De houding, welke de Kiowa’s tegen ons aannamen, deed ons bezorgd zijn voor onze veiligheid en daarom spraken wij af, dat wij niet allen tegelijk zouden gaan slapen, maar beurtelings wacht zouden houden. Dit geschiedde en toen de roodhuiden bemerkten dat wij deze voorzorgmaatregelen hadden genomen, werd hun houding nog vijandiger.

Toen de dag aanbrak, zagen wij, dat zij druk bezig waren te zoeken naar het spoor der vluchtelingen, dat zij in den nacht niet hadden kunnen vinden. Zij vonden dit en volgden het; het voerde naar de plaats, waar de Apachen vóór den overval hun paarden natuurlijk onder bewaking hadden achtergelaten. Intschu Tschuna en Winnetou waren met deze wachters weggereden en hadden de overige paarden allen laten staan. Toen wij dit hoorden zag Sam mij even van ter zijde aan en vroeg:

—Begrijpt gij wel, waarom de beide aanvoerders dit hebben gedaan?

—Ja, dat is gemakkelijk te raden.

—Oho sir, zulk een greenhorn als gij zijt, behoeft zich niet te verbeelden, dat hij dadelijk ’t rechte van de zaak weet. Er behoort ervaring toe.

—Nu die heb ik.

—Gij, ervaring? Ik zou wel eens willen weten, waar gij die hebt opgedaan.

—In mijn boeken.

—Al weer die boeken, het kan zijn, dat gij wel eens iets hebt gelezen, dat u hier van pas komt, maar daarom behoeft ge u nog niet te verbeelden, dat gij overal verstand van hebt. Ik zal u zoo dadelijk bewijzen, dat gij eigenlijk nog niets weet. Zeg mij eens [152]waarom de vluchtelingen alleen hun eigen paarden hebben meegenomen en die van de anderen hier hebben gelaten?

—Omdat de gevangenen ze nog noodig kunnen hebben.

—Wel, waarvoor hebben gevangenen nu paarden noodig?

Ik was niet in ’t minst gekwetst door deze vragen, het was nu eenmaal zoo zijn manier van doen. Daarom antwoordde ik:

—Er zijn twee dingen mogelijk. Ten eerste kunnen de aanvoerders met een voldoend aantal Apachen terugkeeren, om de gevangenen te bevrijden. Waarom zouden zij dan eerst de paarden meevoeren en daarna terugbrengen? Ten tweede is het mogelijk, dat de Kiowa’s de terugkomst der Apachen niet afwachten en met hun gevangenen deze streek verlaten. In dit geval kunnen de gevangenen althans rijden, terwijl zij anders moesten loopen. Het is te hopen dat zij naar de dorpen der Kiowa’s worden gevoerd, want dan bestaat er kans, dat zij onderweg bevrijd kunnen worden. Moesten zij loopen, dan zou hun transport vele moeilijkheden opleveren en de Kiowa’s zouden licht op de gedachte kunnen komen, hen voor ’t gemak, hier op de plaats zelf, om te brengen.

—Hm, dat is werkelijk zoo kwaad niet bedacht! Maar gij hebt nog een derde mogelijkheid vergeten. De Kiowa’s kunnen immers ook hun gevangenen dooden, ondanks hun paarden.

—Neen, dat is niet mogelijk.

—Niet? sir, hoe komt gij op de gedachte, iets voor onmogelijk te verklaren, wat Sam Hawkins voor licht mogelijk houdt.

—Omdat Sam Hawkins schijnt vergeten te hebben, dat ik hier ben.

—Ah zoo, houdt gij dat voor zulk een gewichtige omstandigheid?

—Neen, ik wil alleen zeggen, dat de gevangenen, zoolang ik hier ben en ik mij kan weren, niet vermoord zullen worden.

—Werkelijk, wat zijt gij toch voor een veelbeteekenend man? De Kiowa’s zijn tweehonderd man sterk en gij wilt hen verhinderen te doen wat hen belieft?

—Ik zal hoop ik, niet alleen staan?

—Niet? wie zal u dan helpen?

—Gij, Sam Hawkins, Dick Stone en Willy Parker, ik reken er vast op, dat gij zulk een moord op groote schaal niet zult dulden.

—Zoo, zoo, gij rekent dus op ons; dank u zeer voor uw vertrouwen, want het is werkelijk geen gekheid, zich het vertrouwen waardig te maken, van een man als gij zijt, ik ben er wat trotsch op, hihihihi!

—Hoor eens Sam, ik spreek in vollen ernst, en ik heb werkelijk geen lust gekheid te maken over zulk een onderwerp. Nu er zooveel menschenlevens op het spel staan, moet men alle scherts achterwege laten. [153]

Toen zag hij mij met zijn kleine, listige oogjes aan en zeide:

—Thunder-storm! Is het u werkelijk ernst? Ja, dan moet ik een ander gezicht zetten. Maar hoe stelt gij u de zaak dan eigenlijk voor, sir? Op de anderen daar valt niet te rekenen en wij met ons vieren staan dus alleen, tegenover tweehonderd Kiowa’s. Hebt gij dat wel bedacht? Dat zal wel nooit goed voor ons afloopen.

—Daar vraag ik niet naar. Ik duld niet, dat in mijn tegenwoordigheid zulk een moord geschiedt.

—Maar die zal toch evengoed gebeuren, met dit onderscheid alleen, dat ook ons levenslampje wordt uitgebluscht. Of hebt gij uw hoop gevestigd op uw naam van Old-Shatterhand? Denkt gij, dat gij tweehonderd krijgers met uw vuisten kunt neervellen?

—Onzin, ik heb mijzelf dezen naam niet gegeven, en weet evengoed als gij, dat vier niet tegen tweehonderd opgewassen zijn. Maar moet men dan altijd geweld gebruiken, is list niet dikwijls beter dan geweld?

—Dat hebt gij misschien ook wel eens gelezen?

—Zeker.

—Zoo, gij zijt daardoor ook zoo’n bijzonder knappe kerel geworden. Maar ik zeg u, dat hier met al uw list niets te doen valt. De roodhuiden zullen doen wat zij verkiezen en er zich weinig om bekommeren, of wij list of geweld gebruiken.

—Welnu dan, ik zie, dat ik op uw steun niet behoef te rekenen en ik zal dus, wanneer de nood dringt, alleen handelen.

—Om Gods wil, doe geen dwaasheden! Gij behoeft niets alleen te doen. Ik heb immers niet gezegd, dat ik niet voor de Apachen in de bres wilde springen, maar het is nooit mijn gewoonte geweest, met den kop tegen den muur te loopen, ik zeg u, de muren zijn altijd harder dan de koppen.

—En ik heb evenmin gezegd, dat ik het onmogelijke mogelijk wil maken. Wij weten nog in ’t geheel niet, wat de Kiowa’s met hun gevangenen voorhebben en wij behoeven ons dus nog nergens ongerust over te maken. Laat ons afwachten en dan handelen, zooals ons het beste voorkomt.

—Een voorzichtig man stelt zich daarmee niet tevreden. Wij hebben deze bepaalde vraag te beantwoorden: wat zullen wij doen, indien de Apachen gedood zullen worden?

—Wij dulden dit niet.

—Dat beteekent niets, niet dulden. Gij moet u duidelijker uitdrukken.

—Wij verzetten ons daartegen.

—Dat zal niets baten.

—Dan dwing ik den hoofdman zich naar mijn wil te voegen. [154]

—Hoe zult gij dat doen?

—Ik zal hem persoonlijk aanvallen en hem het mes op de borst zetten.

—En hem doorsteken?

—Als hij niet gehoorzaamt, zeker.

—Drommels gij zijt een dappere kerel!—riep hij verschrikt.—Zoudt gij zoo iets durven?

—Ik verzeker u, dat ik het zou doen.

—Dat is.… dat is.…—Hij hield even op, zijn gezicht nam een geheel andere uitdrukking aan en toen vervolgde hij:—Hoor eens, dat is niet zoo kwaad bedacht, den hoofdman het mes op de keel te zetten, is de eenige manier, om hem te dwingen te doen, wat wij willen. Het is waar, een greenhorn kan ook nog wel eens een schrandere gedachte hebben.

Hij wilde verder gaan, maar Bancroft kwam op ons toe en drong er op aan, dat wij aan het werk zouden gaan. De man had gelijk, wij mochten geen uur verliezen, wilden wij met ons werk gereed zijn, voor Intschu Tschuna en Winnetou hier terug konden zijn.

Tot aan den namiddag waren wij druk bezig, toen evenwel kwam Sam op ons toe en zeide:

—Ik moet u helaas storen, sir, want de Kiowa’s schijnen iets voor te hebben met hun gevangenen.

—Iets? dat is zeer onbepaald, weet gij niet wat?

—Ik heb wel eenig vermoeden, zij schijnen de arme kerels aan den folterpaal te willen laten sterven.

—Wanneer? later of nu dadelijk?

—Natuurlijk nu, anders was ik niet bij u gekomen. Ik heb allerlei voorbereidselen zien maken.

—Maar dat mag niet gebeuren. Waar is het opperhoofd?

