[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

De geheimen van Afrika.

Volgens zijn aanwijzing werd Raffles reeds om tien uur wederom gewekt, toen de Duivel der Lucht boven Foro zweefde, een stadje in het district Dar-Randa.

En hier besloot Raffles te landen, alleen maar om zijnen reisgezellen en zichzelven de gelegenheid te geven, hunne ledematen een weinig uit te strekken, die door het langdurige zitten in een vrij beperkte ruimte tamelijk stijf geworden waren.

Men bevond zich hier in een streek, waar een kalme, rustige bevolking woonde, Boschnegers, die zich voornamelijk bezighielden met den landbouw en een zekeren trap van beschaving hadden bereikt.

Charly, die op dit oogenblik aan het stuurrad zat, liet dus de machine tot op een hoogte van tweehonderd meter dalen, zocht even naar een goed landingsterrein, en streek toen neder in de buurt van een boschje dadelpalmen, waar zich een aantal goed gebouwde hutten bevond.

Onder luid gekrijsch stoven eenige vrouwen en kinderen weg, die het monster hadden zien dalen, en nog nimmer zulk een reusachtigen vogel hadden aanschouwd.

En hun schrik werd niet minder toen zij uit dien vogel drie levende wezens zagen stappen, die met snelle passen op en neder begonnen te loopen.

Van de omringende akkers kwamen eenige mannen toesnellen, bijna geheel naakt, met een schaamschort van pisangbladen om, en een soort kapmes in de hand waarmede zij den grond bewerkten.

Hun huidskleur was bijna volmaakt zwart, hun haar was kroesig, en door de breede neuzen droegen zij allen een stukje ivoor, terwijl de oorlellen aanzienlijk waren uitgerekt door de zwaren koperen ringen welke zij daarin droegen.

Zij schenen reeds vaker blanken te hebben gezien, want zij legden geen vrees aan den dag, hoewel zij op een eerbiedigen afstand van de vliegmachine bleven.

Raffles en zijn metgezellen naderden hen met vriendelijke en geruststellende gebaren, en maakte de beweging van drinken.

Aanstonds kwamen een paar mannen toeloopen met houten nappen, gevuld met melk van den kokosnoot.

Zij schenen zeer nieuwsgierig te zijn, en betastten onder luid gesnater en onder het uitstooten van de vreemdste keelgeluiden, de kleederen en de wapens der drie luchtreizigers.

Toen wezen zij op de vliegmachine, en schenen iets te vragen.

Raffles maakte de beweging van vliegen en de Boschnegers lieten kreten van verbazing hooren.

De drie reizigers vertoefden omstreeks een half uur bij de goedhartige inboorlingen, en lieten een hoeveelheid bontgekleurde kralen en een paar goedkoope bazarmessen bij hen achter, waarvan zij zich rijkelijk voorzien hadden, en die door de Boschnegers met uitbundige blijdschap en onder kreten van vreugde werden aanvaard.

Vervolgens namen zij weder plaats in hun zweeftuig en toen dit weder opsteeg, nadat de schroef het woestijnzand honderden meters had voortgezweept, wierpen de inboorlingen zich allen plat ter aarde en schenen een of andere Godheid aan te roepen, zoo zeer had dit wonder hen aangegrepen.

Raffles, die de machine bestuurde, bracht haar dadelijk weder op een groote hoogte, en de tocht werd voortgezet!

Nog vijf en twintig honderd kilometer scheidden de reizigers van Maranda.

Een kwartier na de opstijging vloog de „Duivel der Lucht” over de Kuta, welke slechts voor een deel, het dichtst nabij de bron, is doorvorscht, en vervolgens over de Uelle, eveneens een stroom, waarvan nog slechts een zeer gering gedeelte volkomen bekend is.

De drie reizigers bevonden zich nu boven het gebied van de Kongo, en hadden aldus de streken bereikt, [18]die door alle eeuwen heen het meest de belangstelling hebben getrokken van alle ontdekkingsreizigers, en waar zich dan ook nog slechts weinig plekken bevonden, die nog niet grondig doorzocht zijn alleen, maar waar zich ook duizenden Europeanen hebben gevestigd, die er een levendigen handel drijven met de inboorlingen.

Om twee uur in den middag vloog de vliegmachine over de Loika, een der zijrivieren van den machtigen Kongo-Stroom, en nog weder een half uur later bevond zij zich juist boven de verrukkelijk schoone stroomversnellingen, waaraan de naam van den grooten Stanley gegeven is.

Zij volgden nu over een geruimen afstand den Kongo, die op deze plaats haar gele wateren voortstuwt tusschen een dubbele rij van hooge bergen.

