Ongeveer een maand was er verloopen. Mevrouw Tillens woonde reeds sedert een paar weken in de Markusstraat tegenover haar zuster en Paula was bij Bertha in de klas gekomen. Annie die eerst zoo verdrietig was geweest, omdat zij bij tante Dora moest gaan logeeren, bedacht nu met schrik, dat er reeds twee maanden van haar verblijf bij de familie Stubbens om waren. Zij had in dien tijd nog een paar brieven van Mary Ackfield gekregen en in den laatsten had deze haar verteld, dat zij over veertien dagen met haar zuster en den heer Van Walen naar Wilgenhorst kwam, omdat daar het een en ander veranderd moest worden.
Haar brieven aan Annie waren altijd zoo lief en hartelijk, dat het kind bepaald begon te verlangen om kennis met haar te maken, zoodat zij in de wolken was, toen Mary schreef dat zij naar Nederland kwam.
„Tante,” zeide zij toen zij na het lezen van dit schrijven in de huiskamer kwam, waar haar tante zat te werken, „hier is een [144]brief van juffrouw Ackfield, zij komt met haar zuster en papa over veertien dagen naar Wilgenhorst.”
„Dat is aardig Annie, dan zal ik dadelijk schrijven of juffrouw Ackfield hier wil komen logeeren, wat zeg je daarvan?”
„U bent een best tantetje ik vind het heerlijk! schrijft u gauw?”
„Ik beloof het je.”
Annie was met haar nichtjes en Tom naar school gegaan en zoodra mevrouw Stubbens met haar huishoudelijke bezigheden klaar was, schreef zij aan Mary Ackfield om haar te logeeren te vragen. De brief was reeds klaar en verzonden, toen de kinderen om twaalf uur uit school kwamen.
„Frans is tegenwoordig zoo saai,” zeide Tom, „je hebt niets meer aan hem. Hij is knorrig en vervelend.”
„Heeft hij misschien thuis een standje gehad, omdat hij een slecht rapport heeft?” vroeg de heer Stubbens.
„Dat weet ik niet, misschien wel, want hij had vier onvoldoenden en zijn papa is erg streng.”
„Dat is maar goed ook,” bracht Coba wijsneuzig in het midden, „hij doet veel meer aan sport dan dat hij werkt.”
„Stil, Coba hoe weet jij nu of Frans werkt of niet?” vroeg haar moeder streng.
„Anders kon hij toch geen vier onvoldoenden hebben,” pruttelde Coba binnensmonds en verliet de kamer.
Toen de heer Stubbens dien avond, in zijn studeerkamer zat, kwam Suze hem zeggen, dat de jongeheer Van Meerel hem wenschte te spreken.
„Laat den jongeheer maar binnen,” antwoordde de heer Stubbens, een stoel voor Frans bijschuivende. Het volgende oogenblik trad de jongen de kamer in.
„Dag, meneer.”
„Dag, Frans, kom binnen, wat heb jij op je hart? Kan ik iets voor je doen?”
Het gezicht van Frans klaarde op, omdat mijnheer Stubbens [145]hem het begin zoo gemakkelijk maakte. „Ja, meneer dat is het juist, waar ik om kom. U heeft mij vroeger wel eens gezegd, dat u mij zou willen helpen als het noodig was.”
„Als het iets is, dat ik doen kan, dan kan je op mij rekenen.”
„Ziet u, ik wou vragen, of u niet voor mij met papa zou willen spreken. Ik wou zoo graag van het gymnasium af, maar ik durf het niet aan papa te zeggen. Papa houdt zelf zooveel van studeeren, dat hij zich niet kan voorstellen, dat een ander er een hekel aan heeft.”
„Maar, heb je dan al bedacht, wat je zoudt willen worden?”
„Ik zou graag naar de landbouwschool gaan, meneer.”
„Maar, zeg dat dan aan je vader.”
„Dat durf ik niet, meneer, daarvoor kwam ik nu juist bij u. Zou u het niet voor mij willen doen?”