—Bij zijn krijgers.

—Wij moeten zien hem hierheen te lokken. Wilt gij dat op u nemen, Sam?

—Ja, maar hoe zal ik dat aanleggen?

Ik zag eens om mij heen. De Kiowa’s waren niet meer daar, waar zij gisteren gelegerd hadden. Zij waren ons gevolgd en hadden zich neergezet aan den rand van een klein boschje. Rattler en zijn lieden waren bij hen gebleven en Sam Hawkins had, om een oogje op hen te kunnen houden, tot nu toe in hun nabijheid rondgeloopen, terwijl Parker en Stone bij mij waren gebleven. Tusschen de roodhuiden en de plaats, waar ik op dit oogenblik stond, lag eenig kreupelhout, dat de Kiowa’s verhinderde te zien, wat bij ons gebeurde. Ik antwoordde op Sam’s vraag: [155]

—Zeg hem eenvoudig, dat ik hem iets heb te zeggen, maar dat ik om mijn werk niet van hier kan, dan zal hij wel komen.

—Ik hoop het. Maar wanneer hij anderen meebrengt?

—Die laat ik dan aan u, Stone en Parker over. Ik neem hem voor mijn rekening. Houd riemen gereed om hem te binden. De zaak moet vlug, maar zoo mogelijk zonder leven maken afloopen.

—Welnu, ik weet niet of wat gij voorhebt, goed is, maar ik weet niets beters en daarom moet gij uw zin maar hebben. Wij wagen ons leven, maar wij zullen het duur verkoopen, hihihihi!

Zoo op zijn eigenaardige wijze lachend, verwijderde hij zich. Mijne heeren collega’s bevonden zich niet ver van ons, maar zij hadden ons gesprek toch niet kunnen hooren. Ik dacht er ook niet aan, hun iets mede te deelen van mijn plannen, want ik wist, dat zij mij stellig zouden tegenwerken. Hun eigen leven was hen meer waard dan dat der Apachen.

Ik was mij hetgeen ik waagde volkomen bewust. Mocht ik Dick Stone en Will Parker aan zulk een groot gevaar blootstellen, zonder hen vooraf op de hoogte te brengen? Neen. Ik vertelde hen dus alles en vroeg, of zij misschien liever niet mee wilden helpen. Stone antwoordde evenwel dadelijk:

—Waar denkt gij aan, sir! Ziet gij ons aan voor schurken, die hun vriend in den steek laten, wanneer deze zich in nood bevindt? ’t Is een waagstuk wat gij voorhebt, en wij, als echte prairiejagers, verheugen er ons reeds op, niet waar, Will?

—Ja,—knikte Parker,—ik zou wel eens willen zien, of wij met ons vieren het niet tegen tweehonderd Indianen zouden kunnen houden. Ik verheug er mij reeds op, hen al brullend te zien aankomen, terwijl zij ons toch niets durven doen.

Ik werkte rustig door, tot Stone na eenigen tijd riep:

—Houd u gereed, sir, zij komen.

Nu keerde ik mij om. Sam kwam met Tangua, doch helaas gevolgd door drie roodhuiden.

—Ieder een man,—zeide ik—ik neem den aanvoerder, gij de anderen, maar neem hen bij de keel, opdat zij niet kunnen schreeuwen en wacht tot ik het voorbeeld geef.

Ik ging Tangua langzaam tegemoet, Stone en Parker volgden mij. Wij stonden zoo, dat de andere Kiowa’s ons door het kreupelhout niet konden zien. De aanvoerder zette een allesbehalve vriendelijk gezicht en zeide:

—Het bleekgezicht, dat Old-Shatterhand wordt genoemd, heeft mij laten komen. Heeft hij vergeten, dat ik de aanvoerder der Kiowa’s ben? [156]

—Neen, dat weet ik zeer goed,—antwoordde ik.

—Dan hadt gij bij mij moeten komen, in plaats van ik bij u. Daar ik echter weet, dat gij nog maar kort in dit land zijt en dus nog moet leeren beleefd te zijn, zal ik u deze fout vergeven. Wees kort, want ik heb geen tijd.

—Wat hebt gij dan voor gewichtigs te doen?

—Wij willen die honden van Apachen eens laten kermen.

—Wanneer?

—Zoo aanstonds.

—Waarom nu reeds? Ik dacht, dat gij de gevangenen mee wildet nemen naar uw wigwams en ze daar, in tegenwoordigheid van uw vrouwen en kinderen, aan den folterpaal wildet laten sterven.

—Dat was ook ons plan, maar zij zouden ons maar hinderen bij den krijgstocht welken wij ondernomen hebben, daarom zal ik ze nu maar laten sterven.

—Ik verzoek u, dit niet te doen.

—Gij hebt niets te verzoeken,—was het antwoord.

—Wilt gij niet even beleefd jegens mij zijn, als ik tegen u? Ik deed slechts een verzoek. Had ik u een bevel gegeven, dan hadt gij misschien reden, om lomp tegen mij te zijn.

—Ik wil van u niets hooren, geen bevel en ook geen verzoek. Ik zal, ter wille van een bleekgezicht, geen verandering brengen in een eens genomen besluit.

—Misschien zult gij dit toch doen. Hebt gij het recht, de gevangenen te dooden? Ik wil uw antwoord niet hooren, want ik ken dit, maar men kan een mensch snel dooden en ook langzaam doodmartelen. Wij zullen niet toestaan, dat dit laatste in onze tegenwoordigheid geschiedt.

Nu rekte hij zich uit en zeide op minachtenden toon:

—Niet toestaan? Wat verbeeldt gij u! Gij zijt tegenover mij niet meer dan een pad, die tegen een beer wil vechten. De gevangenen behooren mij en ik zal met hen doen, wat ik verkies.

—Zij zijn in uw handen gekomen door onze hulp en wij hebben evenveel recht op hen, als gij. Wij wenschen, dat zij in leven zullen blijven.

—Wensch wat gij wilt, blanke hond, ik lach om uw woorden!

Hij spuwde op den grond en wilde zich omkeeren, maar terzelfder tijd trof hem mijn vuist, zoodat hij neerviel. Hij was evenwel niet geheel bewusteloos en wilde weer opstaan. Daardoor moest ik mij bukken, om hem nog een slag te geven en kon dus niet op de anderen letten. Toen ik hem den tweeden slag had gegeven, en mij weer oprichtte, zag ik Sam Hawkins op een der roodhuiden knielen, Stone [157]en Parker worstelden met den tweede en de derde, liep luid schreeuwend weg.

Ik kwam Sam te hulp. Toen wij zijn Kiowa hadden gebonden, waren ook Dick en Will met hun gevangene gereed.

—Dat was niet heel handig van u,—zeide ik tot hen,—waarom hebt gij den derden laten ontkomen?

—Omdat ik toevallig juist op denzelfden los ging als Stone,—antwoordde Parker,—daardoor gingen niet meer dan twee seconden verloren, maar de schurk heeft ze gebruikt om te ontkomen.

—Het doet er niets toe,—troostte Sam Hawkins ons,—alleen verhaastten wij den loop der dingen wat. Binnen een paar minuten zullen de roodhuiden hier zijn, laat ons zorgen, dat wij ruimte hebben.

Terwijl wij den aanvoerder stevig bonden, kwam de hoofdingenieur, die met grooten schrik gezien had, wat er was gebeurd, op ons toeloopen:

—Wat begint ge toch,—schreeuwde hij—wat hebben de Indianen u gedaan? Zij zullen ons vermoorden.

—Zeker zal dat gebeuren, als gij u niet spoedig bij ons voegt,—antwoordde Sam.—Roept uw makkers en komt mee. Wij zullen u beschermen.

—Gij ons beschermen.—Dat is.…

—Zwijg—viel de kleine Sam hem in de rede,—wij weten zeer goed wat wij willen, wanneer gij niet bij ons blijft, zijt gij verloren, vlug wat!

Wij namen de drie gebonden Indianen op, en droegen ze, zoo vlug wij konden, een eind de prairie in, waar wij hen nederlegden. Bancroft en zijn drie opzichters waren ons gevolgd. Wij hadden deze plaats uitgekozen, omdat wij op vrij terrein veiliger waren dan op een plaats, welke wij niet geheel konden overzien.

—Wie zal met de roodhuiden spreken, als zij komen, ik misschien?—zoo vroeg ik aan Sam.

—Neen sir,—was het antwoord,—laat dat aan mij over, gij zijt het half-indiaansche mengelmoes niet voldoende machtig. Kom mij echter op het geschikte oogenblik te hulp, door te doen, alsof gij den hoofdman wilt doorsteken.

