Toen wij nu naar het Pueblo terugkeerden en dit bereikten, zag ik eerst welk een machtig indrukwekkend bouwwerk dit eigenlijk was. Men acht de Amerikaansche Indianenstammen ongeschikt voor ontwikkeling en beschaving, maar menschen, die zulke rotsmassa’s in beweging hebben weten te brengen, en tot een, voor de toenmalige wapenen, onneembare vesting hebben weten op te stapelen, kunnen onmogelijk op den laagsten trap van beschaving hebben gestaan. Nu beweert men wel, dat de stammen, die deze bouwwerken hebben tot stand gebracht, uitgestorven zijn en dat de tegenwoordige Indianen geen afstammelingen van hen zouden wezen, maar dat geeft mijns inziens volstrekt geen recht te zeggen, dat deze Indianen, geestelijk ook niet vooruit kunnen komen. Natuurlijk, wanneer men hen daartoe geen tijd en gelegenheid gunt, moeten zij wel ondergaan.

Wij stegen langs de voorhanden zijnde ladders, tot op het derde platform, waarachter de mooiste vertrekken van het Pueblo lagen. Hier woonde Intschu Tschuna met zijn beide kinderen en hier werd ook ons een woning aangewezen.

Mijn kamer was groot. Zij had wel is waar geen vensters en kreeg het licht ook slechts door de deur, maar deze was zoo breed en hoog dat de geheele ruimte voldoende was verlicht. De kamer was ledig, maar Nscho-Tschi bracht spoedig vellen, dekens en allerlei gereedschappen en ik gevoelde mij hier weldra geheel op mijn gemak. Aan Hawkins, Stone en Parker werd te zamen een dergelijk vertrek aangewezen.

Toen mijn logeerkamer zoover in orde was, dat ik haar kon betrekken, bracht „Schoone Dag” mij een prachtig gesneden vredespijp en tabak. Zij stopte deze eigenhandig, stak ze aan en reikte ze mij over met de woorden: [225]

—Deze pijp zendt u Intschu Tschuna, mijn vader. Hij heeft zelf de klei daarvoor uit de heilige steengroeven gehaald en ik heb den kop gesneden. Geen mensch heeft haar nog in den mond gehad en wij verzoeken u, ze van ons als geschenk aan te nemen en aan ons te denken, wanneer gij er uit rookt.

—Uw goedheid is te groot,—antwoordde ik,—zij maakt mij bijna beschaamd, want ik kan niets daar tegenover geven.

—Gij hebt ons reeds zooveel gegeven, dat wij u niet genoeg kunnen danken, gij zijt immers de redder van Intschu Tschuna en van Winnetou. Hun leven was herhaalde malen in uw hand, gij hebt hen niet gedood. Ook vandaag weer hadt gij Intschu Tschuna het leven kunnen benemen, zonder dat ge er voor gestraft zoudt zijn geworden, gij hebt het niet gedaan. Daarom zijn onze harten dankbaar gestemd en gij zult onze broeder zijn als gij ten minste toestaat, dat onze krijgers u als zoodanig beschouwen.

—Wanneer dit gebeurt, dan is mijn grootste wensch vervuld. Intschu Tschuna is een beroemd hoofdman en krijger en Winnetou was ik reeds genegen, van ’t eerste oogenblik dat ik hem zag. Het is voor mij niet alleen een groote eer, maar het doet mij ook oneindig veel genoegen, den broeder van zulke beroemde mannen te worden genoemd. Ik hoop, dat gij ook mijn kameraden als uw vrienden wilt aannemen.

—Als zij dit wenschen, zal men hen behandelen, alsof zij geboren Apachen waren.

—Wij danken u. Gij hebt dus zelf dezen pijpekop uit de heilige klei gesneden? Hoe kunstig hebt gij dit gedaan!

Zij bloosde bij deze lofuiting en antwoordde:

—Ik weet wel, dat de vrouwen en dochters der blanken veel handiger zijn dan wij. Ik zal u echter nog iets anders halen.

Zij ging en kwam terug met mijn revolver, mijn mes, ammunitie en alle andere voorwerpen, welke niet uit mijn zakken waren geweest, want alles wat daarin was, had men mij laten behouden. Ik dankte haar, zeide dat mij nu niets meer ontbrak en vroeg:

—Zullen ook mijn kameraden wat hun is afgenomen geworden, terugkrijgen?

—Ja, alles. Zij zullen het nu reeds hebben, want terwijl ik u hier bedien, zorgt Intschu Tschuna voor hen.

—En hoe staat het met onze paarden?

—Die zijn er ook nog. Gij krijgt het uwe weer en Hawkins kan zijn Mary weer berijden.

—Gij kent den naam van zijn muildier?

—Ja, ook den naam van zijn oud geweer, dat hij Liddy noemt. [226]Ik heb dikwijls, zonder dat ik het u vertelde met hem gesproken. Hij is een grappig man, maar toch een flink prairiejager.

—Ja, dat is hij en nog veel meer, namelijk een trouw, zelfopofferend kameraad, dien men moet liefhebben. Maar, ik zou u wel eens iets willen vragen, zult gij mij eerlijk de waarheid zeggen?

—Nscho-Tschi liegt nooit,—zeide zij trotsch en toch op eenvoudigen toon,—en in ’t allerminst zou zij tegenover u een onwaarheid zeggen.

—Uw krijgers hadden den gevangen Kiowa’s alles afgenomen, wat zij bij zich hadden niet waar?

—Ja.

—Ook mijn drie kameraden.

—Ja.

—Waarom mij dan niet? Men heeft mij alles gelaten wat in mijn zakken zat.

—Winnetou, mijn broeder had dit zoo bevolen.

—En weet gij, waarom hij dit bevel gaf?

—Omdat hij u goed lijden mocht.

—Hoewel hij mij voor zijn vijand hield?

—Ja, gij zeidet zooeven, dat gij hem reeds genegen waart van ’t eerste oogenblik af, dat gij hem zaagt, welnu, datzelfde is ook met hem ’t geval geweest. Het heeft hem leed gedaan u voor een vijand te moeten houden en niet alleen voor een vijand.…

Zij hield op want zij had iets willen zeggen, waarmee zij vreesde, mij te beleedigen.

—Spreek verder!—verzocht ik.

—Neen.

—Dan zal ik het in uw plaats doen. Dat hij mij voor een vijand moest houden, kon hem geen leed doen, want men kan ook een vijand achten, maar hij heeft gemeend, dat ik een leugenaar, een valsch, een slecht mensch was, niet waar?

—Gij hebt het gezegd.

—Ik hoop dat hij nu inziet, dat hij zich vergist heeft. En nu nog een vraag: hoe staat het met Rattler, den moordenaar van Kleki-Petra?

—Hij werd zoo juist aan den folterpaal gebonden.

—Wat, nu, op dit oogenblik?

—Ja.

—En dat zegt men mij niet? Waarom verzwijgt men dat?

—Winnetou wilde dit zoo.

—Waarom?

—Hij vreesde, dat uw oogen het niet konden zien en uw ooren het niet konden hooren. [227]

—Waarschijnlijk vergist hij zich daarin niet en toch is het mij mogelijk het te zien en te hooren, wanneer men mijn wensch vervult.

—En die is?

—Zeg mij eerst, waar die strafoefening zal plaats vinden.

—Beneden aan de rivier, waar gij zooeven waart. Intschu Tschuna heeft u hierheen gebracht, opdat gij er niet bij tegenwoordig zoudt zijn.

—Maar ik wil er bij zijn! Welke martelingen heeft men voor hem uitgedacht?

—Alle, die gewoonlijk toegepast worden. Het is het slechtste bleekgezicht dat ooit in de handen der Apachen is gevallen. Hij heeft onzen blanken vader, dien wij liefhadden en vereerden, zonder eenige aanleiding vermoord, daarom zal hij niet slechts een weinig gemarteld worden, zooals dit bij andere gevangenen pleegt te geschieden, maar men zal alle martelingen, welke wij kennen op hem toepassen.

—Dat mag niet gebeuren, dat is onmenschelijk.

—Hij heeft het verdiend!

—Zoudt gij er bij kunnen zijn en het aanzien?

—Ja.

—Gij? Een meisje?

Zij sloeg de lange wimpers neer, zweeg een oogenblik, hief de oogen weer op en zeide toen, terwijl zij mij verwijtend aanzag:

—Verwondert gij u daarover?

—Ja, een vrouw moet zoo iets niet kunnen aanzien.

—Is dat bij u zoo?

—Ja.

—Werkelijk?

—Ja, werkelijk.

