Lord Aberdeen liep snel de Lombard Street af, sloeg een hoek om, liep op een groote, diepblauw gelakte auto toe, en zeide tot den reusachtigen chauffeur die achter het stuurwiel zat:
„Snel naar huis, Henderson. Mijnheer Brand zal niet weten waar wij blijven.”
De auto zette zich in beweging en Lord Aberdeen liet zich in de kussens vallen.
Een vreemde glimlach deed zijn lippen een oogenblik krullen.
„Hoe sloofde die goede Lee zich uit, om mij van dienst te zijn!” mompelde hij voor zich heen. „Zou hij wel hetzelfde gedaan hebben als hij maar een oogenblik had kunnen vermoeden dat achter Lord Aberdeen zich de langgezochte John Raffles verborg?”
De groote onbekende liet een kort lachje hooren. „Natuurlijk zou hij dadelijk naar de politie zijn geloopen, als hij ook maar een seconde had kunnen vermoeden, wie ik werkelijk ben.”
Maar spoedig gingen de gedachten van John Raffles weder naar heel andere zaken, naar het eigenaardige handschrift, dat zich op dit oogenblik in zijn binnenzak bevond.
Hij was een doorkneed kenner van dergelijke oude manuscripten en hij had spoedig ontdekt dat er aan de echtheid van het Latijnsche handschrift in het geheel niet te twijfelen viel.
Trouwens, een chemisch onderzoek van de inkt zou spoedig iedere mogelijke vervalsching aan het licht brengen, indien deze inderdaad gepleegd was.
Maar dat verwachtte Raffles geen oogenblik.
Het handschrift was opgesteld in het Latijn, zooals het in het Romeinsche rijk en daar buiten voor de geboorte van Christus, en nog geruimen tijd daarna als schrijftaal gebezigd werd, en dat tamelijk sterk afweek van het moderne Latijn, zooals het onderwezen wordt op de Universiteiten.
Het perkament, hetwelk de monnik had gebruikt, was ongetwijfeld verscheidene eeuwen oud en van een schier onverwoestbare hoedanigheid.
Neen, aan de echtheid van het handschrift mocht geen oogenblik getwijfeld worden!
De Duitsche monnik had het overgeschreven van een Romeinschen Papyrus, maar het zou waarschijnlijk vruchtelooze moeite zijn, nasporingen naar dat origineel te doen, want dat zou wel tot stof zijn vergaan, ook al was het een feit dat er in het Britsche Museum nog altijd eenige Papyrus-rollen te zien waren, die dateerden uit het regeeringstijdperk van Tiberius!
Lee had verzekerd, dat dit alles bedrog, fantasie, onzin moest zijn, en het gezond verstand zeide Raffles, dat de man gelijk moest hebben, dat die ontzaglijke opeenhooping van schatten in het binnenland van Afrika op zich zelf reeds onwaarschijnlijk was, en dat het toch in ieder geval moeilijk verklaarbaar was, dat men naderhand nooit meer van deze [6]ongehoorde rijkdommen zou hebben gehoord, rijkdommen, die, wanneer zij naar de huidige geldswaarde berekend moesten worden, zeker duizenden Milliarden pond Sterling zouden vertegenwoordigen, ruimschoots voldoende om alle oorlogsschulden van alle landen ter wereld te samen eenige honderden malen te delgen!
Was zoo iets mogelijk?
Was iets dergelijks bestaanbaar?
De logica verzet er zich tegen, maar John Raffles was een man die aan de gangbare logica een hekel had, en voor wie fantasie een levensbehoefte was.
Maar dan die voorwereldlijke monsters, dieren uit het Steentijdperk, welke men reeds honderdduizenden jaren uitgestorven waande, de monsterachtige hagedissen met hun geweldige vinnen en meterlange halzen, de vliegende draken, zoo ontzaglijk groot, dat zij Mammouths durfden aanvallen, die op zich zelve al twee maal zoo groot waren als onze hedendaagsche olifanten, kon het zijn, dat dergelijke dieren twintig eeuwen geleden nog bestonden? Zouden er wellicht overblijfselen van te vinden zijn?