Nauwelijks had hij dit gezegd, of wij hoorden het woedend gehuil van de Kiowa’s en eenige oogenblikken laten zagen wij hen bij het zooeven genoemde kreupelboschje. Zij sprongen er om- en doorheen, en kwamen eindelijk op ons toe, maar daar de een sneller liep dan de andere, vormden zij geen aaneengesloten troep, maar een lange rij van enkele personen. Dit was voor ons gemakkelijker, een geordende schaar zou niet zoo licht tot staan zijn gebracht. [158]

De dappere Sam ging hun een eind weegs tegemoet en gaf hun met beide armen een teeken, te blijven staan. Ik hoorde, dat hij hun iets toeriep, maar verstond niet wat. Eerst schenen zij er geen acht op te slaan, maar toen hij zijn woorden herhaalde, bleven de voorste Kiowa’s staan en de anderen volgden hun voorbeeld. Toen wenkte ik Stone en Parker, om met mij, den aanvoerder overeind te helpen en toen hij stond, ging ik met een mes dreigend voor hem staan. De roodhuiden huilden van schrik en angst. Sam sprak tot hen en wij zagen, dat een die onderbevelhebber scheen te zijn, onder Sam’s geleide langzaam naar ons toe kwam. Zoodra hij bij ons was, wees Sam op de drie gevangenen en zeide tot hem:

—Gij ziet, dat ik u de waarheid heb gezegd, ze zijn geheel in onze macht.

De onderbevelhebber, die nauwelijks zijn woede kon verbergen, zag de drie gevangenen aan en antwoordde:

—Deze beide gebonden krijgers zijn nog in leven, maar het opperhoofd schijnt dood te zijn.

—Hij is niet dood. Old-Shatterhand heeft hem met zijn ijzeren vuist neergeveld, hij is bewusteloos, maar zijn bewustzijn zal weldra terugkeeren. Wacht maar een oogenblik en ga zoolang bij ons zitten. Zoodra de hoofdman weder tot zichzelf gekomen zal zijn, zullen wij met hem en u beraadslagen. Zoodra echter één der Kiowa’s een wapen tegen ons opheft, doorboort het mes van Old-Shatterhand Tangua’s hart, dat verzeker ik u.

—Durft gij uw hand opheffen, tegen ons, die uw vrienden zijn?

—Vrienden? gij meent zelf niet wat gij zegt.

—Hebben wij dan de vredespijp niet met u gerookt?

—Ja maar wij vertrouwen u niet.

—Waarom niet?

—Is het de gewoonte der Kiowa’s hun vrienden en broeders te beleedigen?

—Neen.

—Welnu, uw hoofdman heeft Old-Shatterhand beleedigd en daarom kunnen wij u niet als vrienden beschouwen. Zie, Tangua begint zich te bewegen!

Tangua, die door Stone en Parker weer was neergelegd, bewoog zich werkelijk, hij sloeg de oogen op, zag van den een naar den ander, als moest hij zich even bedenken wat er gebeurd was; langzamerhand scheen het bewustzijn terug te keeren en hij riep uit:

—Oef, oef, Old-Shatterhand heeft mij neergeveld, wie heeft mij gebonden?

—Ik,—antwoordde ik. [159]

—Neem mijn riemen af, ik beveel het.

—Zooeven wildet gij niet hooren naar mijn verzoek, nu let ik niet op uw bevel; gij hebt ons niets te bevelen!

Hij zag mij woedend aan en zeide knarsetandend:

—Zwijg knaap, of ik verpletter u!

—Het zwijgen past u beter dan mij. Gij hebt mij zooeven beleedigd en ik heb u daarom tegen den grond geslagen. Old-Shatterhand laat zich niet ongestraft een pad en een hond noemen. Als gij niet beleefd zijt, zal ik u nog beter straffen.

—Ik wil vrij zijn. Als gij mij niet gehoorzaamt, laat ik u door mijn krijgers van de aarde verdelgen.

—Gij zelf zoudt daarbij het slechtst er aan toe zijn, want luister: daar staan uw mannen, zoodra een van hen ook maar den voet opheft, om ons te naderen, stoot ik u dit mes in het hart. Howgh!

Ik zette hem de punt van het mes op de borst. Hij moest wel inzien, dat hij zich in onze macht bevond en begrijpen, dat ik mijn bedreiging waar zou maken; hij gaf zich dus moeite, zijn toorn te beheerschen en vroeg op kalmeren toon:

—Wat wilt gij dan eigenlijk van mij?

—Niets anders, dan wat ik u zooeven reeds gezegd heb, ik wil niet dat de Apachen aan den folterpaal zullen sterven.

—Gij verlangt misschien, dat zij in ’t geheel niet gedood zullen worden?

—Doe later met hen wat ge wilt, maar zoolang wij hier zijn, mag hun geen leed geschieden.

Hij zag een tijdlang zwijgend voor zich. Ondanks de kleuren, waarmee zijn gezicht beschilderd was, zag ik dat het afwisselend rood en bleek werd, daarom verwonderde het mij niet weinig, dat hij zoo spoedig met zijn antwoord gereed was.

—Uw wensch zal vervuld worden,—zeide hij,—ja, ik zal nog meer doen, als gij het voorstel aanneemt, dat ik u ga doen.

—En welk voorstel is dat?

—Eerst wil ik u nog zeggen, dat ik volstrekt niet bang ben voor uw mes. Gij zult u wel wachten, mij te doorsteken, want als gij dit deedt, zoudt gij door mijn krijgslieden in stukken worden gescheurd. Gij moogt nog zoo dapper zijn, tegen tweehonderd man zijt gij niet opgewassen. Ik lach dus om uw bedreiging. Ik kan gerust zeggen, dat ik niet aan uw verzoek voldoe en toch zoudt gij mij niets doen. Maar de honden van Apachen zullen niet aan den folterpaal sterven, ik beloof u zelfs, dat wij in ’t geheel niet zullen dooden, als gij voor hen op leven en dood wilt vechten.

—Met wien? [160]

—Met een mijner krijgers, dien ik zal uitkiezen.

—Met welk wapen?

—Het mes. Als hij u doorsteekt, moeten ook de Apachen sterven, doorsteekt gij hem, dan blijven zij leven.

—En zijn vrij?

—Ja.

Ik begreep zeer goed, dat hij de een of andere bijbedoeling had met dit voorstel. Waarschijnlijk hield hij mij voor den gevaarlijkste onder de aanwezige blanken en wilde hij mij onschadelijk maken, want natuurlijk zou hij een der uitnemendste vechtersbazen als tegenpartij voor mij kiezen. Zonder mij evenwel lang te bedenken, antwoordde ik:

—Ik neem uw voorstel aan; wij zullen de verschillende voorwaarden bespreken en onder het rooken van een pijp ons plan bezweren en dan kan de strijd dadelijk een aanvang nemen.

—Wat begint gij, sir?—viel nu Sam Hawkins in.—Ik kan onmogelijk toestaan, dat gij zulk een dwaasheid begaat.

—Het is geen dwaasheid, beste Sam.

—De grootste dwaasheid, welke gij bedenken kunt. Bij een eerlijken strijd moeten de kansen gelijk staan, maar dit is hier niet het geval.

—Zeker wel.

—Neen, zeker niet. Hebt gij dan wel ooit te voren met iemand gevochten op leven en dood en enkel met het mes als wapen?

—Neen.

—Welnu, gij krijgt natuurlijk een tegenstander, die een meester is in het snijden en steken. En bedenk dan toch de gevolgen, wanneer hij overwinnaar wordt. Dan worden de Apachen vermoord. En als uw tegenstander valt, wie sterft dan? Niemand?

—Maar dan worden de Apachen in vrijheid gesteld.

—Gelooft gij dat werkelijk?

—Ja, want wij rooken eerst een pijp samen, en dit geldt voor een eed.

—Vertrouw dien eed toch niet, de schelmen hebben allerlei bijbedoelingen. En zelfs al was die eed eerlijk gemeend, gij zijt een greenhorn en.…

—Houd u toch stil met uw greenhorn, beste Sam!—viel ik hem in de rede,—gij hebt nu reeds meermalen ondervonden dat deze greenhorn zeer goed weet, wat hij wil.

Hij bleef nog geruimen tijd in zichzelf brommen; ook Dick en Parker rieden mij af het te doen, maar ik bleef bij mijn eensgenomen besluit en Sam riep dan ook eindelijk mismoedig uit: [161]

—Welnu dan, loop dan voor mijn part met den kop tegen den muur, ik zal er geen woord meer van zeggen, ik zal evenwel zorgen, dat bij dit gevecht alles eerlijk toegaat en wee dengene die u of ons wil bedriegen! Dien schiet ik met mijn Liddy in de lucht, dat hij in duizend stukken in de wolken blijft hangen!

Nu werd het volgende afgesproken: op een kale ruimte, welke in de nabijheid lag, werd in het zand een acht (8) getrokken, dus twee cirkels op elkaar. De beide tegenstanders zouden elk in een van deze cirkels gaan staan en gedurende het gevecht deze plaats niet mogen verlaten. De strijd zou niet beslist zijn, voor een van beiden gedood was, doch de doode mocht niet door zijn makkers gewroken worden.

Toen wij het over deze voorwaarden eens waren geworden, werd de aanvoerder van zijn banden ontdaan en ik rookte met hem de calumet. Daarop werden ook de beide anderen vrijgemaakt en de vier roodhuiden begaven zich nu naar hun makkers terug, om hen voor te bereiden op het schouwspel dat hen wachtte.

