[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

Charlotte en het geheim.

Mademoiselle Rochefort neeg voor de binnentredende jonge dame en zegde met aangename stem:

—Charlotte! Zoo heette mijn mama ook. ’k Behoef dus niet te zeggen dat het mij aangenaam is u aan mijn hoede te zien toevertrouwd.

Charlotte La Rougière keek haar nieuwe gouvernante eenigszins uitdagend aan en antwoordde bits:

—Ik hoop dat wij gedurende de lesuren, en ook op de zèldzaam mooie—hierbij drukte zij kolossaal op ieder woord!—wandelingen, het met elkander kunnen vinden. Ik heb vroeger weleens gedacht dat meisjes met hun gouvernantes vriendin konden wezen, doch mij is het niet mogelijk. Ik haat alle gouvernantes.

—Afgezien van uw meening—antwoordde Mademoiselle Rochefort—moet ik u allereerst verbieden mij op een dergelijken toon toe te spreken. Al ben ik hier gekomen om u te dienen met mijn kennis, daarom ben ik nog geen slaaf! Onthoud dat voor eens en voor altijd. Gij wilt geen vriendin in mij zien. Dat heeft uw papa mij daareven al gezegd. Ik ben dus uitsluitend je gouvernante! Goed. Maar dan hebt ge mij ook als zoodanig te gehoorzamen.

—Charlotte, Mademoiselle—zeide nu La Rougière—heeft, zooals ik u daareven al opmerkte, een te hoogen wil. Ik wil dien met u wat minder sterk maken. Het verheugt mij dat u dermate optreedt en twijfel er niet aan of het zal best gaan. Thans moeten wij weer tot ons gewone werk weerkeeren. Mag ik rekenen dat u hedenavond uw eerste muziekles geeft aan Charlotte?

—Muziekles?—Een moment blikte er een vuur uit Mademoiselle’s oog. Doch ziende dat dit La Rougière onaangenaam was, zeide zij veel kalmer:

—Met genoegen, Monsieur. Ik zal de eerste les geven, in uw bijzijn.

—Prachtig. Charlotte—vervolgde hij tegen zijn dochter—wijs Mademoiselle de kamers, welke de hare zijn. Deze hier is de zitkamer.

Geruischloos ging La Rougière weg en Charlotte noodigde haar nieuwe gouvernante uit haar te volgen.

Zwijgend gingen de twee vrouwen de duistere gangen door en kwamen aan Mademoiselle’s slaapkamer.

Toen deze de gordijnen weer had opengemaakt, en zij naar buiten blikte waar de zon zonk achter de grillige rotsen, zeide zij:

—Hier wil ik mijn zitkamer hebben.

—Dat wil papa niet.

—Ik zal ’t hem vragen.

—’t Helpt niet.

—Kindje, waarom zoo verbitterd?

—U behoeft nu zoo lief niet te doen. Ik word hier gesard, bespionneerd! O God! ’t is vreeselijk.

—Vertel mij dan wat je deert. Luister eens.

—Doe geen moeite. U hebt met Papa gesproken. Ik weet dit. U moet mij in toom houden. U moet mij drillen!

—Althans als ik wil—viel Mademoiselle in.

—U hebt het papa beloofd.

—Niet zooals gij dat bedoelt of denkt. [8]

—Ik vertrouw u toch niet.

—Dat vertrouwen komt nooit, als ge zoo blijft voortgaan. Ik zal probeeren het te winnen.

—Doe geen moeite.

—Gij zijt bitter. Als ge wat langer met mij omgaat zult ge wel zien dat ik geen rancunemaatregelen nemen zal over de manier waarop gij mij verwelkomde.

Peinzend stond Charlotte daar.

Het blanke, door zwarte lokken omgeven hoofd geleund tegen den middeleeuwschen schoorsteenmantel, was zij een penseel waardig en al Mademoiselle’s kunstgevoel kwam er door naar boven.

Wat moest er in dat hoofdje omgaan.

—Hoor!—zeide Charlotte—ik wil erkennen dat ik zeer onhebbelijk was toen ik kennis met u maakte, maar Papa zorgt er ook voor dat ik met niemand in aanraking kom. Ik kan voor Papa’s gouvernantes géén achting gevoelen, omdat zij medewerken aan een onhoudbaren toestand. Vergeet dat niet. Ik ben jong en van mijn tijd. Opgesloten ben ik. Opgesloten als dier-mensch. Ik wil niemand mijn vertrouwen schenken. Eens deed ik dit de vorige gouvernante, doch deze verraadde mij, laf genoeg, aan Papa! Met u zal ’t zelfde wel gebeuren.

