[Inhoud]

DE REIS NAAR DEN BLOKSBERG.

In Grootmoeder’s tijd was er een oude vrouw op Mårbacka. Ze sliep gewoonlijk in de keuken in den winter, maar ze vond misschien, dat het er vol genoeg was met de huishoudster en de vijf meisjes, zoodat ze naar den zolder van de schuur verhuisde en daar sliep, zoodra het zomer werd.

Daar had ze een slaapplaats, een prachtig ledikant gevonden. Ze maakte haar bed op in een oude afgedankte ijzersleê, zulk een sleê, waarin men vroeger jaren lang ruw ijzer (gietijzer) meê haalde voor de fabriek te Kymsberg, van de ijzerhutten in Bergslagen.

Daar sliep ze goed en rustig, weken lang; maar op een nacht gebeurde het, dat ze wakker werd, doordat de sleê zich bewoog. Ze ging overeind zitten en keek rond. Maar ze lag immers niet in de schuur, die er nu is, maar in de oude, die in den tijd van de predikanten was gebouwd en daar waren alleen maar een paar nauwe kijkgaten op den zolder. Buiten was het een lichte [128]zomernacht; maar de arme vrouw lag bijna in volmaakte duisternis en kon niets onderscheiden.

Ze meende, dat ze ’t maar gedroomd had, en ging weer liggen. Alles was stil om haar heen, en ’t duurde niet lang of ze sliep weer in.

Maar was dat niet wonderlijk? Nauwelijks was ’t haar gelukt in te slapen, of ze werd weer wakker, doordat de sleê zich bewoog. En nu kreeg die niet alleen een schok, maar ze begon zich over den vloer voort te bewegen. De sleê gleed heel zacht en voorzichtig voort, maar dat er leven in zat—daar kon ze zich niet in vergissen.

De oude vrouw ging overeind zitten en hield zich met beide handen aan de kanten van de sleê vast. De haren gingen op haar hoofd overeind staan en haar onderkaak beefde.

„Barmhartige God,” jammerde zij. „Barmhartige God! hij kruipt, hij kruipt!”

Hoe in den wereld zat dit toch? Misschien was het wel zoo, dat zoo’n oude sleê, die met ijzerladingen tusschen Kymsberg en de Bergslagen heen en weer had gereden, den eenen winter na den ander, ’s nachts geen rust kon krijgen, maar nu en dan wat beweging nemen moest.

„Barmhartige God,” jammerde de oude vrouw. „Barmhartige God!” [129]

Maar het hielp niet of ze Gods naam al aanriep. De sleê werd er niet kalmer door; die vervolgde haar weg door de heele lange schuurgang. ’t Was immers zomer en er was bijna geen hooi binnen, zoodat niets haar in den weg lag.

Eindelijk stootte ze tegen een muur en stond plotseling stil.

Hier zou ze toch wel blijven staan. Neen, dat deed ze toch niet. Toen ze een paar oogenblikken had uitgeblazen, begon ze zich weer terug te trekken naar den hoek, waar ze eerst stond.

De oude vrouw zei later, dat als ze niet juist op dat oogenblik er achter was gekomen wat de sleê bezielde, ze krankzinnig geworden zou zijn.

’t Waren niet de oude reizen in de Bergslagen die in de sleê spookten; maar er was absoluut zeker een, die haar had „gezalfd”.

Er was een of ander heks op de hoeve of in de streek—maar een naam wilde ze niet noemen, zelfs niet denken,—die op de gedachte was gekomen, dat ze haar reis naar den Blocksberg beter en gemakkelijker kon doen in deze sleê hier, dan op een bezemstok of een huisdeur.

Die leelijke heks wist zeker niet, dat de oude vrouw ’s nachts in die sleê sliep. Ja, hoe dat alles was toegegaan, kon ze zoo gauw niet uitdenken; [130]maar ’t was zeker, dat de sleê uit wou, en op reis gaan. En nu nam die haar, de oude vrouw, meê naar den Blocksberg, in plaats van de heks.