Over dit alles dacht Raffles nog na, toen de auto stil hield voor een fraai huis in de Regent Street.
Raffles stapte uit, en ging den kleinen voortuin door.
Hij stak den huissleutel in het deurslot, en trad de vestibule binnen, waar hem zijn overgoed werd afgenomen, door Gaston, zijn grijzen kamerbediende.
„Is mijnheer Brand thuis Gaston?” vroeg Raffles.
„Mijnheer de secretaris is zooeven van een wandelrit teruggekeerd, Mylord,” antwoordde Gaston. „Hij bevindt zich thans in de blauwe kamer, als ik mij niet vergis.”
Met dezen naam werd een klein vertrek aangeduid, dat zich naast de bibliotheekzaal bevond, en waar Raffles een fraaie collectie blauw Chineesch porselein en Delftsche pullen had ondergebracht.
Hij richtte zijne schreden naar deze kamer en trof er inderdaad Charly Brand aan, zijn trouwen vriend, die bezig was, uit een houten kist eenige kostbare vazen te pakken.
Hij wendde zich naar de deur, en stak Raffles opgewekt de hand toe.
„Iets bijzonders ontdekt?” vroeg hij. „Je ziet er zoo opgewekt, hoe zal ik het zeggen, zoo eigenaardig uit!”
„Ik geloof, dat ik een goede vondst heb gedaan, Charly!” antwoordde Raffles, terwijl hij het manuscript van zijn omhulsel ontdeed.
„Je kent immers Latijn?” vroeg hij.
„Ja, ik heb mij het onderwijs in die oude taal moeten laten aanleunen!” antwoordde Charly lachend. „Denk echter niet, dat ik er spijt van heb; iemand met kennis van Latijn kan genieten van veel dingen, waarvan degenen die de taal van Virgilius niet machtig zijn, zich moeten spenen!”
„Lees dan eens met aandacht het oude handschrift, hetwelk ik zooeven voor honderd pond heb verworven!”
„Honderd pond!” riep Charly verschrikt uit. „Heb je dat voor een boek uitgegeven?”
„Vind je het te veel, mijn jongen?” vroeg Raffles glimlachend. „Is de bodem van onze geldkist te zien? Geef ik te veel geld uit?”
„Dat weet je wel beter! Wij hebben pas kort geleden een grooten slag geslagen, die je ruim een Millioen dollar heeft opgeleverd, waarvan je trouwens al tienduizend pond sterling hebt weggeschonken!”
„Wegschenken is eigenlijk niet de juiste term,” hernam Raffles ernstig, „ik noem het geen schenken als men een schreeuwend onrecht, door de geheele maatschappij gepleegd, door middel van geld weder goedmaakt. Maar lees nu dat ding eens, ik geef je een uur den tijd, het zijn maar twee en dertig bladzijden, en het schrift is tamelijk groot! En kom mij dan eens zeggen, wat je er van denkt!”
„Waar kan ik je vinden?”
„In de geheime werkplaats!”
Raffles knikte Charly toe, verliet de kamer, daalde de breede trap af, en stak de vestibule over, waarna hij een gang volgde, aan welks einde zich de tuindeur bevond.
Hij ging door den lommerrijken tuin naar een hoog soort paviljoen, dat aan alle kanten door een hoog geboomte omringd was. In het grootste vertrek van dit tuinhuis bevond zich, achter den schoorsteen, de geheime ingang naar de ondergrondsche werkplaats, waar Raffles menigmaal vertoefde, als hij bezig was aan een of ander nieuwe uitvinding op het gebied der chemie of der werktuigkunde.
Door op een krul in de lijst van een spiegel te drukken, die boven den schoorsteen hing, kon Raffles deze eenige decimeters ter zijde laten schuiven.
