[Inhoud]
Achtste Hoofdstuk.

Achtste Hoofdstuk.

Een verrassing voor Annie.

„Als het u blieft, juffrouw, van tante.”

Met deze woorden reikte Annie van Walen de directrice, die zij in de gang van de school tegenkwam, het briefje van mevrouw Stubbens over.

Het was de dag na het voorgevallene met Tine, die dien morgen door Suze naar school was gebracht, terwijl haar moeder haar ten strengste verboden had, om twaalf uur met iemand anders dan Suze mee te gaan. Zij moest op Suze wachten. Toms verhaal over het koorddansen had haar trouwens zoo bang gemaakt, dat er niet de minste kans bestond, dat zij ongehoorzaam zou zijn.

„Tommie,” had zij ’s avonds aan haar broer gevraagd, „zou oom Tine heusch naar de kermis gebracht hebben?”

„Noem dien kerel toch geen oom, Tine; hij was een gewone kinderroover. Natuurlijk zou hij je aan een kermistroep verkocht hebben, en dan was de baas van het spel met een groote zweep gekomen, en dan had hij je op een koord laten klimmen en als je niet gewild had, zou hij je met die zweep geslagen [65]hebben. Wanneer ga je weer met dien lieven oom mee, Tine?”

„O, neen, nooit, Tommie, heusch niet! hij zal toch niet weer terugkomen?”

„Ik hoop het niet, maar je weet nu, waar het op staat als je met zoo’n oom meegaat.”

„Ik zal heusch op Suze wachten, Tommie.”

„Het is je geraden,” had hij geantwoord en was daarop naar boven gegaan om zijn huiswerk te maken, terwijl tante Dora Tine meenam om haar naar bed te brengen.

Toen de juffrouw ’s morgens in haar klasse kwam, zeide zij: „Annie van Walen, jij krijgt een andere plaats. Ga maar naast Clara van Scheik zitten op de plaats van Laura Stubbens en jij, Laura, naast Louise Bronsma.”

Laura vond het alles behalve plezierig om haar plaats naast Clara te moeten verlaten, maar Annie was blij; nu was zij tenminste van die ellende van het voorzeggen af.

Zoodra Laura naast Louise zat, fluisterde zij tot deze: je hoeft het mij niet te vragen, hoor, ik doe het toch niet. Ik ben niet zoo mal als Annie.”

„Is Annie boos op mij?”

„Ik weet het niet,” was het antwoord, „maar het zal wel; je bent ook een akelig spook om haar zoo te laten wegsturen zonder iets te zeggen.”

Louise kreeg een vreeselijke kleur en wist niets te antwoorden.

Om twaalf uur, toen Annie op Bertha van Scheik stond te wachten, kwam eensklaps Louise Bronsma naar haar toe.

„Zeg, ben je boos op me?”

„Ach ik weet het niet, zanik nu niet. Ik vond het wel flauw, dat je niets aan de juffrouw zeide, maar je durfde natuurlijk weer niet en nu kan ik morgen een uur blijven in plaats van naar buiten te gaan.”

„Zal ik het dan nog zeggen?”

„Neen, laat maar, zeur er nu maar niet meer over. Daar komt [66]Bertha eindelijk; wat is ze laat, iedereen is al weg.”

Annie liep haar vriendinnetje te gemoet en liet Louise staan.

Toen deze zich omkeerde om ook naar huis te gaan, bonsde zij bijna tegen de directrice aan, die juist naar buiten kwam.

„Wacht je op een van de meisjes, Louise?” vroeg de juffrouw.

„Neen, juffrouw.”

„Waarom ben je dan nog hier?”

„Ik sprak even met Annie van Walen, juffrouw.”

„Ga dan nog even mee naar binnen naar mijn kamer.” En toen zij daar waren, vroeg de juffrouw:

„Jij en Annie moeten morgen schooi blijven, is het niet?”

„Ja, juffrouw.”