De hoofdingenieur en de andere opzichters deden mij het eene verwijt na het andere, ik stoorde er mij niet aan. Ook Sam, Dick en Will keurden mijn besluit af, maar spraken er verder niet met mij over. Hawkins alleen zeide op bezorgden toon:

—Gij hadt wel iets anders kunnen bedenken, sir! Maar ik heb het altijd gezegd en zeg het ook nu weer: gij zijt een lichtzinnig mensch. Wat hebt ge er eigenlijk aan te worden doodgestoken, vertel mij dat eens!

—Wat ik er aan heb? Den dood natuurlijk, meer niet!

—Meer niet? Maak daar toch geen gekheid over. De dood is ’t laatste wat een mensch kan overkomen, als men eenmaal gestorven is, is ’t uit.

—Toch niet.

—Zoo? wat gebeurt er dan?

—Dan wordt men nog begraven!

—Houd uw mond, sir, als gij niets beters weet, dan mij ook nog te plagen, wou ik wel dat ik mijn vriendschap aan een waardiger persoon had verspild.

—Plaag ik u werkelijk, beste Sam?

—Ja, natuurlijk, wees toch niet zoo dom! Het is zoo goed als zeker, dat gij zult sterven. Wat zal ik dan doen op mijn ouden dag? Ik moet zoo’n greenhorn hebben, met wien ik zoo nu en dan eens kan redetwisten. En als gij er nu niet meer zijt, wat zal ik dan doen?

—Wel, dan neemt gij een anderen greenhorn. [162]

—Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, want zulk een onverbeterlijken greenhorn als gij zijt, vind ik mijn leven lang niet weer. Maar ik zeg u, als u iets kwaads overkomt, zullen de roodhuiden nog lang aan mij denken. Ik vlieg als een razende Roland op hen aan. Maar vertel mij eens, waar blijft uw gevoel van menschelijkheid waarover gij ’t altijd zoo druk hebt? Ik weet dat gij een goed hart hebt en niet gaarne een mensch doodt. Gij zijt toch niet van plan, den kerel met wien gij moet vechten te sparen?

—Hm, hm.

—Hm, hm? doe dat toch niet, het gaat op leven en dood!!

—Als ik hem nu alleen verwond?

—Dat geldt niet, zooals gij hebt gehoord.

—Ik bedoel, dat ik hem zoo verwond, dat hij niet meer kan vechten.

—Dat geldt evenmin, dan wordt gij niet als overwinnaar beschouwd en moet weer opnieuw den strijd met een ander beginnen. Gij hebt wel gehoord, dat de overwonnene moet sterven, hoort gij ’t wel, dat moet! Gij moet hem dus dooden! Maak daarover geen bezwaar. Voor gij een goed prairiejager zult worden, zal uw mes nog menigmaal met een stuk menschenvleesch in aanraking moeten komen. Bedenk toch, dat al deze Kiowa’s roovers en moordenaars zijn, dat zij alleen schuld dragen aan alles, wat thans geschiedt, want zij hebben het eerst de paarden der Apachen gestolen. Als gij zulk een schurk doodt, redt gij het leven van vele brave Apachen, spaart gij hem, dan zijn zij verloren. Beloof mij dus, dat gij u zult gedragen als een echte prairiejager, die niet van schrik in onmacht valt bij den eersten den besten druppel bloed, welke hij ziet vloeien!

—Als u dat gerust kan stellen, wil ik u wel beloven, dat ik hem niet zal sparen, hij zal het mij ook niet doen. Het is een tweegevecht op leven en dood en ik heb niet te doen met een nobel en eerlijk mensch, maar met een spitsboef en moordenaar.

—Goed zoo, nu ben ik weer gerustgesteld, maar toch heb ik een gevoel, alsof een zoon van mij ter slachtbank wordt gevoerd. Het liefst zou ik in uw plaats willen vechten. Wilt gij mij dat niet toestaan, sir?

—Neen, beste Sam. Ten eerste heeft, dunkt me het leven van een greenhorn minder waarde dan dat van zulk een flinke prairiejager als gij zijt en ten tweede.…

—Houd toch uw mond, aan zoo’n ouden kerel als ik, ligt niet veel gelegen, maar zoo’n jonge, veelbelovende.…

—Kom, houdt gij nu ook uw mond!—viel ik hem in de rede—en ten tweede zou het laf en eerloos zijn, als ik mij terugtrok en [163]een ander voor mij liet vechten. Trouwens, de aanvoerder zou daarmee geen genoegen nemen, want hij heeft het juist op mij voorzien.

—Dat is het juist, wat ik mij niet kan verklaren, hij heeft het op u gemunt, juist op u, ik hoop, dat alles anders uitvalt, dan hij het zich voorstelt. Pas op, daar komen ze aan!

De Indianen naderden langzaam. Zij waren niet zoo talrijk, want velen waren als bewakers van de Apachen achtergebleven. Tangua voerde ze aan ons voorbij, tot aan de plaats, welke ik zooeven beschreef. Daar aangekomen, gingen zij staan in een driekwartcirkel, het laatste kwart moest door de blanken worden aangevuld. Wij deden dit. Op een wenk van den aanvoerder trad nu uit de rijen der krijgers een roodhuid naar voren, van werkelijk herculische gestalte. Hij legde al zijn wapenen af en behield alleen het mes. Toen ontkleedde hij zich tot aan de heupen. Wie zijn spieren zag, moest wel beven van angst en vrees voor zijn leven. De aanvoerder begon nu, met een stem, welke getuigde van de zekerheid der overwinning.

—Hier staat Metan-akva (Bliksemmes), de sterkste krijger der Kiowa’s, wiens mes niemand nog heeft weerstaan, de vijand stort neer onder zijn steek, als door den bliksem getroffen. Hij zal vechten met het bleekgezicht, genaamd Old-Shatterhand.

—Drommels!—fluisterde Sam mij toe,—hij is een ware Goliath! Mijn beste sir, het is met u gedaan!

—Kom, kom!

—Werkelijk, ik heb weinig hoop. Er is maar één mogelijkheid om dezen kerel te overwinnen!

—En die is?

—Laat de strijd zoo kort mogelijk zijn, want als gij moe wordt zijt gij verloren. Hoe staat het met uw pols?

Hij voelde dien en ging voort:

—God zij dank, niet meer dan zestig slagen, dus zoo kalm mogelijk. Hebt gij geen angst?

—Dat zou niet best zijn. Angst in een oogenblik, waarin alles afhangt van een kalmen blik en een koel hoofd. De aanvoerder heeft mij voorgesteld met het mes te vechten, omdat hij wist, dat deze man onoverwinnelijk heette. Welnu, wij zullen zien of dit werkelijk zoo is.

Ik had mij onder het spreken eveneens ontkleed. Dit was wel is waar, niet tot voorwaarde gesteld, maar ik wilde niet, dat men aanmerkingen daarop zou maken. Ik gaf den berendooder en de revolver aan Sam, en ging toen in het midden van den kring staan. Den goeden Sam klopte het hart in de keel, ik zelf evenwel gevoelde in ’t geheel geen vrees. [164]

Nu werd met den steel van een tomahawk een tamelijk groote acht in het zand getrokken en de aanvoerder noodigde ons uit, onze plaatsen in te nemen. Bliksemmes zag mij met een minachtenden blik aan en zeide toen met luider stem:

—Het lichaam van dezen zwakkeling beeft van angst. Zou hij het durven wagen deze figuur te betreden?

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of ik stapte in de zuidelijke helft van de acht. Daarvoor had ik twee redenen. Ik kreeg namelijk daardoor de zon in den rug, terwijl zij daardoor den roodhuid in het gezicht scheen. Men mag dit een oneerlijk voordeel noemen, maar hij had mij bespot en bovendien gelogen, toen hij beweerde dat mijn lichaam beefde van angst, en daarom was dit nu zijn straf. Het zou al te grootmoedig van mij zijn geweest, hem de plaats te laten kiezen. Ik zeg hier nog eens, het was verschrikkelijk op leven en dood te moeten vechten, maar de minste toegeeflijkheid kon mij zelf het leven kosten en ik was dus vast besloten dezen Goliath te doorsteken. Ondanks zijn herculische kracht en zijn ontzaginboezemenden naam gevoelde ik mij kalm, hoewel ik nu voor ’t eerst in mijn leven met het mes in de hand tegenover een medemensch stond.

—Waagt hij het werkelijk?—hoonde hij,—mijn mes zal hem treffen, de Groote Geest geeft hem in mijn macht!

Bij de Indianen zijn dergelijke redeneeringen gebruikelijk en ik zou voor laf uitgescholden worden indien ik zweeg, daarom antwoordde ik:

—Gij strijdt met den mond, ik echter sta hier met het mes. Neem uw plaats in, als gij niet bang zijt!

Nu was hij met één sprong in de andere helft der acht en schreeuwde:

—Bang zijn? Metan-akva bang? Hebt gij het gehoord, gij krijgers der Kiowa’s? Ik zal dezen blanken hond met den eersten stoot dooden!

