„O, tante, wat een prachtige winkels en wat is het hier druk, o, die fietser komt stellig onder ons rijtuig.… o, o, o! tante kijk toch eens, neen, gelukkig, hij wijkt nog, juist bijtijds uit! Hé, tante, wat ’n heerlijke speelgoedwinkel.”
Annie’s mondje stond niet stil, zij verkeerde in één opwinding over al het moois dat zij zag en over al de drukte en beweging eener groote stad, waar zij slechts zeer zelden geweest was.
Tante Dora was haar met open rijtuig komen halen en hoewel er bij het afscheidnemen van haar vader en juffrouw Mina in het begin van den rit heel wat tranen gevloeid waren, had het vooruitzicht van al het nieuwe haar langzamerhand getroost, zoodat zij, toen zij een uur later de stad binnenreden, in staat was volop van al het fraaie te genieten.
„Stil toch, kind, praat niet zoo hard, ik heb altijd aan mijn meisjes geleerd, dat zij zich niet moeten laten hooren. Het doet mij plezier, dat je alles zoo mooi vindt, maar je moet niet zoo’n leven maken.”
Zij lieten de vroolijke winkelstraten achter zich liggen en [16]reden nu door een stille deftige buurt met groote heerenhuizen. Voor één van deze hield het rijtuig stil. De palfrenier schelde aan en bijna onmiddellijk werd door een keurig dienstmeisje de deur geopend en een oogenblik later stond Annie in de ruime vestibule van haar nieuwe tehuis.
Nauwelijks was zij binnen of Annie hoorde een vroolijke jongensstem roepen:
„Zeg, moes, bent u daar en hebt u Annie meegebracht?” en voordat het meisje recht wist wat er gebeurde, kwam er langs de statige trapleuning iets naar beneden glijden. Het ging zoo vlug, dat zij niet kon zien wat het was, totdat zij haar tante op berispenden toon hoorde zeggen: „Maar, Thomas, hoe dikwijls moet ik je dat nu toch verbieden? Het is zoo vreeselijk gevaarlijk!”
Toen bemerkte Annie, dat het niet, zooals zij eerst gedacht had, een groot pak was geweest, dat men langs de leuning naar beneden had geworpen, maar een jongen van een jaar of twaalf, die nu tante Dora hartelijk omhelsde.
„Die moes is altijd zoo bezorgd voor haar Thomasje, niet waar, moedekie? Maar wees maar niet bang, hoor, onkruid vergaat niet!” En tante Dora … glimlachte.
In stomme verbazing zag Annie dit tooneel aan. Hoe durfde hij zoo met die deftige, stijve tante Dora omspringen en zij werd er niet eens boos om! daar begreep Annie niets van.
Nu liet Thomas zijn moeder los en kwam naar Annie toe.
„Ben jij nu ons nieuwe nichtje? Hoe toevallig, hè, dat ik de keeren dat jij hier kwam, juist niet thuis was. Welkom hier, hoor, ik ben blij, dat je gekomen bent. Ga je nu mee, dan zal ik je mijn konijnen en vogels laten zien.”
„Misschien wil Annie liever eerst naar haar kamer, Thomas, dan kan je haar straks je moois wel laten kijken.”
„Neen, dank u, tante, maar kan ik Tineke niet eerst goedendag zeggen?” [17]
„Tine is naar Fröbelles, daar gaat zij tegenwoordig iederen morgen heen, om haar alvast aan het schoolgaan te wennen.”
„Mag ik dan met Thomas mee naar den tuin?” vroeg Annie.
„Zeker, maar denk eraan, half één precies aan de koffie, hoor,” en tante Dora ging naar boven, terwijl Thomas zijn nichtje bij de hand nam en meetrok naar den tuin.
„Zeg, Annie,” zeide hij, „je moet geen Thomas tegen me zeggen, maar Tom, dat is veel gemakkelijker en alleen mama en papa noemen mij Thomas, en zeg, weet je, waarom ik zoo blij ben, dat je gekomen bent,” voegde hij erbij, toen zij aan het konijnenhok gekomen waren en hij Annie zijn mooiste konijn in de armen had gelegd, „omdat ik hoop op je heb.”