—Ge vergist je, Charlotte.

—Geef me ’t bewijs!

—Welk?

—Dat ge Papa weerstaan durft.

—Waarin?

—Bijvoorbeeld in uw eisch hier uw zitkamer te willen hebben.

—Goed. Ik zal het doen.


In een der zalen van „Bartram-Haugh” stond een vleugel, en daarom werd deze zaal muziekzaal genoemd.

Karig, evenals al de andere vertrekken, was ook deze zaal gemeubileerd en ware het niet dat de vleugel een prachtstuk was geweest, de zaal had een erbarmelijken indruk gemaakt.

Het was hier dat Mademoiselle binnenkwam na een waarschuwing van den stommen huisknecht, die door middel van een leitje mededeelde dat Rougière en Charlotte wachtende waren.

Mademoiselle trad direct op La Rougière toe en vroeg:

—Monsieur, hebt u ook een bepaald uur, dagelijks, waarop wij elkander kunnen spreken?

—Waarom vraagt u dat?

—Omdat ik bijvoorbeeld nu iets te vragen heb.

—Ga uw gang.

—Zie, ik heb mijn kamers gezien en wenschte uw goedkeuring te vragen over een verandering, die ik maken wil.

—Een verandering?

—Ja. Mijn zitkamer moet slaapkamer worden en mijn slaapkamer moet zitkamer worden.

—Dat kàn niet.

—Waarom niet?

—Dat is tegen mijn wensch.

—Maar tegen mijn wil—antwoordde Mademoiselle.

—Toch kan het niet.

—’t Spijt mij, maar dan zullen wij doen alsof ik slechts dezen dag bij u op bezoek ben geweest.

—Hoe bedoelt u?

—Morgen vertrek ik.

—Best. Wanneer gaat u?—vroeg La Rougière.

—Zoo vroeg mogelijk. Als u die idiote poort opendoet en de brug neerlaat, wil ik thans nog wel gaan.

La Rougière fronste het voorhoofd.

’t Was dus meenens. De nieuwe gouvernante zou weggaan!

—Heden gaat niet meer—zeide La Rougière.—Morgen vroeg kunt u heengaan. U hebt gelukkig nog geen kennis opgedaan van de gewoonte hier en zult dus gemakkelijker scheiden dan wanneer u geruimen tijd hier waart geweest.

—Lang ben ik niet bij u geweest, maar toch lang voldoende om te begrijpen wat hier gebeurt,

—U zegt? [9]

—Dat ik maatregelen nemen zal.

Als geëlectriseerd sprong La Rougière op. Hij beheerschte zich evenwel op een meesterlijke manier en met een glimlach om de lippen zeide hij:

—Wij waren niet verstandig, Ik stelde u op proef en gij begreept mij niet. Uw wil is dus ernst? Dit wilde ik alleen maar beproeven., Anders niets. U kunt mijnentwege de kamers verwisselen.

Mademoiselle Rochefort zeide niets anders dan eenvoudig:

—Dank u vriendelijk.

Toen wendde Charlotte zich om. Haar oog bleef even gevestigd op haar gouvernante, doch zij bemerkte aanstonds dat haar vader glurend het tweetal vrouwen zat te bespionneeren.

Geen minuut viel Mademoiselle uit haar rol.

Zij gevoelde dat zij tegenover dien man een rol, een comedie spelen moest, want zij vermoedde iets raadselachtigs. Iets vreeselijks. En Charlotte was het middel misschien om achter die geheimen te komen.

Dat was evenwel van later zorg. Eerst geprobeerd het vertrouwen te winnen van Charlotte, misschien was deze ook wel zeer ongelukkig.


Charlotte speelde niet slecht, maar zonder begrip.

Met gestrengheid wees Mademoiselle Rochefort Charlotte op de fouten. En dit deed zij op zulk een manier, dat La Rougière in de meening verkeerde dat tusschen deze twee dames nog absoluut, geen vertrouwen bestond en dat, mits hij daar zèlf maar zorg voor droeg, dit ook nooit komen zou.

