—Maar wij hebben u immers bewezen, duidelijk en onwederlegbaar bewezen, dat wij op uw zijde waren. Uw krijgers zouden gemarteld worden en om dit te verhinderen, heeft Old-Shatterhand met het Bliksemmes gestreden en hem overwonnen. Hij heeft dus zijn leven voor u in de waagschaal gesteld en zal nu tot belooning gemarteld worden!

—Gij hebt niets bewezen, want ook dit verhaal was een leugen!

—Vraag dan Tangua, den hoofdman der Kiowa’s, die zich nog in uw handen bevindt.

—Ik heb het hem gevraagd.

—Wat zeide hij?

—Dat gij liegt. Old-Shatterhand heeft niet met het Bliksemmes gestreden, maar deze is, toen wij u overvielen, door onze krijgers gedood geworden.

—Dat is al zeer slecht van Tangua. Hij weet, dat wij heimelijk op uw zijde waren en wil ons uit wraak daarover in ’t verderf storten. [178]

—Hij heeft mij de waarheid zijner woorden bezworen bij den Grooten Geest en ik geloof dus hem en niet u. Ik zeg u hetzelfde wat ik zooeven tegen Old-Shatterhand heb gezegd: hadt gij mij eerlijk alles bekend, dan zou ik uw voorspraak zijn geweest bij mijn vader. Kleki-Petra, die mijn vader, mijn vriend en leermeester is geweest, heeft de neiging tot vrede, zachtheid en vergevensgezindheid in mijn hart gelegd. Ik wensch geen onnoodig bloed te vergieten en mijn vader doet alles, wat ik van hem vraag. Daarom is er, van al de Kiowa’s, die wij gevangengenomen hebben, nog geen enkele gedood, zij kunnen alles, wat zij hebben gedaan, afkoopen met paarden en wagens, tenten en dekens. Wij zijn het nog niet volkomen met hen eens over den prijs, maar dat zal wel in orde komen. Rattler is de moordenaar van Kleki-Petra, hij moet sterven. Gij zijt zijn kameraden, toch zouden wij u hebben gespaard, wanneer gij slechts oprecht waart geweest, nu gij dit niet zijt, zult gij zijn lot moeten deelen.

Dit was een redevoering zoo lang als ik ze later slechts zelden en alleen bij de allergewichtigste gebeurtenissen uit den mond van den zwijgzamen Winnetou heb gehoord. Ons lot ging hem dus meer aan het hart dan hij wilde bekennen.

—Wij kunnen toch onmogelijk zeggen dat wij uw vijanden zijn, als het tegenovergestelde het geval is,—begon Sam weer.

—Zwijg! Ik zie wel in dat gij met deze groote leugen op de lippen zult sterven. Wij hebben u tot nu toe meer vrijheid toegestaan dan den anderen, opdat gij Old-Shatterhand zoudt kunnen verplegen. Gij zijt deze toegevendheid niet waard geweest en zult van nu af aan strenger worden behandeld. De zieke heeft u niet meer noodig, volg mij dus. Ik zal u de plaats aanwijzen, die gij niet meer zult mogen verlaten.

—Dat niet, Winnetou, dat slechts niet!—riep Sam verschrikt uit.—Ik kan onmogelijk van Old-Shatterhand scheiden!

—Gij moet, ik beveel het u! Wat ik wil, dat gebeurt!

—Maar wij smeeken u ten minste.…

—Zwijg,—viel de Apache hem op strengen toon in de rede.—Ik wil geen woord meer hooren! Gaat gij met mij, of moet ik u door mijn krijgslieden laten binden en wegbrengen?

—Wij zijn in uw macht en zijn dus genoodzaakt u te gehoorzamen. Wanneer mogen wij Old-Shatterhand terugzien?

—Op den dag van uwen en zijnen dood.

—Niet eerder?

—Neen.

—Laat ons dan voor wij met u gaan afscheid van hem nemen. Sam greep mijn handen en ik voelde zijn baard op mijn gezicht, [179]want hij gaf mij een kus op het voorhoofd. Parker en Stone deden hetzelfde, toen gingen zij met Winnetou heen en ik lag een tijd lang alleen tot eenige Apachen kwamen en mij wegdroegen, waarheen dat wist ik niet. Ik was te zwak de oogen nog weer op te slaan en terwijl zij mij wegbrachten viel ik in slaap.

Hoelang ik geslapen heb weet ik niet. Toen ik eindelijk ontwaakte viel het mij volstrekt niet moeielijk mijn oogen te openen en ik was lang niet meer zoo zwak als ik geweest was. Ik kon mijn tong weer een weinig bewegen en met mijn vinger in den mond komen om deze te reinigen van het geronnen bloed.

Tot mijn verbazing bevond ik mij in een soort van vierkant vertrek, welks wanden uit steenen muren bestonden. Het kreeg zijn licht door de ingangsopening die door geen deur was afgesloten. Mijn legerstede bevond zich in den achtersten hoek waar men verscheidene berenvellen op elkander had gestapeld, terwijl een mooie Indische deken over mij heen was gespreid. In den hoek naast de deur zaten twee Indiaansche vrouwen, een jonge en een oude. De oude was leelijk als de meeste oude, roode squaws, een gevolg van overwerken, want de vrouwen moeten alles, zelfs het zwaarste werk verrichten, terwijl de mannen alleen leven voor den oorlog en voor de jacht en den overigen tijd met nietsdoen doorbrengen. De jonge vrouw was mooi, heel mooi zelfs. Ware zij Europeesch gekleed geweest dan zou zij in elk salon bewondering hebben opgewekt. Zij droeg een lang, lichtblauw gewaad aan den hals gesloten en om het middel door een slangenhuid te zamen gebonden. Haar eenig sieraad was haar lang, prachtig haar dat in twee blauw-zwarte vlechten tot ver over de heupen neerviel. Dit haar herinnerde mij aan dat van Winnetou. Ook haar gelaatstrekken deden mij aan hem denken. Zij had dezelfde donkere, zachte oogen die onder de lange, zware wimpers verborgen lagen. Van de breede Indiaansche kakebeenen was niets bij haar te zien. De zachte, volle wangen vereenigden zich tot een kin, waarin een schalksch kuiltje. Zij sprak, zeker om mij niet te wekken, zacht met de oude vrouw en toen zij den mooi gevormden mond tot een glimlach plooide, blonken de witte tanden als ivoor tusschen de volle roode lippen. De fijngevormde neus had eerder op Grieksche, dan op Indiaansche afkomst kunnen wijzen. De kleur van haar huid was koper brons met een glans van zilver. Het meisje moest ongeveer achttien jaar zijn en ik zou een weddenschap hebben willen aangaan dat het een zuster van Winnetou was.

De beide vrouwen waren bezig een wit gelooide lederen gordel met roode stiksels en arabesken te versieren. [180]

Ik richtte mij op, ja werkelijk, ik richtte mij op en dit viel mij niet zwaar, terwijl ik, voor ik was ingeslapen van zwakte nauwelijks de oogen had kunnen openen. De oude vrouw hoorde mij, keerde zich om en riep terwijl zij naar mij wees:

—Oef! Agnan tinta!

Dit beteekent: hij is wakker. Het jonge meisje stond onmiddellijk op en kwam naar mij toe.

—Gij zijt wakker geworden,—zeide zij tot mijn verbazing in tamelijk vloeiend Engelsch.—Verlangt gij iets?

Ik opende wel den mond om te antwoorden, maar sloot dien weer want ik wist dat ik niet kon spreken. Misschien evenwel zou het beter gaan wanneer ik opzat. Ik deed dit en nu kon ik zeggen:

—Ja.… ik heb zelfs.… veel te vragen.

Wat was ik blij dat ik mijn eigen stem weer hoorde! Zij klonk mij wel is waar wat vreemd, de woorden kwamen er stootend en piepend uit, maar het waren toch woorden, nadat ik drie weken lang niet in staat was geweest een lettergreep uit te spreken.

—Spreek zacht of spreek door gebaren,—zeide zij.—Nscho-tschi hoort dat het spreken u pijn doet.

—Nscho-tschi is uw naam?—vroeg ik.

—Ja.

—Dank dengeen, die u dien gegeven heeft. Gij kondt geen beteren naam dragen, want gij zijt als een mooie voorjaarsdag waarop de eerste bloemen des jaars beginnen te geuren.

Nscho-tschi beteekent namelijk: „mooie dag”.

Zij bloosde een weinig en vroeg:

—Vertel mij wat gij verlangt.

—Zeg mij eerst of gij misschien voor mij hier zijt.

—Ja, het is mij opgedragen u te verplegen.

—Wie heeft u dat opgedragen?

—Winnetou, mijn broeder.

—Ik dacht wel dat hij uw broeder was, gij gelijkt op dien jongen, dapperen krijgsman.

—Gij hebt hem willen dooden!