„Wat bedoel je?”
„Wel ik heb hoop, dat je niet zoo’n nuf bent als Coba en Laura; jij bent immers zoo wild.”
„Ik wild,” riep Annie verontwaardigd en zij nam haar deftigste houding aan, „hoe kom je erbij? Ik ben al bijna elf en dan is men niet meer wild.”
„Nu, wij zullen zien. Als je papa bij ons was, sprak hij altijd van „mijn kleine wildzang,” dat was jij dan, zie je.”
„Ach, dat zei papa maar zoo, dat meende hij niet.”
En nu wandelde Annie, nadat zij de konijnen genoeg bewonderd en weer in het hok teruggezet hadden, als een zeer net meisje naast Tom den tuin door naar de volière, waar hij allerlei mooie en vreemde vogels had.
„Wat ’n prachtige fazanten, Tom, en wat zijn die duiven snoezig! laat je die nu vrij uitvliegen?”
„Ja en dan komen ze vanzelf weer in hun hok terug, vind je dat niet leuk? ik heb er tien en er is tot nu toe nog geen een weggeraakt.”
Nog een poos bleven zij naar de vogels kijken en toen kwam Tom op een inval.
„Zeg, Annie, wij zijn hier toch alleen, willen wij samen bokspringen? Zoo om beurten, je weet wel, eerst mag jij springen [18]en dan ben jij bok en spring ik en zoo dit pad af, heerlijk!”
Annie’s oogen begonnen te schitteren en Annie, die al bijna elf en dus niet meer wild was, nam met graagte het voorstel aan.
„Jammer toch, dat jij geen jongen bent,” merkte Tom eindelijk op, toen zij naar hartelust gesprongen hadden en nu samen op het gras zaten uit te rusten. „Je weet niet hoe saai het is met niets dan meisjes thuis!”
„Waarom ben je nog niet naar school?”
„Het gym begint eerst Dinsdag, maar de meisjesschool is al begonnen, jij zult er morgen wel heen moeten.”
„Neen, ik ga Maandag voor het eerst. Het is al Donderdag, dus deze week niet meer de moeite waard, zeide tante.”
„Dat treft prachtig! kan je fietsen? ja? nu, als moes het dan goed vindt, zullen wij morgen naar buiten fietsen, dan zal ik je laten zien, waar wij van den zomer geweest zijn en na de vacantie op vrije middagen nog wel eens heengaan. Het is niet zoo heel ver; je zult zien hoe leuk het is. De andere lui en ik hebben daar een fort gebouwd en dan verdeelen wij ons in twee partijen, belegerden en belegeraars en als Coba en Laura mij een heele week niet geplaagd hebben, dan mogen zij en Tineke ook mee. Dan zijn zij drie vrouwen, die in het kamp in veiligheid gebracht en door de mannen beschermd worden. En nu kan jij ook meedoen.”
„Maar ik heb geen bescherming noodig. Mag ik niet met de mannen meevechten?”
„Zie je wel dat je wild bent. Zooeven heb je wat lekker bok gesprongen en nu wil je met de mannen meevechten in plaats van je op een veilige plaats door ons te laten beschermen; daar zijn jullie, vrouwen, toch voor. Maar ik weet wat,” voegde hij er na eenig nadenken bij, „je kunt marketentster zijn. Wil je dàt dan?”
„Dat is ten minste beter, dan daar zoo vervelend niets te doen zooals die drie anderen.” [19]
„Maar zij hebben wel degelijk wat te doen. Zij moeten gillen van angst als er op het fort geschoten wordt en zij moeten flauw vallen. Den laatsten keer hebben wij Tine, om haar weer bij te brengen zoo nat gegooid, dat zij wel een half uur in de zon heeft moeten zitten om te drogen, want zij mocht natuurlijk niet met die natte jurk naar huis, dan hadden wij een standje gehad.”
Toen zij genoegzaam waren uitgerust, wandelden de kinderen naar huis terug en aan de koffietafel ontmoette Annie haar oom, die bij haar aankomst niet thuis was geweest, en haar nichtjes.