Barmhartige God! Als nu niet de muur van de schuur daar had gestaan, dan was ze al op weg geweest over de weiden en naar beneden, op de kerk aan.

De sleê trok zich steeds terug, maar ze begreep wel, dat het alleen was om een nieuwen aanloop te nemen, zoodat ze uitbreken kon. Als die maar op een of andere manier door den muur kon komen, zou de tocht hoog over boomtoppen en bergvlakten gaan. Ze zou hoog over spiegelblanke meren zweven zonder eenigen angst om er in te vallen, en om de kerktorens zou ze heendraaien als een kraai. Ze zou om de Groote Kil en de Grav-gemeente heen vliegen; maar waar ze eindelijk te land zou komen … daar wilde ze niet aan denken.

Barmhartige God, nu vloog de sleê weer vooruit. Ja, die sleê zou wel kunnen vliegen, als ze maar eerst in de lucht kwam. Die stoof op den wand af met zoo’n vaart, dat ze er zeker van was, dat die zou moeten wijken. Ze ging in de sleê liggen, opdat ze niet midden door geschrapt zou worden, als ze door ’t gat in den muur vloog. [131]

Een geweldig harde bons volgde; maar, stel je voor,—de muur hield het nog uit. Als ’t nu maar zoover kwam, dat de sleê merkte, dat ze haar zin niet kon doorzetten, en zich stil wou houden!

Maar dat moet je niet denken! Nu stoof ze weer achteruit. Die was wel met de echte zalf gesmeerd, die sleê, waar zij in lag. En als ze ’t nu voor de derde maal probeerde, kon ’t wel niet anders zijn of het lukte.

Wat zou ze beginnen, als ze daar tusschen al die heksen en die benden der duisternis kwam? Wel had ze over al die dingen hooren praten; maar ze had het nooit recht willen gelooven. Er is zooveel, dat je niet gelooven wilt, voor je zelf ziet, dat het waar is!

Barmhartige God, leid ons niet in verzoeking! Ze had immers in armoede en minachting heel haar leven doorgebracht, zonder te klagen. Maar als haar nu macht en geld werd geboden, zou ze zoo’n aanbod kunnen afwijzen? Of als zij de woorden zou kunnen leeren, die ziekten genezen bij dieren en menschen, of die de vruchten op den akker konden doen groeien, of liefde wekken bij de jeugd? Zou ze zooiets kunnen afwijzen? Ja, als ze maar de kracht mocht hebben om de verzoeking [132]te weerstaan en de zaligheid voor haar ziel niet te verliezen.

Jawel! nu nam de sleê voor den derden keer een aanloop. Nu stoof die voort zoodat haar de ooren suisden. En ze sloot de oogen om niet te griezelen. Ze wist immers, dat ze een oogwenk later buiten in de vrije lucht zou zijn en hoog boven de aarde zweven als leeuweriken en zwaluwen.

Op eens een gekraak en gedreun! Nu viel de muur zeker!

Maar God zij lof en dank! De flinke muur had stand gehouden. ’t Was maar de sleê, die gebroken was. En op datzelfde oogenblik scheen ze den reislust verloren te hebben, want ze bleef doodstil liggen, zoodat de oude vrouw er uit kon kruipen en zich ter ruste leggen na de reis, op een bos stroo.

Toen zij dit alles ’s morgens vertelde en het langzamerhand Grootmoeder ter oore kwam, vond die, dat het heel wonderlijk klonk. Want wèl geloofde ze vast aan de bovennatuurlijke dingen, maar een beetje orde moest er toch zijn. En dat men naar den Blocksberg kon reizen midden in den lichten zomer, en dat nog wel in een sleê—daar had ze nooit van gehoord. Daarom ging Grootmoeder naar de schuur en bekeek de sleê; [133]en toen zag ze, dat er een paar lange touwen aan waren vastgemaakt.

En toen liet ze den staljongen en een paar van zijn kameraden bij zich komen, nam ze in verhoor, en gaf ze een behoorlijke straf. [134]