Hierdoor ook worden de stroomversnellingen en watervallen veroorzaakt, welke zoo talrijk zijn op dit gedeelte van den loop der machtige rivier, en waarvan de Stanley-vallen, de Uhassa-vallen en de Wester-vallen de voornaamste zijn. Als een panorama van verrukkelijke schoonheid trok het Afrikaansche land onder de vliegmachine voorbij, en de drie reizigers werden niet moede, dit overheerlijke tafreel in zich op te nemen.

Schier eindeloos strekten de oerwouden zich uit, afgewisseld door sappige weiden en hooge bergen of door diepblauwe meren, ware binnenzeeën.

Nu kwam de vliegmachine boven het gebied, waar zich een vrij groot aantal aanzienlijke steden bevonden, zooals Njangwo en Kasong, dicht bij den oorsprong van den Kongo gelegen.

Raffles had de machine hier weder tot op groote hoogte laten stijgen, daar hij er voorloopig minder op gesteld was, de aandacht te trekken.

En eindelijk, omstreeks kwart over vijven in den middag, nadat de vliegmachine over het Lokings-Gebergte was gevlogen, naderden de reizigers het voorloopig doel van hun tocht, de stad Maranda doemde aan den gezichteinder op.

Raffles wist, dat hij hier slechts weinige Europeanen zou vinden.

Dit gebied was nog niet door de blanken verdeeld, en de Matabelen, de oorspronkelijken bewoners van dit land, heerschten er nog onbeperkt.

De blanken die er zich bevonden, moesten stoutmoedige mannen zijn, want dagelijks stonden zij aan de grootste gevaren bloot, die hun van mensch, dier en klimaat dreigden.

Het mocht zelfs de vraag heeten, of thans, nadat de oorlog den toestand ook in Afrika zoo volkomen gewijzigd had, nog wel Europeanen te vinden zouden zijn.

Toch aarzelden Raffles en zijn beide metgezellen niet, hier te dalen.

Zij moesten hier noodzakelijk inlichtingen inwinnen, want slechts weinige mijlen verder zouden zij reeds een gebied bereiken, waar nog nimmer een blanke den voet had gezet.

Daar begon dat Afrika, dat nog geheel en al onbekend was, en met recht „duister” mocht worden genoemd.

Wat er achter dien ring van bergen lag, welke de horizont scheen af te sluiten, niemand kon het zeggen!

En hier zou de Romeinsche soldaat, de krijger van het legioen van Julius Caesar, Otavius Numilus met enkele zijner makkers zijn doorgedrongen!

Hij zou de geheimen doorvorscht hebben van die onbekende streken!

Er liep een huivering over den rug van Charly, als hij daaraan dacht. Nog kon hij niet gelooven, dat dit alles op waarheid berustte, en toch, evenmin vermocht hij zich te onttrekken aan den geheimzinnigen indruk, dien het landschap eensklaps op hem scheen te maken.

Raffles had de vliegmachine op een hoogte van honderd meter doen dalen, en zocht nu naar een goede plek om te landen.

De reizigers waren hier op ternauwernood vijftien minuten gaans van het stadje, en de inboorlingen zouden hen ongetwijfeld reeds lang gezien hebben.

Niet zoodra hadden de wielen van den „Duivel der Lucht” dan ook de aarde geraakt, of van alle kanten kwamen de Matabelen aansnellen, een weinig minder zwart dan de Boschjesmannen, en meer bekleed, met vellen van tijgers of boschkatten.

Zij hadden zich zeker in allerijl gewapend, want in de linkerhand droegen zij een ovalen schild, van taai hout vervaardigd, en bespannen met buffelvel, terwijl de rechtervuist pijl en boog, of een scherp gepunte assagaai of werpspies omklemd hield.

Het kroesige haar was op een zonderlinge wijze in een soort wrong gedraaid, en rijkelijk met vet besmeerd.

Zij durfden echter de vliegmachine slechts uit de verte te beschouwen, en bleven op een afstand van ongeveer vijftig meter, vreemde kreten uitstootend, [19]en nu en dan met hun wapens zwaaiend, maar niettemin blijkbaar niet met vijandelijke gevoelens tegenover de vreemdelingen bezield.

Raffles was achter het stuurwiel blijven zitten, met de hand aan den hefboom die de schroef weder in beweging zou brengen, voor het geval er soms gevaar mocht dreigen.

Maar toen de inboorlingen klaarblijkelijk alleen maar zeer nieuwsgierig waren, klommen de drie mannen uit de machine, in welker onmiddellijke nabijheid zij echter bleven.

Zij maakten uitnoodigende gebaren, en tenslotte verstoutten zich eenige inboorlingen, langzaam naderbij te komen.

Naar allen schijn kenden zij het gebruik en de aanwending van vuurwapens, en daar zij de geweren in de handen der vreemdelingen zagen, begrepen zij, dat hun primitieve wapens hier toch geen uitwerking zouden hebben. Eindelijk stonden zwarten en blanken tegenover elkander.