Dit klonk half als een verwijt, half als een vraag en zij zag mij daarbij zoo onderzoekend in de oogen, alsof zij in mijn hart wilde lezen.

—Neen, antwoordde ik.

—Hij meent het en houdt u voor zijn vijand. Gij hebt hem, dien nog niemand te voren heeft overwonnen, tweemaal verslagen.

—Eenmaal om hem te redden en eenmaal omdat hij mij wilde dooden. Ik had reeds genegenheid voor hem opgevat toen ik hem voor de eerste maal zag. [181]

Wederom rustte haar blik langen tijd op mij, toen zeide zij:

—Hij gelooft u niet en ik ben zijn zuster. Hebt gij pijn in den mond?

—Nu niet meer.

—Zoudt gij niet kunnen slikken?

—Ik zou het wel eens willen beproeven. Moogt gij mij water te drinken geven?

—Ja en ook wel om te wasschen, ik zal het gaan halen.

Zij ging met de oude vrouw weg. Wat moest ik hiervan denken? Winnetou hield ons voor zijn vijanden, sloeg geen geloof aan onze verzekeringen van het tegendeel en gaf mij toch zijn eigen zuster tot verpleegster! De redenen daarvan zouden mij misschien later duidelijk worden.

Na eenigen tijd kwamen de beide vrouwen terug. De jongste had een soort bruin aarden nap in de hand, zooals de Pueblo-Indianen ze plegen te maken, vol helder koud water. Zij scheen mij nog te zwak te vinden om alleen te drinken en hielp mij dus. Het slikken deed mij pijn, veel pijn, maar het ging toch, het moest en in kleine slokjes en met lange tusschenpoozen dronk ik den nap leeg. Hoe verkwikte mij dit! Nscho-tschi scheen mij dit aan te zien, want zij zeide:

—Dat heeft u goedgedaan, ik zal u straks nog wat anders brengen. Gij zult wel veel honger en dorst hebben. Wilt gij u wasschen?

—Zou ik het kunnen?

—Probeer het.

De oude vrouw had een uitgeholde kalebas vol water meegebracht. Nscho-tschi zette dit naast mijn bed neer en gaf mij een uit fijne, zachte weefsels gevlochten handdoek. Ik probeerde mij te wasschen maar het ging niet, ik was te zwak. Nu doopte zij een tip van den doek in het water en begon mijn gezicht en handen te reinigen, mij, den vermeenden doodsvijand van haar broeder en haar vader. Toen zij gereed was, vroeg zij mij met een zachten maar medelijdenden glimlach:

—Zijt gij altijd zoo mager geweest als nu?

Mager? Daaraan had ik nog in ’t geheel niet gedacht! Drie weken lang wondkoorts en verstijvingskramp en in al dien tijd geen eten en drinken! Dat kon natuurlijk niet zonder uitwerking blijven! Ik bevoelde mijn wangen en antwoordde toen:

—Ik ben nooit mager geweest!

—Bekijk dan nu eens uw gezicht in het water!

Ik zag in de kalebas en week verschrikt achteruit, want ik zag in het water het beeld van een skelet, een spook! [182]

—Wat een wonder, dat ik nog leef!—riep ik uit.

—Ja, dat zeide Winnetou ook. Gij hebt zelfs den langen rit naar hier doorstaan. De Groote, Goede Geest heeft u een buitengewoon sterk lichaam gegeven, want een ander zou het geen vijf dagen hebben volgehouden.

—Vijf dagen? Waar zijn wij dan nu?

—In onzen Pueblo (steenen bouwwerken der Indianen) aan de Rio Pecos.

—Zijn al uw krijgers, die ons gevangen namen hierheen teruggekeerd?

—Ja, allen, zij wonen in de nabijheid van de Pueblo.

—En zijn de gevangen Kiowa’s ook hier?

—Zij ook. Eigenlijk moesten zij gedood worden. Ieder andere stam zou hen dood martelen, maar de goede Kleki-Petra is onze leermeester geweest en heeft ons verteld van de goedheid van den Grooten Geest. Als de Kiowa’s de boete betalen, mogen zij huiswaarts keeren.

—En mijn drie vrienden? weet gij ook, waar zij zijn.

—Zij zijn in een soortgelijke ruimte als deze, maar daar is geen licht en zij zijn gebonden.

—Hoe gaat het hen?

—Zij lijden geen gebrek, want wie aan den folterpaal sterven zal, moet krachtig en sterk zijn, opdat hij het lang kan volhouden anders is het geen straf voor hem.

—Dus moeten zij sterven—werkelijk sterven?

—Ja.

—Ik ook?

—Gij ook.

In den toon waarop zij dit zeide, lag geen zweem van medelijden. Was dat mooie meisje zóó gevoelloos, dat de pijnlijke dood, dien wij zouden ondergaan haar geheel onverschillig liet?

—Zeg mij, of ik hen misschien nog eens mag spreken.

—Dat is verboden.

—Mag ik hen ook niet zien, zelfs niet uit de verte?

—Ook dat niet.

—Mag ik hun dan een boodschap zenden?

—Dat evenmin.

—Hun niet laten weten hoe het met mij gaat?

Zij bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen:

—Ik zal Winnetou, mijn broeder vragen of ik hun van tijd tot tijd bericht mag zenden hoe het u gaat!

—Komt Winnetou niet eens bij mij? [183]

—Neen.

—Maar ik moet hem spreken.

—Hij u niet.

—Wat ik hem te zeggen heb is van zeer veel gewicht.

—Voor hem?

—Voor mij en mijn kameraden.

—Hij zal niet komen, maar ik kan het hem zeggen als het ten minste iets is, dat gij mij kunt toevertrouwen.

—Neen, ik dank u! Ik zou het u wel kunnen zeggen, ik zou u alles wel kunnen toevertrouwen, maar als hij te trotsch is met mij te komen spreken, dan ben ik op mijn beurt te trotsch om door tusschenkomst van een derde met hem te spreken.

—Gij zult hem niet eerder zien, dan op den dag van uw dood. Wij gaan nu heen. Als gij iets noodig hebt, geef dan een teeken. Wij hooren dit wel en dan zal er onmiddellijk iemand bij u komen.

Zij haalde een klein steenen fluitje uit haar zak en gaf het mij, toen verwijderde zij zich met de oude vrouw.

Was het niet een vreemde positie waarin ik mij bevond? Ik was doodziek en werd goed verzorgd om krachten te verkrijgen voor het ondergaan van een langzamen, pijnlijken dood. Hij, die mijn dood eischte liet mij door zijn eigen zuster verplegen in plaats van door een oude, onzindelijke, leelijke Indiaansche squaw! Het behoeft niet gezegd te worden, dat mijn gesprek met Nscho-tschi niet zoo vlot ging als ik dit heb opgeschreven. Het spreken deed mij zeer veel pijn en ging met groote moeilijkheden gepaard; ik sprak zeer langzaam en moest meermalen een oogenblik wachten om nieuwe krachten te verzamelen. Het vermoeide mij niet weinig en ik viel dan ook in slaap zoodra het jonge meisje was heengegaan. Toen ik eenige uren later wakker werd, had ik een vreeselijken dorst en een waarlijk onuitstaanbaren honger. Ik beproefde het toovermiddel en blies op mijn fluitje. Onmiddellijk stak de oude vrouw, die voor de deur had gezeten, het hoofd naar binnen en vroeg of ik wilde eten of drinken. Ik knikte toestemmend. Eenigen tijd daarna kwam Nscho-tschi met een aarden schotel en een lepel. Zij knielde naast mijn bed en voerde mij met den lepel evenals een klein kind, dat nog niet alleen kan eten. De Indianen hebben anders geen dergelijke gereedschappen, Kleki-Petra had hun het gebruik hiervan geleerd.

De schotel bevatte een zeer dikke brij van vleesch met maïsmeel, dat de Indianen tusschen twee steenen fijn wrijven. Kleki-Petra had evenwel voor de huishouding van Intschu Tschuna een [184]soort van handmolen gemaakt, die mij later als een groote bezienswaardigheid werd gewezen. Het eten viel mij natuurlijk nog veel moeielijker dan het drinken, ik kon het bij elken lepelvol wel van pijn uitgillen, maar de natuur eischte haar rechten en als ik niet wilde verhongeren moest ik wel eten. Ik liet dus zoo weinig mogelijk merken van de pijn die ik leed, maar kon niet verhinderen dat de tranen mij in de oogen kwamen. Nscho-tschi zag dit wel en zeide toen ik den laatsten lepel vol had opgehapt:

—Gij zijt doodelijk zwak, maar toch een sterke man, een held! Waart gij toch maar als Apache geboren en niet als een leugenachtige blanke!

—Ik lieg niet, ik lieg nooit; dat zult gij nog eenmaal inzien!