„Hoor eens, jongen, ik zou het graag voor je doen, als het noodig was maar, ik zal je eens wat zeggen. Eenigen tijd geleden ben ik bij je vader geweest en toen heb ik hem over jou gesproken, juist ook, omdat ik wel inzag, dat jij geen jongen bent voor de studie. Je papa had er geen flauw vermoeden van dat je liever iets anders zou worden; hij zeide, dat je er nooit met hem over gesproken hadt en daarom vind ik het beter, dat je het eerst zelf aan je vader vertelt.”
„Maar dat durf ik niet, meneer.”
„Kom, niet zoo laf, hoor! je vader zal je niet opeten, hij zou je nooit tegen je zin willen dwingen.”
„Papa zou toch zelf ten slotte inzien, dat het niets geeft, ik kan al dat gedoe niet in mijn hoofd werken. Maar het is altijd papa’s illusie geweest dat ik ook dokter zou worden, evenals hij.”
„Neen, Frans, ik weet dat je papa er best over te spreken is en mocht je het niet met hem over de zaak eens kunnen worden, kom dan gerust bij me, dan zal ik eens zien, wat ik voor je doen kan. Als je papa er ooren naar heeft, zeg hem dan, dat hij later op mij kan rekenen, wanneer je de school hebt afgeloopen [146]en een plaatsing zoekt, want dan kan ik je daarbij van dienst zijn.”
„Dank u wel voor uw raad, meneer, ik zal morgen dadelijk met papa spreken, als papa tenminste een oogenblik voor mij over heeft.”
„Dat is flink, jongen en ik hoop, dat je mij in ieder geval den uitslag zal komen vertellen,” antwoordde de heer Stubbens opstaande, „nu, Frans, het beste.”
„Dag, meneer, dank u nog wel,” zeide de jongen, de hand aannemende, die de heer Stubbens hem toestak.
Zijn vader was al uit, toen Frans thuiskwam, dus moest hij tot den volgenden dag wachten.
„Pa, hebt u het vandaag erg druk?” vroeg hij den volgenden morgen aan het ontbijt, „ik wou u zoo graag spreken.”
„Ja, jongen, ik heb nu geen tijd,” antwoordde de dokter zijn zakboekje te voorschijn halende, „laat eens zien, ik ben tot het eten toe bezet, maar dan behoef ik niet eer uit voor acht uur. Na tafel ben ik dus tot je dienst, kom dan maar bij mij in mijn kamer.”
Na het eten volgde Frans zijn vader naar diens studeervertrek.
De dokter wees op een stoel. „Ga zitten, Frans, dan kunnen wij beter praten, wat heb je mij te vertellen?”
„Pa, ik wou zoo graag van het gymnasium af, ik zal toch nooit kunnen studeeren.”
Zwijgend keek de dokter zijn zoon aan.
„Het is jammer, verbazend jammer,” zeide hij eindelijk op teleurgestelden toon. „Je overgrootvader, je grootvader en ik, wij waren allemaal dokter van geslacht tot geslacht, dus was het eigenlijk de aangewezen weg geweest, dat jij er ook een zoudt worden. Maar toch vrees ik dat je gelijk hebt. Maar wat wil je dan? op een kantoor?”
„Neen, als ’t u blieft niet, ik zou graag naar de landbouwschool gaan.”
„Hoe kom je daar zoo toe?” [147]
„Ik heb er lang zin in gehad, pa en ik zal het u maar zeggen, ik ben gisteravond bij mijnheer Stubbens geweest om te vragen of die er ook met u over wou spreken, want hij had mij gezegd, dat ik maar bij hem moest komen als ik hulp noodig had,” zeide Frans terwijl hij een kleur kreeg.
Het hinderde den heer Van Meerel, dat Frans eerst naar een vreemde was gegaan, in plaats van met zijn eigen vader te spreken, maar hij voelde dat hij dit aan zichzelf te wijten had, daar hij zijn zoon nooit de gelegenheid had gegeven rustig met hem te praten. „Wilde mijnheer Stubbens het niet voor je doen?” vroeg de dokter.