„Ik begrijp mij dat plezier van Annie niet om jou altijd voor te zeggen. Waarom zeg je niet tegen haar: Houd er nu eindelijk eens mee op, ik vind het vervelend?”

Nu vatte Louise al haar moed samen. Met een hoogroode kleur stamelde zij: „Ik had Annie juist gevraagd om het te doen, juffrouw.”

Het hooge woord was er uit en het arme kind voelde zich werkelijk opgelucht.

„Zoo, antwoordde de juffrouw kalm, „hadt jij haar erom gevraagd? Het was nu de vierde maal; hadt jij haar de vorige keeren ook verzocht het te doen?”

„Ja, juffrouw.”

„Dan moet ik zeggen, dat ik het heel aardig vind van Annie, dat zij daar niets van gezegd heeft, maar waarom heb je de juffrouw niet de waarheid verteld?”

Louise liet het hoofd hangen.

„Nu, kind, ga maar naar huis,” hervatte de juffrouw, „maar probeer toch eens of je niet flinker kunt worden; je voelt toch zelf wel dat het heel onaardig is om een ander meisje straf te laten krijgen voor iets, dat eigenlijk jouw schuld is.” [67]

„Ja juffrouw,” antwoordde Louise verlegen.

„Ga dan nu maar naar huis, doch laat zoo iets niet weer gebeuren?”

Intusschen waren Annie en Bertha samen voortgeloopen.

„Heeft je tante er al iets van gezegd, wanneer Paula zou mogen komen?” vroeg Bertha.

„Neen, nog niet.”

„Vraag het eens.”

„Neen, hoor, dat durf ik niet!”

„Ik ben zoo benieuwd om haar te zien. Ik hoop maar dat zij gauw komt?”

Toen Annie thuis kwam, riep mevrouw Stubbens haar in de huiskamer. „Ik heb een aardige verrassing voor je, Annie; Paula mag van Zaterdag tot Zondagavond hier komen.”

„O, wat dol!” riep het meisje, „meent u het werkelijk, tante?”

„Zeker, oom gaat haar Zaterdag halen; hij moet toch voor zaken daar in de buurt zijn en brengt Paula dan mee.”

„Weet oom al dat ik blijven moet?” vroeg Annie verlegen.

„Ja, ik vond het beter het maar zelf aan oom te vertellen.”

„En was oom erg boos?”

„Eerst wel, maar toen ik alles precies verteld had, zeide oom, dat hij het dezen keer door de vingers zou zien, omdat het gedeeltelijk niet jouw schuld was.”

Toen Annie het aan haar nichtjes vertelde, zeide Coba: „je wordt hier echt het verwende kindje.”

„Ja,” voegde Laura erbij, „en nu kan ik voor jouw plezier naast dat vervelende kind van Bronsma zitten.

„Heb je haar al voorgezegd?” vroeg Coba plagend.

„Daar kan ze lang op wachten, dat vervelende wicht.”

„Gaan jullie nooit naar school? het is al bijna tien minuten voor twee!” klonk eensklaps een vroolijke jongensstem en Tom stak zijn hoofd naar binnen. „Zeg, Annie,” vervolgde hij, toen zij gezamenlijk op weg gingen, „heeft Frans je nog verteld, waarom hij weggestuurd is?” [68]

„Ja,” antwoordde Annie nog lachend bij de herinnering.

„Nu, lach maar niet, de dokter was zoo boos, dat hij gezegd heeft, dat Frans in den eersten tijd op zijn vrije middagen niet meer uit mag. Het is een leelijk geval, want hij moet uitkomen in den grooten voetbalwedstrijd en nu heeft hij geen gelegenheid om zich te oefenen.”

„Doe jij ook mee, Tom?” vroeg Annie.

„Nou, of ik en jullie moeten komen kijken, het zal een prachtig gezicht zijn. Zondag is er een kleine onderlinge wedstrijd, komen jullie dan ook?”