Het muziekuur liep ten einde en Charlotte keek al met smachtende blikken naar Mademoiselle, doch deze voelde voortdurend zich bespied, door La Rougière.

Zij kon dus onmogelijk iets zeggen of eenig teeken aan haar leerling geven.

—Het is mijne gewoonte—zeide Mademoiselle, toen de les geëindigd was,—dat ik altijd een stukje naspeel. Ik wil van die goede gewoonte niet afwijken.

Zonder antwoord af te wachten, ging zijn voor den vleugel zitten en na eenige accoorden te hebben aan geslagen, speelde zij een machtig stuk van Bach, dat door haar vòl gloed en temperament werd voorgedragen. Toen, ineens opende zij haar mond en het teedere lied:

Es ist bestimmt in Gottes Rath,

Das man vom Liebsten, was man hat, Muss scheiden.1

weerklonk, gezongen met haar zilveren sopraanstem.

Toen Mademoiselle hier was genaderd, sprong La Rougière op en riep zeer luid:

—Het is al een geweldige toegevendheid dat ik in mijn huis laat musiceeren, doch zingen verbied ik ten eenenmale voor goed. U hebt mijn toestemming afgeperst in zake de verwisseling van kamers, nu moet u mij beloven, dat eisch ik, dat u nooit zingen zult.

Mademoiselle, alsook Charlotte, waren geschrokken van dezen ruwen uitval.

Zij hief ’t hoofd op, zag met haar eigenaardig „lichtende” oogen hem strak aan en zeide op kalmen toon:

—Indien u ’t mij verbiedt … voilà! ’t Zal niet meer gebeuren. Doch u begrijpt wel dat ik mij steeds meer verbazen moet dat u zóó optreedt. Er is een spreekwoord dat zegt: „Booze menschen hebben geen liederen”… en ik beschouw u toch niet als een boos mensch!

La Rougière bromde iets met zijn krakende stem en zeide enkele minuten later:

—Daarover zullen wij nog wel eens spreken.

Het was inmiddels laat geworden en een gong kondigde met doffe slagen het uur aan waarop alles in volkomen rust moest gaan op „Bartram-Haugh”.

Ieder zocht de kamer op, welke tot slaapvertrek [10]moest dienen en een half uur later scheen alles in diepe rust.

Doch beneden in een kamer, die er uitzag als een schamele bibliotheek, zat La Rougière, gebogen over brieven, geschreven met wonderlijke teekens, en een wreede lach lag op zijn onaangenaam gelaat.


En boven?

Het was slechts een schijnrust, die er heerschte, want èn Charlotte èn Mademoiselle zaten, ieder in hun kamer, in spanning te wachten.

Geen woord hadden de beide vrouwen kunnen wisselen. En toch, zij waren beslist van plan, elkander dien avond of nacht nog te spreken.

Hun handdruk, die blikken hunner oogen, waren te welsprekend geweest.

Langzaam verliepen de minuten.

Eindeloos scheen de tijd te duren.

Niemand bemerkte hoe een donkere gedaante langs de trappen gleed en stil bleef staan voor de deur van Charlotte.

Toen werd een zacht kloppen gehoord.…

Van binnen, uit de kamer, klonk een gedruisch alsof iemand te bed lag en wakker geworden zich omkeerde.

Daarna verdween de gestalte weer naar beneden.…

Niet lang daarna werd Charlotte’s deur zeer langzaam en onhoorbaar geopend en kwam het schoone hoofd van Charlotte te voorschijn.

Voorzichtig, angstig luisterende, liep zij, na enkele minuten gewacht te hebben, de gang over en klopte aan de deur waar Mademoiselle was.

De deur werd geopend.

—Vlug, st.! zacht,… volg mij … Sluit uw deur goed!

Mademoiselle vroeg niet verder, doch handelde geheel naar het zoo zacht doch gebiedend uitgestooten bevel.

Snel liepen de beide gestalten naar Charlotte’s kamer, die door deze zorgvuldig, onhoorbaar, werd afgesloten.

Rillend, als had zij koude, noodigde zij Mademoiselle uit naast haar te komen zitten.

Doch waar?

Groote Goden, het geleek hier een armoedige hut, met niets dan één stoel, een houten tafel, een smal rustbed, met enkele dekens.

’t Was afschuwelijk.

Mademoiselle nam plaats op den rand van het bed en sloeg beschermend de armen om de bevende gestalte van Charlotte.