„Meneer zeide, dat ik het eerst zelf aan u moest zeggen, en als u het toestond, dan zou hij wel met u willen spreken.”
„Zeer verstandig van mijnheer, dat hij je eerst zelf met mij liet spreken, dat is toch ook zooals het behoort. Maar, stel nu, dat je op de landbouwschool komt en die hebt afgeloopen, wat dan verder?”
„Meneer Stubbens zeide ook nog, dat ik aan u moest zeggen, dat hij me dan wel een plaatsing zou kunnen bezorgen.”
„Nu, jongen, ik zal erover denken, want zoo gaat het toch ook niet, dat zie ik zelf wel in,” zeide de dokter met een zucht, „doe nu goed je best, zoolang je nog op het gymnasium bent, dan zal ik erover denken. Het is jammer, verbazend jammer,” hoorde Frans hem nog mompelen, toen hij de studeerkamer van zijn vader verliet, om boven zijn werk te gaan maken.
Voordat de dokter dien avond naar huis reed, ging hij nog even bij den heer Stubbens aan.
„Mijnheer thuis?” vroeg hij aan Suze, die hem opendeed.
„Jawel, dokter, komt u maar even binnen.”
Suze liet den heer Van Meerel in de kamer van den heer Stubbens en ging toen binnen zeggen, dat de dokter meneer wenschte te spreken.
„Zeg aan den dokter dat ik dadelijk kom, Suze,” en toen het meisje weg was, voegde de heer Stubbens er tot zijn vrouw [148]bij: „als Van Meerel den jongen toch wil dwingen om op het gymnasium te blijven, dan zeg ik hem de vriendschap op, die Frans is evenmin geschikt om dokter te worden, als mijn oude schoen.” Daarop legde meneer zijn boek neer en begaf zich naar zijn kamer.
„Stubbens, ik kom je bedanken,” zeide de dokter, nadat de heeren elkaar de hand hadden gegeven.
„Zoo, waarmee? Maar ga eerst zitten.”
„Wel, omdat je mijn jongen naar mij verwezen hebt,” antwoordde de dokter plaats nemende.
„Nu, dat was toch de aangewezen weg, ik, als vreemde, kon mij toch niet tusschen jou en je zoon plaatsen? ja, als jij heelemaal niet naar den jongen hadt willen luisteren, dan was het een ander geval geweest, dan zou ik mij er wel mee bemoeid hebben, omdat hij het mij verzocht had. En, als ik vragen mag, wat is het eind van het lied?”
„Dat ik beloofd heb erover te denken. Het lijkt mij nog zoo’n kwaad idee niet, die landbouwschool en als hij er plezier in heeft, zal hij ook met meer hart werken en beter vooruitkomen, maar ik heb zoo weinig tijd om die zaak in orde te brengen, dat is zoo ellendig.”
„O, maak je daar niet bezorgd over, als je het goed vindt, wil ik het heelemaal voor je bedisselen, want ik heb tijd in overvloed.”
„Zou je dat willen?” vroeg de dokter dankbaar, „je begrijpt, dat ik het graag zelf zou doen, maar ik weet zoowaar niet, waar ik den tijd vandaan moet halen, want het is misschien het beste om met den directeur zelf te spreken?”
„Laat alles maar aan mij over, Van Meerel. Als de zaak voor elkaar is, behoef je alleen maar aan Frans ie zeggen, je gaat dan en dan naar de landbouwschool en je gaat in huis bij den broer van meneer Stubbens. Zou je dat lijken?”
„Jij bent nog eens een vriend, waar iemand wat aan heeft, Stubbens, maar mij dunkt, dat je broer ervoor zal bedanken [149]zoo’n jeugdigen levenmaker in huis te nemen. Misschien is hij niet aan kinderen gewend.”