„Welkom hier, kleine meid,” had de heer Stubbens tot haar gezegd, toen hij haar begroette; „ik hoop, dat jij je hier thuis zult voelen en dat jullie, kinders, goed met elkaar zult kunnen opschieten.”
Op haar dringend verzoek mocht de kleine Tine naast Annie zitten, die zij telkens met een blij lachje aankeek.
„Ik mag vanaf Maandag alleen naar de les,” vertelde zij trotsch, „dan wordt ik niet meer gehaald en gebracht.”
„Is dat waar, ma, mag dat kleine spook al alleen gaan?”
„Ja, Thomas, ik vind het goed dat zij al vroeg zelfstandigheid leert; zij is veel te bang en dat moet eruit.”
„Dat komt omdat zij zoo klein is,” merkte Torn wijsgeerig op, „Beppie van hiernaast is vier en een half en veel grooter dan zij.”
Annie dacht aan een van haar boeken, waarin een klein meisje dat tegen het verbod van haar moeder alleen de straat op was geloopen, door een automobiel was overreden, en angstig keek zij naar haar kleine buurmeisje.
„Is het ver loopen, Tine?”
„Ach, wel neen!” antwoordde tante Dora voor het kleintje, „geen tien minuten. Kijk dus maar niet zoo angstig, Annie.”
„Meisjes,” zeide mevrouw Stubbens na de koffie tot Coba en Laura, „jullie hebt, voordat je weg moet, nog tijd om Annie [20]te helpen haar kamer wat gezellig te maken, ga dus met haar naar boven.”
Annie vond het alles behalve prettig; veel liever was zij met Tom en Tine in den tuin gaan spelen, maar zij durfde natuurlijk niets te zeggen.
Zij had een mooie frissche kamer gekregen, die op den tuin uitzag, zoodat zij niet in de vroegte door de drukte van de groote stad gewekt zou worden.
Annie maakte haar koffer open en haalde daaruit platen te voorschijn, waarmee zij nu met behulp van haar nichtjes de wanden begon te versieren. Ook had zij eenige étagère voorwerpen meegebracht, die zij op den schoorsteenmantel neerzette en toen alles klaar was, moesten zij alle drie bekennen dat de kamer er veel gezelliger uitzag. „Die dingen zijn allemaal uit mijn kamer,” zeide Annie, „en deze kamer lijkt zoo op de mijne, dat het nu net is of ik weer thuis ben, zelfs de gordijnen zijn dezelfde.”
„Ja, dat heeft ma met opzet gedaan. Je hebt deze kamer gekregen, omdat zij net als de jouwe op den tuin uitkijkt en bijna dezelfde meubels heeft, ook mahoniehout met rood,” merkte Coba op, „je mag er ma wel voor bedanken.”
„Natuurlijk,” antwoordde Annie, die boos was, omdat Coba meende, dat het noodig was haar hieraan te herinneren.
„Jij gaat Maandag eerst naar school, hè?” vroeg Laura.
„Ja, maar Zaterdag gaat je ma met mij naar de directrice en moet ik examen doen voor de vijfde.”
„Ik zit ook in de vijfde,” zeide Laura „en Clara van Scheik, Marie Munster en Emmy van Spechten ook. Ik ben benieuwd of je bij ons komt te zitten.”
Toen de meisjes eindelijk weer naar school waren, ging Annie ook naar beneden om haar tante te zoeken.
Deze kwam juist de gang door en nu sloeg Annie in de dankbaarheid van haar hartje beide armen om tantes hals en gaf haar een hartelijke kus. „Dank u, tante,” zeide zij, „ik ben [21]zoo blij met die kamer, ze is net de mijne.”
Mevrouw Stubbens was eerst verwonderd over die onstuimige omhelzing; zij was zooiets van haar eigen meisjes niet gewoon.
„Pas op, meisje, je kreukt mijn japon,” zeide zij. „Het doet mij genoegen, dat de kamer naar je zin is, maar je moet niet zoo wild zijn.”
[22]