Zoodra hij door de opening was gegaan, en zich in de zeer smalle gang bevond, die zich achter den [7]kamermuur uitstrekte, schoof de schoorsteen weder op zijn plaats.
Raffles liep de gang ten einde, die eigenlijk niets anders was dan de ruimte tusschen den muur van het paviljoen en een loozen binnenmuur, en daalde een ijzeren trap af, die naar de geheime werkplaats voerde. Eenige jaren geleden had Raffles door een toeval, toen er in de onmiddellijke buurt van zijn huis opgravingen werden gedaan met het oog op den aanleg van een nieuwen tak van den ondergrondschen spoorweg, de ontdekking gedaan dat er zich daar ter plaatse een groot onderaardsch hol bevond, hetwelk zich voor een deel onder den tuin van zijn huis uitstrekte, en dat waarschijnlijk vroeger de geweldige kelderruimte was geweest van het klooster, waarvan men nog een klein overblijfsel in een der oude zijstraten van de Regent Street kon vinden.
Hij had deze kelderruimte met de hulp van Henderson en Charly nog eenigszins vergroot, een betonnen wand opgetrokken om zijn werkplaats af te scheiden van de rest van het hol, en de werkplaats vervolgens voorzien van alle moderne machinerieën, welke hij noodig kon hebben, een draaibank voor metaal- en houtbewerking, die door een kleine electromotor in beweging werd gebracht, een fraisbank, een boor- en een schaafmachine, een lintzaagmachine en nog eenige andere werktuigen.
Geheel van deze werkplaats afgescheiden was het chemische laboratorium, waar Raffles proeven nam, welke de verbazing van Charly, en weinig minder dan de ontzetting van Henderson verwekten.
Hier, in dit onderaardsche laboratorium, had Raffles ontdekkingen gedaan die hem van ontzaglijk groot nut waren geweest bij zijn gevaarvolle ondernemingen. Hier ook had hij den wonderbaarlijken electrischen motor uitgevonden en samengesteld, die zijn vliegmachine in beweging bracht, en daaraan de bijna ongehoorde snelheid van ruim vijfhonderd kilometer per uur verleende.
Zoodra hij de stalen deur geopend had, welke de ijzeren trap van de werkplaats scheidde, ontdeed hij zich van zijn jas, en schoot een linnen werkkiel aan.
Hij begaf zich vervolgens naar zijn werkbank, waar het model van een eigenaardige machine stond.
Hij bekeek het een oogenblik, met de vuisten in de zijde gesteund, en mompelde:
„Het model heeft gisteren voortreffelijk gewerkt, nu is het slechts de vraag, of het toestel op ware grootte dit ook zal doen!”
Hij trok een vel papier naar zich toe, met teekeningen bedekt, en begon deze ijverig te bestudeeren.
Nu en dan veranderde hij nog iets aan de teekeningen, en wierp van tijd tot tijd een blik op het sierlijke model, waarvan het koper glansde in het licht van de sterke electrische lampen, welke deze ondergrondsche werkplaats moesten verlichten.
Er was nog geen half uur verloopen, toen de stalen deur weder openging, en Charly binnentrad.
Hij had het Latijnsche manuscript in de hand, en op zijn jong gelaat lag een uitdrukking van verwondering.
„Wel,” zoo begroette Raffles hem, terwijl hij op een der gemakkelijke stoelen plaats nam, die hier en daar waren neder gezet, „wat zeg je wel van mijn ontdekking?”
„Als manuscript is dit ding hoogst merkwaardig,” antwoordde Charly. „Een andere waarde is er natuurlijk niet aan te hechten!”
„Hoe zoo?” vroeg Raffles langs zijn neus weg.
„Hoezoo!” herhaalde Charly verbaasd. „Wel, wat hier beschreven staat is toch immers reine onmogelijkheid!”
„Zoo iets zeide mijn vriend Lee ook!” kwam Raffles bedaard.