—Gij zegt een onwaarheid, maar zijt daarom geen leugenaar, want gij zegt het, zonder het te weten. Gij vergist u.

—Wilt gij het tegendeel beweren?

—Ja.

—Dan zoudt gij onze vrouwen en meisjes beter moeten kennen dan ik!

—Misschien kent gij ze niet! Als uw misdadigers voor den rechter staan, mogen andere menschen toehooren, is het niet zoo?

—Ja.

—Ik heb gehoord, dat er dan meer toehoorderessen dan toehoorders waren. Moet een vrouw zich door haar nieuwsgierigheid naar zulk een plaats laten drijven?

—Neen.

—En wanneer bij u een moordenaar wordt gevonnist, wanneer [228]men hem ophangt of het hoofd afslaat, zijn er dan nooit blanke vrouwen bij?

—Dat was vroeger zoo.

—Is het haar nu verboden?

—Ja.

—En de mannen ook?

—Ja.

—Dus is het allen verboden! Ware dit niet het geval, dan kunt gij zeker zijn, dat de vrouwen meekwamen. O, de vrouwen der blanken zijn niet zoo teergevoelig als gij denkt! Zij kunnen de pijnen, welke andere menschen of dieren dulden, zeer goed aanzien. Ik ben nooit bij u geweest, maar Kleki-Petra heeft het ons verteld. Daarom ging Winnetou naar de groote steden van het Oosten en toen hij terugkwam, heeft hij mij alles verteld van wat hij gezien heeft. Weet gij, wat uw vrouwen doen met de dieren die zij koken, braden en eten?

—Welnu?

—Zij trekken hun levend de huid af (bij palingen), ook nemen zij hun den darm uit het lijf, terwijl zij nog leven (bij de kreeften) en werpen ze in het kokende water. En weet ge, wat de medicijnmannen der blanken doen?

—Wat bedoelt gij?

—Zij werpen honden levend in het kokende water, om te weten hoelang ze dan nog leven en trekken hun de verzengde huid van het lichaam. Zij snijden hen de oogen, de tongen uit, maken het lijf open en kwellen hen nog op verschillende andere wijzen, om later daarover boeken te schrijven.

—Dat is vivisectie en geschiedt enkel om de wetenschap vooruit te brengen!

—Wetenschap! Kleki-Petra is ook mijn leermeester geweest, daarom weet ik wat gij met dit woord bedoelt. Wat moet uw Groote, Goede Geest wel zeggen van een wetenschap, die niets kan leeren, zonder dat zij Zijn schepselen doodmartelt. En zulke martelingen doen uw medicijnmannen in hun woningen, waar hun vrouwen toch ook leven! Of hooren zij het angstgeschreeuw der gemartelde dieren niet? Hebben uw vrouwen niet vogels in kooien in haar kamers? Weten zij niet, welk een straf dit voor de arme dieren is? Zijn uw vrouwen niet bij honderden tegenwoordig, wanneer bij wedrennen, de paarden bijna worden doodgereden? Ik ben een jong, onervaren meisje en word door u, onder de „wilden” gerekend, maar ik zou u nog veel kunnen opnoemen, dat uw vrouwen doen, zonder dat zij de huivering daarbij gevoelen welke ik zou [229]gewaar worden. Herinner u de vele schoone, blanke vrouwen, die haar slaven hebben laten pijnigen of met een glimlach op de lippen hebben toegezien, dat een zwarte dienares werd gegeeseld! En hier geldt het een moordenaar, een misdadiger! Hij moet sterven, zooals hij dat heeft verdiend. Ik wil er bij zijn en gij veroordeelt mij! Is het werkelijk slecht van mij dat ik zulk een mensch kan zien sterven? En wanneer ik ongelijk mocht hebben aan wie de schuld dat de roodhuiden hun oogen aan zulke tooneelen hebben gewend? Zijn het niet de blanken, die ons dwingen, hun wreedheid met gelijke munt te betalen?

—Ik geloof niet, dat een blanke rechter een gevangen Indiaan tot den folterpaal zou veroordeelen.

—Rechter! Neem mij niet kwalijk, dat ik u aanspreek met den titel, dien ik zoo dikwijls van Hawkins had gehoord, „greenhorn”, gij kent het Westen nog niet! Waar zijn hier rechters! De sterkere is de rechter, de zwakkere wordt gevonnist. Laat u vertellen wat er gebeurd is bij de legervuren der bleekgezichten! Zijn de vele Indianen, die gevallen zijn in den strijd met de blanke indringers, allen snel aan een kogel of een messteek gestorven? Hoe velen van hen werden doodgemarteld! En toch hadden zij niets anders dan hun rechten verdedigd. En nu er bij ons een moordenaar zal sterven, die zijn straf heeft verdiend, nu moet ik mijn oogen van dit tooneel afwenden, omdat ik een vrouw, een meisje ben? Ja, eens waren wij anders, maar gij hebt ons geleerd, bloed te zien vloeien zonder dat wij daarbij ons gezicht vertrekken. Ik zal gaan, om tegenwoordig te zijn wanneer de moordenaar van Kleki-Petra zijn straf ondergaat!

Ik had de jonge, schoone Indiaansche leeren kennen als een zacht, stil wezen, nu evenwel stond zij vóór mij met fonkelende oogen en gloeiende wangen, het beeld van de godin der wrake, die geen erbarmen kent. ’t Kwam mij voor, dat zij nu nog schooner was dan te voren. Mocht ik haar veroordeelen? Had zij ongelijk?

—Ga dan,—zeide ik,—maar ik ga mee.

—Blijf liever hier!—verzocht zij, weer in een geheel anderen toon.—Winnetou en Intschu Tschuna zien niet gaarne, dat gij meekomt.

—Zouden zij er boos om worden?

—Neen. Zij zien het liever niet, maar zij willen het u niet verbieden.

—Dan ga ik mee, zij zullen het mij niet kwalijk nemen.

Toen ik met haar op het platform kwam, vond ik daar Sam Hawkins, die uit zijn oude, korte pijp stond te rooken. [230]

—’t Is nu een andere zaak, sir!—zeide hij lachend—tot nu toe gevangene geweest en nu den grooten mijnheer uithangen. Hoe gaat het u onder deze omstandigheden?

—Dank u, zeer goed—antwoordde ik.

—Mij ook eveneens. De hoofdman heeft ons zelf bediend, dat is netjes, als ik mij niet vergis.

—Waar is Intschu Tschuna nu?

—Hij is weggegaan, ik denk naar de rivier.

—Weet gij wat daar op dit oogenblik geschiedt?

—Ik kan het wel denken.

—Wat dan?

—Het afscheid van de Kiowa’s.

—Dat niet alleen.

—Wat dan nog meer?

—Rattler wordt gevonnist.

—Wordt Rattler gevonnist? En men laat ons hier? Dan moet ik toch ook naar beneden, om dat te zien.

—Wacht een oogenblik. Kunt gij zulke tooneelen aanzien, zonder huiveren?

—Zien, huiveren, wat zijt gij toch een greenhorn sir, als gij maar langer hier in ’t Westen zijt, zult gij ook niet meer aan huiveren denken. Die kerel heeft den dood verdiend en wordt op Indiaansche wijze gevonnist, dat is alles!

—Maar het is toch wreed!

—Kom praat bij zulk een wezen toch niet van wreedheid. Sterven moet hij toch eenmaal of denkt gij van niet?

—O ja, als zij het dan maar kort met hem maken, ’t is toch een mensch!

—Een man, die een ander, die hem niets heeft misdaan, zoo maar neerschiet, is geen mensch. Hij was zoo dronken als een uil!

—Dat is toch een verzachtende omstandigheid, hij wist niet meer wat hij deed!

—Laat u toch niet uitlachen! Ja, daarginds bij u in de oude wereld rekenen de rechters ieder, die in dronkenschap een moord begaat niet zoo schuldig. Wie zich zoo bedrinkt, dat hij als een wild dier op zijn medemensch aanvalt, moest juist strenger gestraft worden. Ik heb niet het minste medelijden met Rattler. Bedenk eens, hoe hij u heeft behandeld.

—Dat bedenk ik wel, maar ik ben een Christen en geen Indiaan. Ik zal alles in het werk stellen om hem een spoedigen dood te bezorgen.

—Doe dat niet, sir, ten eerste heeft hij het niet verdiend en [231]ten tweede zal het u weinig geven. Kleki-Petra is de leermeester, de geestelijke vader van den stam geweest, zijn dood is een onherstelbaar verlies voor de Apachen en de moord geschiedde zonder eenige aanleiding. Daarom is het onmogelijk de roodhuiden tot medelijden te bewegen.

—Ik zal het toch beproeven!

—Tevergeefs.

—In dit geval schiet ik Rattler een kogel in het hart.

—Om een einde te maken aan zijn lijden! Laat dat om ’s Hemels wil blijven. Gij zoudt u den haat van den geheelen stam op den hals halen. Het is hun recht den aard der straf te bepalen, als gij hun dat ontneemt, is het uit met de zooeven gesloten vriendschap. Dus, gij gaat mee?

—Ja.

—Goed zoo, maar bega geen dwaasheden! Ik zal Dick en Will roepen.

Hij verdween in den ingang zijner woning en kwam spoedig met zijn beide kameraden terug. Wij daalden de verschillende ladders af. Nscho-Tschi was ons vooruitgegaan en nergens meer te zien. Toen wij uit het zijdal in het hoofddal van de Rio Pecos kwamen, waren de Kiowa’s verdwenen. Zij waren met hun gewonden aanvoerder weggereden, maar Intschu Tschuna was zoo voorzichtig geweest hun spionnen na te zenden, daar zij ’t licht konden probeeren, onopgemerkt terug te komen om zich te wreken.

Ik heb reeds gezegd, dat onze ossenwagen op het plein stond. De Apachen hadden zich in een kring daaromheen opgesteld en midden in stonden de beide aanvoerders met eenige krijgslieden. Nscho-Tschi was bij hen en sprak met Winnetou. Hoewel zij de dochter van een opperhoofd was, mocht zij zich niet mengen in de aangelegenheden der mannen en dat zij zich nu toch hier bevond, bewees, dat zij iets zeer gewichtigs met haar broeder had te bespreken. Toen zij ons aan zag komen, maakte zij Winnetou op ons opmerkzaam en trok zich daarop terug, zich bij de vrouwen voegend. Zij had blijkbaar over ons gesproken. Winnetou drong door den kring zijner krijgers, kwam ons tegemoet en zeide op ernstigen toon:

—Waarom zijn mijn blanke broeders niet boven in het Pueblo gebleven? Bevallen hun de vertrekken niet, welke hun zijn aangewezen?

—Zij bevallen ons zeer goed,—antwoordde ik,—en wij danken onze roode broeders voor hun goede zorgen. Wij zijn hier gekomen, omdat wij hoorden dat Rattler nu terechtgesteld zou worden. Is dit zoo?

—Ja. [232]

—Ik zie hem evenwel hier niet.

—Hij ligt in den wagen bij het lijk van den vermoorde.

—Welken dood moet hij sterven.

—Den marteldood.

—Is dat vast besloten?

—Ja.

—Zulk een terechtstelling kan ik niet bijwonen.

—Daarom heeft Intschu Tschuna, mijn vader u naar het Pueblo gebracht. Waarom zijt gij hier gekomen? Waarom wilt gij iets zien, dat gij toch niet kunt aanzien?

—Ik hoop, dat ik zijn terechtstelling kan bijwonen, zonder dat ik mij met afgrijzen behoef af te wenden. Mijn godsdienst gebiedt mij, voor Rattler te pleiten.

—Uw godsdienst? Was dat ook niet de zijne?

—Ja.

—Heeft hij naar de geboden der godsdienst gehandeld?

—Helaas neen.

—Dan is het ook volstrekt niet noodig hem naar die geboden te behandelen. Uw en zijn godsdienst verbieden den moord en hij heeft toch een moord bedreven, dus moet hij zijn straf ondergaan.

—Ik kan geen rekening houden met wat hij gedaan heeft, ik moet mijn plicht vervullen, zonder naar de daden van anderen te vragen. Ik verzoek u dus het vonnis te verzachten en dezen man een snellen dood te laten sterven.

—Wat eenmaal besloten is, moet worden uitgevoerd!

—Bestaat er dus geen enkel middel om mijn wensch vervuld te krijgen?

Hij zag ernstig en nadenkend voor zich en antwoordde toen:

—Er is één middel.

—En dat is?

—Voor ik het mijn blanken broeder zeg, moet ik hem ernstig verzoeken het niet in toepassing te brengen, daar dit hem zeer in de achting van onze krijgers zou doen dalen.

—In hoeverre? is dit middel dan een onwaardig middel?

—Naar de begrippen der roode mannen, ja.

—Zeg het mij.

—Gij zoudt uw aanspraak op onze dankbaarheid moeten laten gelden.

—Maar dat doet geen fatsoenlijk mensch!

—Neen wij hebben ons leven aan u te danken, wilt gij u daarop beroepen en mijn vader, Intschu Tschuna dwingen, uw wensch in overweging te nemen? [233]

—Wat zou ’t gevolg daarvan zijn?

—Wij zouden een nieuwe vergadering moeten beleggen en in die vergadering zóó voor u moeten pleiten, dat onze krijgers de belooning die gij eischt, goedkeuren. Maar dan zou alles, wat gij verder hebt gedaan als van geen waarde worden beschouwd. Is deze Rattler zulk een offer waard?

—Zeker niet.

—Mijn broeder hoort dat ik oprecht met hem spreek. Ik weet welke gedachten en gevoelens in hem omgaan, maar mijn krijgers hebben geen begrip van deze dingen. Een man, die dank eischt voor een bewezen dienst, wordt door hen veracht. Moest Old-Shatterhand, die de grootste en de beroemdste krijgsman der Apachen kan worden van ons heengaan, omdat mijn krijgers hem zullen minachten?

Het was moeilijk hierop een antwoord te geven. Mijn hart gebood mij bij mijn verzoek te blijven, mijn verstand, of beter gezegd, mijn trots kwam daar tegen op. Winnetou begreep den tweestrijd in mijn binnenste en zeide:

—Ik zal met Intschu Tschuna, mijn vader overleggen. Mijn broeder kan hier een oogenblik wachten.

Hij ging.

—Begin geen dwaasheden, sir!—verzocht Sam;—gij vermoedt niet wat hier op ’t spel staat, misschien wel uw leven.

—Er is geen sprake van.

—Zeker! Het is waar: de roodhuid veracht iedereen die dank eischt of die maant aan wat men hem verschuldigd is. Hij doet dan, wat men van hem vraagt, maar later wil hij dien persoon niet meer kennen. Wij zouden dan vandaag nog heen moeten gaan en hebben de Kiowa’s voor ons, wat dat beteekent, behoef ik u wel niet te zeggen.

Intschu Tschuna en Winnetou spraken een tijdlang zeer ernstig met elkander, toen kwamen zij naar ons toe en de eerste zeide:

—Indien Kleki-Petra ons niet zooveel van uw geloof had gezegd, zou ik u houden voor iemand, met wien ik niet wilde spreken. Nu evenwel kan ik uw wensch billijken, maar mijn krijgers begrijpen dien niet en zullen u daarom verachten.

—Ik handel ook in den geest van Kleki-Petra.

—Van hem?

—Ja, hij bezat immers hetzelfde geloof als ik en is in dit geloof gestorven. Zijn godsdienst gebood hem zijn vijanden te vergeven. Geloof mij hij zou het niet dulden, dat zijn moordenaar zulk een dood stierf.

—Meent gij dat in ernst? [234]

—Ja, ik ben er van overtuigd.

Hij schudde het hoofd en zeide:

—Wat zijn die Christenen toch voor menschen! Of zij zijn slecht en dan is hun slechtheid zoo groot, dat men ze niet kan begrijpen, of ze zijn zóó goed en evenzoo onbegrijpelijk.

Hierop zag hij zijn zoon en deze wederkeerig hem in de oogen. Zij begrepen elkander door deze blikken. Toen wendde Intschu Tschuna zich weer tot mij, terwijl hij vroeg:

—Was deze moordenaar ook uw vijand?

—Ja.

—Hebt gij hem vergeven?

—Ja.

—Luister dan, naar wat ik u ga zeggen! Wij willen zien, of er nog een sprankje goeds in hem is. Is dit het geval, dan zal ik beproeven, uw wensch te vervullen, zonder dat het u schade doet. Zet u hier neer en wacht af, wat er gebeurt. Als ik u een wenk geef, komt gij naar den moordenaar toe en eischt van hem dat hij u om vergeving vraagt. Doet hij dit, dan zal hij een haastigen dood sterven.

—Mag ik hem dit zeggen?

—Ja.

Intschu Tschuna keerde met Winnetou in den kring terug en wij gingen zitten op de plaats, waar wij tot nu toe gestaan hadden.

—Ik had niet gedacht,—meende Sam,—dat de hoofdman op uw wensch zou ingaan, gij staat zeer goed bij hem aangeschreven.

—Dat is de reden niet, er is een andere.

—Welke dan?

—Het is de invloed van Kleki-Petra, die zelfs nog na zijn dood zich laat gelden. Deze roodhuiden hebben van het ware Christendom meer in zich opgenomen, dan zij zelf vermoeden. Ik ben nieuwsgierig te weten, wat nu zal gebeuren.

—Gij zult het meteen zien. Let op!

Nu werd een plank van den wagen weggenomen. Wij zagen, dat men een lang voorwerp, dat iets op een koffer geleek en waarop een mensch was vastgebonden aflaadde.

—Dat is een lijkkist,—meende Sam Hawkins,—uit holle boomstammen gemaakt en met natgemaakte vellen overtrokken. Wanneer het leder droog wordt, trekt het samen en de kist wordt daardoor luchtdicht gesloten.

Niet ver van de plaats, waar het zijdal in het hoofddal uitliep, verhief zich een rots waarvoor een groote vierkante stapel steenen [235]was opgericht. Daarnaast lagen nog vele kleinere steenen, welke hier bijeen waren gebracht. Naar dit vierkant werd de lijkkist gedragen, met den man, die daarop was vastgebonden. Deze man was Rattler.

—Weet ge waartoe men daar die steenen heeft bijeengebracht?—vroeg Sam.

—Ik geloof het wel.

—Waartoe dan?

—Men wil daarvan het graf bouwen.

—Juist, een dubbel graf.

—Voor Rattler meteen?

—Ja, de moordenaar wordt tegelijk met zijn slachtoffer begraven, wat eigenlijk altijd moest gebeuren, als het mogelijk was.

—Verschrikkelijk! Levend aan de kist van den vermoorde gebonden te zijn en te weten dat dit ook meteen de eigen, laatste rustplaats is!

—Ik geloof warempel, dat gij medelijden met dezen kerel gaat hebben. Dat gij voor hem om genade hebt gevraagd, kan ik mij begrijpen, maar dat ge medelijden met hem hebt, gaat mijn verstand te boven.

Nu werd de lijkkist omhoog gezet, zóó dat Rattler op zijn voeten kwam te staan. Men bond nu beide, de kist en den man, met sterke riemen aan den steenen muur vast. De roodhuiden, vrouwen en kinderen zoowel als mannen, naderden en vormden een kring er omheen. Er heerschte een diepe stilte. Winnetou en Intschu Tschuna stonden naast de kist, de een rechts, de andere links. Nu verhief de hoofdman zijn stem en sprak:

—De krijgers der Apachen zijn hier bijeen gekomen om vonnis te vellen, want het volk der Apachen heeft een groot verlies geleden door den dood van Kleki-Petra en de schuldige zal met zijn leven daarvoor boeten.

Intschu Tschuna schilderde nu op Indiaansche bloemrijke wijze het leven en werken van Kleki-Petra en vertelde uitvoerig hoe de moord zich had toegedragen. Hij sprak over de gevangenneming van Rattler en maakte ten slotte bekend, dat dezen nu ter dood zou worden gebracht en dan tegelijk met den vermoorden zou worden begraven. Hierop zag hij mij aan en gaf mij den afgesproken wenk.

Wij stonden op en werden in den kring opgenomen. Van te voren had ik, wegens den grooten afstand, den veroordeelde niet duidelijk kunnen zien, nu stond ik voor hem en gevoelde, hoe slecht en goddeloos hij ook was geweest, diep medelijden.

De kist was zwaar en meer dan vijf el lang. Zij geleek op een dikken boomstam, die men met leer had overtrokken. Rattler was zóó met [236]den rug op deze kist vastgebonden, dat zijn armen naar achteren lagen en zijn beenen van elkaar stonden. Men kon hem aanzien, dat hij noch honger, noch dorst had geleden. Hij had een prop in den mond en kon dus niet spreken. Ook zijn hoofd was zoo vastgebonden, dat hij het niet kon bewegen. Toen ik naderbij kwam, nam Intschu Tschuna hem de prop uit den mond en zeide tot mij:

—Mijn blanke broeder heeft met dezen moordenaar willen spreken. Het kan geschieden.

Rattler zag, dat ik vrij was en kon dus dadelijk opmaken, dat ik vriendschap had gesloten met de Indianen. Ik had daarom verwacht, dat hij mij zou hebben verzocht een goed woordje voor hem te doen. In plaats daarvan echter, begon hij zoodra de prop uit zijn mond was verwijderd, op giftigen toon tegen mij:

—Wat wilt gij? Maak dat ge weg komt, ik wil niets met u te maken hebben.

—Gij hebt gehoord dat gij ter dood veroordeeld zijt, Mr. Rattler,—antwoordde ik kalm,—daaraan valt niets te veranderen, gij moet sterven, maar ik wil toch.…

—Ga weg, hond, ga weg!—viel hij mij in de rede, terwijl hij trachtte op mij te spuwen.

—Sterven moet gij dus,—ging ik bedaard voort,—doch op welke wijze dat hangt van u af. Gij zult doodgemarteld worden, dat wil zeggen, men zal u pijnigen, vandaag misschien ook morgen nog, den ganschen, langen dag. Dat is vreeselijk en ik kan het niet aanzien. Op mijn verzoek heeft Intschu Tschuna zich bereid verklaard, u snel te laten ter dood brengen, indien gij de voorwaarde vervult, welke hij heeft gesteld.

Ik hield even op, want ik dacht, dat hij mij naar deze voorwaarde zou vragen. In plaats daarvan evenwel slingerde hij mij een vloek naar het hoofd, welke ik onmogelijk hier weer kan geven.

—De voorwaarde is deze: dat gij mij om vergiffenis vraagt,—verklaarde ik.

—Om vergeving? U om vergeving vragen?—schreeuwde hij.—Liever bijt ik mij de tong af en duld ik alle kwalen, welke deze schurken kunnen uitdenken!

—Let wel op, Mr. Rattler, ik ben het niet, die deze voorwaarde heb gesteld. Intschu Tschuna heeft het gewild en ik moet u zijn boodschap overbrengen; denk toch, in welk een toestand gij u bevindt, er wacht u iets verschrikkelijks, een langzame pijnlijke dood, dien gij kunt voorkomen, door het ééne woord „vergeving” uit te spreken.

—Ik denk er niet aan, nooit, nooit doe ik dat. Maak dat gij weg [237]komt, ik kan uw schurkengezicht niet zien, loop naar den duivel voor mijn part.

—Als ik u dit genoegen doe en heenga, is het voor u te laat, ik kom dan niet weer. Wees dus verstandig en zeg dit eene woord!

—Neen, neen, neen!—brulde hij.

—Ik verzoek er u om!

—Weg, weg zeg ik! Hel en hemel, waarom ben ik gebonden! Had ik de handen vrij, ik zou u den weg wijzen!

—Welnu, gij zult uw zin hebben, maar ik zeg u, dat ik niet terugkom, als gij mij later roept!

—Ik u roepen? u, u! Verbeeld u dat maar niet. Pak u weg!

—Ik zal gaan, maar vooraf nog deze vraag: hebt gij nog een wensch? Ik zal trachten dien te vervullen. Een groet aan iemand? Hebt gij bloedverwanten, die ik bericht kan zenden?

—Loop naar de hel en zeg daar, dat gij een groote schurk zijt. Gij hebt gemeene zaak gemaakt met de roodhuiden en mij in hun handen overgeleverd. Daarvoor moge.…

—Gij vergist u,—viel ik hem in de rede,—dus, gij hebt geen enkelen wensch meer vóór uw dood?

—Slechts deze, dat gij mij spoedig zult volgen.

—Goed, dan zijn wij klaar, en, ik heb niets meer te doen dan u, als Christen den raad te geven: ga niet heen in zonde, maar denk aan uw daden en aan de vergelding, welke u aan gene zijde van het graf wacht!

Wat hij hierop antwoordde, kan ik wederom niet zeggen, er liep mij een ijskoude rilling over den rug bij zijn woorden. Intschu Tschuna nam mij bij de hand en leidde mij weg, terwijl hij zeide:

—Mijn jonge, blanke broeder ziet, dat deze moordenaar geen voorspraak verdient; hij noemt zich Christen, gij noemt ons heidenen, maar zou een roode krijgsman ooit zulke woorden spreken?

Ik antwoordde niet, wat zou ik ook hebben kunnen zeggen? Dit gedrag van Rattler had ik niet verwacht. Hij was vroeger altijd zoo laf en vreesachtig, had werkelijk gebeefd, als er gesproken werd over de martelpalen der Indianen en nu deed hij, alsof hij niets gaf om alle pijnen der wereld.

—Dat is geen moed van hem,—zeide Sam,—maar woede, enkel woede.

—Waarover?

—Wel over u. Hij meent, dat gij er de schuld van zijt, dat hij in den handen der roodhuiden is gevallen. Hij heeft u niet gezien sedert den dag, waarop wij gevangen zijn genomen, nu ziet hij dat gij en wij vrij zijn, de roodhuiden zijn vriendelijk tegen ons, terwijl hij sterven moet. Nu meent hij dat wij valsch spel hebben gespeeld. [238]Maar wacht maar, straks als de martelingen beginnen, zal hij wel anders piepen, let er maar op wat ik zeg!

De Apachen lieten ons niet wachten op het begin van dit treurige schouwspel. Ik was eigenlijk van plan mij te verwijderen, maar ik had zooiets nooit eerder gezien en besloot te blijven, zoolang het mij mogelijk was. De toeschouwers gingen zitten. Verscheidene jonge krijgers traden naar voren met messen in de handen en bleven op een afstand van ongeveer vijftien pas van Rattler staan. Zij wierpen met hun messen naar hem maar zorgden er wel voor, hem niet te treffen, de klingen kwamen allen terecht in de kist, waarop hij was vastgebonden. Het eerste mes zat links, het tweede rechts van zijn voet, beide volgende werden iets hooger gemikt en zoo ging het voort, tot zijn beide beenen door vier rijen messen dicht waren ingesloten.

Tot nu toe had hij zich kalm gehouden. Nu echter zweefden de messen al hooger en hooger, want nu moest de geheele omtrek van zijn lichaam door messen worden afgezet. Nu werd hij angstig. Zoodra een mes kwam aangevlogen, stiet hij een angstkreet uit en deze kreten werden hoe langer hoe luider naarmate de Indianen hooger mikten. Toen nu ook zijn bovenlichaam tusschen louter messen inzat, kwam de beurt aan het hoofd. Het eerste mes vloog rechts van zijn hals in de kist, het tweede links en zoo ging het voort, totdat er geen plaats meer over was. Nu werden alle messen er weer uitgetrokken. Dit was slechts een voorspel geweest, uitgevoerd door jongelieden, die eens wilden toonen, dat zij geleerd hadden kalm te mikken en zeker te treffen. Zij zochten hun plaatsen weder op en gingen zitten.

Hierop wees Intschu Tschuna oudere mannen aan, die op dertig pas afstands zouden werpen. Toen de eerste daarvoor gereedstond, trad het opperhoofd op Rattler toe, wees op zijn bovenarm en zeide:

—Hier treffen.

Het mes werd geworpen, trof nauwkeurig het aangewezen punt en vloog, de spier doorsnijdend, in het deksel van de kist. Dat was dus ernst. Rattler voelde de pijn en begon te schreeuwen, alsof het reeds om zijn leven ging. Het tweede mes doorsneed de spier van den anderen arm en het gehuil werd nog luider. De derde en vierde worp waren op den bovenarm gericht en troffen ook daar juist het punt, dat de aanvoerder elken keer vooraf aanwees. Men zag geen bloed vloeien, daar Rattler niet ontkleed was en de Indianen nu nog alleen de plaatsen mochten treffen, waar de verwonding geen gevaar voor het leven opleverde.

Misschien had Rattler in ’t eerst gemeend, dat het wel niet zoo erg met hem zou afloopen, nu evenwel moest hij inzien, dat het [239]er slecht voor hem uitzag. Hij kreeg nog messen in de benedenarmen en in de kuiten en huilde nu aan één stuk door.

De toeschouwers bromden en sisten en gaven op verschillende andere wijzen hun minachting te kennen. Een Indiaan, die aan den martelpaal is gebonden, gedraagt zich geheel anders. Zoodra het tooneel, dat met zijn dood zal eindigen, een aanvang neemt, heft hij zijn doodszang aan, in welken hij zijn daden prijst en degenen, die hem martelen, hoont. Hoe smartelijker de pijnen zijn welke men hem aandoet, des te grooter zijn de beleedigingen, welke hij hen naar het hoofd werpt, maar nooit zal hij een klacht of kreet van pijn laten hooren. Is hij dan dood, dan verkondigen zijn vijanden zijn roem en begraven hem met Indiaansche eerbewijzen. Het is dan voor hen ook een eer geweest hun hulp te verleenen bij zulk een roemvollen dood.

Iets geheel anders is het bij den lafaard, die bij de geringste wonde schreeuwt of huilt of om genade roept. Hem te martelen is geen eer, maar bijna een schande, daarom is er geen dapper krijgsman te vinden, die zich verder met hem bezig wil houden en hij wordt doodgeslagen of op de een of andere eerlooze wijze ter dood gebracht. Zulk een lafaard was Rattler. Zijn wonden waren gering en nog niet gevaarlijk, zij mochten hem een weinig zeer doen, maar van eigenlijke pijnen was geen sprake. Toch huilde en raasde hij, alsof hij helsche pijnen doorstond en brulde daarbij telkens mijn naam alsof hij mij uitdaagde bij hem te komen. Nu liet Intschu Tschuna even een pauze houden en zeide tot mij:

—Mijn jonge broeder mag tot hem gaan en hem vragen, waarom hij zoo schreeuwt. De messen kunnen hem tot nu toe, nog niet veel pijn hebben veroorzaakt.

—Ja, kom hier sir, kom hier, ik moet u spreken,—riep Rattler. Ik ging naar hem toe en vroeg:

—Wat wilt gij nu van mij?

—Trek mij die messen uit de armen en beenen!

—Dat mag ik niet doen!

—Maar ik zal sterven, wie kan dit verdragen!

—Hebt gij dan een oogenblik gemeend, dat gij zoudt blijven leven?

—Maar gij leeft toch ook?

—Ik heb niemand vermoord.

—Kan ik het helpen, dat ik dit gedaan heb? Gij weet immers wel, dat ik dronken was?

—De daad blijft er dezelfde om, ik heb u zoo dikwijls voor den brandewijn gewaarschuwd! Gij luisterdet niet naar mij en moet nu de gevolgen dragen! [240]

—Gij zijt een hardvochtig en gevoelloos mensch, doe dan ten minste een goed woord voor mij!

—Dat heb ik gedaan. Vraag mij vergiffenis en gij zult een spoedigen dood sterven en niet langzaam worden doodgemarteld.

—Sterven! ik wil niet sterven, ik wil leven!

—Dat is onmogelijk!

—Onmogelijk? is er dan geen uitkomst?

—Neen.

—Geen uitkomst.… geen uitkomst!—gilde hij uit alle macht en daarop begon hij zoo jammerlijk te klagen en te huilen dat ik het niet langer kon uithouden en mij verwijderde.

—Blijf toch hier, sir, blijf toch hier!—schreeuwde hij mij na,—anders beginnen zij weer van voren af aan.

Nu ging het opperhoofd naar hem toe.

—Huil niet langer, hond!—zeide hij,—gij zijt niet waard, dat een krijgsman u met zijn wapen aanraakt!—En zich tot zijn mannen wendend, ging hij voort:

—Wie van de zonen der dappere Apachen wil zich nog met dezen lafaard afgeven?

Niemand antwoordde.

—Dus niemand?

Wederom hetzelfde zwijgen.

—Oef! Deze moordenaar is niet waard door ons gedood te worden. Hij zal ook niet met Kleki-Petra begraven worden. Hoe kan zulk een padde naast een zwaan in de eeuwige jachtvelden verschijnen. Snijdt hem los.

Hij gaf een wenk aan twee kleine knapen. Deze sprongen op, trokken hem de messen uit de ledematen en sneden hem los van de lijkkist.

—Bind hem de handen op den rug!—beval de hoofdman verder.

De knapen die niet ouder dan tien jaar waren, deden dit en Rattler verzette zich geen oogenblik.

Welke een schande! Ik schaamde mij bijkans een blanke te zijn.

—Leidt hem naar de rivier en jaagt hem in ’t water!—luidde het bevel,—slaagt hij er in den anderen oever te bereiken, dan is hij vrij!

Rattler uitte een kreet van vreugde en liet zich gewillig door de knapen naar de rivier brengen. Zij gaven hem ook werkelijk een duw, want hij bezat zelfs niet eens zooveel eergevoel om er zelf in te springen. Hij dook even onder, maar kwam weldra weer boven en deed zijn best op den rug zwemmend vooruit te komen, wat hem vrij goed gelukte, hoewel de handen hem waren gebonden. De mensch [241]zinkt door zijn minder soortelijk gewicht in ’t water niet naar beneden en hij had zijn beenen vrij, hij kon zich dus voortbewegen.

Zou hij den tegenoverliggenden oever bereiken? Ik hoopte van niet. Hij had den dood verdiend, liet men hem leven en ontkomen dan was men zelf medeplichtig aan de misdaden, welke hij in ’t vervolg zou begaan. De beide knapen stonden nog aan den oever en sloegen hem nauwlettend gade. Nu gaf Intschu Tschuna het bevel:

—Neemt uw geweren en schiet hem in den kop!

Zij liepen onmiddellijk naar de plaats, waar eenigen der krijgers hun geweren hadden neergelegd en namen er ieder een van mee. Deze kleine jongens wisten reeds goed met zulk een wapen om te gaan. Op de knieën liggend, mikten zij nu op Rattler’s hoofd.

—Niet schieten, om Gods wil, niet schieten!—gilde deze ontzet.

De knapen sloegen geen acht op zijn woorden, zij behandelden de zaak als kleine sportsmen en lieten hem eerst weer kalm verder zwemmen, wat de aanvoerder stilzwijgend toeliet. Blijkbaar was hij volkomen overtuigd, dat zij hun tijd wel zouden kiezen. Eensklaps knalden twee schoten en weerklonk een luide kreet. Rattler was in het hoofd getroffen en verdween oogenblikkelijk in de diepte. Geen jubelkreet weerklonk, zooals het anders de gewoonte der roodhuiden is bij den dood eens vijands. Zulk een lafaard was niet waard, dat men zich om hem bekommerde en zijn lijk dreef stroomafwaarts, zonder dat iemand er naar omzag. Hij kon immers ook slechts gewond, in plaats van doodgeschoten zijn, ja, hij kon gedaan hebben, alsof hij getroffen was en evenals ik, ondergedoken zijn, om op een andere plaats weer boven te komen. Zij achtten het evenwel niet der moeite waard, dit te onderzoeken.

Intschu Tschuna kwam naar mij toe en vroeg:

—Is mijn jonge, blanke broeder nu over mij tevreden?

—Ja, ik dank u!

—Gij hebt geen reden om mij te danken. Ook al had ik uw wensch niet gekend, dan nog zou ik zoo en niet anders hebben gehandeld. Deze hond was niet waard den marteldood te ondergaan. Vandaag hebt gij het onderscheid gezien tusschen ons, heidenen en gij, Christenen, tusschen dappere roode krijgers en blanke lafaards. De bleekgezichten zijn in staat tot alle kwaad, maar wanneer het er op aankomt moed te toonen, huilen zij van angst als honden die een pak slaag krijgen.

—De hoofdman der Apachen moet niet vergeten dat er overal dappere en laffe, goede en slechte menschen zijn.

—Gij hebt gelijk en ik wilde u niet beleedigen, maar dan mag [242]uw volk ook niet denken, dat het beter is dan een ander, omdat dit niet dezelfde huidkleur heeft.

Om hem af te leiden, vroeg ik:

—Wat zullen de krijgers der Apachen nu doen? Kleki-Petra begraven?

—Ja.

—Mag ik met mijn kameraden deze plechtigheid bijwonen?

—Ja, als gij er niet om gevraagd hadt, zou ik er u om verzocht hebben. Gij hebt destijds, toen wij heengingen om onze paarden te halen met Kleki-Petra gesproken. Was dit slechts een gewoon gesprek?

—Neen, integendeel, een zeer ernstig en voor hem en mij een zeer gewichtig onderhoud. Mag ik u vertellen waarover wij gesproken hebben?

Winnetou was intusschen bij ons gekomen.

—Ja, vertel het—zeide hij.

—Toen gij weg waart gingen wij bij elkander zitten. Wij bemerkten weldra dat wij één vaderland hadden en spraken dus met elkander in onze moedertaal. Hij had veel beleefd en veel geleden en vertelde mij dit. Hij zeide mij ook, hoe lief hij u had en dat het zijn grootste wensch was, voor Winnetou te mogen sterven. De Groote Geest vervulde dezen wensch reeds eenige minuten daarna.

—Waarom wilde hij voor mij sterven?

—Omdat hij u liefhad en ook nog om een andere reden, die ik u later wel eens zal vertellen. Zijn dood moest een soort van boetedoening zijn.

—Toen hij stervend in mijn armen lag, sprak hij tot u in een taal, welke ik niet verstond, welke taal was dat?

—Onze moedertaal!

—Sprak hij toen ook over mij?

—Ja.

—Wat zeide hij?

—Hij verzocht mij, u trouw te blijven.

—Mij.… trouw.… te.… blijven? Gij kendet mij immers nauwelijks.

—Ik kende u, want ik had u gezien en wie Winnetou ziet, die weet wie hij is en bovendien, hij had mij immers over u gesproken?

—Wat antwoorddet gij hem?

—Ik beloofde hem zijn wensch te vervullen.

—Het was de laatste wensch die hij kon uitspreken. Gij hebt hem beloofd mij trouw te zijn, hebt mij behoed, bewaakt en gespaard, terwijl ik u als mijn vijand vervolgde. De messteek dien ik u gaf, [243]zou voor ieder ander doodelijk zijn geweest, uw sterk lichaam heeft u gered. Ik ben voor altijd uw schuldenaar. Wees mijn vriend.

—Dat ben ik reeds lang.

—Mijn broeder dan.

—Van ganscher harte.

—Wij zullen dit verbond bekrachtigen bij het graf van hem, die mijn ziel aan u heeft toevertrouwd! Een edel bleekgezicht is ons ontnomen geworden en heeft ons bij zijn sterven een ander edel man aangewezen. Mijn bloed zal uw bloed en uw bloed mijn bloed zijn. Ik zal het uwe drinken en gij het mijne. Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen, mijn vader en opvoeder, zal mij dat zeker toestaan.

Intschu Tschuna reikte ons beiden de hand en zeide op hartelijken toon:

—Ik sta dit gaarne toe. Gij zult niet alleen broeders zijn, maar één man en krijgsman met twee lichamen. Howgh!

Wij begaven ons naar de plaats, waar het graf zou worden opgericht. Ik vroeg naar de maat, de bouworde en de hoogte daarvan en verzocht toen om eenige tomahawks. Hierop ging ik met Sam, Dick Stone en Will Parker langs de rivier naar het bosch, waar wij hout zochten en met behulp van deze tomahawks een kruis timmerden. Toen wij daarmee naar de legerplaats terugkeerden, waren de begrafenisplechtigheden reeds begonnen. De roodhuiden hadden zich neergezet rondom het bouwwerk dat reeds bijna voltooid was en zongen hun eentonigen, eigenaardigen lijkzang. Dit doffe, sombere gezang werd nu en dan overstemd door een schrillen kreet, welke als een bliksemstraal uit duistere wolken neerviel.

Een twaalftal Indianen waren onder leiding van de beide opperhoofden bezig met bouwen en tusschen hen en de klagende schare danste in groote sprongen, een zonderlinge, met allerlei voorwerpen behangen gedaante heen en weer.

—Wat is dat?—vroeg ik.—De medicijnman?

—Ja,—antwoordde Sam.

—Indiaansche gebruiken bij de begrafenis van een Christen! Wat zegt gij daar wel van, Sam?

—Vindt gij dat niet goed?

—Eigenlijk niet.

—Laat dat kalm zijn gang gaan, sir. Zeg er niets van. Gij zoudt de Apachen vreeselijk beleedigen.

—Maar dit comediespel staat mij tegen, meer dan gij denkt!

—’t Is niet zoo slecht gemeend. Meent gij misschien dat dit heidensche gebruiken zijn? [244]

—Natuurlijk!

—Wel neen! Deze brave lieden gelooven aan een Grooten Geest, tot wien de gestorven leeraar en vriend is heengegaan. Zij houden de begrafenisplechtigheden op hun eigenaardige wijze en alles, wat de medicijnman doet, heeft een symbolische beteekenis. Laat hen dus hun gang gaan. Zij zullen ons ook niet beletten het graf met ons kruis te versieren.

Het bleek dat hij gelijk had, want toen wij het naast de lijkkist neerlegden, vroeg Winnetou mij:

—Zal dit teeken des Christendoms op de steenen worden gelegd?

—Ja.

—Dat is goed, ik zou mijn broeder Old-Shatterhand anders hebben verzocht een kruis te maken, want Kleki-Petra had er in zijn woning een en bad dagelijks daarvoor. Dit teeken van zijn geloof moet dus ook op zijn graf prijken. Waar zal het staan? Gij kunt beslissen!

—Boven op het monument.

—Zooals bij de groote, hooge huizen dus, in welke de Christenen tot den Goeden Geest bidden? Ik zal het zoo laten plaatsen, gelijk gij het wilt hebben. Gaat hier zitten en ziet toe of wij het goed doen.

Na enkele minuten was het graf voltooid en ons kruis werd er bovenop geplaatst.

In het bouwwerk was een opening, bestemd voor de lijkkist, welke nu nog bij de rivier stond. Nu zagen wij Nscho-Tschi aankomen. Zij was naar het Pueblo geweest, om twee uit klei gebakken schalen te halen, waarmee zij naar de rivier ging om ze te vullen. Toen zij dit gedaan had, kwam zij bij ons en plaatste ze op de lijkkist; waartoe, dat zou ik spoedig vernemen.

Alle voorbereidselen voor de plechtigheden waren nu gemaakt. Intschu Tschuna gaf met de hand een teeken, het gezang verstomde, de medicijnman ging op de hurken zitten. Langzaam op een plechtigen toon begon het opperhoofd:

—De zon gaat des morgens in het Oosten op en zinkt des avonds in het Westen neer, in het voorjaar ontwaakt de natuur tot nieuw leven, om in den winter weer in te slapen. Zoo gaat het ook met den mensch! Is het niet zoo?

—Howgh!—klonk het somber uit aller mond.

—De mensch gaat op als de zon en zinkt neer in het graf. Hij ontwaakt als het voorjaar en gaat ter ruste als de winter. Maar wanneer de zon is ondergegaan, verschijnt zij den volgenden morgen [245]opnieuw en wanneer de winter ten einde is, komt weer het voorjaar. Is het zoo?

—Howgh!

—Zoo heeft Kleki-Petra het ons geleerd. De mensch wordt in het graf gelegd, maar hij staat aan gene zijde van het graf weer op als een nieuwe dag en als een nieuwe lente, om in het land van den Grooten, Goeden Geest voort te leven. Dit heeft Kleki-Petra ons geleerd en nu weet hij, of hij waarheid heeft gesproken, want hij is verdwenen als de dag en als de winter en zijn ziel ging in, tot de woning der afgestorvenen, naar wie hij altijd verlangde. Is het zoo?

—Howgh!

—Zijn geloof was niet het onze en het onze was niet het zijne. Wij hebben onze vrienden lief en haten onze vijanden, hij echter leerde, dat men ook zijn vijanden moest liefhebben, omdat ook zij onze broeders waren. Dit wilden wij niet gelooven, maar zoo dikwijls als wij naar zijn woorden luisterden, zijn zij ons ten zegen geworden. Daarop vervolgde hij:

Misschien is zijn geloof toch ook het onze, maar konden wij het alleen niet goed vatten. Wij zeggen, dat onze zielen naar de eeuwige jachtvelden gaan; hij beweerde, dat de zijne eens zou ingaan tot de eeuwige zaligheid. Dikwijls denk ik, dat onze jachtvelden hetzelfde zijn als de eeuwige zaligheid. Is het zoo?

—Howgh!

—Meermalen vertelde hij ons van den Verlosser, die gekomen was om alle menschen zalig te maken. Wij hebben zijn woorden geloofd, want nooit hebben wij hem op een leugen betrapt. Deze Verlosser is gekomen voor alle menschen, zou hij ook komen voor de roode mannen? Als hij kwam, zouden wij hem welkom heeten, want wij worden door de bleekgezichten onderdrukt en uitgeroeid en wij verlangen naar zijn komst. Is het niet zoo?

—Howgh!

—Dat was zijn leer. Laat mij nu spreken over zijn dood. De slag kwam plotseling en onverwacht, want even van te voren stond hij nog krachtig en gezond aan onze zijde. Hij was op het punt te paard te stijgen en met ons terug te keeren, toen hem de kogel van den moordenaar trof. Mijn broeders en zusters mogen zijn treurig einde beklagen!

Nu weerklonk rondom een weeklagen, dat steeds sterker en luider werd en in een doordringend gehuil eindigde.

Toen vervolgde het opperhoofd:

—Wij hebben zijn dood gewroken, maar de ziel van den moordenaar zal hem niet dienen aan gene zijde van het graf, want zij was [246]te laf om hem in den dood te volgen. De schurftige hond, wien zij toebehoorde is door kinderen doodgeschoten en zijn lijk drijft stroomafwaarts! Is het zoo?

—Howgh!

—Nu is onze vriend heengegaan, zijn lichaam evenwel is hier gebleven en wij willen een gedenkteeken voor hem oprichten, opdat wij en onze nakomelingen steeds zullen worden herinnerd aan den goeden, blanken vader, dien wij zoo lief hebben gehad. Hij was niet in dit land geboren, maar kwam uit een ver rijk, dat aan de overzijde van het groote water ligt en dat men herkent aan de vele eiken, die er groeien. Daarom hebben wij ter zijner eer, eikels verzameld om ze op zijn graf te zaaien. Evenals zij zullen ontkiemen en groeien, zoo zal zijn ziel ook uit het graf opstaan en zich verder volmaken. En zooals deze eikels zullen opgroeien, zoo zullen ook de woorden welke wij van hem hebben gehoord, in onze harten wortel schieten. Hij heeft steeds aan ons gedacht en voor ons gezorgd. Hij is ook niet van ons heengegaan, zonder ons een bleekgezicht te zenden, die in zijn plaats, onze vriend en broeder wil zijn. Hier ziet ge Old-Shatterhand, den blanken man, die uit hetzelfde land komt, als Kleki-Petra. Hij weet alles, wat deze wist, en is een nog beter krijgsman dan hij was. Hij heeft den Grizzlybeer met zijn mes doorstoken en slaat iederen vijand met zijn vuist ter aarde. Intschu Tschuna en Winnetou waren herhaalde malen in zijn macht, maar hij heeft hen niet willen dooden en hen het leven gelaten, omdat hij een vriend der roodhuiden is. Is het zoo?

—Howgh!

—Het is Kleki-Petra’s laatste woord en laatste wensch geweest, dat Old-Shatterhand zijn opvolger zou zijn bij de krijgers der Apachen en Old-Shatterhand heeft hem beloofd, dezen wensch te zullen vervullen. Daarom zal hij worden opgenomen in den stam der Apachen en als opperhoofd worden aangesteld. Het zal zijn, alsof hij evenals wij, met een roode huid ware geboren; opdat dit van kracht zou zijn, zou hij met elken volwassen krijgsman der Apachen, het calumet moeten rooken, maar dit is onnoodig want hij zal Winnetou’s bloed drinken en deze wederkeerig het zijne, dan is hij bloed van ons bloed en vleesch van ons vleesch. Vinden de krijgers der Apachen dit goed?

—Howgh, howgh, howgh!—klonk het driemaal op verheugden toon.

—Dan kunnen Old-Shatterhand en Winnetou naderbij komen en broederschap drinken.

Een bloedbroederschap dus waarvan ik zoo dikwijls gelezen had! Zij komt bij vele wilde of halfwilde volken voor en wordt daardoor [247]gesloten, dat beide partijen enkele droppels van elkanders bloed drinken, zij zijn voortaan vaster en inniger aan elkaar gehecht, dan wanneer zij van geboorte broeders waren geweest.

Winnetou en ik plaatsten ons aan weerszijden van de kist en Intschu Tschuna ontblootte den arm van zijn zoon om hem met een mes een kleine wonde toe te brengen. De enkele bloeddruppels, welke daaruit vloeiden, werden in een schaal met water opgevangen. Toen onderging ik dezelfde operatie en eenige druppels van mijn bloed vielen in een andere schaal. Winnetou kreeg deze, ik de andere in de hand. Nu sprak Intschu Tschuna.

—De ziel leeft in het bloed. De zielen dezer beide jonge krijgers mogen in elkander overgaan, opdat zij een enkele ziel vormen. Wat Old-Shatterhand denkt, zal ook Winnetou’s gedachte zijn en wat Winnetou denkt, zij ook Old-Shatterhands wil. Drinkt!

Ik ledigde mijn schaal en Winnetou de zijne. Aangezien in het water slechts enkele droppels bloed waren gemengd proefde men dit volstrekt niet. Daarop reikte het opperhoofd mij de hand en zeide:

—Gij zijt nu even als Winnetou mijn zoon, een krijgsman van ons volk. De roem van uw daden zal weldra overal bekend zijn en geen ander krijgsman zal u overtreffen. Gij zult voortaan een opperhoofd der Apachen zijn en alle stammen van ons volk zullen u als zoodanig erkennen!

Dat was een snelle promotie! Nog kort geleden was ik huisonderwijzer in St. Louis, daarna landmeter en nu reeds opperhoofd van een wilden volksstam! Ik moet evenwel bekennen, dat deze wilden mij beter bevielen, dan de blanken, met wie ik in den laatsten tijd te doen had gehad.

Terwijl Intschu Tschuna zijn rede eindigde, waren alle Apachen opgestaan en hieven een luid Howgh! aan. Toen zeide Intschu Tschuna nog:

—Nu is de nieuwe, de levende Kleki-Petra bij ons en wij kunnen den doode dus ter ruste brengen. Mijn broeders mogen dit nu doen.

Hij gaf een wenk aan de mannen, die het grafmonument hadden gebouwd. Ik verzocht een oogenblik uitstel en riep Hawkins, Stone en Parker. Toen zij naast mij stonden, sprak ik enkele woorden bij de kist en eindigde met een kort gebed. Nu werd het overblijfsel van den vroegeren revolutionnair en lateren boeteling in het binnenste van het grafgewelf geschoven en begonnen de Roodhuiden de opening dicht te maken. Dit was mijn eerste lijkplechtigheid onder de wilden.

Zij heeft mij diep getroffen. Ik wil geen oordeel uitspreken over de beschouwingen, welke Intschu Tschuna daarbij ten beste gaf. Er [248]was veel waars en onwaars in, maar uit alles klonk toch een begeerte naar een verlossing, welke hij meende, dat van buiten zou komen, terwijl zij toch alleen een innerlijke, een geestelijke zijn kan.

Terwijl het graf gesloten werd, weerklonken wederom de lijkzangen der Indianen en eerst toen de laatste steen was ingemetseld, kon de plechtigheid als geëindigd worden beschouwd en ging ieder zijns weegs.

Intschu Tschuna noodigde mij uit het middagmaal met hem te gebruiken. Hij bewoonde het grootste vertrek der reeds zooeven genoemde étage. Het zag er zeer eenvoudig uit, alleen aan de wanden hing een rijke verzameling van Indiaansche wapenen welke in de hoogste mate mijn belangstelling opwekte. Nscho-Tschi bediende ons, dat wil zeggen, haar vader, Winnetou en mij, en ik bemerkte dat zij een meesteres was op het punt van Indiaansche kookkunst.

Er werd weinig, ja bijna in het geheel niet gesproken. De Roodhuid zwijgt gaarne en vandaag was er reeds zooveel gesproken, dat men alles, wat nog te bespreken viel, liever voor later bewaarde. De schemering was reeds gevallen, toen het maal geëindigd was.

—Wil mijn blanke broeder rusten of met mij gaan?—vroeg mij Winnetou.

—Ik ga mee,—antwoordde ik zonder te vragen, waar hij heen ging.

Wij daalden het Pueblo af en gingen naar de rivier. Ik had niet anders verwacht. Een zoo fijn besnaarde natuur als Winnetou moest behoefte gevoelen een bedevaart te doen naar het graf van den gestorven vriend en leermeester. Daar aangekomen, gingen wij naast elkander zitten. Winnetou nam mijn hand in de zijne, zonder een woord te zeggen en ik vond geen aanleiding zijn zwijgen te onderbreken.

Noodzakelijk is het hier op te merken, dat niet alle Apachen, die ik tot nu toe had gezien, in het Pueblo woonden. Dit zou daartoe ook veel te klein zijn. Het werd enkel bewoond door Intschu Tschuna en zijn voornaamste krijgers met hun gezinnen en was het middelpunt voor de met hun kudden rondtrekkende onderhoorigen van den stam der Mescalero-Apachen. Van hieruit regeerde het opperhoofd en van hieruit ondernam hij ook de verre tochten naar de andere stammen, die hem als hun oppersten hoofdman erkenden. Dit waren de Llanero’s, de Farkones en de anderen.

De Mescalero’s die niet in het Pueblo thuis behoorden, hadden zich na de begrafenis verwijderd en er waren alleen zooveel achtergebleven als noodig waren om toezicht te houden op de van de [249]Kiowa’s ontvangen paarden, die in de nabijheid graasden. Daarom zat ik nu met Winnetou alleen en onopgemerkt bij het graf van Kleki-Petra.

Eindelijk verbrak Winnetou het stilzwijgen door te zeggen:

—Zal mijn broeder Old-Shatterhand ooit kunnen vergeten dat wij zijn vijanden zijn geweest?

—Het is reeds vergeten,—antwoordde ik.

—Maar één ding zult ge niet kunnen vergeven.

—En dat is?

—De beleediging welke mijn vader u heeft aangedaan.

—Wanneer?

—Toen wij u voor ’t eerst ontmoetten.

—O, dat hij mij in ’t gezicht spuwde?

—Ja.

—En waarom zou ik dat niet kunnen vergeven?

—Omdat speeksel slechts met bloed kan worden uitgewischt.

—Winnetou behoeft zich niet ongerust te maken, ook deze beleediging is reeds vergeten.

—Mijn broeder zegt daar iets, dat ik onmogelijk kan gelooven.

—Geloof het gerust, ik heb immers reeds lang bewezen, dat ik het heb vergeven?

—Waardoor?

—Daardoor, dat ik het Intschu Tschuna, uw vader, niet kwalijk heb genomen. Of meent gij, dat Old-Shatterhand zich in het gezicht laat spuwen zonder deze beleediging te wreken, als hij dit als een zoodanige beschouwde?

—Ja, wij hebben ons er zeer over verwonderd, dat gij dit niet hebt gedaan.

—De vader van Winnetou kon mij niet beleedigen; ik wischte het speeksel af en daarmee was alles vergeten en vergeven, laat ons er dus niet meer over spreken.

—En toch wil ik dit doen, ik ben dit aan u verplicht.

—Waarom?

—Gij moet de zeden van ons volk nog leeren kennen. Geen krijgsman bekent gaarne zijn fouten en een opperhoofd allerminst. Intschu Tschuna weet, dat hij een fout heeft begaan, maar hij mag niet om vergeving vragen. Daarom heeft hij mij opgedragen met u te spreken, Winnetou spreekt dus voor zijn vader.

—Dat is niet noodig, wij staan gelijk, want ook ik heb u beleedigd.

—Neen.

—Zeker! Is een vuistslag niet een beleediging? En ik heb u toch met de vuist geslagen? [250]

—Dat was in een eerlijken strijd. Mijn broeder is edel en grootmoedig, wij zullen dit niet vergeten.

—Laat ons nu over andere dingen spreken! Ik ben vandaag Apache geworden, maar hoe staat het met mijn kameraden?

—Zij kunnen niet in den stam worden opgenomen, maar zij zijn onze broeders!—Morgen zullen wij met hen de calumet rooken. Heeft men in het land van mijn blanken broeder geen calumet?

—Neen, Christenen zijn allen broeders!

—Allen broeders? is er nooit oorlog tusschen hen?

—Ja, dat wel.

—Dan zijn zij ook niet anders of beter dan wij. Zij prediken wel de Liefde, maar brengen haar niet in toepassing. Waarom heeft mijn broeder eigenlijk zijn vaderland verlaten?

Het is bij de Roodhuiden geen gewoonte dergelijke vragen te doen. Winnetou evenwel kon ik het niet kwalijk nemen, omdat hij mijn broeder was, die mij moest leeren kennen. Zijn vraag geschiedde niet enkel uit nieuwsgierigheid, hij had daarvoor nog een andere reden.

—Om hier het geluk te zoeken,—antwoordde ik.

—Geluk? wat is geluk!

—Rijkdom!

Hij liet bij dit woord mijn hand los en zweeg. Ik wist, dat hij een gevoel had, alsof hij zich toch nog in mij had vergist.

—Rijkdom!—fluisterde hij eindelijk.

—Ja, rijkdom!—herhaalde ik.

—Dus daarom.… daarom!

—Wat wilt ge zeggen?

—Daarom hebben wij u bij.…

Het scheen hem toch moeite te kosten het woord uit te spreken. Ik zeide dus in zijn plaats:

—Bij de landroovers gevonden?

—Gij zegt het. Gij deedt het dus om rijk te worden. Meent gij dan werkelijk, dat rijkdom gelukkig maakt?

—Ja.

—Gij vergist u. Het goud heeft de Roodhuiden ongelukkig gemaakt, alleen ter wille van het goud verdringen ons de bleekgezichten en jagen ons van land tot land, van plaats tot plaats, zoodat wij langzaam en zeker onzen ondergang tegemoet gaan. Het goud is de oorzaak van al onze ellende. Mijn broeder moet niet naar het bezit daarvan verlangen.

—Dat doe ik ook niet.

—Niet! En toch zegt gij, dat gij het geluk in rijkdom zoekt.