—Mijn eerste stoot zal u dooden! Maar zwijg, gij moest eigenlijk niet Metan-akva, maar Avat-ya (grootspreker) heeten.

—Avat-ya, avat-ya! deze vervloekte hond waagt het, mij te beschimpen. Welaan, de gieren zullen zijn ingewanden vreten!

Deze laatste bedreiging was een groote onvoorzichtigheid, ja een groote domheid van hem, want ik werd daardoor opmerkzaam gemaakt op de wijze, waarop hij van plan was, zijn wapen te gebruiken. Mijn ingewanden! Dus waarschijnlijk niet een steek in ’t hart, maar een stoot van onderen op, om mij het lijf open te rijten.

Wij stonden zoo dicht bij elkander, dat wij ons slechts voorover [165]behoefden te buigen, om dan elkaar met het mes te raken. De roodhuid scheen mij met zijn blik te willen doorboren. Zijn rechterarm hing langs zijn lichaam, hij hield het mes zóó in de hand, dat het heft op den pink rustte en het lemmet tusschen duim en wijsvinger met den scherpen kant naar boven gekeerd lag. Mijn vermoeden was dus juist, hij wilde een snede van beneden naar boven doen.

De richting van den aanval kende ik dus, nu was de hoofdzaak het oogenblik te weten, waarop deze zou geschieden. Ik moest dit aan zijn blik zien. Ik sloeg dus schijnbaar de oogleden neer, maar gluurde des te scherper naar hem.

—Steek dan, hond!—riep hij mij toe.

—Verspil niet zooveel woorden, maar doe zelf wat, roode kwajongen, antwoordde ik.

Dit was een grove beleediging, waarop of een toornig antwoord, of een aanval moest volgen, het laatste geschiedde. Een lichte opflikkering in zijn oogen bereidde mij daarop voor en in het volgende oogenblik hief hij den rechterarm op, om mij het lijf open te scheuren. Had ik den messteek van boven verwacht, dan ware ik verloren geweest, nu echter pareerde ik den stoot en trof hem met mijn mes in den bovenarm, welk ik geheel openreet!

—Schurftige hond!—brulde hij, terwijl hij den arm terugtrok en van den schrik en van pijn het mes liet vallen.

—Niet spreken, maar vechten! antwoordde ik, wederom mijn arm opheffend en meteen.… zat mijn mes hem tot aan het heft in het hart. Ik trok het oogenblikkelijk terug.

Een warme roode bloedstraal spoot uit de diepe wonde. De reus waggelde heen en weer, wilde schreeuwen, maar bracht alleen een kermenden zucht uit, daarop stortte hij dood ter aarde.

De Indianen hieven een woedend gehuil aan, alleen Tangua stemde hiermee niet in. Hij kwam naderbij, bukte zich over den doode, betastte de wond, richtte zich weer op en zag mij aan met een blik, dien ik niet licht zal vergeten.

Er lag daarin een mengsel van woede, ontzetting, angst, bewondering en goedkeuring, en zonder een woord te spreken wilde hij zich verwijderen.

Ik hield hem evenwel tegen en zeide:

—Ziet gij, dat ik nog op mijn plaats sta? Metan-akva heeft de zijne verlaten en ligt buiten de figuur! Wie is overwinnaar?

—Gij—antwoordde hij woedend en wilde heengaan, maar nauwelijks had hij vijf of zes passen gedaan, of hij keerde terug en zeide:—Gij zijt een blanke zoon van den boozen zwarten geest. Onze medicijnman [166]zal u uw toovermiddel ontnemen en dan zult gij ons uw leven moeten geven.

—Doe wat gij wilt, maar houd de belofte welke gij mij gedaan hebt.

—Welke belofte?—vroeg hij hoonend.

—Dat de Apachen niet gedood zullen worden.

—Wij zullen hen niet dooden, ik heb het eenmaal gezegd en zal mijn woord houden.

—Dus zullen zij vrij zijn?

—Ja, zij zullen hun vrijheid terug hebben. Wat Tangua de hoofdman der Kiowa’s zegt, dat doet hij.

—Dan zal ik nu met mijn vrienden heengaan, om de gevangenen hun boeien af te nemen.

—Dat zal ik zelf doen, als de tijd daartoe gekomen is.

—Die is gekomen, want ik ben overwinnaar.

—Zwijg! Hebben wij ooit over den tijd gesproken?

—Niet bepaald, maar het spreekt toch vanzelf, dat.…

—Zwijg!—klonk het opnieuw. Den tijd heb ik te bepalen. Wij zullen de honden van de Apachen niet dooden, maar wat kunnen wij er aan doen, als zij sterven, indien zij niets te eten of te drinken krijgen? Kan ik helpen dat zij verhongeren en verdorsten, vóór ik hen vrijlaat?

—Schurk!—siste ik hem tegemoet.

—Hond, zeg nog één woord en anders.…

Hij hield plotseling stil, want hij zag op mijn gezicht een uitdrukking welke hij niet vertrouwde. Ik daarentegen ging voort,—en anders sla ik u met mijn vuist ter aarde, gij schandelijke bedrieger!

Hij week eenige schreden achteruit, trok zijn mes en dreigde:

—Kom mij niet weer te na met uw vuist, want voor gij mij met uw hand kunt bereiken, zal ik u doorsteken.

—Dat heeft het Bliksemmes ook gezegd, en toch ligt hij daar. Het zou u ook zoo vergaan. Ik zal met mijn blanke broeders overleggen, wat met de Apachen zal geschieden, maar ik zeg u, als gij hen een haar krenkt, dan zijt gij allen verloren. Gij weet, dat wij u allen in de lucht kunnen laten springen.

Eerst na deze woorden keerde ik mij om en ging naar Sam. Deze had, door het geschreeuw der roodhuiden, niet kunnen hooren wat er tusschen mij en den hoofdman werd verhandeld. Hij kwam mij haastig tegemoet, greep mijn beide handen en riep, vol vreugde en bewondering.

—Welkom, welkom, sir! Dat roep ik u toe, want gij komt terug uit het doodenrijk. Mensch, vriend, schat, jongeling, greenhorn, wat [167]zijt gij toch voor een schepsel! Dat heeft nog nooit een buffel gezien en schiet den sterkste uit de kudde neer. Heeft nog nooit een Grizzly gezien en doodt hem met het mes. Heeft nog nooit een mustang gezien, en haalt het beste paard uit de horde. En nu staat hij tegenover den sterksten roodhuid en steekt hem het mes in het hart, zonder zelf een druppel bloed te verliezen! Dick en Will komt toch eens hier en ziet dezen kerel eens aan. Wat moeten wij met hem doen.

—Wij benoemen hem tot gezel,—lachte Stone.

—Gezel?—wat bedoelt ge daarmee?

—Hij heeft nu bewezen, dat hij geen „greenhorn” meer is, geen leerling. Wij willen hem gezel maken, later kan hij opklimmen tot den rang van „meester”.

—Geen greenhorn meer? Hem gezel maken? Vertel toch niet zulke dwaasheden. De kerel is groen van top tot teen, anders zou hij het niet gewaagd hebben met zulk een reus, als deze Indiaan te vechten, maar Hans komt door zijn domheid voort, dat ziet ge weer aan hem! Mijn hart stond stil van angst toen de strijd begon, ik kon geen adem krijgen en ziet, een houw, een stoot en de roodhuid valt ter aarde. Nu hebben wij ten minste ons doel bereikt, de Apachen zullen vrij zijn!

—Dat kondt ge wel eens mis hebben,—antwoordde ik, zonder boos te worden over deze wijze, waarop hij over mij sprak.

—Mis hebben?—hoe dan?

—De hoofdman heeft, toen hij ons deze belofte deed, zich in stilte iets voorbehouden, dat hij eerst nu laat gelden.

—Ik dacht wel, dat hij de een of de andere bijbedoeling had. Wat heeft hij zich voorbehouden?

Ik herhaalde wat Tangua gezegd had. Sam was daarover zoo vertoornd, dat hij oogenblikkelijk naar hem toeging, om hem ter verantwoording te roepen. Ik maakte van dezen tijd gebruik om mij weer aan te kleeden en mijn wapens weer bij mij te steken.

De Kiowa’s waren volkomen zeker geweest van de overwinning van het Bliksemmes. De uitslag van den strijd was voor hen zulk een teleurstelling en nederlaag, dat zij met woede en haat tegen mij vervuld waren. Het liefst zouden zij op ons zijn aangevallen, maar dit mochten zij niet, omdat het niet alleen afgesproken, maar zelfs met het rooken van een pijp bezworen was, dat de onderliggende partij den dood van den overwonnene niet op den overwinnaar zou wreken. Er was dus voorloopig niets aan te doen, en zij troostten zich met het denkbeeld dat er zich wel spoedig eens weer een aanleiding tot vijandschap zou opdoen. Zij konden nu niets doen dan [168]afwachten, verkropten hun toorn en begonnen het lijk van hun kameraad weg te brengen. Het opperhoofd was in hun midden en het laat zich dus denken, dat Sam Hawkins geen vriendelijk gehoor vond. Hij keerde dan ook hoogst verdrietig terug en zeide:

—De kerel wil werkelijk geen woord houden, hij schijnt de gevangenen te willen laten verhongeren. En dat noemt de schurk „niet dooden”. Wij zullen echter onze oogen openhouden, en den kerel een poets bakken, hihihihi!