Raffles wierp zijn geweer op den grond, ten teeken, dat hij met vriendschappelijke gevoelens bezield was, en dadelijk volgden de inboorlingen zijn voorbeeld, onder het uitstooten van vreemde kreten, die zeker hun blijdschap en vertrouwen in de blanken te kennen moesten geven.

Raffles trad een paar schreden naar voren, en legde zijn hand met een vriendelijk gebaar op den schouder van een der Matabelen, die een hoofdman scheen te zijn, te oordeelen naar de versierselen, waarmede hij behangen was. Tot zijn verwondering zeide de inboorling in gebroken Duitsch:

„Groote vogel welkom! Iwanda vriend van vreemdelingen!”

Raffles begreep dadelijk, dat deze lieden veel in aanraking geweest moesten zijn met de Duitschers, voor de strijd in een ander deel van Afrika hen ook hier verdreef.

Hij bediende zich van dezelfde taal, toen hij antwoordde:

„De vreemdelingen zijn ook uwe vrienden, Iwanda! Zij komen u geschenken brengen, en hopen dat de goden van uw stam welgevallig op u mogen nederzien.”

En op een wenk van Raffles haalden Charly en Henderson kralen, messen en eenige bontgekleurde lappen uit de vliegmachine, welke hij begon te verdeelen onder de Matabelen, die van blijdschap begonnen te dansen.

Raffles besloot, deze gunstige stemming aanstonds te benutten, om zijn plannen te verwezenlijken en inlichtingen te vragen aan deze primitieve lieden, die dolblij waren met een handvol kralen.

Hij trad weder op Iwanda toe, en zeide, terwijl hij hem doordringend aanzag:

„Wil mijn vriend Iwanda een dienst bewijzen aan den blanken vreemdeling, die met zijn grooten vogel is komen aanvliegen?”

Het opperhoofd knikte eenige malen snel met het hoofd, en zeide:

„De vreemdeling spreke, Iwanda zal hem gaarne zeggen wat hij weet!”

„Luister! Vele duizenden en duizenden jaren geleden werd uw land bezocht door een vreemden volksstam, die hier den krijg kwamen brengen. Tot hier drongen enkelen dier krijgers door. Zij bezochten de streken ten Oosten van uw gebied, daar waar zich de zon boven de kim verheft! Aan gene zijde der bergen! Kent gij de streek, en wilt gij ons daarheen geleiden?”

Wat Raffles ook als antwoord verwacht mocht hebben, zeker niet de handelwijze van het opperhoofd, en van diegenen onder zijne onderdanen, die de in het Duitsch gestelde vraag van den vreemdeling begrepen hadden!

Zij wierpen zich allen in het stof, bedekten het hoofd met beide handen en hieven luide jammerklachten aan, terwijl zij zich heen en weder wentelden.

De drie reizigers konden niet verstaan wat zij in hun eigen taal zeiden, maar zij meenden te begrijpen, dat de Matabelen hun goden aanriepen, en hun bescherming tegen het een of ander vreeselijk gevaar afsmeekten. Eindelijk sprong Iwanda weder op, en riep sidderend:

„Vreemdeling, vraag dat nimmer weder! Gij weet niet wat gij doet! Die streek aan gene zijde der bergen is vervloekt! Hij die er den voet zet, is voor eeuwig verloren, nimmer keert hij weder! Daar huizen monsters.…..”

Maar hij sprak niet verder.

Een zijner volgelingen, die zeker een hooge positie bekleedde, had hem bij den arm gevat en zeide snel en fluisterend eenige woorden in de taal van zijn land.

Iwanda zweeg plotseling, en keek schuw voor zich.

Na geruimen tijd hernam hij:

„Iwanda mag niets meer zeggen, vreemdeling! [20]Zelfs er over te spreken is gevaarlijk! Nimmer zal een der onzen u vergezellen naar daarginds! En indien uw leven u lief is, keer dan aanstonds weder terug! Onnoemelijk zijn de gevaren welke u daar bedreigen!”

Raffles begreep, dat hij niets meer uit deze inboorlingen zou krijgen.

Zij waren blijkbaar allen aangegrepen door een ontzetting, met geen woorden te beschrijven.

Zij beefden over het geheele lichaam, en sommigen waren weggevlucht uit de nabijheid van blanken die over zulke dingen durfden spreken.

Toch stelde Raffles nog een enkele vraag:

„Zeg mij dan slechts een ding, Iwanda! Wonen daarginds menschen?”

Het opperhoofd aarzelde even en antwoordde toen:

„Ja, er wonen menschen! Maar wie hen ziet—die sterft!”

„Het is dus wel zeker, dat geen uwer ons tot gids zou willen dienen?”

„Niemand, niemand, vreemdeling!” antwoordde Iwanda sidderend. „Onze goden zouden hem verderven.”