—Ik zou u zoo gaarne willen gelooven; maar ik heb nog maar één blanke gezien, die nooit loog en dat was Kleki-Petra dien wij zóó hoog vereerden. Zijn lichaam was misvormd, maar hij had een helderen geest en een eerlijk liefdevol hart. Gij hebt hem vermoord, zonder dat hij u iets kwaads had gedaan, daarom zult gij sterven en met hem begraven worden.

—Hoe? Is hij nog niet begraven?

—Neen.

—Maar zijn lijk kan toch onmogelijk zoolang bewaard blijven!

—Hij ligt in een stevige kist door welke geen lucht kan heendringen, gij zult deze kort voor uw dood te zien krijgen.

Na deze troostvolle verzekering verwijderde zij zich. Ik kon mij evenwel niet eigen maken met het denkbeeld, dat ik werkelijk zou sterven. Integendeel, ik was bijna overtuigd dat ik zou blijven leven; ik bezat immers een onfeilbaar middel om onze onschuld te bewijzen in de haarlok, die ik Winnetou had afgesneden, den nacht toen ik hem bevrijdde.

Maar bezat ik die werkelijk nog? Had men haar mij niet afgenomen? Ik schrikte onwillekeurig toen ik mij zelf deze vragen stelde, ik had gedurende de weinige oogenblikken dat ik bij kennis was geweest er niet aan gedacht, dat de Indianen hun gevangenen geheel plegen uit te plunderen. Ik moest dus mijn zakken onderzoeken.

Men had mij mijn kleeren laten behouden en men kan zich voorstellen wat het wil zeggen, drie weken lang met een hevige wondkoorts te liggen in dezelfde kleeren welke men reeds eenigen tijd droeg. Er zijn dingen die men kan beleven en doorstaan, maar die men in een boek niet kan neerschrijven. De lezer van zulk een boek benijdt wel eens den man die zooveel heeft gereisd en beleefd, maar als hij alles eens wist, zou hij zich wel wachten zijn voorbeeld te volgen. Hoe dikwijls krijg ik brieven van lezers die mij vol [185]geestdrift schrijven dat zij dergelijke reizen willen ondernemen. Zij vragen mij naar de kosten, naar de uitrusting, weinigen echter naar de kennis die men daarvoor noodig heeft, of de talen, welke men vooraf moet leeren. Deze jonge avonturiers genees ik dikwijls van hun plannen door oprecht allerlei dingen te vertellen, welke ik hier maar liever wil verzwijgen.

Ik doorzocht dus mijn zakken en vond tot mijn groote verbazing dat ik alles en alles nog bezat, men had mij alleen mijn wapens afgenomen. Ik deed mijn sardinendoos open, de papieren zaten er nog in en daartusschen lag de haarlok van Winnetou. Ik deed hem weer in de doos en legde mij kalm te slapen. Nauwelijks was ik tegen den avond weer ontwaakt of Nscho-tschi kwam zonder voorafgaand teeken bij mij met voedsel en frisch water. Ik at ditmaal zelf en deed haar intusschen verschillende vragen, welke zij naar haar beste weten beantwoordde. Er waren echter vele dingen, die ik niet mocht weten. Zoo vroeg ik haar ook, waarom men mij alles had laten behouden.

—Winnetou, mijn broeder heeft het bevolen,—antwoordde zij.

—Weet gij ook waarom?

—Neen, ik heb er niet naar gevraagd. Maar ik kan u iets anders vertellen.

—Wat dan?

—Ik ben bij de drie blanken geweest die met u gevangen zijn genomen.

—Gij zelf?—vroeg ik verheugd.

—Ja, ik heb hun gezegd dat gij u beter gevoelt en spoedig weer gezond zult zijn. Toen verzocht mij de oude man, die Sam Hawkins heet, u iets te geven dat hij gedurende de drie weken, waarin hij u verpleegde, voor u heeft gemaakt.

—Wat is dat?

—Ik heb Winnetou gevraagd of ik het u mocht geven en hij heeft het toegestaan. Hier is het. Gij moet een sterk en dapper man zijn, dat gij het waagt den grijzen beer enkel met een mes aan te vallen. Sam Hawkins heeft het mij verteld.

Zij gaf mij een ketting, door Sam gemaakt van de tanden en klauwen van den beer, ook de beide ooren waren er bij.

—Hoe heeft hij dat kunnen maken?—vroeg ik verwonderd.—Niet alleen met de handen. Heeft men hem zijn mes en zijn andere gereedschappen laten behouden?

—Neen, gij zijt de eenige dien men niet alles heeft afgenomen. Maar hij vertelde aan mijn broeder, dat hij dezen ketting wilde maken en verzocht de klauwen en tanden terug te mogen hebben. [186]Winnetou voldeed aan dezen wensch en gaf hem ook de gereedschappen welke hij noodig had. Draag hem nu dadelijk, gij zult er niet lang pleizier van hebben.

—Omdat ik nu spoedig moet sterven?

—Ja.

Zij nam mij den ketting uit de hand en hing ze mij om den hals. Van dien dag af heb ik hem altijd gedragen. Daarop antwoordde ik de jonge Indiaansche:

—Dit aandenken hadt gij mij ook later kunnen brengen, want ik zal het naar ik hoop nog vele jaren dragen.

—Neen, maar kort, zeer kort.

—Dat geloof ik niet, uw krijgers zullen mij niet dooden.

—Zeker, het is in den raad der Ouden besloten.

—Maar zij zullen dit besluit veranderen als zij hooren dat ik onschuldig ben.

—Zij gelooven het niet!

—Zij moeten het gelooven, want ik kan het hun bewijzen.

—Bewijs het dan, bewijs het dan, ik zou er mij zoo over verheugen als ik hoorde, dat gij geen leugenaar en geen verrader zijt. zeg mij waarmee gij het kunt bewijzen, opdat ik het Winnetou, mijn broeder kan mededeelen.

—Hij kan hier komen om het te vernemen.

—Dat doet hij niet.

—Dan verneemt hij het ook niet. Ik ben niet gewend vriendschap af te smeeken of door een bode te onderhandelen met iemand, die zelf hier kan komen.

—Wat zijt gij krijgers toch stijfkoppige menschen. Ik zou u zoo gaarne Winnetou’s vergiffenis hebben willen brengen, maar zoo krijgt gij ze niet.

—Vergiffenis heb ik niet noodig, want ik heb niets gedaan wat moet worden vergeven. Maar ik wil wel een anderen dienst van u vragen.

—Welken dan?

—Wanneer gij weer eens bij Sam Hawkins komt, zeg hem dan dat hij geen zorg behoeft te hebben. Zoodra ik geheel genezen zal zijn, zullen wij vrij zijn.

—Geloof dat toch niet! Deze hoop kan niet worden vervuld.

—Het is niet enkel hoop, het is mijn vaste overtuiging. Gij zult later bekennen, dat ik gelijk heb gehad.

De toon, waarop ik dit zeide was zoo overtuigend, dat zij niet langer tegensprak en heenging.

Mijn gevangenis lag dus aan de Pecosrivier, of ten minste aan [187]een zijtak daarvan, want wanneer ik door de deur zag, viel mijn oog op den tegenoverliggenden rotswand die niet ver van ons was verwijderd, terwijl het dal van de Rio Pecos veel breeder moest zijn. Gaarne had ik den Pueblo, in of op welken ik mij bevond gezien, maar ik kon niet van mijn legerstede opstaan en zelfs wanneer ik sterk genoeg was geweest om te loopen, wist ik nog niet of het mij geoorloofd zou zijn de ruimte te verlaten. Toen het donker werd, kwam de oude vrouw bij mij en zette zich in den hoek neer. Zij bracht een lamp mee, uit een uitgeholde kalebas gemaakt, die den geheelen nacht brandde. Deze oude vrouw had meer het grove werk te doen, terwijl Nscho-tschi om zoo te zeggen, als gastvrouw optrad.

Ik sliep dien nacht weer kalm en rustig en gevoelde mij den volgenden morgen weer sterker en gezonder dan den vorigen dag. Zesmaal werd mij dien dag eten gebracht, steeds dezelfde vleeschbrij met maïsmeel, een voedzame en lichtverteerbare kost. Mijn toestand werd van dag tot dag beter. Het skelet kreeg weer vleesch en het gevoel in den mond nam steeds af. Nscho-tschi bleef dezelfde voor mij, steeds vriendelijk bezorgd en daarbij vast overtuigd dat mijn einde naderde. Later bemerkte ik, dat haar oog, wanneer zij zich onopgemerkt waande met een weemoedigen stil vragenden blik op mij rustte. Het was alsof zij mijn lot begon te betreuren en ik had haar dus onrecht aangedaan, toen ik veronderstelde, dat zij geen gevoel had. Ik vroeg haar of het mij veroorloofd was, mijn kerker, waarvan de deur altijd openstond te verlaten, maar zij kon dit niet toestaan en vertelde mij, dat er dag en nacht twee wachters voor de deur waren gezeten, die mij ook nu nog bewaakten. Alleen aan mijn zwakheid had ik te danken dat ik niet gebonden was geweest en zij vreesde, dat men dit nu wel spoedig zou doen.