„Graag, als ik mag,” antwoordde Annie, „gaan jullie ook mee, Co en Lau?”

„Zondag, neen dank je wel, dan spelen alleen de kleine jongens,” antwoordde Coba uit de hoogte.

„Dank je,” riep Tom geraakt en verdween in een zijstraat.

Coba en Laura lachten, maar Annie vond het niets aardig, dat zij Tom zoo plaagden en was vast besloten naar den wedstrijd te gaan kijken.

„Annie, je moet even bij de directrice komen,” zeide de juffrouw, toen zij het lokaal binnenkwam, waar al haar leerlingen reeds bijeen waren.

Verbaasd stond Annie op en klopte een oogenblik later bij de directrice aan.

„Zoo, ben je daar Annie?” zeide deze vriendelijk, toen het meisje haar begroet had. „Ik wilde je alleen maar zeggen, dat Louise mij alles verteld heeft en dat je morgen middag niet behoeft school te blijven.”

Annie’s oogen schitterden.

„Daar ben je blij om, hè?” hernam de juffrouw glimlachend. „Nu, ga maar gauw naar binnen, laat de juffrouw niet wachten.”

Om vier uur stond Annie met het grootste ongeduld Bertha op te wachten, om haar al het nieuws te vertellen, maar voordat zij het lokaal verliet, was zij naar Louise toegegaan en had zij dankbaar tot haar gezegd: „Dank je wel, Lou, dat je het [69]verteld hebt, ik hoef nu niet te blijven.”

De arme Louise had werkelijk vroolijk gekeken, zij was oprecht blij.

„Bertha,” zeide Annie, toen deze aankwam, en zij stak haar arm door dien van het oudere meisje, „vind je het niet dol, ik hoef morgen niet te blijven en Zaterdag komt Paula.

Bertha was bijna even blij als Annie, want zij dacht geen oogenblik aan de mogelijkheid, dat haar moeder haar misschien zou verbieden om naar Paula toe te gaan.

De Zaterdag kwam en toen de heer Stubbens zijn zaken had afgedaan, reed hij naar mevrouw Tillens om Paula af te halen.

Paula was zich nog aan het klaar maken en mevrouw ontving hem in het salon.

„Ik ben blij, dat ik u alleen tref, mevrouw,” zeide hij, nadat zij elkaar begroet hadden, want ik wilde u vragen, of u verlangt dat Paula in gezelschap van de meisjes Van Scheik gebracht zal worden of niet.

Mevrouw Tillens verbleekte, „U weet dus, wie mevrouw Van Scheik is?” vroeg zij.

„Uw zuster, ja mevrouw, en ik moet u zeggen, dat Annie al aan Bertha verteld heeft, dat Paula komt en dat Bertha brandt van verlangen om kennis te maken met haar nichtje.”

„Ik heb Paula nooit over haar tante gesproken, omdat ik wel begreep, dat er dan aan het vragen geen eind zou komen en ik vind haar nog te jong om haar hoofdje met familietwisten en zoo al meer te vullen.”

Mevrouw van Scheik schijnt er anders over te denken, want Bertha wist aan Annie te vertellen, dat u haar tante is. Haar moeder maakt er voor haar dus blijkbaar geen geheim van, maar, daar ik niet wist hoe u erover dacht, heb ik Annie verboden er Paula over te schrijven.

„Dat is heel vriendelijk van u, maar wij zullen de zaak nu maar aan haar beloop laten, ik had de mogelijkheid van een ontmoeting moeten voorzien. Bovendien blijft Paula zoo kort bij [70]u, dat het mijn zuster geen moeite zal kosten de meisjes van elkaar verwijderd te houden, wanneer zij dat wil. In ieder geval moet de eerste stap tot verzoening van hun kant komen; wij hadden geen schuld.”

Op dat oogenblik kwam Paula beneden en na vroolijk afscheid te hebben genomen van haar moeder reed zij met den heer Stubbens weg.

[71]