—Als die poets maar niet op ons terugslaat!—merkte ik op,—het is moeielijk, anderen te beschermen, als men zelf nog bescherming noodig heeft.

—Ik geloof waarachtig, dat gij bang zijt voor de roodhuiden, sir!

—Nu dat weet ge wel beter.

—Ja, maar als ik bang ben, zijt gij niet bang, en als ik moed heb, laat gij dien zakken. Wat denkt ge u eigenlijk wel?

—Waarover?

—Over den strijd, dien gij hebt gewonnen.

—Zijt gij daarover niet tevreden?

—Ja, maar ik spreek over wat anders!

—Waarover dan?

—Mijn hemel, wat zijt ge toch traag van begrip. Zeg mij eens eerlijk, sir, zijt gij in uw vaderland misschien beul geweest?

—Dat geloof ik niet, ten minste ik herinner mij daarvan niets!—antwoordde ik op deze zonderlinge vraag!

—Gij hebt dus nog nooit iemand omgebracht?

—Neen.

—Dus hebt gij dan vandaag voor ’t eerst iemand dood gemaakt? Hoe is het u dan te moede? dat wilde ik wel eens weten.

—Hm, een prettig gevoel is het nu wel juist niet, ik doe het voor de tweede maal niet graag weer. ’t Is alsof mijn geweten mij niet weinig plaagt.

—Bekommer u daarover niet. Het kan u hier elken dag overkomen, dat gij een mensch het leven moet benemen, om u zelf te redden. In zulk een geval moet men.… heavens, daar hebben wij reeds zulk een geval!—viel hij zichzelf in de rede.—Daar zijn waarachtig de Apachen reeds hier. Nu zullen er menschenlevens genoeg vallen. Maakt u gereed tot den strijd, vrienden!

Werkelijk weerklonk van den kant waar de gevangenen met hun bewakers zich bevonden, de hooge en schelklinkende oorlogskreet der Apachen, Intschu Tschuna en Winnetou waren, tegen aller verwachting in, reeds terug, zij overvielen de legerplaats der Kiowa’s. [169]De enkele mannen, die zich bij ons bevonden, luisterden een oogenblik verschrikt, toen riep de hoofdman:

—Vijanden, daarginds bij onze broeders! Laat ons hen ter hulp snellen!

Hij wilde haastig heengaan, maar Sam trad hem in den weg en riep:

—Gij kunt niet daarheen, blijft hier, want wij zijn reeds omsingeld. Denkt gij, dat deze beide aanvoerders zoo dom zijn, alleen de wachters aan te vallen en niet weten waar gij u bevindt? Zij zullen zoo aanstonds.…

Hij had snel en haastig gesproken, maar kon den zin niet ten einde brengen, want nu weerklonk het vreeselijke, door merg en been dringende krijgsgeschreeuw ook in onze nabijheid. Wij bevonden ons wel, zooals reeds is vermeld, op de open prairie, maar daar wij zoozeer met ons zelf bezig waren geweest, hadden de Apachen gelegenheid gehad, zich onopgemerkt achter de hier en daar verspreid liggende kreupelboschjes te verschuilen. Wij waren geheel omsingeld en in groote sprongen kwamen de aanvallers van alle kanten op ons toe. De Kiowa’s schoten op hen, maar troffen slechts weinigen.

—Dood geen Apache, geen enkele!—riep ik Sam, Dick en Will toe. Wij vieren namen dan ook geen deel aan den strijd, maar de hoofdingenieur en drie opzichters verweerden zich, zij werden eenvoudig neergeschoten. Dit was een vreeselijk gezicht. Ik was er geheel van ontdaan en daardoor zag ik niet, wat achter mij gebeurde. Wij werden van daar door een talrijke schare aangevallen en van elkander gescheiden, wel riepen wij deze lieden toe, dat wij vrienden waren, maar tevergeefs, zij drongen met messen en tomahawks op ons aan, zoodat wij ons wel moesten verdedigen. Verscheidenen van hen vielen neer onder onze kolfslagen, zoodat de overigen ontzag voor ons kregen en ons verder met rust lieten. Ik maakte van dit vrije oogenblik gebruik om eens om mij heen te zien. Er was geen Kiowa, of hij had meerdere Apachen om zich heen. Sam zag dit ook en riep:

—Laat ons vluchten! Daarginds in de struiken!

Hij wees naar het meermalen vermelde boschje dat tusschen ons en de legerplaats lag en liep, zoo vlug hij kon, daarheen. Dick Stone en Will volgden hem. Ik aarzelde een oogenblik en kon niet nalaten, nog eens te zien naar de plek, waar de opzichters een oogenblik van te voren hadden gestaan. Zij waren blanken en ik zou hen zoo gaarne hebben gered, helaas, het was nu te laat. Toen keerde ik mij om en liep eveneens naar het boschje, ik had het echter nog lang niet bereikt, of Intschu Tschuna versperde mij den weg.

Hij was met Winnetou bij de afdeeling der Apachen geweest, die opdracht had gekregen, de legerplaats te overvallen en de [170]gevangenen te bevrijden. Toen dit gebeurd was, waren de beide aanvoerders weggegaan om te zien, hoever de grootere afdeeling, waarmee wij het te kwaad hadden gekregen, gevorderd was. Intschu Tschuna was zijn zoon een eind vooruit en nu, terwijl hij om het boschje heenkwam, zag hij mij.

—De landdief!—riep hij mij tegemoet en kwam met zijn zilverbuks op mij toe om mij met de kolf dood te slaan. Ik riep hem wel is waar eenige woorden toe, die hem moesten beduiden, dat ik geen vijand van hem was, maar hij luisterde niet naar mij. Er was niets aan te doen, wilde ik niet als een hond worden dood gemaakt, dan moest ik mij wel verweren. Ik wierp dus mijn beredooder, waarmee ik den eersten slag gepareerd had, weg en sloeg in ’t volgend oogenblik den linkerarm om zijn hals terwijl ik met de rechtervuist hem eenige hevige slagen tegen de slapen gaf. Hij liet de buks vallen, steunde even en viel toen bewusteloos neer. Daar weerklonk achter mij een jubelende stem.

—Dat is Intschu Tschuna, de aanvoerder der Apachen. Ik moet zijn scalp hebben.

Mij omkeerend, zag ik Tangua, den hoofdman der Kiowa’s, die om de een of andere reden, dezelfde richting had ingeslagen, als ik. Hij wierp zijn geweer weg, trok zijn mes en wilde zich op den bewusteloozen Apache werpen. Ik greep hem bij den arm en beval:

—Raak hem niet aan, ik heb hem neergeveld, hij behoort dus mij en niet u!

—Zwijg, blanke hond!—antwoordde hij.—Wat heb ik met u te maken. De hoofdman is van mij. Laat mij los, anders.…

Hij stak met zijn mes naar mij en trof mij in het linkerpolsgewricht. Ik wilde hem niet dooden en liet dus mijn mes in den gordel zitten, maar wierp mij op hem en deed moeite hem weg te trekken. Daar dit mij niet gelukte, drukte ik hem de keel toe, totdat hij zich niet meer bewoog, toen boog ik mij over Intschu Tschuna heen, wiens gelaat met het bloed uit mijn wonde was bevlekt. Op dit oogenblik hoorde ik een geritsel achter mij en keerde mij om, om te zien, wat dit beteekende. Deze beweging redde mij het leven, want ik ving een vreeselijken slag die voor mijn hoofd bestemd was op mijn schouders op. Het was Winnetou die mij dien gaf.

Hij was, zooals reeds vermeld een weinig achtergebleven. Toen hij om het kreupelbosch kwam, zag hij mij bij zijn vader neerknielen. Dadelijk wilde hij wraak nemen, en mij den doodelijken slag geven, die gelukkig slechts mijn schouder trof. Dit ziende liet hij zijn geweer vallen, trok zijn mes en snelde op mij toe.

Mijn toestand was zoo gevaarlijk mogelijk. Ik was bijna verlamd [171]door den slag. Gaarne zou ik Winnetou een opheldering hebben willen geven, maar hij liet mij niet den tijd daartoe. Zijn mes was op mijn borst gericht. Ik maakte een gelukkige wending en het mes kwam in mijn linkerborstzak, trof het sardinenbusje waarin ik mijn papieren bewaarde, stuitte op het blik af en drong mij langs hals en kakebeen in den mond en door de tong. Onmiddellijk trok hij het mes terug, om mij een tweeden steek te geven. De doodsangst verdubbelde mijn krachten, ik kon slechts één arm, ééne hand gebruiken en hij lag half op mij, het gelukte evenwel, mij om te keeren en zijn rechterhand te grijpen, die ik zoo sterk vasthield dat hij het mes van pijn liet vallen, teen nam ik snel zijn linkerarm bij den elleboog vast en duwde dien zóó naar boven, dat hij mijn hals wel moest loslaten. Nu hief ik mijn knie op en ging plotseling opstaan en slingerde hem van mij af. In ’t volgend oogenblik lag ik op zijn rug, zooals hij even te voren op den mijne had gelegen.