—Vertel maar, kindje! Ik vermoed iets vreeselijks. Vertrouw mij alsof ik uwe moeder ware.

—Mademoiselle, ik dank u. Ik heb mij bij onze kennismaking onhebbelijk gedragen. Wilt u mij vergeven?

—Gaarne. Doe nu alsof ge mij al jaren kendet. Ik ben uw vriendin.

—Hoe lang zal ’t duren?

—Waarom dat gevraagd?

—Omdat vader ’t niet wil!

—Waarom niet?

—Dat is een lange geschiedenis.

—Vertel ze mij.

—Indien u ’t weet zult ge misschien ook heengaan …

—Om het uw vader te zeggen?—viel Mademoiselle plotseling in.

—Neen, dat zult gij niet doen—antwoordde Charlotte—maar u zult niet hier willen, niet kunnen blijven.

—Is ’t zóó erg?

—Vreeselijk.

—Maar waarom dan toch?

—Luister! Schrik niet wanneer er straks aan de deur geklopt wordt. Dat is vader. Hij controleert mij elk uur van den nacht. ’t Zal u duidelijk worden waarom!

Mijn vader is, zooals reeds zijn naam uitwijst, een Franschman. Hij woont hier nu al gedurende bijna drie en twintig jaren. Voor dien tijd woonde hij in Parijs en was hij president van een geheim genootschap. Ik werd geboren in den tijd dat vader voor allerlei zaken, zooals ik later hoorde, politieke, naar Rusland ging. [11]Toen hij terugkwam van zijn reis was ik ter wereld gekomen, doch mijn lieve moeder was gestorven. Ik heb haar nooit gekend. Direct werd ik ter opvoeding gegeven aan een brave vrouw, die te Beaucamp, twee uren van Parijs af, woonde, en die tot aan haren dood toe mij uitmuntend heeft verzorgd.

Van vader, hoorde of zag ik nooit iets.

Ik wist hij was in het buitenland. Meer kwam ik nooit te weten. Mijn pleegmoeder schudde altijd het hoofd wanneer zij met mij op mijn voortdurend vragen, over hem spreken moest. Elke week kwam monsieur L’Eglai mij bezoeken, om namens mijn vader naar mij te komen informeeren. Alles was even geheimzinnig … alles even vreemd. Ik begreep er niets vanen pijnigde mijn hoofd gek.

Toen op een dag werd mijn pleegmoeder ziek en ik moest, toen L’Eglai weer kwam, met hem mede. Hij vervoerde mij naar Parijs, waar ik werd toevertrouwd aan een gouvernante, Mademoiselle Megg’.

Deze ging met mij naar hier.

Het was voor mij zeer vreemd dat tijdens de reis ook de geheimzinnigheid bij bleef.

Bijvoorbeeld, reeds in Parijs begon het. Een vreemde dame trad op ons toe, en overhandigde ons de reisbiljetten. Mademoiselle Megg’ scheen alles te begrijpen, doch gaf mij, zelfs niet na herhaald aandringen, niet de minste verklaring.

In Calais ’t zelfde. Een mijnheer zorgde voor de bagage, en bracht ons op de boot. Daarna vertrok hij weer. In Dover weer een heer die onze belangen behartigde, en die ons aan den trein naar Londen bracht.

Ook in Londen hetzelfde. Er was daar een gesloten auto, en ik werd naar hier vervoerd naar mijn vader, dien ik nooit gezien had en dus niet kende.

Ik had den vreemden man—zoo noemde ik hem bij mezelf—niet lief. Ik kon dit niet, ook al omdat de eerste begroeting koud en vormelijk was.

Dit werd nog erger toen ik de behandeling van een gevangene kreeg en ik mijn jonge idealen zag verwoest door den man die beweerde dat ik een trouwe helpster moest wezen van hem.

Ik ben geen kind meer. En al was ik niet zoo geleerd als de meisjes van mijn leeftijd die scholen bezocht hebben, toch wist ik voldoende.

Met „stoom en vliegwerk” moest ik Russisch, Poolsch, Noorsch, Engelsch en nog andere talen leeren.

Ik werd doodmoe, want het was te veel.

Vader werd heftig als ik niet deed, wat ik volgens hem noodig had om hem goed te kunnen helpen.

Het werd een scène.