Raffles wisselde een blik met Charly.

Voor beiden was het duidelijk, dat hier inderdaad een geheim moest schuilen, welks aard zij vastbesloten waren te doorgronden.

Wilden de Matabelen hen niet helpen, dan zouden zij het zonder hun hulp doen!

Ook Charly, die tot dusverre getwijfeld had, begon nu in te zien, dat er achter deze onverklaarbare vrees van de inboorlingen meer moest schuilen dan eenvoudig de schrik voor bovennatuurlijke dingen, hun bij overlevering bijgebracht.

Er moest inderdaad iets bestaan, waardoor die vrees gemotiveerd was.

Voor de laatste maal wendde Raffles zich tot Iwanda.

„Wilt gij mij zeggen, of reeds vóór ons blanken hier zijn geweest, die getracht hebben, de geheimen van gindsche streken te ontsluieren?”

Het opperhoofd knikte ernstig.

„Velen,” antwoordde hij. „En geen is teruggekeerd! wie eenmaal over de bergen is getrokken, welke gij daarginds ziet verrijzen, die is des doods!”

„Ik zeg u dank voor alles wat gij mij hebt medegedeeld, Iwanda!” zeide Raffles. „Wilt gij mij en mijne vrienden voor dezen nacht een onderkomen verschaffen?”

„Gij en uwe vrienden zullen onze broeders zijn!” antwoordde het hoofd. „En keert dan terug, ga, van waar gij gekomen zijt!”

Raffles antwoordde niet, maar Charly en Henderson zagen een uitdrukking van ontembare wilskracht op zijn gelaat.

Hij zou doorzetten, ook al zou het hem het leven moeten kosten!

De Matabelen wisten blijkbaar heel wat meer, dan zij wilden mededeelen, maar hun vrees belette hun, en verbood hun misschien, de verhalen aan blanken mede te deelen, welke zij bij overlevering van hunne voorouders vernomen hadden.

Maar wat die inboorlingen met opzet verzwegen, dat wilden die drie stoutmoedige Engelschen zelven gaan onderzoeken!

De vliegmachine werd met behulp van een aantal inboorlingen tot dicht bij het dorp getrokken, voor het meerendeel bestaande uit rieten hutten, hier en daar afgewisseld met een houten huis, dat wellicht vroeger tot woonplaats van Duitschers had gediend.

De vrouwen hielden zich schuw op een afstand, maar de mannen waren moediger, en ofschoon zij zeker nimmer van te voren een vliegmachine hadden gezien, bekeken zij den „Duivel der Lucht” met eerbied en de grootste verbazing.

De drie reizigers kregen een onderkomen in een der houten huizen, en werden op gulle wijze van voedsel voorzien, voornamelijk bestaande uit een soort meelspijs, en een voortreffelijk soort brood, veel smakelijker dan het in Europa bekende baksel.

Voorts zette men hun bananen en een smakelijke koek van roggemeel voor.

„Zouden wij hier nu rustig kunnen slapen?” vroeg Charly zacht, toen de drie mannen alleen waren gelaten.

„Zonder eenigen twijfel!” antwoordde Raffles „De stam der Matabelen, met name in deze buurt, is zeer zachtaardig, al zien zij er nog zoo krijgshaftig uit met hun schilden en speren. Zij moeten nu en dan wel strijden tegen een naburigen, oorlogszuchtigen stam, en hun wapens zijn onontbeerlijk bij de voortdurende worsteling tegen het wilde gedierte.”

„Zijn hier leeuwen en tijgers, Mylord?” vroeg Henderson.

„Tijgers alleen in den vorm van Poema’s, vriend Henderson!” antwoordde Raffles. „Maar leeuwen komen hier zeer veelvuldig voor, en van een verbazende grootte waarvan wij ons, als wij de exemplaren [21]in den dierentuin zien, maar matig een denkbeeld kunnen vormen.”

De mannen beëindigden hun maal, en verlieten nu de hut, teneinde nog een wandeling te gaan doen, alvorens zich ter ruste te begeven.

Het viel duidelijk waar te nemen, dat deze inboorlingen reeds in aanraking waren geweest met blanken, die hen veel geleerd hadden.

Daarop wees het onderhoud van de wegen, de wijze van bebouwing der velden, en ook sommige moderne landbouwwerktuigen, welke hier en daar langs de kanten der akkers stonden.

De omstreken waren zeer schoon, het dorp grensde bijna onmiddellijk aan een prachtig bosch van dadelpalmen, die hier een geweldige hoogte bereikten.

Omstreeks acht uur, toen de duisternis reeds begon te vallen, keerden de drie reizigers terug.

Zij zochten hun houten huis op, waar intusschen drie legers van droge bladeren waren opgeslagen door de zorgzame inboorlingen.

Een uur later was alles in het Matabelen dorp in diepe rust.