„Nu, dan ben ik het volkomen met Lee eens!” riep Charly uit. „Ik geloof geen syllabe van dien schat, en nog veel minder van die vóórwereldlijke monsters, welke die Romeinsche krijger daar in Afrika zou hebben gezien! Als dat werkelijk zoo was, zou hij er denkelijk niet veel van hebben na verteld!”
„Je acht dus al de vóórwereldlijke dieren wel zeer gevaarlijk? Laat ik je dan zeggen, dat er vele bij waren, die volkomen onschadelijk waren, daar zij tot het geslacht der herbivoren of planteneters behoorden hoe groot zij ook waren!”
„Maar er waren ook carnivoren of vleesch etende dieren onder, Edward! En die bereikten soms een lengte van tachtig voet!”
„Daarvan spreekt Otavius Numilus niet, die het eerst het handschrift samenstelde, waarmede ik niet zou willen zeggen, dat hij ze niet kon hebben gezien!”
Charly liet zich op zijn beurt in een stoel vallen en keek Raffles strak aan.
„Dat kun je toch niet meenen?” vroeg hij eindelijk. [8]„Dergelijke dieren zijn er toch reeds sedert eeuwen niet meer!”
„In Europa zeker niet, evenmin als in Amerika, en alle andere, tot in de uiterste hoeken, doorvorschte werelddeelen!” antwoordde Raffles bedaard. „Maar Afrika is nog lang niet geheel doorvorscht! Wij mogen gerust zeggen, dat wij van dat geheimzinnige land niet meer dan een derde deel goed kennen, en dan vergis ik mij zeker in het voordeel der ontdekkingsreizigers!”
„Dat geef ik toe, maar van daar tot de meening, dat er in die nog niet door den voet van Europeanen betreden gedeelten, dergelijke monsters nog geen tweeduizend jaar geleden te vinden waren, is nog een heele stap!”
„Tweeduizend jaar geleden, en thans, Charly!” kwam Raffles steeds even bedaard.
„Wat wil je zeggen?” riep Charly verward. „Je zoudt toch niet durven volhouden, dat er ook nu nog dergelijke monsters in het duisterste gedeelte van Afrika te vinden zijn?”
„Ik zou het althans niet gaarne ontkennen!”
„Maar Edward!” riep Charly ten hoogste verbaasd uit, „neem mij niet kwalijk, maar dat is immers waanzin!”
„Waarom? Hebben wij ons daarvan dan kunnen overtuigen?”
„Dat zeker niet, maar mij dunkt toch, dat het onmogelijk is, dat wij van het bestaan van die dieren niets zouden hebben gehoord!”
„Wij vernamen evenmin iets van de menschelijke bewoners uit de streken!” hernam Raffles kalm.
„Dus er zouden duizenden jaren zijn voorbij gegaan zonder dat wij iets uit dat gedeelte van Afrika zouden hebben vernomen, terwijl die Romein, Otavius Numilus, die dieren niettemin zou hebben gezien?”
„Dat komt mij volstrekt niet onmogelijk voor, Charly! De Romeinen zijn niet altijd in Afrika gebleven, en toen zij er verdreven werden, zal tevens de herinnering aan wat die Romein daar zag, verzwakt zijn. Het is trouwens zeer wel mogelijk, dat de tijdgenooten van Numilus er evenmin aan geloofden als jij op dit oogenblik.”
„Dat kun je mij niet kwalijk nemen Edward, ik zal er ook nooit aan gelooven, tenzij ik mij met eigen oogen zou kunnen overtuigen, dat die Romein niet gelogen of gefantaseerd heeft!”
„Aan dat verlangen kan voldaan worden, Charly, want wij vertrekken over vijf dagen naar die plek!”
Charly gaf een luiden schreeuw van verbazing, en staarde Raffles geruimen tijd zwijgend aan.
Toen barstte hij uit:
„Je praat toch zeker niet in ernst?”
„In vollen ernst! Ik wil mij persoonlijk gaan overtuigen of die soldaat van Julius Ceasar zich niet heeft vergist!”