Toen op een dag werd ik bij vader geroepen en deelde hij mij het volgende mede: Hij was uit Frankrijk gegaan omdat hij gezocht werd door de gerechtsdienaren, want—bijna fluisterend zeide Charlotte het—hij was voorzitter van een genootschap moordenaars, onder den naam van …

—Nihilisten!—riep Mademoiselle Rochefort.

—Stil! niet zoo luid!

Even wachtte Charlotte, en vertelde toen weer toonloos verder:

—U zeide het goede woord. Het zou te veel tijd in beslag nemen u alle details te vertellen. Dit is zeker … Vader … heeft … tal … van … moorden … op … zijn … geweten …


Even was er doodsche stilte in de kamer. Toen vervolgde zij weer:

—Ik gruwde er van en vroeg of hij—vader—nog meer deed aan dit gruwzame werk, waarop hij antwoordde dat het zijn gansche leven beheerschte. Hij zou met behulp van anderen alle gekroonde hoofden, alle regeeringspersonen, doodden. Daartoe moest ik leeren, want ook ik zou een werktuig moeten worden. Ik weigerde. Ik maakte tumult, doch van dien dag af werd mijn leven nog ondragelijker. Mademoiselle Megg’, die een dankbare trawant was van vader, is thans op weg naar een land—waar weet ik niet—doch met het doel bommen te gooien naar koninklijke personen.

—Afschuwelijk,—zeide Mademoiselle Rochefort. [12]

—Dit heb ik ook gezegd. Vader meende dat ik dit niet wist. Hij geeft voordat ik ruzie had met Mademoiselle Megg’ doch hoofdzakelijk is dat gekomen door dit feit. Toen ik u voor ’t eerst zag, dacht ik dat u ook tot die geheime vereeniging behoorde, maar doordat u vader zóó durfde weerstaan bracht u mij tot andere gedachten. Ik weet—zoo besloot zij—niet of u met uw vertrouwelijken omgang iets goeds bedoelt. Verraad mij! Misschien doodt hij mij dan. Ik wil, ik kan niet anders.

—Wij zullen samen vluchten!

Een zacht rood van blijdschap toog over Charlotte’s gelaat.

—Wanneer?

—Dat zullen wij samen beramen.

—We zullen niet kunnen.

—Nooit den moed opgeven. Zoo donker kan de wolk niet wezen, of toch heeft zij een zilveren rand. Vrouwen kunnen soms zeer vernuftig wezen. We zullen samen probeeren die middelen te vinden welke noodig zijn tot een vlucht. Doet nu precies tegenover uw vader alsof gij mij haat. Belaster mij. Spreek kwaad. Dan houdt uw vader mij zeker.

—Moet ik dus comedie spelen?

—Onvoorwaardelijk.

—Als ik maar kan.

—’t Moet.

—Ik ben zoo dankbaar u te hebben.

—Laat dit een reden te meer zijn dat u mij helpt. Uw vader is slim. Wij moeten slimmer zijn.

—Wat kunnen wij, vrouwen?

—Zeer veel!

—Als wij in staat zijn te vluchten, dan zijn daarbuiten helpers van mijn vader die ons zullen treffen.

—Dan nemen wij ook helpers.

—Wie zou ons helpen?

—Dat zullen wij zien.

—Ik geloof niet meer aan deze dingen. Ik heb gesmeekt, doch niets hielp mij.

—Laat alles aan mij over. Steun mij met te doen zooals ik zeg en blijf hopen. Dit is noodig. Wie gelooft in succes, heeft dit eenmaal zeker.


Tweemalen had Mademoiselle Rochefort het geheimzinnige tikken op de deur gehoord … tweemalen had Charlotte zich gehouden alsof zij reeds ter ruste was, en steeds was het de gouvernante duidelijker geworden welk een treurspel hier gespeeld werd. Daar moest zij een einde aan maken voor goed. ’t Was noodig.

En nog eenmaal drukte zij het Charlotte op ’t hart, deze geheimzinnigheden te bestrijden met geheimen.

Met een hartelijken kus scheidden de beide vrouwen, die een verbond hadden gesloten.

Mademoiselle ging naar hare kamers en wentelde zich nog geruimen tijd op haar zijde omdat zij, ’t hoofd vol plannen, den slaap niet vatten kon. [13]


1

Het is besloten in God’s Raad,

Dat men van ’t Liefste, dat men heeft, Moet scheiden.