Ik diende dus voorzichtig te zijn. Wel vertrouwde ik op mijn haarlok, maar mocht het middel falen en men dit bewijs niet aannemen, dan moest mijn lichaamskracht mij redden en ik moest deze dus oefenen. Maar hoe?

Ik lag, alleen wanneer ik sliep, op de berenvellen, anders zat ik op of liep in het vertrek op en neer. Op een morgen vertelde ik aan Nscho-tschi, dat ik dat op de hurken zitten niet gewend was en vroeg haar of ik niet een steen mocht hebben, waarop ik kon zitten. Deze wensch werd aan Winnetou overgebracht en hij zond mij dadelijk steenen van verschillende grootte, de zwaarste woog ongeveer honderd pond. Met deze steenen oefende ik mij zoo dikwijls ik alleen was. Tegenover mijn verpleegsters wendde ik nog steeds zwakheid voor, in werkelijkheid evenwel viel het mij reeds na veertien dagen niet meer moeielijk den grooten steen eenige malen na elkander [188]op te heffen. Langzamerhand ging dit nog beter en toen de derde week voorbij was, wist ik, dat ik mijn oude lichaamskracht weer geheel terug had gekregen.

Ik was nu zes weken hier en had nog niet gehoord dat de gevangen Kiowa’s ontslagen waren geworden. Het was een groote last voor de Apachen, ongeveer tweehonderd man zoolang te moeten voeden, maar ik vermoedde wel, dat de Kiowa’s daarvoor moesten betalen! Hun losgeld werd daardoor veel hooger.

Op een mooien zonnigen herfstmorgen bracht Nscho-tschi mij mijn ontbijt, maar in plaats van zich zooals zij in dien laatsten tijd steeds had gedaan, dadelijk te verwijderen, ging zij naast mij zitten terwijl ik at. Haar oog bleef met een vochtigen glans op mij rusten en eindelijk rolde een traan over haar wang.

—Gij weent?—vroeg ik,—wat is er gebeurd dat u zoo bedroefd maakt?

—Vandaag zal het gebeuren.

—Wat?

—De Kiowa’s worden vrijgelaten en gaan weg. Hun boden zijn vannacht aangekomen met al de voorwerpen die wij van hen hebben geëischt.

—En maakt u dat zoo bedroefd? Gij moest toch eigenlijk blij daarover zijn.

—Gij weet niet wat gij zegt en vermoedt niet, wat u wacht. Het afscheid der Kiowa’s zal hiermee gevierd worden, dat gij met uw drie blanke broeders aan den folterpaal wordt gebonden.

Ik had dit reeds lang aan zien komen en schrok toch, toen ik het hoorde. Dus vandaag was de beslissende dag, misschien mijn laatste! Wat zou er met mij gebeurd zijn, wanneer deze dag ten einde zou wezen? Ik huichelde onverschilligheid en at, schijnbaar kalm verder en toen ik klaar was, reikte ik haar den schotel over. Zij nam dien aan, stond op en ging heen. Bij de deur keerde zij zich om, kwam weer naar mij toe, reikte mij de hand en zeide, haar tranen niet langer bedwingend:

—Ik kan nu voor ’t laatst tot u spreken. Vaarwel! Gij wordt Old-Shatterhand genoemd en zijt een dapper krijgsman. Wees sterk wanneer zij u martelen! Nscho-tschi is zeer bedroefd over uw dood, maar zij zou zich zeer verheugen, wanneer geen pijn in staat was een enkele klacht over uw lippen te brengen. Doe mij dit genoegen en sterf als een held!

Na deze bede snelde zij heen. Ik ging in de deur staan om haar na te zien, maar onmiddellijk werden de loopen van twee geweren op mij gericht, de wachters deden hun plicht. Had ik één schrede [189]verder gedaan, dan was ik neergeschoten geworden of ten minste zoo verwond dat ik niet verder kon. Aan vluchten behoefde ik dus niet te denken en snel trok ik mij in mijn gevangenis terug.

Wat zou ik doen? Het beste was in elk geval kalm af te wachten en in het gegeven oogenblik de uitwerking van de haarlok te beproeven. De blik dien ik zooeven naar buiten had geworpen was voldoende geweest om mij te overtuigen dat elke gedachte aan vluchten een dwaasheid was. Ik had wel is waar van Indiaansche Pueblos gelezen, maar er nog nooit een gezien. Zij zijn gebouwd ter verdediging en beantwoorden volkomen aan hun bestemming. Gewoonlijk vullen zij diepe rotsspleten, bestaan doorgaans uit vast muurwerk en vormen verschillende verdiepingen. Ieder hoogere verdieping springt een stuk achteruit, zoodat er een platvorm voor ligt, dat weer de zolder is van een lagere verdieping. Het geheel geeft den indruk van een pyramide met trappen. Het parterre springt dus het verst vooruit en is het breedst, terwijl de volgende étages telkens smaller worden.

Deze étages zijn niet, gelijk bij ons van binnen door trappen verbonden, maar men bereikt ze van buiten door middel van ladders, welke neergezet en weer weggenomen kunnen worden. Nadert de vijand dan worden deze ladders verwijderd en ook al had deze zelf ladders meegebracht, dan nog zou hij die verdieping afzonderlijk moeten bestormen en zich blootstellen aan de geweerschoten der op een hooger platvorm staande verdedigers, die van hun kant volkomen veilig zijn voor de wapens der aanvallers.

Op zulk een pyramide-achtigen Pueblo bevond ik mij nu en wel zooals ik nu gezien had, op de achtste of negende verdieping daarvan. Hoe zou men hieruit kunnen vluchten, daar zich op alle lager gelegen platformen Indianen bevonden! Neen, ik moest blijven! Ik ging dus op mijn legerstede liggen en wachtte.

De uren die nu volgden waren verschrikkelijk, de tijd scheen niet voorbij te gaan en het werd middag voor er iets gebeurde van wat de Indiaansche mij had voorspeld. Ik hoorde buiten naderende voetstappen en Winnetou kwam binnen met vijf Apachen. Ik bleef kalm liggen. Hij zag mij lang en onderzoekend aan en zeide toen:

—Old-Shatterhand moet mij zeggen of hij zich nu weder geheel gezond gevoelt.

—Nog niet geheel, antwoordde ik.

—Maar gij kunt nu weer spreken, naar ik hoor?

—Ja.

—En ook loopen?

—Dat denk ik wel. [190]

—Hebt gij leeren zwemmen?

—Een weinig.

—Dat is goed, want gij zult moeten zwemmen. Herinnert gij u nog, op welken dag gij mij zoudt weerzien?

—Op den dag van mijn dood.

—Gij hebt het goed onthouden. Deze dag is aangekomen. Sta op; gij zult worden gebonden.

Het zou onzinnig geweest zijn aan dezen eisch niet te gehoorzamen. Er stonden zes roodhuiden voor mij en ik alleen kon dus niets tegen hen doen. Ik had wel eenigen van hen kunnen neerslaan, maar ik zou hiermede niets anders hebben bereikt dan dat men mij nog strenger zou behandelen. Ik stond dus van mijn legerstede op en stak mijn handen uit, zij werden gebonden en bovendien kreeg ik twee riemen om de beenen en wel zoo, dat ik slechts langzaam kon gaan, maar onmogelijk in snelle sprongen kon ontkomen. Toen bracht men mij naar buiten op het platform.

Van hier voerde een ladder naar de étage daarbeneden, het was niet een ladder zooals wij hebben, maar een sterke houten paal met diepe inkervingen, die als treden dienst doen. Eerst gingen drie roodhuiden naar beneden, dan moest ik volgen, wat mij, ondanks mijn banden niet moeielijk viel, dan kwamen de anderen. Op deze wijze ging het van de eene verdieping naar de andere, steeds naar beneden. Op alle platformen stonden vrouwen en kinderen die mij zwijgend, maar met nieuwsgierige blikken aanstaarden en dan achter ons aankwamen. Zij telden te zamen, toen wij eindelijk beneden waren, zeker wel honderd personen en vormden ook later het publiek, dat van het schouwspel van onzen dood zou genieten.

Het was zooals ik had vermoed: de Pueblo lag in een smal zijdal, dat op het breede dal van den Rio Pecos uitliep.

Naar dit dal werd ik heengevoerd. De Pecos is over ’t geheel geen waterrijke rivier en heeft in den zomer en in den herfst nog minder water dan in den winter en in het voorjaar, maar er zijn diepe plaatsen, waar men in het warme jaargetijde bijna geen verschil van waterstand kan zien. Bij deze plaatsen vindt men grasrijke weiden, welke de Indianen er toe doen besluiten hier hun tenten op te slaan. Zulk een plek zag ik voor mij liggen.