„Hij heeft er zelf vier, dus dat zal wel gaan; het zijn aardige, flinke jongens en er is daar gelegenheid in overvloed voor sport.”
„Zonder sport zou Frans, geloof ik, niet meer kunnen leven,” merkte de dokter op, „als zijn werk er dan maar weer niet onder lijdt.”
„Neen, daar zal mijn broer wel op passen, nu, ik zal er morgen dadelijk werk van maken.”
De dokter vertrok na zijn vriend nog eens bedankt te hebben en reed naar huis.
Frans durfde zijn vader verder niet meer vragen, hoe het met de zaak stond en als hij er zijn moeder naar vroeg, dan antwoordde deze altijd, dat hij het wel van zijn vader hooren zou, wanneer deze het noodig vond, dat Frans het zou weten.
Drie dagen gingen er voorbij, zonder dat zij iets hoorden, maar op den vierden dag, toen de familie Van Meerel juist van tafel was opgestaan, werd de heer Stubbens aangediend.
„Laat mijnheer maar hier binnen,” zeide de dokter en het volgende oogenblik trad zijn vriend de huiskamer in.
„Dag mevrouw, dag Van Meerel, zoo jeugdige losbol, hoe gaat het met jou?” voegde de heer Stubbens er tot Frans bij en gaf ieder beurtelings de hand. „Ik kwam maar even vertellen, dat de zaak in orde is. Als onze jonge vriend, daar, er plezier in heeft, kan hij na de Kerstvacantie op de landbouwschool komen en mijn broer zal tegen dien tijd een kamer voor hem inruimen.”
Met een open mond stond Frans te luisteren.
„Mag ik werkelijk gaan, pa?” vroeg hij eindelijk.
„Je hoort het,” antwoordde zijn vader, „meneer Stubbens is zoo vriendelijk geweest de zaak voor mij in orde te brengen, omdat ik er geen tijd voor heb; je mag er meneer wel voor bedanken.”
Frans gaf den heer Stubbens de hand. „Dank u wel, meneer, [150]dat u dat voor mij gedaan hebt,” zeide hij.
„Niets te danken, jongen.”
„Ik zal direct zelf aan je broer schrijven, Stubbens en hem zeggen, dat ik in de Kerstvacantie met Frans bij hem hoop te komen om kennis te maken,” zeide de dokter, toen zijn vriend opstond om heen te gaan, „en ik dank je nog wel voor de moeite.”
„Kent papa dien broer van meneer Stubbens, ma?” vroeg Frans toen de dokter was uitgegaan, „en is het een klein gezin?”
„Neen, kind, wij kennen die menschen niet, maar er zijn vier jongens dus gezelschap genoeg voor je. O, Frans, als zij je maar geen slechte dingen zullen leeren,” voegde de bezorgde moeder er angstig bij.
„Welneen, ma, het is leuk, hè, met je vijven jongens in huis.”
„Je hadt hier toch vrienden genoeg,” zeide zijn moeder verwijtend, „je kon Tom en de andere jongens zoo dikwijls zien als je maar wilde. En hier heb je ons tenminste nog, terwijl je daar geheel onder vreemden bent.”
„Maak er mij nu niet tegen, ma, nu alles is afgesproken. Wil ik u eens wat zeggen?” voegde de jongen er vertrouwelijk bij. „Al waren die meneer en mevrouw Stubbens de akeligste menschen van de wereld en al had ik daar geen enkelen vriend, dan zou ik toch nog blij zijn, dat ik van dat ellendige gymnasium afkon, dáár!”
Het kwam zoo uit den grond van zijn hart, dat zijn moeder nu eerst een denkbeeld ervan kreeg, welk een afschuw de arme jongen van de studie had, waarvoor hij voelde dat hij niet berekend was.
„Vind je het er zóó erg, jongen?” vroeg zij, hem naar zich toe trekkende. „Dan ben ik ook van harte blij voor je, dat je er van daan gaat.” [151]