna en snelde Stokman te gemoet, die werkelijk in de verte aankwam, terwijl Vik vóór hem uit naar huis holde.
„Hebt u hem?” riep Annie en nu hield Stokman een klein wit balletje in de hoogte.
Uitgelaten van blijdschap klapte het meisje in de handen. „Ben je daar, mijn Flokje, mijn zoete Flokje?” riep zij, zoodra Stokman naderbij gekomen was, en het hondje van hem overnemende, zeide zij: „dank u wel, mijnheer, dat u hem voor mij hebt opgezocht.”
Zij koesterde haar lieveling in haar armen en Stokman moest haar precies vertellen, hoe het gegaan was.
„Wel,” antwoordde deze, „Vik trok mij dadelijk mee het bosch in en liep zoo hard, dat ik hem bijna niet kon bijhouden. Eens rende hij dwars door het kreupelhout, zoodat ik op een gegeven oogenblik vlak op mijn neus viel. Hij doet er nog pijn van,” voegde hij er lachend bij.
Annie keek hem aan. „U hebt toch geen buil, dat spijt mij voor u.”
„Wat! spijt het je? jij bent ook een mooie!”
„Ja, vindt u het dan niet kranig om er een te hebben? Tom was zoo blij, dat hij er een had, hij zeide dat het zoo kranig stond, want dat iedereen nu kon zien, dat hij zoo flink gevochten had.”
„Wie is Tom?”
„Mijn neef.”
„En heeft die zoo gevochten, tegen wien?”
„Met voetballen. Een van de jongens heeft hem bij ongeluk een stomp boven zijn oog gegeven en toen had hij een groote buil. Maar hij was er blij mee.”
„Nu, ieder zijn smaak, ik heb er liever geen,” antwoordde Stokman. [122]
Al pratend waren zij bij den heer Stubbens en Van Wolderen gekomen en Stokman nam afscheid, nadat Annie’s oom hem nog eens vriendelijk voor zijn hulp bedankt had. „Ik beloof u, ik zal mijn best doen voor u,” riep de heer Stubbens hem nog toe.
Annie riep Vik bij zich, die zich door haar liet streelen en aanhalen, terwijl zij Flok nog in haar arm geklemd hield.
„Knappe Vik, brave Vik,” zeide het meisje en Vik keek vereerd en drukte zijn kop tegen het meisje aan.
Toen de heer Stubbens Van Wolderen een vergoeding wilde geven voor het leenen van zijn hond, wilde deze er niets van hooren.
„Zeker niet, mijnheer,” zeide de kastelein, „ik ben altijd blij als Vik een gelegenheid heeft om zich te oefenen, daar heb ik later nut van als hij eens iets voor mij moet opsporen.”
„Nu dan mogen wij er Vik toch zeker wel iets voor geven?” vroeg de heer Stubbens. „Annie, wij zullen Vik een mooien halsband geven.”
„Wil u wel gelooven, meneer,” merkte Van Wolderen op, „dat hij het prettig vind als hij iets moois heeft? Laatst bond de kleine meid hem een rood lint om den hals en toen riep zij: „wat is Vik mooi, wat ’n mooie Vik,” en werkelijk, jongejuffrouw, je kon zien, dat hij blij was.”
Annie genoot van die verhalen; zij hield dol veel van honden en lachte vroolijk over Viks ijdelheid.
Flok werd nu weer aan den ketting genomen en de heer Stubbens en Annie begaven zich op weg naar huis, waar zij zonder verdere ongelukken aankwamen.
Thuis gekomen, stormde Annie met Flok de huiskamer binnen, waar Tom en zijn moeder zaten. „O, tante, verbeeld u, Flok is weggeloopen en mijnheer Stokman heeft hem met Vik teruggehaald. Gelukkig dat hij er weer is, hè, ik was zoo bang, dat hij voor goed weg was!” en nu volgde het geheele verhaal van Floks redding en lachend voegde Annie erbij: „en meneer Stokman is zoo op zijn neus gevallen!” [123]
Tom lachte luidkeels mede, maar zijn moeder werd boos.
„Hoe is het nu mogelijk, kinderen, dat je daarom lachen kunt; je begrijpt toch wel, dat mijnheer Stokman zich daarbij bezeerd heeft, en daar lach je nu om, terwijl mijnheer nog wel je hondje voor je heeft opgezocht, Annie, hoe onaardig!”
Hun lachen verstomde dadelijk.
„Hij lachte er zelf om, tante, en daarom dacht ik, dat ik het ook wel doen mocht,” merkte Annie verlegen op.
„Hij zeide toch dat hij zich pijn had gedaan, daar mag je dan toch niet om lachen.”
Annie zweeg.
„Nu, kinderen,” zeide mevrouw Stubbens, „het is voor Annie tijd om naar bed te gaan, vlug dus een boterham eten en naar boven, kleine meid, Tine ligt al wel een uur in de veeren.”
[124]