Het dal was wel een goed half uur breed en aan beide oevers, links en rechts van ons met bosch en kreupelhout begroeid, waaraan groene weiden grensden. Juist voor ons evenwel was een plek waar geen boom was te zien, maar ik had geen tijd over de oorzaak hiervan na te denken. Daar, waar het zijdal uitliep in het groote dal, was op beide oevers een strook zand, en wel vijfhonderd pas breed, het [191]geleek in de verte een lichte streep, welke dwars over het groene dal van den Rio Pecos was getrokken. Op deze breede, zandige vlakte was geen gras, geen boom, geen struik te zien, behalve een reusachtige ceder, welke aan den overkant midden op deze onvruchtbare vlakte stond.

Hij stond op geruimen afstand van den oever, en was door Intschu Tschuna bestemd een rol te spelen bij de gebeurtenissen van dezen dag.

Aan den eenen oever heerschte leven en beweging. Hier zag ik den ossenwagen, dien de Apachen hadden buitgemaakt en meegenomen. Aan den anderen kant van de zandvlakte weidden de paarden, door de Kiowa’s meegebracht om de gevangenen los te koopen. Daar waren ook de tenten opgeslagen en de verschillende wapens neergelegd, welke eveneens als losprijs dienst deden. Daartusschen zag ik Intschu Tschuna met enkelen van zijn lieden, die deze oorlogsschatting hadden te taxeeren. Tangua was bij hen, want men had hem en de overige gevangenen reeds vrijgelaten. Een enkele blik op het gewoel van deze roode, fantastisch gekleede gestalten zeide mij, dat hier zeker meer dan zeshonderd Apachen bijeen waren. Toen zij ons aan zagen komen, vormden zij snel een half cirkelvormigen kring om den ossenwagen, waarheen ik gevoerd werd. De Kiowa’s plaatsten zich bij hen.

Toen wij den wagen hadden bereikt, zag ik Hawkins, Stone en Parker, die daar gebonden stonden, niet evenwel aan den wagen, maar aan palen, welke vast en stevig in den grond waren geslagen. Een vierde paal was nog onbezet en aan dezen werd ik vastgebonden. Dit waren dus de folterpalen, aan welke wij ons leven op een ellendige, pijnlijke en schandelijke wijze zouden eindigen! Zij waren naast elkander geplaatst en wel met zulke kleine tusschenruimten, dat wij gemakkelijk met elkander konden spreken. Sam was naast mij, dan volgden Stone en Parker. In onze nabijheid lagen hoopen droog hout, bestemd om ons heen te worden gestapeld, wanneer wij na allerlei martelingen te hebben doorstaan ten slotte verbrand zouden worden.

Mijn drie metgezellen schenen gedurende hun gevangenschap ook geen gebrek te hebben geleden, want zij zagen er wel doorvoed uit. Hun gezichten stonden echter niet erg opgewekt.

—Zoo sir, zijt gij daar ook?—zeide Sam.—’t Is een mooie operatie, welke zij met ons voorhebben en ik vrees, dat wij ze wel niet zullen doorstaan. Het sterven en doodgeslagen worden, grijpt het lichaam zóó aan dat men het maar zelden overleeft. Wij zullen ook nog verbrand worden, als ik mij niet vergis. Wat zegt gij daarvan, sir? [192]

—Hebt gij hoop op redding, Sam?—vroeg ik hem.

—Ik zou niet weten waar redding vandaan moest komen. Ik heb drie weken lang mijn hoofd er mee gebroken, maar ik heb geen enkele mogelijkheid kunnen bedenken. Wij zaten in een duister rotshol, waren stevig gebonden en werden bovendien goed bewaakt. Hoe zal men dan vluchten? Hoe hebt gij het gehad?

—Zeer goed.

—Ik geloof het, gij ziet er goed uit. Gij zijt zeker gevoed als een gans, die op St. Martinus gebraden moet worden.

—Spreken kan ik gelukkig weer en het gezwel in den mond zal ook wel spoedig geheel genezen zijn.

—Daarvan ben ik overtuigd. Dat gezwel zal vandaag radicaal genezen worden, er zal niets van overblijven, evenmin als van u, zelf niets dan een hoopje asch. Ik zie nergens uitkomst en toch heb ik een gevoel alsof ik niet zal sterven. Gij moogt het gelooven of niet, maar ’t is mij alsof er plotseling de een of andere redder zal komen opdagen.

—’t Is mogelijk! Ook ik heb alle hoop nog niet opgegeven. Ik zou zelfs durven wedden dat wij ons vanavond in den besten welstand zullen bevinden.

—Dat kunt gij alleen zeggen, zoo’n greenhorn! In den besten welstand bevinden! Ik zal blij zijn als ik nog besta en niet reeds ter ziele ben!

—Ik heb u immers dikwijls gezegd en ook bewezen dat ik wel weet wat ik zeg.

—Zoo? Wat wilt ge daarmee zeggen? Gij zegt dat op zulk een eigenaardigen toon. Is u misschien de een of andere gelukkige gedachte ingevallen.

—Ja.

—En welke? en wanneer?

—Op den avond dat het Winnetou en zijn vader gelukte te ontvluchten.

—Kwam u toen een gedachte in den zin? Zonderling. Dat zal ons nu niet veel helpen, want toen wist gij nog niet, dat wij binnenkort hier terecht zouden komen. En wat zou dat dan zijn? Vertel ons dat eens.

—Haarlok.

—Haarlok?—herhaalde hij verbaasd.—Zeg mij eens, sir, hoe staat het met uw bovenverdieping? Is het daar niet pluis?

—Ik geloof van wel.

—Maar wat bazelt gij dan van een haarlok? Heeft een vroeger [193]liefje u misschien eens een vlecht gegeven en wilt gij die nu den Apachen aanbieden?

—Neen, zij is van een man.

Hij zag mij aan als twijfelde hij aan mijn verstand, schudde het hoofd en zeide:

—Luister eens, het is werkelijk niet pluis in uw bol, dat is zeker het gevolg van uw ziekte. Waarschijnlijk zit die haarlok in uw hoofd en niet in uw zak, want ik zou niet weten, hoe wij door een haarlok van den folterpaal vrij zouden kunnen komen.

—Hm ja, misschien is het ook maar een dwaasheid van een „greenhorn” en wij moeten kalm afwachten of het iets geeft of niet. Wat het vrijkomen van den martelpaal betreft, ik ben vrij zeker dat ik voor mijn persoon er niet aan zal blijven hangen.

—Natuurlijk! als men u heeft verbrand, blijft gij er niet aanhangen.

—Ja, maar ik word losgemaakt voor men met martelen begint.

—Zoo? Welke reden hebt gij om dat te denken?

—Ik moet zwemmen.

—Zwemmen?—vroeg hij mij, terwijl hij mij weer aanzag als een dokter zijn krankzinnigen patiënt.

—Ja, zwemmen en dat kan ik toch aan dezen paal niet doen? Men moet mij dus wel losmaken.

—Zoo en wie heeft u gezegd dat gij moet zwemmen?

—Winnetou.

—En wanneer?

—Vandaag natuurlijk en wel zoo aanstonds.

—’t Is alsof er een zonnestraal door de wolken breekt, gij moet dus om uw leven kampen.

—Dat denk ik ook.

—Dan zullen wij dit eveneens moeten doen, want ik geloof niet, dat men u anders zal behandelen dan ons. In elk geval is onze toestand dan niet zoo hopeloos als ik vermoedde.

—Misschien kunnen wij ons nog redden.

—Oho. Verbeeldt u nu niet in eens zooveel! Als men ons om ons leven laat kampen dan zal men ’t ons zoo moeilijk mogelijk maken. Maar er zijn voorbeelden, dat in zulke gevallen blanken zich hebben weten te redden. Hebt gij zwemmen geleerd, sir?

—Ja.

—Maar hoe?

—Zoo, dat ik geloof door geen Indiaan te kunnen worden overtroffen.

—Verbeeldt u dat toch niet. Die kerels zwemmen als waterratten, als visschen. [194]

—En ik als een vischotter, die de visschen vangt en opeet.

—Wat een pochhans!

—Neen, het zwemmen is een mijner liefhebberijen geweest, hebt gij wel eens gehoord van watertrappen?

—Ja.

—Kunt gij dat.

—Neen, ik heb het ook nog nooit gezien.

—Dan zult ge dat wellicht vandaag kunnen bijwonen. Geeft men mij werkelijk gelegenheid mijn leven door zwemmen te redden, dan ben ik vast overtuigd dat ik dezen dag zal overleven!

—Ik help het u wenschen, sir! Ik hoop dat men ook ons in de gelegenheid stelt; dat is ten minste altijd beter dan hier aan den paal te blijven hangen. Ik wil liever vallen in den strijd, dan mij dood laten martelen.