Nu was het zaak, hem zoo vast te houden, want, gelukte het hem weer op te komen, dan was ik verloren. Eén knie over zijn beide beenen en de andere op zijn arm zettend, nam ik hem met mijn ééne bruikbare hand bij den hals, terwijl hij intusschen, gelukkig tevergeefs, met zijn vrije hand naar zijn mes zocht. Nu volgde een vreeselijk worstelen. Men stelle zich Winnetou voor, die nog nooit te voren overwonnen werd en later ook nooit meer overwonnen is geworden, met zijn slangachtige lenigheid, zijn ijzeren spieren en stalen zenuwen. Nu zou ik tijd hebben gehad, om te spreken, eenige ophelderende woorden zouden voldoende zijn geweest om aan dezen strijd een einde te maken, maar het bloed stroomde mij steeds uit den mond en als ik met mijn doorstoken tong trachtte te spreken, bracht ik niets anders voort, dan eenige onverstaanbare klanken. Hij spande al zijn krachten in om mij af te werpen, maar ik lag als een blok op hem. Hij begon steeds sterker te kreunen, ik drukte mijn vingertoppen nog vaster tegen zijn keel. Zou ik hem worgen? Neen, in geen geval. Ik liet dus voor een oogenblik zijn hals los en onmiddellijk richtte hij het hoofd op, daardoor had ik gelegenheid, hem een paar flinke vuistslagen toe te dienen.

Winnetou was bewusteloos, ik had hem, den onoverwinbare, overwonnen.

Ik haalde diep adem, waarbij ik geducht moest oppassen, het bloed niet in te slikken, dat mij den mond vulde. Ook uit de wonde aan den buitenkant vloeide een bijna vingerbreede straal. Juist wilde ik opstaan, daar hoorde ik een toornigen Indiaanschen uitroep achter mij en meteen kreeg ik een kolfslag op het hoofd die mij bewusteloos deed neerzinken. [172]

Toen ik weder tot mij zelf kwam, was het avond. Eerst was het of ik droomde: ik was in een diepe molenbeek gevallen, maar de molen kon niet gaan, omdat ik tusschen het rad en den muur was gevallen. Het water ruischte en bruiste om mij heen en de kracht, waarmee het op het rad moest werken, drukte mij al vaster en vaster tegen den muur, zoodat ik bijna werd verpletterd. Al mijn ledematen deden mij pijn, maar het meest van alles mijn hoofd en mijn schouder. Langzamerhand begreep ik, dat dit geen droom, maar werkelijkheid was. Het ruischen en bruisen kwam niet van het water, het zat in mijn hoofd en was het gevolg van den kolfslag, dien ik had gekregen. De pijnen in mijn schouder werden niet veroorzaakt door het molenrad, maar door den houw, dien Winnetou mij had gegeven. Het bloed liep mij nog steeds uit den mond, het drong mij in de keel en dreigde mij te doen stikken, ik hoorde een vreeselijk gerochel en ontwaakte geheel. Dit rochelen had ik zelf gedaan.

—Hij beweegt zich! Goddank, hij beweegt zich!—hoorde ik Sam roepen.

—Ja, ik heb ’t ook gezien—antwoordde Dick Stone.

—Hij doet de oogen open! Hij leeft, hij leeft!—voegde Will Parker er bij.

Ik had werkelijk de oogen geopend, maar wat ik zag, was weinig opwekkend. Wij bevonden ons nog steeds op de plek, waar de strijd had plaats gehad. Er brandden meer dan twintig legervuren, tusschen welke zich een vijfhonderd Apachen bewogen. Velen van hen waren gewond en ik zag ook een groot aantal dooden liggen, in twee afdeelingen verdeeld. De eene afdeeling bestond uit Apachen, de andere uit Kiowa’s. De eersten hadden elf, de laatsten dertig krijgers verloren. Rondom ons lagen de gevangen Kiowa’s, allen stevig gebonden. Geen enkele was ontkomen. Ook Tangua, de hoofdman, bevond zich onder hen. Ik miste den hoofdingenieur en de drie opzichters. Zij waren afgemaakt omdat zij zich hadden verzet.

Op een kleinen afstand van ons zag ik een mensch liggen, wiens lichaam als een ring was te zamen gebonden, ongeveer op de wijze zooals men dat vroeger in de middeleeuwen placht te doen bij den zoogenaamden Spaanschen bok. Het was Rattler. De Apachen hadden hem zoo gebonden, om hem te pijnigen. Hij kreunde zoo erbarmelijk, dat men, ondanks alles, medelijden met hem moest hebben. Zijn metgezellen leefden niet meer, zij waren bij den eersten aanval neergeschoten. Men had hem gespaard, omdat hij, als moordenaar van Kleki-Petra een langzamen en pijnlijken dood moest ondergaan.

Ook ik was aan handen en voeten gebonden, evenals Parker en [173]Stone, die aan mijn linkerzijde lagen. Sam Hawkins zat rechts van mij. Zijn voeten waren vastgebonden, zijn rechterhand eveneens, maar men had de linker vrijgelaten, opdat hij, naar ik later vernam, mij zou kunnen helpen.

—Den hemel zij dank, dat gij weer tot u zelf komt, sir,—zeide hij, terwijl hij mij met zijn vrije hand liefkoozend over ’t gezicht streek.

—Hoe is het zoo gekomen, dat gij zoo zijt toegetakeld?

Ik wilde antwoorden, maar kon niet, omdat ik den mond vol bloed had.

—Spuw het uit!—zeide hij.

Ik deed dit, maar kon toch slechts enkele onduidelijke woorden uitbrengen. Tengevolge van het groote bloedverlies was ik bovendien doodmoe en uitgeput. Zeer zacht, zoodat Sam mij nauwelijks kon verstaan, stamelde ik:

—Intschu Tschuna gestreden.… Winnetou kwam er bij.… tong doorstoken.… kolfslag op het hoofd.… van.… weet ik niet.

De daartusschen behoorende woorden waren niet te verstaan.

—Voor den drommel! Wie kon dat ook weten! Wij hadden ons gaarne overgegeven, maar die Apachen wilden niet naar ons luisteren. Daarom vluchtten wij in de struiken, tot hun woede wat was bekoeld, als ik mij niet vergis! Wij dachten, dat gij dat ook hadt gedaan en zochten naar u. Toen ik u evenwel niet vond, kroop ik naar den rand van het struikgewas, om eens naar u te zien. Daar stond een heele troep huilende Apachen, rondom Intschu Tschuna en Winnetou die voor dood neerlagen, maar spoedig weer tot zichzelf kwamen. Gij laagt er naast, eveneens schijnbaar dood. Dit deed mij zoo schrikken, dat ik onmiddellijk Dick Stone en Parker haalde, om te zien, of er misschien nog leven in u was. Wij werden natuurlijk dadelijk gevangen genomen. Ik zeide Intschu Tschuna, dat wij vrienden der Apachen waren en gisteravond het plan hadden gehad, de beide aanvoerders te bevrijden. Hij lachte mij evenwel uit en ik heb het alleen aan Winnetou’s voorspraak te danken, dat mij deze ééne hand is vrijgelaten, om u te helpen. Hij heeft ook uw wond aan den hals verbonden, anders waart gij stellig en zeker doodgebloed. Is de wond diep?

—Door.… de.… tong,—stamelde ik.

—Dat is gevaarlijk. Gij zult een hevige wondkoorts krijgen, ik wenschte dat ik die van u kon overnemen, want ik denk, dat zoo’n oude waschbeer als ik, die beter kan doorstaan dan zulk een greenhorn, die nog zoo weinig bloed heeft gezien. Zijt gij ook nog ergens anders gewond?

—Kolfslagen.… hoofd en.… schouder,—antwoordde ik. [174]

—Gij zijt dus neergeveld. Ik dacht, dat ge enkel een steek hadt gekregen. Ja, dan begrijp ik wel, dat uw hoofd erg pijn zal doen. Maar, dat gaat wel over, ’t is alleen te hopen, dat het weinige verstand, dat ge hebt, er niet is uitgeslagen. Zoo’n doorgestoken tong is gevaarlijk en niet te verbinden.—Ik zal.…—Meer hoorde ik niet, daar ik weer opnieuw in onmacht viel.

Toen ik ontwaakte, gevoelde ik, dat ik in beweging was, ik hoorde den hoefslag der paarden en sloeg de oogen op. Ik lag, stel u voor—op het vel van den Grizzlybeer, dien ik verslagen had. Het was opgebonden in den vorm van een hangmat en hing tusschen twee paarden, die mij op deze wijze moesten dragen. Ik zat zóó diep in het vel, dat ik alleen de koppen der beide paarden en den hemel boven mij kon zien. De zon wierp haar gloeiende stralen op mij neer en mijn bloed joeg onstuimig door de aderen. Mijn mond was opgezwollen en vol van geronnen bloed. Ik wilde het uitspuwen, maar kon de tong niet bewegen.

