—Ja, dat is waar. Maar er zijn verschillende soorten van rijkdom, [251]rijkdom aan goud, aan wijsheid en ervaring, aan gezondheid, aan eer en aan roem, aan genade bij God en bij de menschen!

—Oef, oef! Bedoelt gij het zoo. En waarnaar streeft gij dan wel?

—Naar het laatste!

—Naar genade bij God! Zijt gij dan zulk een vroom en goed Christen?

—Of ik werkelijk een goed Christen ben, dat weet ik niet, maar ik tracht het ten minste te zijn.

—Houdt gij ons voor heidenen?

—Neen, want gij gelooft aan den Grooten, Goeden Geest en aanbidt geen afgoden!

—Sta mij dan één verzoek toe.

—Gaarne.

—Spreek niet meer met mij over geloof! Tracht niet mij te bekeeren! Ik heb u zeer, zeer lief en zou niet gaarne willen, dat onze vriendschapsband werd verscheurd. Het is zooals Kleki-Petra zeide. Uw geloof mag het ware zijn, maar wij Roodhuiden begrijpen het niet. Als de Christenen ons niet verdrongen en uitroeiden, zouden wij hen voor goede menschen kunnen houden. Dan zouden wij wellicht ook tijd en gelegenheid vinden dat te leeren wat noodig is, om uw heilig boek en uw priesters te begrijpen. Maar hij, die langzaam en zeker ter dood wordt gebracht, kan niet gelooven, dat de godsdienst van hem, die hem doodt, de godsdienst der Liefde is.

—Gij moet onderscheid maken tusschen den godsdienst en de belijders, die niet altijd handelen naar de wetten van hun godsdienst.

—Zoo spreken alle bleekgezichten. Zij noemen zich Christenen, maar handelen niet daarnaar. Wij echter hebben onzen Grooten Manitou, die wil, dat alle menschen goed zullen zijn. Ik tracht een goed mensch te zijn en ben misschien meer Christen dan zij, die zich zoo noemen, maar geen liefde bezitten en steeds naar eigen voordeel jagen. Spreek mij dus nooit meer van geloof en tracht nooit van mij een man te maken, die een Christen genoemd wordt, zonder het in werkelijkheid te zijn. Dit is het verzoek, dat ik aan u heb.

Ik heb zijn wensch geëerbiedigd en nooit meer met hem over mijn geloof gesproken. Maar moet men dan altijd spreken? Is niet de daad een veel beter overtuigingsmiddel dan het woord. „Aan mijn daden zult gij mij kennen”, zegt de Heilige Schrift en door mijn leven, door mijn handelingen ben ik Winnetou’s leermeester geweest, tot hij eens op een onvergetelijken avond, mij zelf tot spreken uitnoodigde.

Ik gaf hem de hand ten teeken, dat ik zijn wensch wilde vervullen. Toen ging hij voort:

—Hoe is het toch gekomen, dat mijn broeder Old-Shatterhand zich [252]bij de landroovers aansloot? Wist hij dan niet, dat hij daarmee een onrecht beging aan de Roodhuiden?

—Ik had dit wel kunnen bedenken, maar heb dit niet gedaan. Ik was blij, opzichter te kunnen worden, want ik werd goed betaald.

—Betaald? Gij zijt immers niet klaar gekomen. Betaalde men u, voordat het werk gereed was?

—Neen, ik kreeg alleen voorschot en geld voor de uitrusting. Dat, wat ik verdiend had, zou mij later worden uitbetaald.

—En nu krijgt gij er niets van?

—Neen.

—Was de som groot?

—Voor mij wel.

Hij zweeg een oogenblik, toen vervolgde hij:

—Het spijt mij, dat mijn broeder door ons zooveel schade heeft geleden, zijt gij niet rijk?

—Aan geld niet.

—Hoelang hadt gij nog moeten meten, om geheel gereed te zijn?

—Nog slechts eenige dagen.

—Oef! Had ik u vroeger zoo goed gekend als nu, dan waren wij eenige dagen later gekomen.

—Opdat wij met het werk gereed waren?—vroeg ik, geroerd door zijn edelmoedigheid.

—Ja.

—Gij hadt ons dan gelegenheid gegeven, onzen diefstal te volbrengen?

—Den diefstal niet, maar de opmeting. De lijnen, welke gij op ’t papier brengt, doen ons geen schade, daarmee is de roof niet volbracht. Deze begint pas, als de arbeiders komen, om het pad voor het ijzeren ros te graven. Ik zou u.…

Hij hield plotseling op, om na te denken over een gedachte welke bij hem opkwam, toen vervolgde hij:

—Moest gij om uw geld te krijgen, de papieren hebben van welke ik zooeven sprak?

—Ja.

—Oef! Dan zult gij het nooit krijgen, want alles is vernietigd geworden.

—En wat is er met onze instrumenten gebeurd?

—De krijgers, die ze vonden, wilden ze stukslaan, maar ik verhinderde het. Hoewel ik geen scholen heb bezocht, weet ik wel dat zulke voorwerpen groote waarde hebben en daarom gaf ik het bevel ze zorgvuldig te bewaren. Ik zal ze u teruggeven.

—Ik dank u, ik neem dit geschenk gaarne van u aan, hoewel ik [253]er voor ’t oogenblik niets mee doen kan. Ik wil echter de instrumenten weer inleveren.

—Brengen zij u dus geen voordeel?

—Neen, dan zou ik de opmeting ten einde hebben moeten brengen.

—Maar dan ontbreken u toch de papieren.

—Neen, ik was zoo voorzichtig, de teekeningen tweemaal te maken.

—En bezit gij die tweede nog?

—Ja, ik heb ze hier in dezen zak; gij waart zoo goed bevel te geven, dat mij niets zou worden ontnomen.

—Oef, oef!—klonk het eenigszins verwonderd, daarop zweeg hij een oogenblik, stond toen op en zeide:

—Laat ons naar huis terugkeeren. Mijn blanke broeder heeft door onze schuld geldelijke schade geleden, ik zal zorgen dat hem dit vergoed wordt. Eerst evenwel moet hij bij ons goed uitrusten.

Wij keerden terug naar het Pueblo en dien nacht sliepen mijn kameraden en ik voor het eerst als vrije mannen te midden der wilden. Den volgenden dag werd onder tal van ceremoniën de vredespijp gerookt tusschen Sam Hawkins, Stone, Parker en de Apachen. Het spreekt vanzelf, dat het daarbij niet ontbrak aan lange redevoeringen, waaronder die van Sam Hawkins zeker de vermakelijkste was. Alles wat in den laatsten tijd was voorgevallen, werd nog eens ter sprake gebracht en toen men het ook had over den avond, waarop ik Intschu Tschuna en Winnetou had losgesneden, kon Sam niet nalaten mij een kleine boetpredikatie toe te dienen.

—Gij zijt eigenlijk een slechte kerel, sir!—zeide hij.—Men dient toch oprecht te zijn tegenover zijn kameraden, vooral wanneer men zooveel aan hen te danken heeft, als gij aan ons! Wie en wat waart gij, toen wij u in St. Louis voor ’t eerst zagen? Een onderwijzer, die den kinderen het A B C leerde. En zulk een stumper zoudt gij gebleven zijn, als wij u niet met bewonderenswaardige edelmoedigheid mede hadden genomen naar de Savanna. Wij hebben over u gewaakt, als een teedere moeder over haar jongste baby, of als een hen over de door haar uitgebroede jonge eenden. Bij ons is langzamerhand uw verstand tot ontwikkeling gekomen. Kortom, wij zijn vader en moeder over u geweest, wij hebben u op de handen gedragen, hebben uw lichaam met voedzame vleeschspijzen en uw geest met wijsheid en ervaring gevoed en hadden nu mogen verwachten, dat gij achting, eerbied en dankbaarheid voor ons zoudt toonen en niet als een jonge eend in het water zoudt loopen, waarin wij, oude hennen, wel moesten verdrinken. Maar neen, gij hebt juist gedaan wat u verboden was. Het doet mij werkelijk pijn te moeten [254]ondervinden, dat zooveel liefde en opoffering met zooveel ongehoorzaamheid en ondankbaarheid worden beloond. Ik wil niet alle slechte daden opsommen, de allerslechtste was, dat gij de beide opperhoofden bevrijd hebt, zonder er ons iets van te zeggen. Dat kan ik nooit vergeven, noch vergeten. Maar gij hebt zelf de gevolgen van uw handelingen ondervonden. In plaats van aan den martelpaal gestoofd en gebraden te worden, om in de heerlijke jachtvelden der Indianen te ontwaken, zitten wij hier nu in het Pueblo en bederven onze magen met allerlei lekkernijen, terwijl men bovendien druk bezig is een greenhorn tot een afgod te verheffen. Maar de liefde is onder alle omstandigheden vergevensgezind en daarom willen wij zelfs ondanks dit alles, u niet uit ons hart bannen, maar integendeel gloeiende kolen op uw hoofd laden, door u alles te vergeven in de vaste hoop en verwachting, dat gij u voortaan beter zult gedragen. Hier is mijn hand, wilt gij mij dat beloven?

—Ja,—antwoordde ik, terwijl ik hem de hand drukte,—ik zal het edele voorbeeld dat gij mij geeft, zóó goed trachten na te volgen, dat men mij voor den echten Sam Hawkins aanziet!

—Laat dat maar blijven, mijn jongen, dat zou vergeefsche moeite zijn. Hoe zou een greenhorn als gij zijt, ooit op Sam Hawkins kunnen gelijken! Dat zou zijn, alsof.…

—Houd nu maar eens op, oude zeurpot!—viel Dick Stone hem in de rede.—’t Is niet meer om aan te hooren. Als ik Old-Shatterhand was geweest, ik zou niet zooveel geduld met u hebben gehad en mij dat eeuwige greenhorn niet meer laten welgevallen.

—’t Is immers waar, hij is toch een echte greenhorn?

—Onzin! Wij hebben ons leven aan hem te danken, als hij ons niet had beschermd, zat gij hier niet zoo vroolijk te babbelen onder uw valsche pruik.

—Wat, valsche pruik? Zeg dat nog eens! het is een echte pruik, bezie haar maar eens goed!—Schaam u, Dick, den spot te drijven met mijn hoofdsieraad, dat had ik van zulk een goeden kameraad niet verwacht. Neen, neen, gij waardeert geen van allen den ouden Sam. Ik ga weg en zoek mijn Mary op, ik moet eens gaan zien of zij even gezond is als haar meester.

Wij lachten, want het was onmogelijk, hem iets kwalijk te nemen.

Den volgenden dag keerden de verkenners, die de Kiowa’s in stilte gevolgd waren, terug en meldden, dat deze waren weggetrokken en dus klaarblijkelijk niet van plan waren, in de eerste dagen eenige vijandelijkheden uit te voeren of wraak te nemen.

Hierop volgde een tijdperk van rust althans voor Dick en Will, die zich de gastvrijheid der Apachen kalm lieten welgevallen, ik [255]evenwel liet dezen tijd niet ongebruikt voorbijgaan. Winnetou nam mij dagelijks mee op zijn tochten en deed zijn best mij in te wijden in de gebruiken en gewoonten der Indianen. Geheele dagen waren wij afwezig om lange ritten te maken; uren kropen wij in de bosschen rond, waarbij ik grondig onderricht kreeg in het „sluipen”. Dikwijls verwijderde hij zich van mij en gaf mij de opdracht hem te zoeken. Hij deed dan zijn best, om zijn voetspoor uit te wisschen en ik spande mij in om het weer te vinden. Hoe dikwijls stond hij dan in een of ander boschje of in overhangend struikgewas, in het water van den Pecos en zag toe, hoe ik naar hem zocht. Hij maakte mij opmerkzaam op mijn fouten en wees mij, door zijn voorbeeld, hoe ik mij moest gedragen en wat ik doen en laten moest. Nooit kwam een woord van lof, maar ook evenmin een woord van afkeuring over zijn lippen.

Hoe dikwijls kwam ik vermoeid en als met gebroken ledematen thuis! Maar ook dan nog nam ik geen rust, want ik wilde de taal der Apachen leeren en kreeg daarin onderricht. Daarbij had ik twee leermeesters en één leermeesteres. Nscho-Tschi leerde mij het dialect der Mescalero’s, Intschu Tschuna dat der Llanero’s en Winnetou dat der Navajo’s. Daar deze dialecten onderling weinig verschilden en de woordenschat niet groot was, maakte ik reeds spoedig goede vorderingen.

Wanneer Winnetou en ik slechts kleinere uitstapjes maakten, gebeurde het wel, dat Nscho-Tschi zich bij ons aansloot en ik zag, dat zij zich van harte verheugde, wanneer ik een goede leerling bleek te zijn.

Eens op een dag waren wij gezamenlijk naar het bosch gegaan en Winnetou stelde mij voor op eenigen afstand te blijven en eerst na een kwartier naar hen te komen omzien. Broeder en zuster zouden dan beiden verdwenen zijn en ik moest trachten Nscho-Tschi terug te vinden. Ik deed, wat hij verlangde. Toen het kwartier verstreken was, begon ik te zoeken. De sporen van beiden waren eerst tamelijk duidelijk zichtbaar, maar op een zeker punt gekomen, ontbraken die der Indiaansche. Ik wist wel, dat zij een buitengewoon lichten gang had, maar de bodem was week en er moest dus toch een kleine aanwijzing van haar spoor te vinden zijn. Hoe ik echter ook zocht, ik vond niets, zelfs geen enkel klein platgetreden plantje, hoewel juist op deze plaats een zeer zachte mossoort groeide. Alleen Winnetou’s voetspoor was duidelijk te zien, maar dit hielp mij niet, want ik moest niet hem, maar zijn zuster zoeken. Hij was waarschijnlijk in de nabijheid, om heimelijk te zien of ik ook fouten maakte. [256]

Ik zocht nog eens en nog eens, maar vond niet de minste aanwijzing. Dit was vreemd. Ik overlegde. Zij moest een spoor hebben nagelaten, dit stond vast, want geen voet kon hier den bodem betreden, zonder door het zachte mos verraden te worden. Een voet den grond betreden? Kon het zijn, dat Nscho-Tschi den grond niet had aangeraakt? Ik onderzocht Winnetou’s voetstappen. Zij waren diep, dieper dan te voren. Zou hij zijn zuster op de armen hebben gedragen? Dat kon toch het geval zijn en dan was de zaak voor mij zoo moeilijk niet meer. Ten gevolge van den last was de indruk zijner voetstappen dieper; maar waarheen had hij zijn zuster gebracht? Was hij alleen door het bosch gegaan, dan had hij de armen vrij gehad en kon hij zonder moeite, door het kreupelhout komen. Had hij evenwel zijn zuster door het bosch gedragen, dan moesten er hier en daar afgebroken takjes en twijgen te vinden zijn. Ik volgde dus de voetstappen, maar zag nu niet zoozeer naar den grond, dan wel naar de struiken. Juist! Hij had de takken niet voorzichtig uit elkaar kunnen buigen en ook Nscho-Tschi scheen daaraan niet te hebben gedacht, althans ik vond overal beschadigde bladen en afgevallen takjes, een bewijs dus, dat mijn vermoeden juist was.

Het spoor voerde in lijnrechte richting naar een open plek in het bosch en verder daarover heen. De jongelieden zaten dus aan den anderen kant van de open plek, waarschijnlijk zich stil verheugend in het denkbeeld, dat het mij onmogelijk zou zijn hen te vinden. Ik had wel dadelijk op hun toe kunnen loopen, maar ik wilde ze letterlijk overrompelen. Daarom sloop ik om de open plek heen en zocht toen weer naar Winnetou’s spoor. Was hij verder gegaan, dan moest ik het hier vinden, vond ik het niet, dan was hij bij Nscho-Tschi gebleven en had zich met haar ergens verscholen. Ik ging op den grond liggen en kroop verder, telkens zorgdragend achter boomen en struiken verborgen te blijven. Er was geen voetspoor te vinden. Zij moesten dus aan den rand van de open plek zitten en wel daar, waar het spoor in het kreupelhout verdween. Zacht, zeer zacht sloop ik verder. Zij zaten stil en aan hun geoefende ooren zou geen geruisch ontgaan. Ik moest dus zeer voorzichtig zijn. Zij zaten dicht naast elkander, midden tusschen wilde pruimenstruiken, met den rug naar mij toe, daar zij mij, ingeval ik mocht komen, van een anderen kant konden verwachten. Zij spraken met elkaar, maar fluisterend, zoodat ik de woorden niet kon verstaan.

Ik verheugde mij reeds op hun verrassing en kwam al nader en nader tot ik hen met de hand kon raken. Reeds was ik op het punt Winnetou een tik op den arm te geven, toen ik hem hoorde zeggen: [257]

—Zal ik hem gaan halen?

—Neen,—antwoordde Nscho-Tschi,—hij zal zelf komen.

—Hij komt niet.

—Hij komt!

—Mijn zuster vergist zich. Hij heeft alles vlug geleerd, maar uw spoor gaat door de lucht, hoe zal hij dat ooit vinden?

—Hij zal het vinden. Mijn broeder Winnetou heeft mij gezegd, dat Old-Shatterhand reeds nu niet meer om den tuin te leiden is, waarom beweert hij nu het tegendeel?

—Omdat hij nog nooit zulk een moeielijke opgave heeft gehad, als vandaag. Zijn oog zal elk spoor vinden, maar het uwe is slechts door combineeren te vinden en dat heeft hij nog niet geleerd.

—En toch zal hij komen, want hij kan alles, alles wat hij wil.

Zij fluisterde deze woorden zeer zacht, maar uit haar stem klonk een onbepaald vertrouwen.

Ja, ik heb nog geen man ontmoet, die zich zoo weet te redden. Er is maar één ding, dat hij niet kan doen en dit spijt Winnetou zeer.

—Wat is dit dan?

—Hij zal nooit den wensch kunnen vervullen dien wij allen hebben.

Juist op dit oogenblik wilde ik te voorschijn komen, maar nu Winnetou van een wensch sprak, moest ik toch verder hooren. Welken wensch kon ik niet vervullen? Misschien zou ik nu hooren, welke het was. Ik luisterde dus verder.

—Heeft mijn broeder Winnetou er reeds met hem over gesproken?—vroeg Nscho-Tschi.

—Neen,—was Winnetou’s antwoord.

—En Intschu Tschuna, onze vader, ook niet?

—Neen, hij wilde het doen, maar ik ried het hem af.

—Waarom? Nscho-Tschi heeft dit bleekgezicht lief en zij is de dochter van het opperhoofd der Apachen!

—Dat is waar; ieder rood krijgsman en ieder ander bleekgezicht zou gelukkig zijn, wanneer mijn zuster zijn vrouw wilde worden, maar Old-Shatterhand niet.

—Hoe kan mijn broeder dit weten, zonder er met hem over gesproken te hebben?

—Ik weet het, ook zonder dat, want ik ken hem. Hij is niet als andere bleekgezichten; hij heeft hoogere eischen. Hij neemt geen Indiaansche tot vrouw.

—Heeft hij dit gezegd?

—Neen.

—Behoort zijn hart misschien aan een blanke?

—Ook niet. [258]

—Weet gij dit zeker?

—Ja, wij spraken eens over blanke vrouwen en ik bemerkte wel, dat zijn hart nog niet gesproken heeft.

—Zou het niet voor mij spreken?

—Mijn zuster moet dat niet verwachten. Old-Shatterhand denkt en gevoelt anders dan wij. Als hij een vrouw kiest, moet zij onder de vrouwen zijn, wat hij onder de mannen is.

—Ben ik dat dan niet?

—Onder de roode meisjes, ja, er is onder haar geen, die mijn zuster nabij komt! Maar wat hebt ge gezien en gehoord? Wat hebt gij geleerd? Gij kent het leven der roode volksstammen, maar niets van hetgeen wat een blanke vrouw moet hebben geleerd en moet weten. Old-Shatterhand hecht geen waarde aan een mooi gezicht, maar hij hecht waarde aan dingen, welke geen roode vrouw hem kan geven.

Zij boog het hoofd en zweeg. Toen streek Winnetou haar liefkoozend over de wang en zeide:

—Het spijt mij, dat ik mijn arme zuster pijn moet doen, maar Winnetou is gewoon de waarheid te zeggen, ook wanneer deze niet aangenaam is te hooren. Misschien weet hij nog een weg, langs welken Nscho-Tschi haar doel kan bereiken.

Snel hief zij het hoofd op en vroeg:

—En die is?

—Die welke voert naar de steden der bleekgezichten.

—Moet ik daarheen?

—Ja.

—Waarom?

—Om te leeren, wat gij moet weten en kunnen, indien gij wilt dat Old-Shatterhand u ooit lief kan hebben.

—Dan wil ik daarheen, zoo spoedig mogelijk. Wil Winnetou mij een dienst bewijzen?

—Zeker.

—Spreek er met onzen vader Intschu Tschuna over. Vraag hem mij naar de groote steden der blanken te laten gaan. Hij zal het niet weigeren, want.…

Meer hoorde ik niet, want nu kroop ik langzaam terug. Het kwam mij bijna zondig voor dit gesprek te hebben afgeluisterd. Zij mochten mij niet zien of hooren. Ik diende dus nog voorzichtiger te zijn. Het minste gedruisch, het kleinste toeval kon doen uitkomen, dat ik de bekentenis der schoone Indiaansche had gehoord. En in dat geval zou ik gedwongen geweest zijn mijn roode vrienden nog heden te verlaten.

Gelukkig slaagde ik er in, mij onopgemerkt terug te trekken. Toen [259]ik zoover was, dat ik hen niet meer kon hooren, stond ik op en liep om de plek heen, tot ik weer bij het spoor was. Nu riep ik met luider stem:

—Mijn broeder Winnetou kan hier komen!

Niemand bewoog zich, daarom ging ik voort:

—Mijn broeder kan komen, want ik zie hem!

Hij kwam evenwel niet.

—Hij zit daarginds, tusschen de wilde pruimeboomen. Moet ik hem misschien halen?

Nu werden de takken van elkaar gebogen en Winnetou kwam te voorschijn. Hij wilde klaarblijkelijk de schuilplaats zijner zuster nog niet verraden en vroeg mij:

—Heeft mijn broeder Old-Shatterhand Nscho-Tschi gevonden?

—Ja.

—Waar is zij?

—In het kreupelhout.

—Hebt gij haar voetspoor dan gezien?—vroeg hij zeer verwonderd. Hij wist werkelijk niet, hoe hij ’t met mij had. Tot een onwaarheid achtte hij mij niet in staat en hij was overtuigd, dat haar voet geen spoor had nagelaten.

—Ja,—herhaalde ik,—ik heb haar spoor ontdekt.

—Maar mijn zuster is zoo voorzichtig geweest, dat er geen spoor te zien kan zijn.

—Gij vergist u toch, het is te zien.

—Neen.

—Niet op den grond, maar in de takken. Nscho-Tschi heeft met haar voeten niet den bodem geraakt, maar terwijl gij haar droegt, hebt gij twijgen afgerukt en bladeren beschadigd.

—Oef! Meent gij, dat ik haar heb gedragen?

—Ja.

—Hoe weet gij dat?

—Dat zeggen mij uw voetstappen. De indruk is in eens dieper geworden, omdat gij zwaarder waart geworden. Uw eigen gewicht hebt gij niet kunnen veranderen, dus hebt gij een last op u moeten nemen. Deze last was uw zuster, wier voet, zooals ik zag, het mos niet had aangeraakt.

—Gij vergist u, keer terug en zoek beter.

—Dat zou geheel overbodig zijn, Nscho-Tschi zit, waar gij ook hebt gezeten, ik zal haar wel gaan halen.

Ik liep dwars over de open plek, maar reeds kwam zij mij uit het kreupelhout tegemoet en zeide op een zeer voldanen toon tot haar broeder: [260]

—Ziet ge wel, ik heb u wel gezegd, dat hij mij zou vinden en ik had gelijk.

—Ja mijn zuster had gelijk en ik vergiste mij. Mijn broeder Old-Shatterhand kan het spoor van een mensch niet alleen met de oogen, maar ook met de gedachten lezen. Er is niets meer, dat hij nog behoeft te leeren.

—O nog zeer, zeer veel,—antwoordde ik,—maar dat zal mijn broeder Winnetou mij leeren.

Het was werkelijk de eerste lofspraak, welke ik uit zijn mond ontving en ik moest erkennen, dat ik er even trotsch op was, als vroeger op een prijsje van een mijner onderwijzers.

Aan den avond van denzelfden dag bracht hij mij een zeer netjes gemaakten en met Indiaansche stiksels versierden jachtrok, van witgelooid leder.

—Nscho-Tschi, mijn zuster verzoekt u, dezen rok te willen dragen,—zeide hij.—Uw kleed is voor Old-Shatterhand niet goed genoeg meer.

Daaraan had hij inderdaad gelijk. Had ik mij daarin vertoond in een Europeesche stad, dan zou men mij stellig als landlooper hebben opgepakt. Maar,—mocht ik zulk een geschenk van Nscho-Tschi aannemen? Winnetou scheen mijn gedachten te raden, want hij vervolgde:

—Gij kunt dit kleed gerust aannemen, want ik heb het besteld, het is een geschenk van mij en niet van mijn zuster. Is het den bleekgezichten verboden geschenken aan te nemen van een vrouw?

—Ja, wanneer het althans niet zijn eigen vrouw is of een zijner bloedverwanten.

—Gij zijt immers mijn broeder en Nscho-Tschi is dus ook een bloedverwante van u. Maar bovendien het geschenk is van mij, zij heeft het slechts gemaakt.

Toen ik den volgenden morgen het kleed aanpaste, zat het als gegoten, een kleermaker had het niet beter kunnen maken. Natuurlijk liet ik het aan mijn jonge vriendin zien en zij was buitengewoon dankbaar en verheugd over den lof, dien ik haar toezwaaide. Kort daarna kwamen Dick en Will bij mij om zich door mij te laten bewonderen, ook zij hadden nieuwe kleederen gekregen, maar deze waren niet door Nscho-Tschi maar door andere vrouwen vervaardigd. En eenige oogenblikken daarna, terwijl ik bezig was me te oefenen in het werpen met de tomahawk, kwam ook Sam Hawkins in een nieuw kostuum te voorschijn. Ik herkende hem slechts aan zijn kromme beenen en zijn geduchten baard. Hij gevoelde zich zeer gewichtig, bleef staan en vroeg: [261]

—Sir, kent gij den man, die nu voor u staat?

—Hm!—antwoordde ik,—ik zal eens zien.

Ik nam hem bij de armen, draaide hem driemaal om, bezag hem van alle kanten en vervolgde:

—Dat schijnt Sam Hawkins wel te zijn, als ik mij niet vergis.

—Juist mijnheer, gij vergist u niet! Ik ben het in levenden lijve. Ziet gij iets bijzonders aan mij?

—Een spiksplinternieuw kleed!

—Geraden.

—Van wie?

—Van de berenhuid, welke gij mij hebt gegeven.

—Dat zie ik, Sam, maar ik bedoel van wie hebt gij dat kleed gekregen?

—Van wie, ja, van wie, sir? Dat is een andere vraag.

—Nu van wie dan?

—Welnu, kent gij de mooie Kliuna-ai niet?

—Neen. Kliuna-ai beteekent „Maan”. Is het een getrouwde vrouw of een meisje?

—Beiden, of liever geen van beiden.

—Dus een grootmoeder?

—Onzin! Als zij zoowel een getrouwde vrouw als een meisje, of liever geen van beiden is, dan moet zij natuurlijk weduwe zijn. Zij is de nagelaten vrouw van een Apache, die in den laatsten strijd met de Kiowa’s gevallen is.

—En die gij nu over dit verlies wilt troosten?

—Juist, sir,—knikte hij,—ik heb mijn oog op haar laten vallen.

—Maar Sam, een Indiaansche!

—Welnu, wat zou dat? Ik zou zelfs een negerin willen trouwen, als zij maar niet zwart was. Bovendien Kliuna-ai is een uitstekende partij.

—Waarom?

—Omdat zij het beste van den geheelen stam leerlooien kan.

—Wilt gij u dan laten looien?

—Maak toch geen gekheid, sir, het is mij ernst. Een gezellig tehuis—begrijpt ge? En ze heeft een vol, mooi rond gezicht.

—Hoe hebt ge haar leeren kennen?

—Door het looien, ik vroeg wie de beste looister was en zij werd mij aanbevolen. Ik bracht haar dus de berenhuid en merkte wel, dat zij zeer in haar schik was.

—Met het vel?

—Neen, met mij natuurlijk!

—Dat pleit voor haar smaak, Sam! [262]

—Ja, dat vind ik ook. O, zij is zeer ontwikkeld, zij heeft niet alleen het vel gelooid, maar er ook een nieuw kleed voor mij van gemaakt. Hoe zie ik er wel uit?

—Als een echte gentleman.

—Als een gentleman, niet waar? Ja, zij was ook geheel verrast, toen zij mij zag. Gij kunt er op aan, sir, ik ga met haar trouwen.

—Waar is uw oud kleed gebleven?

—Ik heb het weggesmeten.

—Zoo, zoo! en gij hebt mij eens verteld, dat gij uw kleed voor geen zes duizend dollars zoudt willen missen!

—Ja, dat was vroeger, toen kende ik Kliuna-ai niet, de tijden zijn veranderd.

Het trouwlustige mannetje keerde zich om en stapte vergenoegd heen. Ik maakte mij volstrekt niet bezorgd. Men had zijn overmatig groote voeten, de dunne, kromme beentjes en zijn gezicht, dat wel op een gierensnavel geleek, maar aan te zien, om te begrijpen dat zelfs een Indiaansche vrouw geen moed zou hebben hem tot man te nemen. Hij was nog niet zoo heel ver weg, of hij keerde zich nog eens om en riep mij toe:

—’t Is toch een bijzonder gevoel, sir, zoo een nieuw kostuum, ik voel mij als nieuw geboren, Sam gaat uit vrijen, hihihihi!

Den volgenden dag ontmoette ik hem bij het Pueblo. Hij zag er zeer teleurgesteld uit.

—Wat nu Sam, waarom zet ge zulk een bedenkelijk gezicht?

—Och sir, ik meende dat ik de „maan” gezien had, maar het zal wel een nevelvlek zijn geweest.

—Wat bedoelt ge, Sam?

—Wel, ik vroeg aan de schoone Kliuna-ai of zij weer een man wilde hebben. „Neen,” antwoordde zij.

—Laat den moed daarom nog niet zakken, Sam, Rome is niet in een dag gebouwd en de aanhouder wint.

—Gij hebt gelijk, sir, ik zal ’t nog eens weer probeeren.

Hij ging de trap op om zijn aangebedene nog eens op te zoeken. Den volgenden morgen toen ik gereedstond met Winnetou op de buffeljacht te gaan, kwam Sam weer bij mij en vroeg:

—Mag ik mee, sir?

—Op de buffeljacht? Neen, neen, Sam, gij hebt wel wat beters te doen.

—Ach,—was het antwoord,—’t is alles uit tusschen mij en de schoone Kliuna-ai. Zij heeft mij verteld, dat zij mijn nieuw kleed op Winnetou’s bevel heeft gemaakt.

—Dus niet uit liefde tot u? [263]

—Het schijnt van niet. Bovendien beweert zij nu dat ik het looien bij haar heb besteld en zij vroeg mij wat ik van plan was haar daarvoor te geven.

—Betaling dus?

—Yes. Is dat nu een bewijs van liefde?

—Ik weet niet, ik ben op dat punt nog te onervaren. Misschien is het wel juist een bewijs van wederliefde.

—Hm, dat geloof ik niet. Dus wilt gij mij niet mee hebben?

—Winnetou wil liefst alleen met mij uitgaan!

—Dan moet ik wel thuis blijven.

—Het zou ook jammer zijn voor uw nieuwen jachtrok, Sam!

—Daaraan hebt gij gelijk. Bloedvlekken zouden leelijk daarop staan.

Hij ging heen, keerde zich evenwel weer om en vroeg:

—Vindt gij niet sir, dat mijn oud jachthemd eigenlijk toch practischer was?

—Mogelijk wel.

—Niet alleen mogelijk, maar zeer waarschijnlijk.

De zaak was voor heden hiermee afgeloopen, maar in de eerstvolgende dagen was Sam nog stiller dan te voren. Eindelijk, daar zag ik hem eens op een morgen uit zijn woning komen—in zijn oude pakje!

—Wat beteekent dat nu, Sam?—vroeg ik hem;—ik meende, dat gij uw oude pakje hadt weggesmeten.

—Het was ook zoo.

—Hebt gij het weer opgevischt?

—Ja, uit woede; ik kan die Kliuna-ai niet meer uitstaan!

—Wat is er dan gebeurd?

—Ik zal het u vertellen. Gisteren was ik weer bij haar. Zij behandelde mij de laatste dagen zeer slecht en zeide bijna geen woord tegen mij. Ik zat dus bij haar en leunde met mijn hoofd tegen een paal. Waarschijnlijk heeft daar een splinter in gezeten, althans toen ik wilde opstaan, bleef mijn pruik daaraan hangen.

—En de schoone Kliuna-ai zag dit?

—Ja, zij stond op, staarde mij aan, als, ja, zooals men een mensch aanziet, die geen haar op zijn hoofd heeft.

—En toen?

—Toen schreeuwde en huilde zij, alsof zij zelf een kaalkop was.

—En verder?

—Verder? Nu, zij snelde weg en ik heb haar niet weer gezien.

—Misschien komt zij nog terug?

—Neen, want zij heeft mij laten weten, dat ik niet weer bij haar [264]behoefde te komen, omdat zij alleen een man wilde hebben, die haren op zijn hoofd had. Is dat niet dwaas?

—Hm.

—Wat kan het een vrouw toch schelen, of de man dien zij trouwt haren op zijn hoofd heeft, of in zijn pruik. ’t Is immers nog meer waard ze in de pruik te hebben, want deze hebben geld gekost en de andere groeien gratis, voor niemendal.

—Dan liet ik ze in uw plaats ook groeien, Sam.

—De drommel hale u, sir! Ik kom troost bij u zoeken in mijn liefdesmart en gij steekt nog den gek met mij. Ik wou dat gij ook een pruik hadt en een weduwe, die u de deur uitgooide. Goeden dag! Hij liep woedend weg.

—Sam, riep ik hem na,—luister eens, waar is uw nieuw kleed?

Hij bleef even staan.—Ik heb het haar teruggezonden, ik had het op mijn trouwdag willen dragen, maar nu heb ik het niet meer noodig. Howgh!

Zoo eindigde de vriendschap van mijn braven Sam en Kliuna-ai. Hij was spoedig over deze teleurstelling heen en vertelde mij kort daarna, dat hij eigenlijk maar blij was, een ongetrouwde jongeling te zijn gebleven. Nooit wilde hij weer zijn ouden rok uittrekken, want die was beter, practischer en gemakkelijker dan alle jachtrokken door Indiaansche schoonen gemaakt.

Den avond van dezen zelfden dag, at ik als gewoonlijk met Intschu Tschuna en Winnetou. De laatste verwijderde zich na het eten en nu ontspon zich tusschen Intschu Tschuna en mij naar aanleiding van Sam’s avontuur een gesprek over verbintenissen tusschen blanken en Indianen. Ik begreep wel dat hij mij eens aan den tand wilde voelen.

—Vindt mijn broeder Old-Shatterhand zulk een verbintenis goed of niet?

—Als het huwelijk door een geestelijke wordt gesloten en de Indiaansche vooraf Christin is geworden, zie ik er niets verkeerds in,—antwoordde ik.

—Mijn broeder zou dus nooit een Indiaansche zooals zij is, tot vrouw nemen?

—Neen.

—En is het moeilijk, Christin te worden?

—O neen, volstrekt niet.

—Mag een vrouw dan haar vader nog eeren, ook al is deze geen Christen?

—Zeker. Onze godsdienst zegt, dat een kind zijn vader en moeder moet eeren. [265]

—Zou mijn broeder liever een blanke vrouw hebben dan een gekleurde?

—Dat kan ik zoo niet zeggen. Als het hart spreekt, vraagt men niet, welke huidskleur de geliefde heeft. Voor den Grooten Geest zijn alle menschen gelijk en twee menschen, die bij elkander passen en voor elkander bestemd zijn, zullen elkaar den een of anderen dag vinden.

—Howgh! Zij zullen elkander vinden, als zij bij elkaar passen. Mijn broeder heeft de waarheid gezegd, alles wat hij zegt is goed.

Hiermee was dit gesprek afgeloopen op een wijze, zooals ik dit het liefst had. Ik had duidelijk genoeg laten uitkomen, dat een Indiaansche eerst Christin moest worden, wanneer zij de vrouw van een blanke wilde worden. Ik gunde Nscho-Tschi den besten, edelsten rooden krijgsman, maar ik was nu eenmaal niet naar het Westen gekomen om een Indiaansche tot vrouw te nemen, ik had zelfs nog niet eens aan een blanke gedacht. Welke de gevolgen waren van mijn gesprek met Intschu Tschuna, vernam ik den volgenden dag.

Het opperhoofd geleidde mij naar de eerste verdieping, waar ik nog niet geweest was. Hier lagen in een klein kastje onze meetinstrumenten.

—Zie eens na, of er iets ontbreekt,—begon het opperhoofd.

Ik voldeed aan zijn verzoek en bevond, dat alles in orde was. De voorwerpen waren zelfs niet beschadigd, behalve enkele kleine verbuigingen, welke gemakkelijk te herstellen waren.

—Deze voorwerpen werden door ons voor medicijnen beschouwd,—zeide hij,—daarom werden ze zoo goed bewaard. Mijn blanke broeder mag ze nu weer terugnemen.

Ik wilde mijn dank betuigen voor deze goedheid, maar hij nam die niet aan en vervolgde:

—Zij behoorden aan u en wij namen ze u af, omdat wij u voor onzen vijand hielden, nu wij echter weten dat gij onze broeder zijt, moogt gij alles terugnemen. Gij hebt ons niet te danken. Wat zult gij met deze voorwerpen doen?

—Als ik wegga, neem ik ze mee en geef ze terug aan de menschen, van wie ik ze kreeg.

—Waar wonen deze menschen!

—In St. Louis!

—Ik ken den naam van deze stad en weet ook, waar zij ligt. Winnetou, mijn zoon is er geweest en heeft er mij van verteld. Gij wilt ons dus verlaten?

—Ja, ik zal weldra vertrekken.

—Dat spijt ons. Gij zijt een der krijgers van onzen stam geworden [266]en ik heb u zelfs tot opperhoofd verheven. Wij dachten dat gij voor altijd bij ons zoudt blijven, evenals Kleki-Petra.

—Mijn omstandigheden zijn anders dan de zijne. Hij heeft mij zijn geheele levensgeschiedenis verteld.

—Dan moet hij een onbepaald vertrouwen in u hebben gehad, want hij zag u toch voor de eerste maal in zijn leven.

—Misschien omdat wij landgenooten waren.

—Neen, dat kan het niet alleen geweest zijn, zelfs stervende sprak hij nog met u. Ik kon de woorden niet verstaan, omdat ik de taal niet kende, maar gij hebt ons verteld wat hij zeide. Op Kleki-Petra’s wensch zijt gij Winnetou’s broeder geworden en nu wilt gij hem toch verlaten? Is dat niet met elkander in tegenspraak?

—Neen. Broeders behoeven niet altijd samen te zijn, zij hebben zeer dikwijls een verschillende taak te vervullen.

—Maar zij zien elkaar dan toch van tijd tot tijd weer?

—Ja, gij zult mij ook weerzien, mijn hart zal naar u verlangen.

—Het doet mij genoegen dit te hooren. Gij zult ons altijd van harte welkom zijn. Het spijt mij zeer, dat ge van een verschillende taak spreekt, zoudt gij u dan bij ons niet gelukkig kunnen gevoelen?

—Dat weet ik niet. Ik ben te kort nog hier, om deze vraag te kunnen beantwoorden. Het zal wel zijn evenals wanneer twee vogels in de schaduw van een boom zitten. De een voedt zich met de vruchten van den boom en blijft in diens nabijheid, de andere evenwel heeft ander voedsel noodig en gaat heen om het te zoeken.

—En toch zouden wij alles doen om u te geven wat gij verlangdet!

—Dat weet ik, maar wanneer ik van voedsel spreek, bedoel ik daarmee geen voedsel voor het lichaam.

—Neen, ik weet, dat gij bleekgezichten ook spreekt van voedsel voor den Geest, ik hoorde dit van Kleki-Petra. Hem ontbrak dit voedsel bij ons, daarom was hij soms zoo treurig, hoewel hij altijd zijn best deed, om ons dit niet te laten bemerken. Gij zijt jonger en zoudt dus nog eerder dan hij verlangen weg te komen. Ga dus heen, maar beloof ons, dat gij zult terugkomen. Misschien zijt gij dan van gedachten veranderd en ziet gij in, dat gij bij ons ook wel gelukkig kunt zijn. Maar ik zou gaarne willen weten, wat gij doen zult, wanneer gij teruggekomen zijt in de steden der bleekgezichten.

—Dat weet ik nog niet.

—Zult gij blijven bij de blanken, die een weg willen bouwen voor het ros?

—Neen. [267]

—Daarin hebt gij gelijk. Gij zijt een broeder der roode mannen geworden en moogt niet meewerken, om ons te berooven van ons land en ons eigendom. Maar daar waar gij nu heen gaat, kunt gij niet van de jacht leven en Winnetou vertelde mij dat gij arm waart. Gij zoudt veel geld hebben gekregen, indien wij u niet hadden overvallen, daarom heeft mijn zoon mij verzocht u een vergoeding aan te bieden. Wilt gij goud hebben?

Hij zag mij bij deze vraag zóó scherp en vorschend aan, dat ik mij wel wachtte met „ja” te antwoorden. Hij wilde mij klaarblijkelijk op de proef stellen.

—Goud?—vroeg ik.—Gij hebt mij geen goud afgenomen en ik heb dus geen goud van u te vorderen.

Dat was een diplomatiek antwoord, geen ja en geen neen. Ik wist, dat er Indianen waren, die plaatsen kenden, waar goud was te vinden, maar deze plaatsen nooit aan een blanke zouden verraden. Intschu Tschuna kon ook zulk een plaats weten en nu vroeg hij mij: wilt gij goud? Welke blanke zou op zulk een vraag dadelijk „neen” zeggen. Ik heb nooit naar schatten gejaagd, maar toch heeft het goud voor mij, als middel om goed te doen, een waarde, welke ik niet kan loochenen.

—Neen wij hebben u geen goud ontnomen,—antwoordde het opperhoofd,—maar gij hebt door ons toedoen, niet gekregen wat gij anders hadt verdiend, daarom wil ik u schadevergoeding geven. Ik zeg u, in de bergen daarginds ligt veel goud. De roode mannen kennen de plaatsen, waar het is te vinden; zij behoeven slechts de moeite te doen, om het te halen. Wilt gij, dat ik het doe?

Honderd anderen in mijn plaats zouden dit aanbod hebben aangenomen en— —niets hebben gekregen; dat zag ik aan den eigenaardig loerenden blik zijner oogen. Daarom zeide ik:

—Ik dank u! Geld, dat zoo zonder verdienste wordt verkregen, geeft geen voldoening, eerst wanneer men het zelf verdiend heeft, krijgt het waarde. Al ben ik arm, ik behoef niet van honger te sterven, als ik terugkeer naar de blanken.

Zijn gezicht helderde op, hij stak mij de hand toe en zeide op werkelijk hartelijken toon:

—Deze woorden bewijzen mij, dat wij ons niet in u hebben bedrogen. De dorst naar goud heeft menig bleekgezicht ten onder gebracht. Jaag niet naar goud, het verlangen daarnaar doodt niet alleen het lichaam, maar ook de ziel. Ik wilde u op de proef stellen. Goud zou ik u niet hebben gegeven, maar ’t geld waarop gij hadt gerekend, zult gij hebben.

—Dat is niet mogelijk. [268]

—Ik wil het en dus is het mogelijk. Wij zullen gaan naar de plaats waar gij hebt gearbeid. Gij zult uw werk ten einde brengen en hetgene krijgen, dat u is beloofd.

Ik zag hem verbaasd aan. Sprak hij in scherts? Neen, daarvoor kende ik hem te goed. Of zou hij mij wederom op de proef willen stellen? Ook dit was niet waarschijnlijk.

—Mijn jonge, blanke broeder zegt niets,—ging hij voort.—Is mijn aanbod hem niet welgevallig?

—Dat wel, maar ik kan bijna niet gelooven dat gij in ernst spreekt.

—Waarom niet?

—Ik zal het werk voltooien, dat gij eerst niet hebt willen dulden? Ik zal doen, wat gij, toen wij elkaar voor ’t eerst ontmoetten, zoo streng hebt veroordeeld?

—Omdat gij toen handeldet, zonder toestemming van degenen, aan wie dit land toebehoorde, maar die toestemming hebt gij nu verkregen. Mijn aanbod komt overigens niet van mij, maar van mijn zoon. Hij heeft mij gezegd, dat het ons geen schade kon doen, wanneer gij het begonnen werk voltooide.

—Dat is verkeerd ingezien. De weg zal worden aangelegd, de blanken komen zeker en gewis.

Hij zag somber voor zich heen en vervolgde na een kleine pauze:

—Gij hebt gelijk. Wij kunnen niet verhinderen dat zij ons telkens en telkens weer berooven. Eerst zenden zij kleinere troepen, zooals de uwe, deze kunnen wij verjagen maar het doet er niets toe, want later komen zij in grootere scharen, voor welke wij terug moeten wijken, willen wij ons niet laten vermoorden. Maar ook gij kunt niets daaraan veranderen, of denkt gij misschien, dat zij niet zullen komen als gij er van af ziet het land verder op te meten?

—Neen, dat denk ik niet. Wij kunnen doen of laten, wat wij willen, maar het ijzeren ros zal eenmaal door deze streken zijn weg vinden.

—Neem dan gerust mijn aanbod aan. Gij brengt u zelf daardoor voordeel en ons geen nadeel. Ik heb alles met Winnetou besproken! Wij beiden gaan met u, onder begeleiding van dertig krijgers. Dit aantal is voldoende om u te beschermen en u te helpen bij uw arbeid. Dan brengen ons deze dertig man zoover naar het Oosten, tot wij een weg vinden die naar St. Louis voert.

—Wat zegt mijn roode broeder? Heb ik hem goed verstaan? Wil hij naar ’t Oosten?

—Ja, wij gaan met u, ik, Winnetou en Nscho-Tschi.

—Nscho-Tschi ook?

—Ja, mijn dochter ook. Zij zou gaarne de steden der bleekgezichten [269]zien en zoolang daar blijven, tot zij geheel is geworden als een blanke vrouw.

Waarschijnlijk heb ik een zeer onnoozel gezicht gezet bij deze woorden, want glimlachend vervolgde het opperhoofd:

—Mijn jonge, blanke broeder schijnt verrast te zijn. Heeft hij er misschien iets tegen, dat wij hem begeleiden? Laat hem het dan gerust zeggen.

—Iets tegen? Wel neen! Ik verheug er mij integendeel zeer over. Onder uw geleide kom ik veilig en wel weer thuis, daarom alleen zou ik er blij om zijn, maar bovendien houd ik hen, die ik lief heb gekregen, zoolang bij mij.

—Howgh!—knikte hij tevreden.—Gij kunt uw werk afmaken en dan gaan wij naar het Oosten. Zal Nscho-Tschi daar menschen vinden bij wie zij kan wonen?

—Ja, daarvoor zal ik zorgen. Maar het opperhoofd der Apachen moet wel bedenken, dat de blanken niet zoo gastvrij zijn als de roodhuiden.

—Dat weet ik. Wanneer de bleekgezichten als vrienden tot ons komen, krijgen zij alles, wat zij noodig hebben zonder dat zij er ons iets voor behoeven te geven, maar komen wij bij hen dan moeten wij niet alleen betalen, maar wij moeten dubbel zooveel geven als de blanke gasten, terwijl wij alles veel slechter krijgen dan dezen. Nscho-Tschi zal dus ook moeten betalen.