„Maar hij heeft zich natuurlijk vergist!” riep Charly bijna wanhopig uit. „De legers van Julius Ceasar, die in het jaar 48 voor Christus de troepen van zijn voormaligen bondgenoot Pompejus bij Pharsalus versloegen en twee jaren later nogmaals bij Thapsus, zijn nimmer ver genoeg in het binnenland van Afrika doorgedrongen om de bronnen van het Niassameer te hebben kunnen bereiken.”
„Natuurlijk niet de geheele legermacht, maar misschien wel kleine groepjes, die zich hadden afgescheiden, en die alle gevaren hebben getrotseerd, gedreven door hun zucht naar avonturen.”
„En die lieden zouden weder ongedeerd zijn teruggekeerd?” riep Charly ongeloovig uit.
„Misschien zijn er twee of drie honderd gegaan, en is Numilus de eenige geweest, die er het levend afbracht,” ging Raffles onverstoorbaar voort.
„Maar die literaire soldaat moet een Charlatan geweest zijn, Edward, een voorlooper van Baron van Münchhausen, een gek!”
„Dat is mogelijk, maar het is niet volkomen zeker, en daarom zullen wij er een onderzoek naar instellen!”
„Je bent dus vastbesloten?”
„Ja Charly!”
Weder heerschte er stilzwijgen in de werkplaats, slechts verbroken door het gonzen van den kleinen electromotor.
Toen hernam Charly op ernstigen toon:
„Ik ken je nu lang genoeg, om te weten, dat je een eenmaal opgevat plan nooit meer prijs geeft, je wilt een avontuur ondernemen, dat je het leven kan kosten, want nog nimmer is een ontdekkingsreiziger teruggekeerd uit de binnenlanden van Afrika, tenminste niet uit de streken welke wij willen bezoeken! Livingstone heeft Angola en Mozambique bezocht, Spake en Grand hebben van Zanzibar uit Egypte bereikt, over het Victoriameer, Stanley heeft de Kongo doorvorscht, en talrijke Duitsche, Engelsche, en Fransche ontdekkingsreizigers hebben [9]nog pas een jaar of tien geleden verschillende gebieden van Afrika onderzocht, maar niemand drong nog door tot de geheimzinnige streken, welke je wilt bezoeken!”
„Je vergist je, Charly, Otavius Numilus is er geweest,” hernam Raffles, terwijl hij Charly met een strakken blik aankeek.
De jonge man maakte een moedeloos gebaar en sprak:
„Ik zie wel dat niets je kan weerhouden! Natuurlijk gaan Henderson en ik met je mede, daarover wordt in het geheel niet gesproken.”
„Daar had ik ook al half en half op gerekend, Charly!” hernam Raffles bedaard. „Drie vastberaden, moedige mannen kunnen heel wat doorstaan, en wij hebben een vervoermiddel tot onze beschikking, waardoor het ons mogelijk zal zijn, door te dringen tot plaatsen waar nog geen enkele blanke den voet heeft gezet. Van Zanzibar uit, kunnen wij bijvoorbeeld het noordelijkste punt van het Niassameer binnen iets meer dan een uur tijds bereiken. Je zult zelf wel begrijpen wat dat zeggen wil. In een uur tijds kunnen wij een afstand afleggen, waarover Stanley maanden heeft gedaan!”
„Dat erken ik, maar van dat punt uit, komen wij in geheel onbekende streken! Het vervoermiddel waarvan je spreekt, je wonderbaarlijke vliegmachine, kan door een of ander ongeval gedwongen zijn om te dalen, en dat beteekent de bijna onvermijdelijke ondergang!”
„Wij zullen met de vliegmachine zoo ver mogelijk reizen, haar dan achterlaten bij een vriendschappelijken stam, en van daar te voet onzen tocht voortzetten! En nu voorloopig genoeg hier over gepraat, Charly! Wij vertrekken over vijf dagen!”