—Water, water!—wilde ik roepen, want ik had een bijna onuitstaanbaren dorst, maar ik bracht geen klank, zelfs geen hoorbaren zucht uit. Ik zeide tot mij zelf, dat het met mij gedaan was en wilde, als ieder stervende aan God en hiernamaals denken, maar verloor wederom het bewustzijn.

Toen streed ik met Indianen, buffels en beren, maakte een rit op leven en dood door de steppen, zwom maandenlang over onbegrensde zeeën en meren.… alles in de wondkoorts, waarin ik lang tegen den dood worstelde. Zoo nu en dan hoorde ik Sam Hawkins’ stem, als uit de verte, tusschenbeide zag ik twee donkere oogen, die van Winnetou, dan was het weer, of lag ik in een doodkist en werd ik begraven, ik hoorde de aardkluiten op het deksel vallen, en lag geruimen tijd stil in de donkere aarde tot dat opeens het deksel van de kist werd opengedaan. Ik zag den hemel boven mij, ik werd uit het graf opgeheven. Was dit waar? Kon dit gebeuren? Ik streek met de hand over mijn voorhoofd en.…

—Halleluja, hij ontwaakt uit den dood, hij ontwaakt! jubelde Sam.

Ik keerde het hoofd om.

—Ziet ge, dat hij met de hand naar zijn hoofd heeft gegrepen, dat hij nu zelfs het hoofd heeft omgedraaid?—riep de kleine. Hij boog zich over mij heen. Zijn gezicht straalde letterlijk van verrukking, ik zag dit, ondanks den dichten baard, welke het bijna geheel bedekte.

—Ziet ge mij, beste vriend?—vroeg hij.—Gij hebt de oogen open en hebt u bewogen. Gij leeft dus weer. Ziet ge mij?

Ik wilde antwoordden, maar kon niet van vermoeidheid en uitputting. [175]

—En hoort gij mij?—ging hij voort.

Ik knikte.

—Komt hier en ziet!

Zijn gezicht verdween en in de plaats daarvan verschenen die van Stone en Parker. De brave kerels hadden tranen in de oogen van blijdschap. Zij wilden iets tegen mij zeggen maar Sam duwde hen weg en zeide:

—Neen, laat mij met hem spreken, ik wil het doen.

Hij nam mijn beide handen in de zijne, drukte die tegen zijn mond en vroeg:

—Hebt gij honger sir? Hebt gij dorst? Zoudt gij iets kunnen eten of drinken?

Ik schudde het hoofd, want ik voelde niet de minste behoefte, iets te gebruiken. Ik was te zwak, om zelfs een droppel water tot mij te kunnen nemen.

—Niet, werkelijk niet? Hoe is het mogelijk! Weet gij wel, hoelang gij hier zoo gelegen hebt?

Ik schudde wederom met het hoofd.

—Drie weken, volle drie weken! Denk eens aan! Gij weet zeker ook niet, wat er na uw verwonding is gebeurd en waar gij u bevindt? Gij hebt een vreeselijke wondkoorts gehad en daarna een soort verstijving. De Apachen wilden u reeds begraven, maar ik kon niet aan uw dood gelooven en heb zoolang gesmeekt, tot Winnetou met zijn vader sprak en deze verlof gaf, u eerst dan te begraven, wanneer ontbinding intrad. Dat hebben wij aan Winnetou’s voorspraak te danken. Ik moet naar hem toe, ik moet hem hier halen!

Ik sloot de oogen en lag nu weer stil, maar nu in een kalme en rustige sluimering. Ik wenschte, dat ik zoo eeuwig kon blijven liggen. Daar hoorde ik evenwel voetstappen, een hand betastte mij, en toen hoorde ik Winnetou zeggen:

—Heeft Sam Hawkins zich niet vergist. Is Selki lata (Old-Shatterhand) werkelijk ontwaakt?

—Ja, ja, wij drieën hebben het duidelijk gezien. Hij heeft zelfs met knikken en hoofdschudden op mijn vragen geantwoord.

—Dan is een groot wonder geschied. Maar misschien was het beter geweest, dat hij gestorven ware; want hij is slechts in het leven teruggekeerd om te sterven. Hij zal, evenals gij allen, gedood worden!

—Maar hij is de beste vriend der Apachen,

—En hij heeft mij tweemaal verslagen?

—Omdat hij moest!

—Dat was niet noodig.

—Zeker, de eerste maal deed hij het om u te redden. Gij zoudt [176]u hebben verzet en waart dan door de Kiowa’s vermoord geworden. En de tweede maal heeft hij zijn eigen leven tegen u moeten verdedigen. Wij hadden ons vrijwillig aan u willen overgeven, maar uw krijgers wilden niet naar ons luisteren.

—Dat zegt Sam Hawkins maar om zich te redden.

—Neen, ik zeg de waarheid.

—Uw tong liegt. Alles, wat gij mij verteld hebt, heeft ons nog vaster overtuigd, dat gij nog grooter vijanden van ons zijt, dan die honden van Kiowa’s. Gij zijt ons tegemoet geslopen en hebt ons beluisterd. Waart gij werkelijk onze vriend geweest, dan zoudt gij ons hebben gewaarschuwd, dan zouden wij daar ginds bij de beek niet overvallen zijn geworden en aan de boomen zijn gebonden.

—Maar dan hadt gij den dood van Kleki-Petra op ons gewroken, en was dit uit dankbaarheid niet gebeurd, dan zoudt gij ons ten minste verhinderd hebben, onze werkzaamheden voort te zetten en ten einde te brengen.

—Dat hebt ge nu evenmin kunnen doen. Gij hebt allerlei uitvluchten, maar een kind kan ze doorzien. Houdt gij Intschu Tschuna en Winnetou voor zoo dom?

—In ’t geheel niet. Old-Shatterhand is opnieuw in onmacht gevallen, anders zou hij kunnen zeggen, dat ik niets dan de waarheid gezegd heb.

—Ja, hij kan evengoed liegen als gij, de bleekgezichten zijn allen leugenaars en bedriegers. Ik heb slechts een blanke gekend, dien men kon vertrouwen, dat was Kleki-Petra, dien gij vermoord hebt. In Old-Shatterhand had ik bijna een dergelijke man meenen te leeren kennen. Ik zag zijn dapperheid en zijn lichaamskracht en bewonderde hem. Zijn oogen schenen mij den zetel van oprechtheid en ik dacht hem te kunnen hoogachten. Maar helaas, hij is een landroover, evenals gij allen, hij belette u niet, ons in den val te lokken en heeft mij tweemaal met zijn vuist op het hoofd geslagen. Waarom heeft de Groote Geest toch zulk een man geschapen en hem zulk een valsch hart gegeven?

Ik had hem gaarne willen aanzien, toen hij mij aanraakte, maar ik kon niet. Het was of mijn lichaam uit ether bestond, of ik door mijn zinnen niets kon waarnemen. Evenwel het gelukte mij toch eindelijk de oogleden op te slaan. Ik zag hem naast mij staan. Hij droeg een licht linnen kleed, had geen wapens bij zich maar een boek en wel een, waarop in gouden letters stond: Hiawatha. Deze Indiaan, deze zoon van een volk, dat men tot de „wilden” rekent, kon dus niet alleen lezen, maar hij bezat zin en smaak voor het hoogere! Longfellows beroemd gedicht in de hand van een Apache-Indiaan! Zoo iets had ik niet kunnen droomen! [177]

—Hij heeft de oogen weer open!—riep Sam en onmiddellijk keerde Winnetou zich naar mij toe. Lang bleef zijn oog op het mijne rusten, toen vroeg hij:

—Kunt gij spreken?

Ik schudde het hoofd.

—Hebt gij pijnen in uw hoofd?

Hetzelfde antwoord.

—Wees oprecht tegenover mij! Als men ontwaakt uit den dood, moet men geen onwaarheid zeggen. Hebt gij vier mannen ons werkelijk het leven willen redden?

Ik knikte tweemaal.

Toen maakte hij een minachtende beweging met de hand en riep op diep gekrenkten toon:

—Leugen, leugen, leugen! Zelfs leugen bij het geopende graf! Hadt gij mij de waarheid bekend, dan zou ik misschien hebben kunnen hopen, dat gij u kondt verbeteren en ik zou Intschu Tschuna mijn vader hebben gesmeekt, uw leven te sparen. Maar gij zijt zulk een bede niet waard en moet sterven. Wij zullen u goed verplegen opdat gij spoedig weer gezond en krachtig zult worden en de folteringen, die u wachten, langer weerstand zoudt kunnen bieden. Te sterven als een zieke, zwakke man is geen straf.

Langer kon ik mijn oogen niet openhouden. Had ik maar kunnen spreken! Sam, de anders zoo schrandere Sam Hawkins, verdedigde ons op zulk een onhandige wijze, ik zou geheel anders hebben gedaan. Het was, alsof hij mijn gedachten had geraden, want nu begon hij opnieuw tegen den Apachen-hoofdman: