Hij hield eenige oogenblikken stil om de spanning onder zijn toehoorders te vermeerderen. Sam maakte van deze pauze gebruik om de volgende opmerking ten beste te geven:
—Drommels, dat wordt interessant, hoogst interessant. Begrijpt gij wat hij wil?
—Ik vermoed het,—antwoordde ik.
—Wat dan?
—Een tweegevecht, een zoogenaamd Godsoordeel. Heb ik ’t niet geraden?
—Ja, in elk geval een tweegevecht. Maar tusschen wie? ’k Ben erg nieuwsgierig, dit te hooren.
Nu ging de hoofdman voort:
—Het bleekgezicht, dat Old-Shatterhand wordt genoemd, schijnt de voornaamste van hen te zijn, de beslissing zal dus in zijn hand worden gelegd. En onder de Apachen ben ik de hoogste in rang, ik Intschu Tschuna.
—Wel voor den drommel. Gij en hij—fluisterde Sam opgewonden.
—Oef, oef, oef!—klonk het bewonderend door de rijen der roodhuiden.
Zij schenen verbaasd te staan dat hun aanvoerder zelf met mij wilde strijden, hij had zich gemakkelijk aan dit gevaar kunnen onttrekken en een ander daarmee kunnen belasten.
De aanvoerder vervolgde:
—Intschu Tschuna en Winnetou zijn in hun eer gekrenkt geworden, doordat slechts één vuistslag van den blanken man voldoende was, om hen bezwijmd te doen neervallen. Zij moeten deze vlek op hun [205]naam uitwisschen, door met den blanke te vechten. Winnetou moet zich terugtrekken, want ik ben ouder en de eerste aanvoerder der Apachen. Hij is het daarover met mij eens en ik zal tegelijk met mijzelf, ook hem in zijn eer herstellen, door Old-Shatterhand te dooden.
Hij wachtte wederom eenige oogenblikken.
—Gij kunt er u op verheugen, sir!—zeide Sam.—Gij zult in elk geval een beteren dood hebben dan wij. Gij hebt den kerel willen sparen en nu kan hij u het levenslicht uitdooven.
—Dat zullen wij eerst eens afwachten!
—Niet noodig, sir, ik weet het vooruit. Denkt gij dat gij gelijke wapens krijgt?
—Neen, dat stel ik mij niet voor!
—De kansen worden bij dergelijke gelegenheden zóó gesteld, dat de blanke altijd verloren is. Gebeurt dat een enkelen keer niet, dan is dit een uitzondering, welke den regel bevestigt. Luister verder.
Intschu Tschuna ging nu voort:
—Wij zullen Old-Shatterhand de boeien afnemen en hem in het water der rivier laten gaan, hij moet over de rivier zwemmen, maar krijgt geen wapenen. Ik volg hem en neem alleen de tomahawk mee. Bereikt Old-Shatterhand den oever en komt hij levend tot aan den ceder, welke daarginds op de zandvlakte staat, dan is hij gered en zijn ook zijn makkers vrij, zij kunnen gaan waarheen zij willen. Dood ik hem evenwel voor hij den ceder bereikt, dan zijn ook zij ten doode opgeschreven, maar zullen niet gemarteld en verbrand, alleen doodgeschoten worden. Alle aanwezige krijgers mogen getuigen dat zij mijn woorden gehoord en begrepen hebben en daarmee instemmen.
—Howgh!—luidde het eenstemmig antwoord.
Men kan begrijpen dat wij zeer in spanning waren, ik wel niet zoo erg als Sam, Dick en Will. De eerste zeide:
—Dat hebben de kerels slim uitgedacht. Omdat gij de sterkste zijt moet gij zwemmen. Laat u dat niet wijsmaken! Omdat gij een nieuweling zijt, dat is de reden. Mij, mij, moesten zij te water laten gaan! Ik zou hun eens laten zien, hoe Sam Hawkins als een forel door het water schiet. Maar gij! Bedenk dat ons leven van u afhangt. Als gij ’t verliest en wij moeten sterven, dan zeg ik nooit meer een woord tegen u, daar kunt ge op rekenen!
—Wees maar niet bezorgd, beste Sam!—antwoordde ik.—Ik zal doen wat ik kan. Ik geloof dat de roodhuiden geen slechte keus hebben gedaan; ja, ik ben overtuigd dat ik u gemakkelijker zal redden dan gij ons! [206]
—Ik wil het hopen! Dus, het gaat op leven en dood. Gij moet Intschu Tschuna niet sparen, doe dat in ’s hemelsnaam niet.
—Ik zal eens zien.
—Er valt niets te zien. Als gij hem spaart, zijt gij verloren en wij met u. Gij vertrouwt zeker alweer op uw vuist.
—Ja.
—Doe dat niet, het zal niet tot een gevecht komen.
—Zeker, het komt er toe.
—Neen dat geloof ik niet.
—Hoe wil hij mij dan dooden?
—Met de tomahawk natuurlijk. Gij weet toch wel, dat men die niet alleen bij ’t handgevecht gebruikt, maar ’t is ook een vreeselijk wapen in de verte; men werpt er mee en deze roodhuiden zijn daarin zoo geoefend, dat zij iemand op honderd pas afstands, het topje van een opgeheven vinger afsnijden. Intschu Tschuna zal niet met de bijl op u loshakken, maar hem u achterna werpen en u met den eersten worp dooden. Geloof mij, al zijt ge nog zulk een uitstekende zwemmer, gij komt niet aan den anderen oever, want onder ’t zwemmen werpt hij u de tomahawk naar het hoofd of naar den nek. Dan helpt al uw kunst en al uw sterkte u geen zier!
—Dat weet ik, beste Sam. Maar evengoed weet ik, dat in sommige gevallen een vingerhoed list meer doet, dan een vat lichaamskracht.
—List? Waar haalt gij nu de noodige list vandaan? Ik zeg u, de oude Sam Hawkins staat bekend als een schrandere kerel, maar met al zijn schranderheid zou hij niet weten, hoe hij dat aan moest leggen. Wat helpt nu alle list tegen een goed geslingerde tomahawk!
—Meer dan ge denkt, Sam!
—Hoe kan dat?
—Gij zult het zien, of liever, gij zult het niet zien, maar ik wil u wel zeggen dat ik bijna zeker ben, dat mijn plan zal gelukken.
—Gij zegt dit maar, om ons moed in te spreken!
—Neen.
—Om ons te troosten, zeker, Maar wat geeft ons een troost, welke het volgende oogenblik niets waard blijkt te zijn?
—Wees toch gerust. Ik heb een goed, een zeer goed overlegd plan.
—Een plan? dat ook nog, gij kunt geen ander plan hebben, dan over de rivier te zwemmen en dan treft u de tomahawk.
—Neen, let op! Wanneer ik verdrink zijn wij gered!
—Verdrink … gered! sir, gij weet niet wat gij zegt!
—Ik weet, wat ik wil! Let goed op, ik herhaal het: als ik verdrink, hebben wij niets meer te vreezen. [207]
Ik sprak deze woorden snel en haastig, want nu traden de drie aanvoerders op ons toe en Intschu Tschuna zeide:
—Wij maken Old-Shatterhand nu los, maar hij behoeft zich niet te verbeelden dat hij kan vluchten: er zouden dadelijk honderd vervolgers achter hem zijn.
—Ik denk er ook niet aan!—antwoordde ik,—zelfs al kon ik ontkomen, dan zou het toch slecht van mij zijn, mijn makkers in den steek te laten.
Ik werd losgemaakt en zwaaide even met mijn armen, om te beproeven of ik ze goed kon bewegen. Toen zeide ik:
—Het is een groote eer voor mij, met den beroemden hoofdman der Apachen op leven en dood te mogen strijden, maar voor hem is het geen eer.
—Waarom niet?
—Omdat ik geen partij voor hem ben. Ik heb nu en dan eens een bad genomen in een beek en dan geprobeerd eens onder te duiken. Maar in zulk een breede, diepe rivier ben ik nooit geweest.
—Oef, oef dat spijt mij. Ik en Winnetou, zijn de beste zwemmers van onzen stam, wat beteekent dus een overwinning op zulk een slechten zwemmer!
—En gij zijt gewapend, en ik niet! Ik ga dus den dood tegemoet en mijn kameraden bereiden zich ook voor om te sterven. Maar toch zou ik wel eens willen weten, hoe ik mij dezen strijd moet voorstellen. Wie moet het eerst te water gaan?
—Gij.
—En gij volgt mij dadelijk?
—Ja.
—En wanneer valt gij mij met de tomahawk aan?
—Als mij dat in den zin komt,—antwoordde hij met een trotsch en minachtend lachje.
—Dat kan dus ook in ’t water gebeuren?
—Ja.
Ik deed, alsof ik hoe langer hoe onrustiger en meer terneergeslagen werd en vroeg verder:
—Dus gij moogt mij dooden. Ik u ook?
Hij zette een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond:—arme worm, waar denkt gij aan, deze vraag is immers al te gek,—maar hij antwoordde:
—Het is zwemmen en vechten op leven en dood; gij kunt mij dus ook dooden, want alleen, wanneer u dit gelukt, zult gij den ceder bereiken.
—En zal uw dood niet op mij gewroken worden?
—Neen. Dood ik u, dan bereikt gij uw doel niet en uw makkers [208]moeten sterven; dood gij mij, dan bereikt gij den ceder en gij zijt van dat oogenblik vrij. Vooruit!
Hij keerde zich om en ik trok mijn jachtrok en laarzen uit. Wat ik in den gordel en in mijn zakken had, legde ik er naast.
Nu hoorde ik Sam klagen:—Dat zal wat geven, sir, dat zal wat geven. Als gij uw gezicht eens kondet zien, sir, en dan dien toon van uw stem, ik sta doodsangsten om u uit.
Ik kon hem niet antwoorden, daar de drie aanvoerders dichtbij ons stonden, maar ik wist wel, waarom ik zoo stumperachtig deed. Ik wilde Intschu Tschuna minder op zijn hoede doen zijn om hem, zoo te zeggen in den val te lokken.
—Nog één vraag!—verzocht ik, voor ik hem volgde.—Krijgen wij onze eigendommen terug, ingeval wij vrijkomen?
Hij lachte kort en ongeduldig, want hij vond deze vraag al heel dom en antwoordde:
—Ja, zeker die krijgt gij.
—Alles?
—Alles.
—Ook de paarden en de geweren.
—Alles, dat heb ik immers gezegd!—stoof hij op.—Hebt gij dan geen ooren? Een padde wil met een adelaar een wedstrijd in ’t vliegen aangaan en vraagt hem, wat zij zal krijgen, indien zij ’t wint! Als gij even dom zijt in ’t zwemmen als in ’t vragen, spijt het mij dat ik u geen oude vrouw tot tegenpartij heb gegeven.
Wij gingen langs den cirkel van toeschouwers naar den oever. Ik kwam dicht langs Nscho-Tschi voorbij en ving van haar een blik op met welken zij afscheid van mij nam, voor ’t leven. De Indianen volgden ons en zetten zich toen in groepen aan den oever neer, om op hun gemak te genieten van het schouwspel, dat hun wachtte.
Het spreekt vanzelf, dat ik mij in een groot gevaar bevond. Al zwom ik ook recht, scheef of zigzag over de rivier, ik was toch verloren, de tomahawk van den aanvoerder zou mij altijd treffen. Er was slechts één kans op redding, ik moest duiken en gelukkig was ik daarin niet zulk een stumper, als Intschu Tschuna dacht. Maar het duiken alleen was niet genoeg. Ik moest weer boven water komen, om adem te scheppen en stelde dan mijn hoofd bloot aan den worp van de tomahawk. Neen, ik mocht in ’t geheel niet weer aan de oppervlakte komen, zoolang ik in ’t gezicht der roodhuiden was. Hoe zou ik dit evenwel aanvangen? Ik nam de oevers aan weerskanten nauwkeurig op en zag tot mijn voldoening dat het terrein mij voor de uitvoering mijner plannen gunstig was. [209]
Wij bevonden ons, zooals reeds gezegd is, op de geheele vrije zandvlakte, maar een eind voorbij het midden daarvan. Het verder stroomopwaarts liggende gedeelte was slechts honderd schreden van mij verwijderd en nog verder naar boven, maakte de rivier een kromming, welke mij verhinderde haar verder met het oog te volgen. Stroomafwaarts lag het einde der zandvlakte, wel vierhonderd pas van mij af. Wanneer ik in ’t water sprong en men mij niet weer zag opduiken, moest men wel denken dat ik verdronken was en zou men naar mijn lijk gaan zoeken, dat natuurlijk stroomafwaarts zou drijven; mijn redding lag dus in de tegenovergestelde richting. Daar zag ik dichtbij een plaats, waar de oever door den stroom was afgebrokkeld; hij hing een weinig voorover en daaronder was een holte, welke uitstekend geschikt was om mij een oogenblik tot schuilplaats te dienen. Verder naar boven lag allerlei aangespoeld houtwerk, dat ik tot hetzelfde doel kon gebruiken. Het was nu echter geraden te doen, alsof ik bang was.
Intschu Tschuna ontkleedde zich tot op de dunne Indiaansche broek, stak de tomahawk in den gordel en zeide:
—Wij kunnen beginnen. Spring er in!
—Mag ik eerst niet probeeren, hoe diep het hier is?—vroeg ik op angstigen toon.
Een verachtelijk lachje gleed over zijn gelaat, terwijl hij om een lans riep. Men bracht mij die en stak haar in ’t water.
Zij bereikte den bodem niet. Dit was mij zeer welkom, maar ik deed, alsof ik nog angstiger werd dan ik reeds was, hurkte aan den oever neer, wiesch mij het voorhoofd als iemand die bang is een beroerte in het water te zullen krijgen, door zich niet eerst vooraf af te koelen. Er ging een algemeen gebrom van geringschatting op, ik had dus mijn doel bereikt. Bovendien hoorde ik Sam roepen:
—Om Gods wil, kom toch weer hier! ik kan het niet langer aanzien. ’t Is beter dan zij ons doodmartelen, dan zulk een beeld van jammer voor oogen te hebben.
Onwillekeurig kwam mij in de gedachte, wat Nscho-Tschi wel van mij zou denken. Ik keerde mij om. Uit Tangua’s gelaat sprak haat en hoon. Winnetou had de bovenlip opgetrokken, zoodat men zijn tanden kon zien, hij was woedend, dat hij mij ooit een oogenblik zijn medelijden had betoond en zijn zuster hield de oogen neergeslagen, zij wilde mij niet eens meer aanzien.
—Ik ben gereed,—zeide Intschu Tschuna tot mij.—Waarom aarzelt gij? Er in, zeg ik u!
—Moet het werkelijk gebeuren?—vroeg ik.—Kan het niet anders? [210]
Er weerklonk een luid gelach en boven alles uit hoorde ik Tangua’s stem roepen:
—Laat dien kikvorsch vrij! Schenk hem het leven. Op zulk een lafaard mag geen krijgsman zijn hand leggen!
En met donderende stem schreeuwde Intschu Tschuna mij toe:
—Er in of ik breek u dadelijk den nek met de tomahawk!
Toen deed ik, alsof ik vreeselijk verschrikt was, ging aan den kant van de rivier zitten, stak eerst de voeten en toen langzaam de beenen in het water als wilde ik er mij zachtjes in laten glijden.
—Er in!—schreeuwde Intschu Tschuna nogmaals en meteen gaf hij mij een flinken schop in den rug. Dit had ik juist gewild. Ik sloeg als hulpeloos de armen uit, gilde van angst en plofte in het water. In ’t volgend oogenblik evenwel was het uit met deze comedie. Ik voelde den grond onder mij, nam een wending en zwom, natuurlijk onder water, stroomopwaarts, dicht langs den oever.
Dadelijk daarop hoorde ik boven en achter mij gedruisch. Intschu Tschuna was mij nagesprongen, zooals ik later vernam, was het zijn plan geweest mij een voorsprong te geven en mij dan naar den tegenovergestelden oever te drijven, waar hij mij met de bijl wilde neerslaan. Tengevolge van mijn lafheid had hij dit plan opgegeven en was mij dadelijk gevolgd om mij, zoodra ik het hoofd omhoog stak, den doodelijken slag te geven. Met zulk een lafaard moesten korte wetten worden gemaakt.
Ik bereikte de plek waar de afgebrokkelde oever over het water heenhing en dook even op, maar zoo, dat het hoofd alleen tot den mond te voorschijn kwam. Niemand kon mij zien, dan alleen de hoofdman, doordien deze ook in ’t water was. Tot mijn geluk evenwel zag hij juist den anderen kant uit. Ik haalde snel en diep adem en dook weer onder om verder te zwemmen. Weldra kwam ik bij het aangespoelde hout en wederom haalde ik even adem, ja ik was hier zoo goed verborgen, dat ik het zelfs wagen kon, even om mij heen te zien. Ik zag den hoofdman op het water liggen, als een roofdier, dat gereed is zijn prooi te grijpen. Nu had ik nog het laatste, maar ook het langste eind voor mij, tot daar waar het bosch begon en struiken over het water heengingen. Ook dit eind legde ik gelukkig af en door deze struiken geheel verborgen, klom ik den oever op.
Ik moest natuurlijk de zooeven genoemde kromming trachten te bereiken om vandaar naar den tegenoverliggenden oever te zwemmen, en dit geschiedde het snelst, door daarheen te loopen. Eerst echter zag ik door de boomen heen naar degenen, die ik zoo om den tuin had geleid. De Apachen stonden roepend en met de armen zwaaiend [211]aan den oever en ik zag den hoofdman nog altijd op mij wachtend, heen en weer zwemmen, hoewel ik onmogelijk zoolang levend onder water had kunnen blijven. Of Sam Hawkins ook dacht aan mijn woorden: als ik verdrink, zijn wij gered?
Nu liep ik zoo snel mogelijk door het bosch verder, tot ik de kromming van de rivier achter mij had, ging ik hier weer te water en kwam welgemoed aan de overkant. Dit was nu ’t gevolg van mijn aanstellerij en van ’t feit, dat zij mij voor zulk een slechten zwemmer hadden gehouden.
Onbegrijpelijk was het werkelijk, dat zij zich door deze list hadden laten beetnemen, want tot nu toe, had ik hun niet de minste reden gegeven om mij voor een lafaard te houden.
Ik liep terug tot ik weer aan de zandvlakte kwam, welke zich hier aan dezen kant voortzette. Achter de boomen verborgen, zag ik tot mijn groot genoegen, dat verscheidene roodhuiden in het water waren gesprongen en met lansen naar den verdronken Old-Shatterhand zochten. Ik had nu op mijn gemak naar den ceder kunnen loopen en dan was het pleit beslist geweest, ik deed dit echter niet, want ik wilde mijn overwinning niet enkel te danken hebben aan list, maar Intschu Tschuna meteen een les geven en hem dwingen mij erkentelijk te zijn.
Hij zwom nog steeds zoekend op en neer, ’t scheen hem geen oogenblik in te vallen naar den anderen oever te zien. Ik liet mij dus weer in ’t water glijden, ging op den rug liggen, zoodat slechts mijn neus en mond boven het water uitkwamen en liet mij langzaam voortdrijven. Geen mensch merkte mij op. Toen ik evenwel dicht bij hem was, dook ik onder, zwom een stuk verder, kwam eensklaps hoven en riep, in het water rechtopstaande, met luider stem:
—Sam Hawkins, Sam Hawkins, wij hebben overwonnen! Overwonnen!
Het leek wel of ik op een ondiepe plaats stond. De roodhuiden hoorden mij en zagen om zich heen. Een verschrikkelijk gehuil volgde! Het was of duizend duivels waren losgelaten en om het hardst brulden. Wie zoo iets ook maar eens in zijn leven heeft gehoord, vergeet het nooit weer. Nauwelijks had Intschu Tschuna mij gezien of hij kwam met snelle slagen op mij toegezwommen. Ik mocht hem niet te dicht bij mij laten komen en klom dus weer op den tegenoverliggende oever. Hier bleef ik staan.
—Weg, verder weg, sir!—schreeuwde Sam mij toe,—maak toch, dat gij aan den ceder komt!
Niemand kon mij dit beletten, Intschu Tschuna evenmin als iemand [212]anders, maar ik wilde hem, zooals reeds gezegd een lesje geven en verwijderde mij dus niet van dit punt, vóór hij nog ongeveer veertig pas van mij af was. Toen liep ik zoo snel ik kon op den boom toe. Was ik nog in ’t water geweest, dan had de hoofdman mij ongetwijfeld met de tomahawk kunnen treffen, maar nu was ik overtuigd, dat hij zich niet van dit wapen kon bedienen voor hij zelf den oever had bereikt. De boom stond driehonderd pas verder. Toen ik de helft van dezen afstand had afgelegd, bleef ik weer staan en zag om. Juist op dit oogenblik klom de hoofdman aan wal. Hij liep in de val, welke ik hem had gesteld. Inhalen kon hij mij niet meer, maar zijn werpbijl zou mij kunnen bereiken. Hij nam deze uit zijn gordel en snelde op mij toe. Nog steeds bleef ik staan, maar toen hij dicht bij mij was, maakte ik een beweging, alsof ik wilde vluchten. Dit was echter slechts een schijnbeweging. Ik redeneerde bij mij zelf aldus: als ik kalm blijf staan, zal hij de bijl niet werpen, want hij weet, dat ik dan kan uitwijken en hij behoudt de kans om mij in te halen. Hij zal alleen met de bijl naar mij werpen, wanneer ik op den loop ga en hem den rug toekeer. Daarom nam ik schijnbaar de vlucht, maar in ernst, deed ik hoogstens twintig schreden en bleef toen mij plotseling omkeerend, staan.
Juist. Hij had om beter te kunnen werpen een oogenblik zijn vaart gestuit en zwaaide de bijl boven het hoofd. Juist, toen ik stilstond slingerde hij haar naar mij toe. Ik week twee, drie sprongen ter zijde uit, de bijl vloog mij voorbij en kwam in het zand terecht.
Dat had ik juist gewild. Ik snelde er heen, raapte de bijl op en ging toen, in plaats van naar den boom, met kalmen tred den hoofdman tegemoet. Hij schreeuwde van woede, maar ik zwaaide met de tomahawk en riep dreigend:
—Halt, Intschu Tschuna, gij hebt u wederom in Old-Shatterhand vergist. Wilt gij uw eigen bijl in het hoofd hebben?
Hij bleef even stilstaan en schreeuwde:
—Hond, hoe zijt gij mij toch in ’t water ontkomen? Heeft de booze geest u opnieuw geholpen?
—Geloof dat toch niet! Als hier sprake is van een Geest, dan is het de goede Manitou, die mij heeft bijgestaan.
Ik zag bij deze woorden dat zijn oogen als onder een heimelijk genomen besluit flikkerden en ging waarschuwend voort:
—Gij wilt mij verrassen, mij aanvallen, ik zie het aan u! Doe het niet want het zou uw dood zijn. U zal niets geschieden, want ik gevoel wezenlijk vriendschap voor u, maar wanneer gij mij aanvalt, moet ik mij wel verweren. Gij weet, dat ik zelfs zonder wapenen [213]sterker ben dan gij en nu heb ik bovendien nog uw tomahawk. Wees dus verstandig en.…
Ik kon niet verder spreken. Hij kon zijn woede niet langer beheerschen en de handen als klauwen naar mij uitstekend, kwam hij op mij toe. Reeds meende hij mij te hebben, maar snel bukte ik mij en het geweld van den stoot, waarmee hij mij op den grond had willen werpen, deed hem zelf vallen. Dadelijk was ik bij hem, zette hem de linkerknie op den eenen en de rechter op den anderen arm, greep hem met de linkerhand bij den nek, zwaaide de tomahawk en riep:
—Intschu Tschuna, vraagt gij om genade?
—Neen.
—Dan splijt ik u den kop.
—Dood mij dan, hond!—hijgde hij onder vergeefsche pogingen om los te komen.
—Neen, gij zijt Winnetou’s vader en zult leven, maar vooreerst moet ik u onschadelijk maken, gij dwingt mij daartoe.
Ik sloeg hem met de vlakke zijde van de bijl tegen het hoofd.… een rochelend geluid, zijn ledematen verstijfden zich. Van het punt, waar de roodhuiden stonden, moest het wel den schijn hebben, alsof ik hem doodsloeg.
Er volgde een gehuil nog vreeselijker dan zooeven. Ik bond de armen van den overwonnene met zijn eigen gordel stevig aan het lichaam vast, droeg hem tot aan den ceder en legde hem daar neer. Dit moest ik wel doen, want volgens onze afspraak moest ik den ceder hebben bereikt. Toen evenwel liet ik hem liggen en snelde terug naar den oever, want ik zag, dat vele roodhuiden te water waren gegaan met Winnetou aan het hoofd. Dit zou, indien zij niet van plan waren woord te houden, gevaarlijk kunnen worden voor mijn kameraden en voor mijzelf. Daarom riep ik aan den oever gekomen, hun toe:
—Terug, gij allen! De hoofdman leeft, ik heb hem niets gedaan, maar, wanneer gij hier komt, sla ik hem dood. Alleen Winnetou kan hier komen, ik moet hem spreken!
Zij sloegen geen acht op deze waarschuwing, maar eensklaps hief Winnetou zich in het water op en riep hun eenige woorden toe, welke ik niet verstond. Zij keerden allen terug en hij alleen kwam aan wal.
Zoodra hij op het droge stond, zeide ik:
—Het was goed van u, dat gij uw krijgers terugzondt, zij zouden het leven van uw vader in gevaar hebben gebracht.
—Hebt gij hem niet reeds met de tomahawk doodgeslagen? [214]
—Neen. Hij dwong mij hem bewusteloos te slaan, omdat hij zich niet over wilde geven.
—En gij hadt hem toch kunnen dooden. Hij was in uw macht!
—Ik dood niet gaarne een mensch en het allerminst den man, die de vader is van Winnetou. Hier hebt ge zijn wapen. Gij moogt beslissen of ik overwonnen heb en of men woord zal houden tegenover mijn metgezellen en mij.
Hij nam de tomahawk van mij aan en zag mij langen tijd aan. Zijn blik werd zachter, daarna bewonderend, eindelijk riep hij uit:
—Wat voor een man is Old-Shatterhand toch! Wie kan hem begrijpen?
—Gij zult mij leeren begrijpen!
—Gij geeft mij deze bijl, zonder te weten of wij woord zullen houden, gij hadt u daarmee kunnen verdedigen! Weet gij wel, dat gij u daarmee in mijn handen overlevert?
—Ik ben niet bang, want ik heb nog mijn armen en mijn vuisten tot mijn dienst en bovendien, Winnetou is geen leugenaar, maar een edel krijgsman, die zijn woord nooit zal breken!
Toen stak hij mij de hand toe en terwijl zijn oogen straalden, antwoordde hij:
—Gij hebt gelijk, gij zijt vrij, evenals de andere blanken, behalve de man, die Rattler heet. Gij stelt vertrouwen in mij, ik wilde dat ik het ook in u kon doen.
—Heb maar geduld, die tijd zal komen. Kom nu mee naar uw vader.
—Ja, laat ons gaan! Ik moet naar hem zien, want wanneer Old-Shatterhand toeslaat, kan licht de dood intreden, hoewel hij dit niet had gewild.
Wij gingen naar den ceder en maakten de armen van den hoofdman los. Winnetou onderzocht hem en zeide toen:
—Hij leeft, maar zal eerst laat ontwaken en dan nog lang pijn in het hoofd hebben. Ik moet echter niet hier blijven, maar zal eenige mannen zenden. Mijn broeder Old-Shatterhand kan met mij meegaan.
Het was de eerste maal, dat hij mij broeder noemde. Hoe dikwijls heb ik later dit woord uit zijn mond gehoord en hoe eerlijk, oprecht en trouw is dit altijd gemeend geweest!
Wij gingen naar de rivier terug en zwommen die over. De roodhuiden zagen ons vol spanning aankomen. Nu wij daar zoo vriendschappelijk samen naast elkaar zwommen, moesten zij toch ook wel erkennen dat zij mij verkeerd beoordeeld hadden, toen zij mij tot een voorwerp van hoon en bespotting maakten. Toen wij den oever bestegen, nam Winnetou mij bij de hand en zeide met luider stem: [215]
—Old-Shatterhand heeft overwonnen; hij en zijn drie metgezellen zijn vrij!
—Oef, oef, oef!—riepen de Apachen.
Tangua alleen stond somber voor zich heen te staren. Met hem had ik nog af te rekenen, want zijn leugens en zijn bedriegerijen dienden gestraft te worden, niet alleen om onzentwille, maar ook om der wille van de blanken, die hij ooit weer op zijn weg mocht ontmoeten.
Winnetou ging hem voorbij, zonder hem met een blik te verwaardigen en bracht mij bij de palen, waaraan mijn drie kameraden gebonden waren.
—Halleluja!—riep Sam.—Wij zijn gered, wij worden niet gedood. Mensch, vriend, jongeling en greenhorn, hoe hebt gij dat toch aangelegd?
Winnetou reikte mij zijn mes toe en zeide:
—Snijd ze los! Gij hebt verdiend, dit zelf te mogen doen.
Ik deed het. Nauwelijks waren ze vrij of ik werd door zes armen zoo stevig gedrukt en omhelsd, dat ik het er werkelijk benauwd van kreeg. Sam kuste mij zelfs de hand en getuigde, terwijl de tranen uit zijn kleine oogjes liepen:
—Sir, als ik dit ooit vergeet, dan mag mij de eerste de beste beer, die mij tegenkomt met huid en haar verslinden! Hoe hebt gij dat toch gedaan? Gij waart verdwenen. Gij hadt zulk een angst voor ’t water en allen dachten dan ook dat gij verdronken waart.
—Heb ik niet gezegd: als het schijnt dat ik verdrink, ben ik gered?
—Heeft Old-Shatterhand dat gezegd?—vroeg Winnetou.—Was dat dan alles.…
—Ja,—knikte ik.
—Mijn broeder wist dus, wat hij wilde. Hij is hier onder water door stroomopwaarts gezwommen en dan ginds weer stroomaf, vermoed ik. Mijn broeder is niet alleen sterk als een beer, maar ook listig als een vos, wie zijn vijand is, dient zich voor hem in acht te nemen.
—En is Winnetou zulk een vijand geweest?
—Ik was het, maar ben het nu niet meer.
—Gelooft gij dus niet meer de woorden van Tangua, maar de mijne?
Hij zag mij wederom lang en onderzoekend aan als zooeven aan den anderen oever, reikte mij de hand en antwoordde:
—Uw oogen zijn goede oogen en uit uw gelaat spreekt geen oneerlijkheid, ik geloof u.
Ik had de zooeven afgelegde kleedingstukken weer aangetrokken, [216]nam nu de sardinenbus uit den zak van mijn jachtrok en zeide:
—Mijn broeder Winnetou heeft gelijk, ik zal het hem bewijzen. Misschien herkent hij wat ik hem zal laten zien.