Wij hadden ongehinderd met elkander kunnen spreken; Winnetou stond met zijn vader en Tangua niet ver van ons af, maar scheen niet op ons te letten en de overige Apachen waren druk bezig de orde te bewaren in den kring van toeschouwers, welke zich om ons vormde. Binnen in dien kring zaten de kinderen en achter dezen de meisjes en vrouwen bij wie ook Nscho-tschi zich bevond, die naar ik bemerkte zelden den blik van mij afwendde.

Dan kwamen de jonge knapen en daarachter stonden de volwassen krijgers. Nu verhief Intschu Tschuna die met Winnetou en Tangua tusschen ons en de toeschouwers stond, zijn stem en zeide zoo luide dat allen het konden hooren:

—Mijn roode broeders, zusters en kinderen en ook de mannen van den stam der Kiowa’s mogen hooren, wat ik hun te zeggen heb!

Hij hield even op en toen hij zag dat aller aandacht op hem gevestigd was, ging hij voort:

—De bleekgezichten zijn de vijanden der roode mannen. Er is slechts zelden een onder hen, wiens oog als vriend op ons heeft gerust. De edelste onder deze weinige bleekgezichten kwam tot het volk der Apachen om voor hen een vriend en broeder te zijn. Daarom gaven wij hem den naam van Kleki-Petra (blanke vader). Mijn broeders en zusters hebben hem allen gekend en liefgehad. Laat hen dat getuigen!

—Howgh!—klonk het in den kring.

De hoofdman vervolgde:

—Kleki-Petra heeft ons onderricht in alle dingen, welke wij niet kenden, maar goed en nuttig voor ons zijn; hij heeft ook gesproken van den godsdienst der bleekgezichten en van den Grooten Geest die de Schepper en Weldoener aller menschen is. Deze Groote Geest heeft bevolen, dat de roode en de blanke menschen elkander als [195]broeders zullen liefhebben. Hebben de bleekgezichten dit gedaan, hebben zij ons liefdevol bejegend? Neen! Mijn broeders en zusters mogen dit getuigen!

—Howgh!—klonk het in koor.

—Zij zijn veel meer hier gekomen om ons eigendom te ontrooven en ons uit te roeien. Dit gelukt hun, omdat zij sterker zijn dan wij. Daar, waar de buffels en mustangs graasden, hebben zij groote steden gebouwd, van welke al het kwaad uitgaat dat over ons komt. Waar eens de roode jager door het woud en over de savanna zwierf, daar loopt nu het dampende vuurros met de groote wagens, waarin het onze vijanden naar hier brengt. En wanneer de roode man voor hem vlucht en zich terugtrekt in de gronden en oerwouden, die men hem nog heeft gelaten, dan duurt het niet lang of hij ontmoet er bleekgezichten die hem gevolgd zijn om nieuwe wegen aan te leggen op den rechtmatigen grond van den roodhuid. Wij hebben zulke bleekgezichten ontmoet en vriendschappelijk met hen gesproken. Wij hebben hun gezegd, dat dit land ons eigendom was en hun niet toebehoorde. Zij hebben niets daartegen kunnen inbrengen en hebben het moeten erkennen. Maar toen wij van hen eischten dat zij heen zouden gaan en er van afzagen door onze legerplaatsen een weg te maken voor het vuurros, toen hebben zij aan dezen wensch niet voldaan en Kleki-Petra, dien wij liefhadden en vereerden, doodgeschoten. Mijn broeders en zusters mogen bevestigen dat ik de waarheid heb gesproken.

—Howgh!—klonk het luid en eenstemmig.

—Wij hebben het lijk van den vermoorde hierheen gebracht en bewaard tot op den dag der wraak; deze dag is nu aangebroken. Kleki-Petra zal heden begraven worden en met hem degene, die hem vermoord heeft. Met dezen hebben wij ook hen gevangen genomen, die bij dezen daad tegenwoordig waren. Zij zijn zijn vrienden en bondgenooten en hebben ons in de handen der Kiowa’s overgeleverd, maar zij ontkennen dit. Bij alle andere roode mannen zou, wat wij van hen weten, voldoende zijn om hen den marteldood te doen ondergaan, maar wij willen de leer van Kleki-Petra volgen en rechtvaardige rechters zijn. Daar zij niet wilden toegeven, dat zij onze vijanden zijn geweest, willen wij hen in verhoor nemen en daarna hun lot bepalen. Mijn broeders en zusters mogen hun toestemming geven.

—Howgh!—klonk het rondom.

—Luister sir, dat klinkt nog al gunstig voor ons,—zeide Sam tot mij,—als zij ons willen verhooren, staan de zaken niet zoo slecht voor ons als wij dachten. Ik hoop dat het ons zal gelukken, onze [196]onschuld te bewijzen. Ik zal dezen lieden alles zóó duidelijk maken, dat zij ons wel vrij zullen laten.

—Sam, dat gelukt niet,—antwoordde ik.

—Niet, waarom niet? Meent gij dat ik niet kan praten?

—O, het praten heeft men u als kind wel zoo wat geleerd, maar wij zijn nu al zes weken hier gevangen geweest en in al dien tijd is het u toch maar niet gelukt de Apachen tot andere gedachten te brengen.

—U ook niet, sir!

—Evenmin Sam; maar den eersten tijd kon ik niet spreken en sedert het mij weer mogelijk was de tong te bewegen, heb ik geen enkele roodhuid gezien. Gij zult dus wel moeten toegeven dat ik onmogelijk een poging heb kunnen doen om een van de aanvoerders te overtuigen.

—Doe het dan nu ook maar niet meer.

—Waarom niet?

—Omdat het u niet zal gelukken. Gij zijt als greenhorn veel te onervaren in zulke dingen en kunt er van overtuigd zijn dat gij ons niet zult helpen, integendeel, ons verder achteruit zult brengen. Gij zijt wel sterk, maar dat helpt ons niet veel, het komt nu vooral op scherpzinnigheid en listigheid aan en deze bezit gij niet. Gij kunt het niet helpen dat gij nu eenmaal zonder deze eigenschappen geboren zijt, maar daarom moet gij er u niet mee bemoeien en de verdediging aan mij overlaten.

—Dan wensch ik u beter succes dan gij tot nu toe gehad hebt, Sam.

—Gij zult hooren dat ik de zaak tot een goed einde breng!

Deze woordenwisseling had ongestoord kunnen plaats vinden, omdat ons verhoor niet dadelijk begon. Intschu Tschuna en Winnetou onderhielden zich zacht met Tangua en zagen ons daarbij nu en dan aan. Zij spraken dus over ons. De blikken der beide eersten werden hoe langer hoe duisterder en strenger en uit de houding van den Kiowa bleek duidelijk dat hij zijn best deed om ons bij de anderen verdacht te maken. Wie weet wat hij voor leugens van ons vertelde, om ons in ’t verderf te storten! Eindelijk kwamen zij op ons toe. De beide Apachen gingen rechts van ons staan terwijl Tangua zich links van mij posteerde. Nu zeide Intschu Tschuna tot ons met luider stem, zoodat allen het konden hooren:

—Gij hebt gehoord, wat ik zooeven heb gesproken, gij moet ons nu de waarheid zeggen en moogt u verdedigen. Beantwoordt dus de vragen welke ik tot u richt! Behoort gij tot de bleekgezichten die den nieuwen weg voor het ijzeren ros aanleggen?

—Ja, maar toch moet ik u zeggen dat wij drieën den weg niet [197]hebben opgemeten, maar enkel zijn meegekomen om de anderen te beschermen,—antwoordde Sam—en wat de vierde van ons betreft, Old-Shatterhand genoemd, zoo.…

—Zwijg!—viel de hoofdman hem in de rede. Gij hebt alleen mijn vragen te beantwoorden en behoeft verder geen woord te spreken. Doet gij dit toch, dan laat ik u geeselen, tot u de huid openspringt! Dus, gij behoort tot deze bleekgezichten? Antwoord kort met ja of neen.

—Ja,—zeide Sam, bang voor de slagen die hem anders wachtten.

—Heeft Old-Shatterhand mee opgemeten?

—Ja.

—En gij drieën beschermdet deze lieden?

—Ja.

—Dan zijt gij nog meer strafbaar dan zij, want wie dieven en moordenaars beschermt, heeft een dubbele straf verdiend. Was Rattler de moordenaar, een van uw kameraden?

—Ja, maar toch moet ik u zeggen, dat wij nooit vrienden van hem zijn ge.…

—Zwijg, hond!—begon Intschu Tschuna weer,—gij hebt mij alleen te zeggen, wat ik wil weten, en meer niet. Kent gij de wetten van de Far-West?

—Ja.

—Hoe wordt een paardendief gestraft?

—Met den dood.

—Wat is meer waard een paard of het groote land, dat aan de Apachen toebehoort?

Sam antwoordde niet om niet zelf zijn doodvonnis uit te spreken.

—Spreek, anders laat ik u met de lasso tot bloedens toe geeselen!

Toen bromde de kleine moedige Sam:

—Sla dan maar toe! Sam Hawkins laat zich niet tot spreken dwingen, als hij dit nu eenmaal niet wil!

Nu zag ik hem aan en verzocht:

—Spreek Sam, het is beter voor ons!

—Welnu,—antwoordde hij,—als gij het wilt, zal ik spreken, waar ik eigenlijk wilde zwijgen.

—Dus wat is meer waard, een paard of dit land?

—Het land.

—Dus heeft een landroover nog eerder den dood verdient dan een paardendief en gij hebt ons het land willen ontrooven. Daarbij komt nog, dat gij metgezel zijt van den man, die Kleki-Petra heeft vermoord. Dit maakt uw straf zwaarder. Als landroovers zoudt gij [198]doodgeschoten worden, zonder vooraf martelingen te ondergaan, nu gij evenwel moordenaars zijt, zult gij voor uw dood aan den martelpaal worden geslagen. Wij zijn echter nog niet gereed met de opsomming van uw misdaden. Hebt gij ons in de handen der Kiowa’s, onze vijanden overgeleverd?

—Neen.

—Gij liegt!

—Ik zeg de waarheid.

—Zijt gij ons niet met Old-Shatterhand gevolgd nadat wij u hadden verlaten?

—Ja.

—Dat is toch een bewijs van vijandschap?

—Neen. Gij hadt ons gedreigd en nu moesten wij weten of gij u werkelijk hadt verwijderd of niet. Gij hadt u ergens kunnen verbergen en op ons willen schieten. Daarom alleen reden wij u na.

—Waarom ging gij dan niet alleen? Waarom naamt gij dien Old-Shatterhand mee?

—Om hem te onderrichten in het lezen van sporen, hij is nog een nieuweling.

—Als gij zulke vreedzame bedoelingen hadt en ons enkel uit voorzichtigheid volgdet, waarom riept gij dan de hulp der Kiowa’s in?

—Omdat wij zagen, dat gij weggegaan waart en uw krijgers wildet halen om ons te overvallen.

—Was het dan noodig, u tot Kiowa’s te wenden?

—Ja.

—Was er geen andere uitweg?

—Neen.

—Gij liegt alweer. Om ons te ontkomen, hadt gij niet anders te doen dan wat ik u bevolen had, namelijk ons gebied te verlaten. Waarom hebt gij dat niet gedaan?

—Omdat wij niet konden gaan, vóór ons werk geëindigd was.

—Gij wildet dus den roof, dien ik u had verboden, geheel volvoeren en riept daarom de hulp der Kiowa’s in. Wie echter onze vijanden op ons afstuurt, is zelf ook onze vijand en moet gedood worden. Dat is een tweede reden, om u het leven te benemen. Maar gij hebt het niet aan de Kiowa’s alleen overgelaten, om ons te ontvangen, aan te vallen en te overwinnen, gij hebt hen daarbij geholpen. Stemt gij dit toe?

—Wat wij gedaan hebben, dat hebben wij alleen gedaan, om bloedvergieten te voorkomen.

—Wilt gij, dat ik u zal uitlachen? Zijt gij niet op ons afgegaan, toen wij kwamen? [199]

—Ja.

—Hebt gij ons beluisterd?

—Ja.

—En een geheele nacht in onze nabijheid doorgebracht? Is dit zoo of niet?

—Het is zoo.

—Hebt gij de bleekgezichten niet naar het water gebracht, om ons daarheen te lokken, en toen de Kiowa’s in het bosch verborgen, opdat zij ons gemakkelijk konden overvallen?

—Dat is waar, maar ik moet.…

—Zwijg! Ik wil een kort antwoord, maar geen lange redevoeringen. Wij werden in een val gelokt, wie heeft die uitgedacht?

—Ik.

—Ditmaal zegt gij de waarheid. Velen van ons werden gewond, enkelen gedood, de overigen gevangengenomen. Dat is uw schuld, dit vergoten bloed komt over u en is een derde reden om u te laten sterven.

—Ik was van plan, om.…

—Zwijg, ik heb u niets meer gevraagd. De Groote, Goede Geest zond ons een onbekenden, onzichtbaren redder. Ik kwam met mijn zoon Winnetou vrij. Wij slopen naar onze paarden, namen alleen die mee welke wij noodig hadden, opdat onze gevangen makkers, wanneer wij ze zouden hebben bevrijd, dadelijk hun paarden terug konden krijgen. Wij reden heen, om onze krijgers te halen, die tegen de Kiowa’s waren opgetrokken. Zij hadden hun spoor gevonden en waren hen gevolgd, vandaar, dat ik hen op mijn weg ontmoette en reeds den volgenden dag weer terug kon zijn. Toen is er wederom veel bloed vergoten, wij hebben in ’t geheel zestien dooden, nog daargelaten het groote aantal gewonden, al weer een reden om u te doen sterven. Gij hebt noch genade noch erbarmen te verwachten en.…

—Genade verlangen wij niet, maar alleen rechtvaardigheid,—viel Sam hem in de rede,—ik kan.…

—Wilt gij wel eens zwijgen hond!—riep Intschu Tschuna,—gij hebt alleen te spreken wanneer ik u iets vraag. Ik ben met u klaar. Daar gij echter van rechtvaardigheid spreekt, zal ik u niet naar uw eigen getuigenis veroordeelen, maar zal ik anderen tegenover u stellen. Tangua, de hoofdman der Kiowa’s mag in deze zaak meespreken. Zijn deze bleekgezichten onze vrienden?

—Neen,—antwoordde de Kiowa, wien men duidelijk aanzag dat hij blij was, dat de zaak zulk een slecht verloop voor ons nam.

—Hebben zij ons willen sparen?

—Neen, integendeel, zij hebben ons eerder tegen u opgehitst en mij [200]verzocht geen medelijden met u te hebben, maar u allen te dooden.

Deze onwaarheid maakte mij zóó boos, dat ik mijn zwijgen verbrak en zeide:

—Dat is zulk een groote, onbeschaamde leugen, dat ik u dadelijk met mijn vuist zou neerslaan als ik slechts één hand vrij had.

—Hond!—riep hij.—Zal ik u neerslaan?—Hij hief de vuist op maar ik antwoordde:

—Sla toe, als gij u niet schaamt, u te vergrijpen aan iemand, die zich niet kan verdedigen. Gij spreekt van een verhoor en van rechtvaardigheid? Is dat een verhoor en is dit rechtvaardigheid, als men niet mag zeggen wat men te zeggen heeft? Wij zouden ons mogen verdedigen! Kunnen wij dat, als wij tot bloedens toe worden geslagen, zoodra wij maar één woord meer zeggen, dan gij wilt hooren? Intschu Tschuna handelt als een onrechtvaardig rechter. Hij stelt de vragen zóó, dat de antwoorden, welke hij ons veroorlooft te geven, ons in ’t verderf moeten storten: andere antwoorden mogen wij niet geven en wanneer wij de waarheid willen zeggen, welke ons kan redden, valt hij ons in de rede, laat ons niet uitspreken en dreigt ons met mishandeling. Zulk een verhoor en zulk een rechtvaardigheid hebben wij niet noodig. Begint dan maar dadelijk met de martelingen, welke gij ons hebt toegedacht. Gij zult geen kreet van smart van ons hooren.

—Oef, oef!—hoorde ik een vrouwelijke stem vol bewondering roepen. Het was die van Winnetou’s zuster.

—Oef, oef!—riepen vele Apachen haar na, want moed is iets, dat de Indiaan steeds hoogacht, zelfs bij zijn vijanden, vandaar deze uitroepen van bewondering. Ik vervolgde:

—Toen ik Intschu Tschuna en Winnetou voor de eerste maal zag, zeide mij mijn hart, dat zij dappere en rechtvaardige mannen waren, die ik kon waardeeren en hoogachten. Ik heb mij vergist. Zij zijn niet beter dan alle anderen, want zij luisteren naar de stem van een leugenaar en laten de waarheid niet aan ’t woord komen. Sam Hawkins heeft zich bang laten maken, ik evenwel geef niet om uw bedreigingen en veracht iedereen, die een gevangene onderdrukt, omdat deze zich niet kan verdedigen. Als ik vrij was, zou ik u wel anders te woord staan.

—Hond, gij maakt mij uit voor leugenaar!—schreeuwde Tangua,—ik zal uw beenderen stukslaan!

Hij hief zijn geweer op, keerde zich om en wilde met de kolf naar mij slaan, nu evenwel kwam Winnetou tusschenbeide en sprak:

—De hoofdman der Kiowa’s moet kalm blijven. Deze Old-Shatterhand is zeer overmoedig, maar ik geef hem in vele opzichten gelijk. [201]Intschu Tschuna, mijn vader de opperhoofdman aller Apachen, moet hem verlof geven te zeggen, wat hij te zeggen heeft!

Tangua moest zich wel schikken en Intschu Tschuna besloot den wensch van zijn zoon te vervullen. Hij kwam naar mij toe en zeide:

—Old-Shatterhand is als een roofvogel, die zelfs nog bijt, als men hem heeft gevangen. Hebt gij Winnetou niet tweemaal neergeveld? Hebt gij ook mij niet met uw vuist geslagen zoodat ik bewusteloos neerviel?

—Heb ik dit vrijwillig gedaan? Hebt gij mij daartoe niet gedwongen?

—Gedwongen? vroeg hij verbaasd.

—Ja, wij wilden ons zonder tegenstand overgeven, maar uw krijgers luisterden niet naar wat wij zeiden. Zij vielen ons aan en wij moesten ons verdedigen. Vraag echter eens of wij één van uw mannen hebben gewond, ofschoon wij ze gemakkelijk hadden kunnen dooden. Wij zijn gevlucht om geen van hen te moeten treffen. Toen kwam gij en greep mij aan, zonder op mijn woorden te letten. Ik moest mij wel verweren en had u kunnen doorsteken of doodschieten, maar ik sloeg u neer omdat ik uw vriend ben en u wilde sparen. Toen kwam Tangua, de hoofdman der Kiowa’s en wilde u den scalp ontnemen, daar ik dit niet duldde, vocht ik met hem en overwon hem. Ik heb dus niet alleen uw leven, maar ook uw scalp gered. Toen.…

—Die vervloekte hond liegt, alsof hij honderd tongen had!—schreeuwde Tangua woedend.

—Is het werkelijk leugen?—vroeg Winnetou hem.

—Ja, mijn roode broeder twijfelt niet hoop ik, aan de waarheid van mijn woorden?

Winnetou vervolgde:

—Ik kwam op dit oogenblik juist aangeloopen. Tangua lag onbeweeglijk en mijn vader ook, dat stemt dus. Old-Shatterhand kan verder gaan.

—Ik had dus Tangua overwonnen, om Intschu Tschuna te redden, toen kwam Winnetou. Ik zag hem niet, maar kreeg van hem een kolfslag, die voor mijn hoofd bestemd was, maar mijn schouder trof. Winnetou stak mij met zijn mes in den mond en door de tong, ik kon dus niet spreken anders zou ik hem hebben gezegd, dat ik gaarne zijn vriend en broeder wilde zijn. Ik was gewond, mijn arm was verlamd en toch heb ik hem overwonnen, een oogenblik later lag hij bedwelmd voor mij, evenals Intschu Tschuna, ik had beiden kunnen dooden, heb ik het gedaan?

—Gij zoudt het misschien hebben gedaan,—antwoordde Intschu Tschuna,—maar een krijgsman der Apachen kwam te rechter tijd [202]en sloeg u met de kolf van zijn geweer op het hoofd.

—Neen, ik zou het niet hebben gedaan. Zijn deze drie blanken, die met mij hier zijn vastgebonden, niet vrijwillig bij u gekomen, om zich aan u over te geven? Zouden zij dit hebben gedaan, wanneer zij u als vijanden beschouwden?

—Zij hebben het gedaan omdat zij wel inzagen, dat er voor hen van geen ontkomen sprake was. Daarom vonden zij het verstandiger zich over te geven. Ik stem toe, dat er wel eenige waarheid schuilt in uw woorden, maar toen gij mijn zoon Winnetou voor de eerste maal neerveldet, waart gij daartoe niet gedwongen.

—Zeker.

—Waardoor?

—Ik deed het uit voorzichtigheid, wij wilden u en hem redden. Gij zijt dappere lieden, gij zoudt u verzet hebben en waart dan zeker gewond geworden, misschien zelfs gedood. Dat wilden wij verhinderen, daarom sloeg ik Winnetou neer en gij werdt door mijn drie blanke vrienden overweldigd. Ik hoop, dat gij mijn woorden wilt gelooven!

—Het zijn leugens, niets dan leugens!—riep Tangua,—ik kwam er juist aan, toen hij u had overwonnen. Niet ik, maar hij wilde u den scalp ontnemen. Ik wilde dit verhinderen, maar toen trof mij zijn ijzeren vuist, waarin de groote, booze geest schijnt te wonen.

Toen wendde ik mij tot hem en zeide op dreigenden toon:

—Ja, niemand kan die vuist weerstaan, ik gebruik haar alleen, om bloedvergieten te voorkomen, maar als ik met u vecht, zal ik niet mijn hand, maar mijn wapen gebruiken, gij komt er niet weder met een onschuldige verdooving af. Onthoud dat!

—Gij met mij vechten?—hoonde hij.—Wij zullen u verbranden en uw asch naar alle windstreken strooien!

—Denk dat maar niet, ik ben eerder vrij, dan gij vermoedt en dan zal ik met u afrekenen!

—Dat is goed, ik verwacht u. Ik wilde, dat uw wensch vervuld werd, want gaarne zou ik met u vechten, ik weet, dat ik u zou verpletteren.

Intschu Tschuna maakte aan dit twistgesprek een einde door te zeggen:

—Old-Shatterhand is wel wat overmoedig, met te beweren dat hij vrijkomt. Hij moet bedenken, dat er vele grieven tegen hem zijn, valt er al een weg, dan verandert dit toch weinig aan zijn lot.

—Heb ik dan niet nog andere bewijzen? Heb ik Rattler niet geslagen toen hij op Winnetou schoot en Kleki-Petra trof? Is dat soms geen bewijs? [203]

—Neen, gij kunt dit ook om andere redenen hebben gedaan. Hebt gij nog meer te zeggen?

—Nu niet, misschien later nog.

—Zeg het nu, want later zult gij niet veel meer kunnen zeggen.

—Neen, nu niet. Als ik het later wil doen zult gij wel naar mij moeten luisteren. Old-Shatterhand is er de man niet naar, om zich zoo te laten behandelen. Ik zwijg nu, omdat ik nieuwsgierig ben, het oordeel te hooren dat gij over ons zult vellen.

Intschu Tschuna wendde zich van mij af en gaf een wenk. Nu traden verschillende andere krijgslieden uit den kring naar voren en zetten zich met de drie hoofdmannen neer om te beraadslagen. Natuurlijk gaf Tangua zich alle moeite het vonnis zoo zwaar mogelijk te maken. Intusschen hadden wij gelegenheid en tijd verschillende opmerkingen te doen.

—Ik ben nieuwsgierig te weten, wat zij daar besluiten,—zeide Dick Stone,—’t zal wel niet veel goeds zijn.

—Ik ben vast overtuigd dat onze kop er aangaat,—meende Will.

—Ik ook,—stemde Sam toe;—die kerels gelooven niets van wat wij zeggen! Ge hebt de zaak anders kranig aangepakt, sir! Ik heb mij over Intschu Tschuna verwonderd.

—Waarom—vroeg ik.

—Dat hij u zoo liet kletsen. Mij snoerde hij dadelijk den mond.

—Kletsen, is u dat ernst Sam?

—Ja.

—Dank u voor dat compliment.

—Kletsen noem ik alle praten, dat niets geeft. En ’t heeft u toch even weinig geholpen als mij.

—Ik denk er anders over!

—Zoo en welke reden hebt gij daarvoor?

—Een zeer gegronde. Winnetou heeft namelijk over zwemmen gesproken, dat is dus reeds besproken geweest, daarom denk ik dat zij ons enkel bang hebben willen maken. Het vonnis zal wel niet al te streng zijn.

—Sir, stel u dat toch niet voor! Meent gij misschien dat men u gelegenheid zal geven u door zwemmen te redden?

—Ja.

—Onzin, klinkklare onzin! Ja, als ’t eenmaal zoo is bepaald zal men u wel laten zwemmen, maar weet gij waarheen?

—Neen, waarheen dan?

—Rechtstreeks in den muil des doods. En wanneer gij dan gestorven zult zijn, denk er dan eens aan, dat ik gelijk heb gehad! Hihihihi! [204]

Deze kleine zonderlinge kerel wist zelfs nog grappen te maken over den wanhopigen toestand, waarin wij ons bevonden. Zijn vroolijkheid duurde echter slechts een oogenblik, want de beraadslaging was ten einde, de krijgslieden die daaraan hadden deelgenomen, gingen terug naar hun plaatsen en Intschu Tschuna begon met luider stem:

—Hoort gij krijgers der Apachen en Kiowa’s wat over deze vier gevangen bleekgezichten besloten is. In den raad der Ouden is reeds vooruit afgesproken, dat wij hen in het water zouden jagen, dan met elkander zouden laten vechten en hen eindelijk zouden laten verbranden. Old-Shatterhand, de jongste van hen heeft echter woorden gesproken, die niet geheel van waarheid zijn ontbloot. Het schijnt toch dat zij het niet zoo kwaad hebben gemeend als wij dachten, maar desniettemin hebben zij den dood verdiend, doch is ons oorspronkelijk besluit veranderd en willen wij nu den Grooten Geest laten beslissen.