Ik nam de opgerolde haarlok uit de doos en gaf hem die over. Hij strekte de hand uit, nam hem echter niet aan, maar week verschrikt achteruit, terwijl hij riep:
—Maar dat is haar van mijn hoofd! Wie heeft u dat gegeven?
—Intschu Tschuna vertelde zooeven, dat gij aan de boomen gebonden waart geweest en dat de Groote, Goede Geest u een onzichtbaren redder had gezonden. Ja, onzichtbaar was hij, want hij mocht door de Kiowa’s niet worden gezien, nu echter behoeft hij zich niet langer te verbergen. Nu zult ge me toch wel willen gelooven, als ik u zeg, dat ik niet uw vijand, maar steeds uw vriend ben geweest.
—Gij.… gij.… hebt gij ons dus losgesneden? Aan u dus hebben wij onze vrijheid te danken!—stamelde hij, hij die anders door niets en niemand van zijn stuk was te brengen. Toen nam hij mij bij de hand, bracht mij naar de plaats, waar zijn zuster stond, die ons in stilte had gade geslagen, ging voor haar staan en zeide:
—Nscho-Tschi, hier staat de dappere krijgsman, die onzen vader en mij heimelijk bevrijd heeft, toen de Kiowa’s ons aan den boom hadden gebonden, dank ook gij hem!
Na deze woorden drukte hij mij aan zijn borst en gaf mij op iedere wang een kus. Zijn zuster gaf mij de hand en het eenige wat zij zeide, was:
—Vergeef mij!
Zij moest mij danken en vroeg mij in plaats daarvan om vergiffenis? Ik begreep haar evenwel. Zij had mij in stilte onrecht aangedaan. Zij, als mijn verpleegster, had mij beter moeten kennen dan de anderen en toch had zij mijn list voor waarheid aangezien. Zij had mij voor een laffen, onhandigen knaap gehouden en zij wilde dat gaarne weer goedmaken. Ik drukte haar de hand en antwoordde:
—Nscho-Tschi zal zich alles wel herinneren, wat ik gezegd heb. Zoo is het ook uitgekomen. Wil mijn zuster mij nu voortaan gelooven?
—Ik geloof aan mijn blanken broeder!
Tangua stond in de nabijheid. Het was hem aan te zien, dat hij woedend was. Ik ging op hem toe en zeide, terwijl ik hem flink in ’t gezicht zag:
—Is Tangua, de hoofdman der Kiowa’s, een leugenaar of heeft hij de waarheid lief? [217]
—Wilt gij mij beleedigen?—barstte hij los.
—Neen, ik wil alleen weten wat ik aan u heb, antwoord dus.
—Old-Shatterhand moest weten, dat ik de waarheid liefheb.
—Wij zullen zien! Gij houdt dus woord, als gij iets hebt beloofd?
—Ja.
—Dat moet ook, want wie niet doet wat hij zegt, wordt door iedereen veracht. Weet gij nog, wat gij mij hebt gezegd?
—Wanneer?
—Zooeven toen ik gebonden was.
—Toen heb ik zooveel gezegd.
—Zeker. Gij zult echter wel weten, wat ik bedoel.
—Neen.
—Dan zal ik het u zeggen. Gij wildet met mij afrekenen.
—Heb ik dat gezegd?—vroeg hij, de wenkbrauwen fronsend.
—Ja. En dan hebt gij verder gezegd dat gij gaarne met mij zoudt willen vechten, want gij wist zeker, dat gij mij zoudt verslaan.
Hij scheen een beetje bang te worden bij den dreigenden toon waarop ik sprak, want hij antwoordde behoedzaam:
—Ik herinner mij deze woorden niet. Old-Shatterhand moet mij verkeerd hebben verstaan.
—En zooeven toen ik gebonden was en mij niet kon verweren, hebt gij mij durven bedreigen, lafaard die gij zijt!
Hij wilde op mij toekomen, maar Winnetou stelde zich tusschen hem en mij en zeide:
—Mijn broeder Old-Shatterhand heeft gelijk. Tangua heeft hem gehoond en heeft met hem willen afrekenen. Als hij dit nu niet doet, is hij een lafaard en verdient hij door zijn stam te worden uitgestooten. Deze zaak moet dadelijk worden uitgemaakt, want niemand zal mogen zeggen, dat de krijgers der Apachen lafaards als gasten bij zich hebben. Wat denkt de hoofdman der Kiowa’s te doen?
Deze wierp voor hij antwoordde een blik om zich heen. Er waren bijna tweemaal zooveel Apachen als Kiowa’s en deze laatsten waren geheel door de anderen omsingeld; het was onmogelijk hun hulp in te roepen, nu hij zulk een groot losgeld had moeten betalen en toch eigenlijk nog een gevangene was.
—Ik zal er eens over nadenken,—zeide hij ontwijkend.
—Een dapper krijgsman behoeft hierover niet na te denken. Of hij neemt den strijd aan òf hij wordt voor een lafaard uitgemaakt. Hoort gij?
Nu richtte hij zich op en schreeuwde:
—Tangua een lafaard? Wie dat durft zeggen, dien stoot ik het mes in de borst. [218]
—Ik zeg dat gij een lafaard zijt,—antwoordde Winnetou trotsch en kalm,—indien gij niet woord houdt.
—Ik zal het houden!
—Gij zijt dus bereid met Old-Shatterhand te vechten?
—Ja.
—En dadelijk?
—Dadelijk; ik verlang er naar zijn bloed te zien vloeien.
—Welnu, laat ons dan bepalen met welke wapens deze strijd zal worden gevoerd.
—Wie heeft dat te bepalen?
—Old-Shatterhand.
—Waarom?
—Omdat gij hem hebt beleedigd.
—Welneen, hij heeft mij beleedigd en ik ben een hoofdman, terwijl hij slechts een gewoon bleekgezicht is. Ik ben dus veel meer dan hij.
—Old-Shatterhand staat hooger dan een hoofdman der roodhuiden.
—Dat beweert hij wel, maar hij heeft het nooit kunnen bewijzen. Een bedreiging is geen bewijs.
Nu mengde ik mij in ’t gesprek.
—Tangua mag kiezen,—zeide ik;—’t is mij hetzelfde met welk wapen ik hem overwin.
—Gij zult mij niet overwinnen,—brulde hij woedend.—Denkt gij dat ik den strijd met de vuist zal kiezen, terwijl gij iedereen neerslaat, of het mes, waarmee gij het Bliksemmes hebt doorstoken, of de tomahawk, die zelfs voor Intschu Tschuna gevaarlijk was.
—Wat kiest gij dan?
—Het geweer, wij zullen op elkander schieten en mijn kogel zal uw hart treffen.
—Goed, ik heb er niets tegen. Heeft mijn broeder Winnetou nu echter gehoord, wat Tangua heeft bekend?
—Wat?
—Dat ik met het Bliksemmes heb gestreden en hem heb doorstoken. Dat deed ik, om de gevangen Apachen te redden van den folterpaal, hij loochende dit tot nu toe. Nu hoort ge, dat ik gelijk had, toen ik hem een leugenaar noemde.
—Een leugenaar? mij?—schreeuwde de Kiowa,—dat zult ge me met uw leven betalen! haal de geweren, laat de strijd dadelijk beginnen, opdat ik dezen blaffenden hond het zwijgen kan opleggen!
Hij had zijn geweer in de hand. Winnetou zond een Apache naar het Pueblo, om mijn buks en de ammunitie, welke ik bij mij gehad [219]had, te halen. Alles was goed bewaard, omdat Winnetou, niettegenstaande hij mij voor zijn vijand hield, zoo levendig belang in mij had gesteld. Toen zeide hij tot mij:
—Mijn blanke broeder mag zeggen op welken afstand en hoeveel malen zal worden geschoten!
—’t Is mij ’t zelfde,—antwoordde ik,—laat Tangua beslissen.
—Ja, ik zal beslissen,—zeide deze,—tweehonderd pas en zooveel schoten tot één van ons neervalt en niet meer kan opstaan?
—Goed,—was Winnetou’s antwoord,—en ik zal toezicht houden! Gij schiet beurt om beurt. Ik sta met mijn geweer gereed en zal dengene, die vóór zijn beurt schiet, een kogel door den kop jagen. Wie mag eerst schieten?
—Ik natuurlijk!—riep de Kiowa.
Winnetou schudde afkeurend het hoofd.
—Tangua wil alle voordeelen hebben,—zeide hij.—Old-Shatterhand zal eerst schieten.
—Neen,—viel ik hem in de rede,—geef hem zijn zin. Hij eerst een schot en dan ik, dan is ’t uit.
—Neen—antwoordde Tangua,—wij schieten zoolang, tot een van ons beiden valt.
—Zeker, want mijn eerste schot zal u doen vallen.
—Pocher!
—Eigenlijk moest ik u doodschieten, maar dat zal ik niet doen. Gij verdient, dat ik u ’t gebruik uwer ledematen ontneem. Let op, ik zal u in de rechterknie schieten.
—Hebt gij ’t gehoord?—lachte hij.—Dit bleekgezicht, die door zijn eigen vrienden een greenhorn wordt genoemd, wil vooruit zeggen dat hij mij op tweehonderd pas afstand, in de knie zal schieten. Lacht hem uit, krijgers, lacht hem uit!
Hij zag uitdagend om zich heen, maar niemand stemde met zijn lachen in. Toen ging hij voort:
—Gij zijt bang voor hem? Ik zal u toonen, dat ik het niet ben! Kom, laat ons de tweehonderd pas afmeten!
Terwijl dit gebeurde, bracht men mij mijn berendooder. Ik onderzocht dien, hij was in orde. Beide loopen waren geladen. Om zeker te zijn van mijn zaak, schoot ik ze af en laadde opnieuw zoo zorgvuldig, als de omstandigheden waarin ik mij bevond dit vereischten. Sam kwam naar mij toe en vroeg:
—Sir, ik heb u wel honderd vragen te doen en kan daarvoor maar geen gelegenheid vinden. Zeg mij nu maar alleen dit: wilt gij werkelijk dien kerel in de knie schieten?
—Ja. [220]
—Is die straf groot genoeg?
—Mij dunkt van wel.
—Neen, zeker niet, zulk ongedierte moest uitgeroeid worden, als ik mij niet vergis. Bedenk toch eens, wat hij niet al heeft misdreven, te beginnen met het stelen der paarden, die aan de Apachen behoorden?
—Daartoe hebben de blanken hem verleid.
—Hij mag zich niet laten verleiden! Als ik in uw plaats was, zou ik hem een kogel door den kop jagen. Hij zal wel op den uwen mikken.
—Of op mijn borst, daarvan ben ik zeker.
—Hij zal u niet treffen, de geweren van die kerels zijn niets waard.
Nu was de afstand afgemeten en wij gingen op de eindpunten staan. Ik hield mij kalm, maar Tangua deed niets dan mij allerlei verwenschingen naar het hoofd slingeren.
Daarom zeide Winnetou, die juist in het midden tusschen ons stond:
—De hoofdman der Kiowa’s moet zwijgen en opletten. Als ik drie tel wordt er geschoten, wie eerder schiet, krijgt mijn kogel in het hoofd!
Het is te begrijpen, dat alle aanwezigen vol spanning waren. Zij stonden in twee rijen, rechts en links van ons. Er heerschte diepe stilte.
—De hoofdman der Kiowa’s mag beginnen,—zeide Winnetou, een.… twee.… drie!
Ik bleef stilstaan. Bij het eerste woord had Tangua zijn geweer opgeheven, nu mikte hij en schoot af. De kogel ging rakelings aan mij voorbij.
—Nu mag Old-Shatterhand schieten!—riep Winnetou,—een.… twee.…
—Halt!—viel ik hem in de rede,—ik ben eerlijk recht blijven staan, hij echter draait zich om en keert mij niet het gezicht, maar de zijde toe.
—Wie kan mij dat verbieden?—vroeg Tangua,—er is niet gezegd hoe wij moeten staan.
—Dat is waar en Tangua kan dus gaan staan, zooals hij wil. Hij keert mij zijn zijde toe, omdat hij meent, dat ik hem dan niet zoo gemakkelijk kan treffen, maar hij vergist zich: ik tref hem altijd. Ik had kunnen schieten, zonder een woord met hem te wisselen, maar ik wil eerlijk zijn, tegenover hem. Hij krijgt mijn kogel in de rechterknie, dat kan echter alleen gebeuren, wanneer hij mij het gezicht toekeert, keert hij mij evenwel de zijde toe, dan zal mijn kogel hem beide knieën verpletteren, dat is het verschil. Hij kan nu gaan staan zooals hij wil, ik heb hem gewaarschuwd.
—Schiet niet met woorden, maar met kogels!—hoonde hij, [221]terwijl hij mijn waarschuwing in den wind sloeg en bleef staan.
—Old-Shatterhand schiet!—herhaalde Winnetou,—een.… twee.… drie!
Mijn schot viel, Tangua uitte een luiden kreet, liet zijn geweer vallen, strekte de armen uit, wankelde en viel neer.
—Oef, oef, oef!—klonk het rondom en allen drongen om hem heen om te zien, waar ik hem getroffen had.
Ik ging eveneens naar hem toe en men maakte eerbiedig plaats voor mij.
—In beide knieën, in beide knieën!—hoorde ik rechts en links zeggen.
Toen ik bij hem kwam, lag hij kronkelend op den grond. Winnetou knielde naast hem neer en onderzocht de wonden. Hij zag mij aankomen en zeide:
—De kogel is juist zoo gegaan, als mijn blanke broeder voorspeld heeft; beide knieën zijn verpletterd. Tangua zal nooit weer kunnen uitrijden om zijn oogen te werpen op de paarden van andere stammen.
Toen de gewonde mij zag, wierp hij mij een vloed van schimpwoorden naar het hoofd. Ik zag hem zoo doordringend aan dat hij voor eenige oogenblikken zweeg en zeide:
—Ik heb u gewaarschuwd en gij hebt niet naar mij willen luisteren, gij zelf zijt schuld aan uw ongeluk!
Hij waagde het niet te jammeren, omdat de Indiaan dit zelfs bij de ergste pijnen niet mag doen, maar hij beet zich op de lippen, zag somber voor zich heen en zeide knarsetandend:
—Ik ben gewond en kan niet naar huis terugkeeren, ik moet bij de Apachen blijven!
Winnetou evenwel schudde het hoofd en antwoordde zeer beslist:
—Gij zult naar huis moeten terugkeeren, want bij ons is geen ruimte voor de dieven van onze paarden en de moordenaars van onze krijgers. Wij hebben geen bloed van u geëischt, maar ons tevreden gesteld met dieren en voorwerpen, meer kunt gij niet verlangen. Voor een Kiowa is geen plaats in ons Pueblo!
—Maar ik kan niet rijden!
—Old-Shatterhand was nog zwaarder verwond dan gij en kon ook niet rijden en toch moest hij mee. Denk dikwijls aan hem, dat zal goed voor u zijn! De Kiowa’s wilden ons heden verlaten, laat hen gaan, want degenen, die wij morgen in de nabijheid van onze weideplaats aantreffen, zullen wij behandelen zooals gij Old-Shatterhand hadt willen behandelen. Ik heb gezegd. Howgh!
Hij nam mij bij de hand en trok mij mee. Toen wij uit het gedrang [222]waren, zagen wij zijn vader aankomen met de mannen, die zijn zoon naar hem toe had gezonden. Winnetou ging hem tegemoet en ik zocht Sam Hawkins, Dick Stone en Will Parker op.
—Eindelijk, eindelijk, hebben wij u dan eens een oogenblik voor ons!—zeide de eerste.—Zeg mij toch voor alles, wat waren dat voor haren die gij Winnetou liet zien?
—Ik had ze hem afgesneden.
—Wanneer?
—Toen ik hem en zijn vader losmaakte!
—Dus gij.… duivels.… gij hebt.… gij, die greenhorn, gij.… gij hebt hen bevrijd?
—Ja zeker.
—Zonder ons er een woord van te zeggen.
—Dat was volstrekt ook niet noodig.
—Maar, hoe hebt ge dat toch aangelegd?
—Zooals een greenhorn dat pleegt te doen!
—Praat toch verstandig, sir! dat was toch een buitengewoon moeilijke zaak!
—Ja, want gij twijfeldet er nog aan, of het u zelf wel zou gelukken!
—En u is het gelukt! òf ik heb geen verstand meer, òf het staat stil!
—’t Eerste is het geval, Sam!
—Houd uw mond met uw praatjes. Zoo een stille in den lande! Bevrijdt de aanvoerders en draagt de vlecht, die wonderen kon doen, bij zich, zonder ons een woord er van te zeggen! En dan zet hij een onnoozel gezicht er bij. Wel, men kan geen mensch meer vertrouwen! En vandaag, wat is er toen gebeurd? Ik vat er niets van! Gij waart verdronken en staat plotseling weer voor ons!
Ik vertelde hun alles. Toen ik geëindigd had riep hij:
—Mensch, vriend en greenhorn, gij zijt toch een vreeselijke deugniet, als ik mij niet vergis! Ik moet u nog eens weer vragen: zijt gij werkelijk nooit in ’t Westen geweest?
—Neen.
—Ook niet in de Vereenigde Staten in ’t algemeen?
—Neen.
—Dan mag de koekoek u begrijpen, ik doe ’t niet. Gij zijt in alles een beginneling en weet toch alles. Zulk een mensch, als gij zijt, heb ik nog nooit ontmoet. Ik moet u prijzen, eerlijk prijzen. Gij hebt de zaak kranig aangepakt, hihihihi! Ons leven hing werkelijk aan een zijden draadje. Maar verbeeld u nu niet al te veel, gij zult [223]nog wel eens dwaasheden begaan! ’t Zal mij nog eens verwonderen, of er wel ooit uit u een goede prairiejager groeit!
Hij zou zeker nog lang op deze wijze zijn voortgegaan, als Winnetou en Intschu Tschuna niet bij ons waren gekomen. De laatste zag mij lang aan, zooals zijn zoon zooeven had gedaan en zeide:
—Ik heb alles van Winnetou gehoord. Gij zijt vrij en zult ons wel willen vergeven. Gij zijt een zeer dapper en listig krijgsman en zult nog menigen vijand overwinnen. Hij, die u tot vriend heeft is machtig. Wilt gij de calumet des vredes met ons rooken?
—Ja, gaarne wil ik uw vriend en broeder zijn!
—Kom dan met mij en met mijn dochter, Nscho-Tschi naar het Pueblo! Ik wil mijn overwinnaar een woning aanwijzen, welke zijner waardig is. Winnetou moet hier beneden blijven om de orde te handhaven!
Zoo gingen wij als vrije mannen met hem en Nscho-Tschi de pyramidenburcht weder op, welke wij als gevangenen hadden verlaten! [224]