—Dat is helaas waar, maar gij behoeft u daar over niet bezorgd te maken. Ten gevolge van uw edelmoedig aanbod, krijg ik veel geld uitbetaald en gij kunt dus mijn gasten zijn!

—Oef, oef, wat denkt mijn jonge, blanke broeder wel van Intschu Tschuna en van Winnetou, de opperhoofden der Apachen! Ik heb u immers gezegd, dat de roode mannen de plaatsen kennen waar veel goud is te vinden. Er zijn bergen welke met goud-aders doorploegd zijn en dalen waarin stofgoud onder de dunne aardlaag ligt. Wanneer wij naar de steden der blanken gaan, hebben wij wel geen geld maar goud, zooveel goud bij ons, dat niemand ons een teug water behoeft te schenken. En al moest Nscho-Tschi ook jaren daar blijven, dan zou ik haar meer goud meegeven, dan zij in al die jaren noodig had. Alleen de ongastvrijheid der bleekgezichten noodzaakt ons, het goud te verzamelen, anders zouden wij het stilletjes laten liggen. Wanneer is mijn jonge broeder gereed om te vertrekken?

—Zoodra gij maar wilt.

—Laat ons dan niet lang talmen, want het is reeds laat in den herfst en de winter kan spoedig invallen. Een roode krijgsman heeft [270]zelfs voor den langsten tocht geen voorbereiding noodig, wij zouden dus reeds morgen kunnen vertrekken.

—Mij goed. Wij behoeven enkel te zeggen, wat wij mee moeten nemen, hoeveel paarden en.…

—Daarvoor zal Winnetou zorgen,—viel het opperhoofd mij in de rede.—Hij heeft reeds aan alles gedacht.

Wij verlieten het vertrek, waar wij ons bevonden en keerden naar boven terug. Toen ik mijn kamer wilde ingaan, kwam Sam Hawkins mij tegemoet.

—Ik heb u iets nieuws te vertellen, sir,—begon hij stralend van vreugde.—Gij zult vreemd, zeer vreemd ophooren, als ik mij niet vergis.

—Wat is er dan?

—Ik breng u een goede tijding.

—Vertel dan op, beste Sam!

—Wij gaan van hier vertrekken.

—Zoo, ja, dat wist ik reeds.

—Wist gij dat reeds? Ik wilde u juist met dit nieuwtje verrassen, maar ik kom dus te laat.

—Ik heb er zooeven met Intschu Tschuna over gesproken. Wie heeft het u verteld?

—Winnetou. Ik ontmoette hem daarginds bij de rivier, waar hij bezig was de geschiktste paarden uit te zoeken. Zelfs Nscho-Tschi gaat mee! Wist gij dat ook reeds?

—Ja.

—Ik hoorde er vreemd van op. Zij zal, naar ’t schijnt naar een kostschool worden gebracht. Waarvoor dat noodig is, begrijp ik niet, of ’t moest zijn.…

Hij hield midden in den zin op, zag mij met zijn kleine oogjes veelbeteekenend aan en vervolgde:

—Of ’t moest zijn.… ’t moest zijn.… hm, Nscho-Tschi zal misschien uw Kliuna-ai worden! Wat zegt gij daar wel van, sir Shatterhand?

—Mijn Kliuna-ai? Kom, Sam, wees niet zoo dwaas. Ik denk er niet aan, een Indiaansche tot vrouw te nemen.

—’t Is ook beter van niet, sir! Ook ik ben maar blij, dat het met mij niet zoover is gekomen. Alleen, één ding spijt mij geweldig.

—En dat is Sam?

—Dat ik mijn mooi Grizzlyberenvel er bij heb verspeeld. Had ik het zelf nu maar verwerkt, dan had ik nu ten minste een mooien jachtrok, nu echter is mijn rok en daarmede ook het vel weg.

—Dat is jammer, maar misschien kom ik nog wel eens weer in de gelegenheid een Grizzlybeer te vellen en dan zult gij de huid hebben. [271]

—Werkelijk? Maar gij moet niet denken dat de grijze beren zoo maar rondloopen, om zich door den eersten den besten greenhorn te laten doodsteken. In elk geval hoop ik maar, dat wij er in de eerste dagen geen zullen ontmoeten. ’t Is toch een grootmoedig aanbod, om ons het werk te laten afmaken.

—Zeker, Sam, zeker.

—Ja, daardoor krijgt gij uw geld en wij ook het onze. Misschien.… ja, wie weet, of ik ’t niet geraden heb.

—Wat raadt gij?

—Dat gij al het geld alleen krijgt.

—Ik begrijp u niet.

—Wel, als het werk af is, moet het betaald worden, maar de anderen zijn weg, zij leven niet meer, dus moet hun aandeel aan u worden uitbetaald.

—Stel u dat maar niet voor, Sam, men zal er wel voor passen, dat te doen!

—’t Is toch mogelijk! Als gij nu de zaak maar goed aanpakt. Gij moet alles vragen, gij hebt toch ook het werk bijna geheel alleen gedaan. Wilt gij dat doen?

—Neen, ik denk er niet aan, meer te vragen, dan mij toekomt.

—Greenhorn, onverbeterlijke greenhorn. Ik zeg u, dat uw bescheidenheid hier in dit land volstrekt niet op haar plaats is. Ik meen het goed met u, luister daarom naar wat ik u zeg en laat het voornemen varen, om ooit een goed prairiejager te worden; daarvoor deugt gij in ’t geheel niet. Gij moet dus een ander baantje zoeken en daarvoor hebt gij geld noodig, zeer veel geld. Nu kunt ge een mooie som krijgen en ge zijt voor langen tijd geholpen. Luistert gij niet naar mijn raad, dan gaat het u als een visch op het droge.

—Dat zullen we dan maar afwachten. Ik ben niet over den Mississippi gekomen met het doel prairiejager te worden en dus is er niets verloren. Ware dit het geval geweest dan was het enkel jammer voor u.

—Voor mij? Waarom?

—Omdat gij u zooveel moeite hebt gegeven, iets goeds van mij te maken. Ik hoor de menschen al zeggen dat ik zeker een leermeester heb gehad, die er zelf niets van wist.

—Niets van weten? Ik? Sam Hawkins, niets van weten? Ik weet alles!

Hij keerde zich op zijn hielen om en ging met deftige passen heen, terwijl hij mij nog toeriep:

—Dit zeg ik u, als gij het geld niet wilt hebben, steek ik het in mijn zak! Howgh! [272]

Wat Intschu Tschuna mij gezegd had, was waar. Een roode krijger heeft zelfs voor den langsten tocht maar weinig voorbereidselen te maken. Het leven in het Pueblo ging ook dien dag zijn gewonen gang, aan niets was te bemerken, dat wij morgen zouden afreizen.

Ook Nscho-Tschi, die ons zooals altijd aan tafel bediende, liet niets bijzonders merken. Hoe geheel anders gedraagt zich een blanke dame, die een uitstapje gaat maken. Deze Indiaansche had een langen en gevaarlijken tocht voor zich om al de heerlijkheden der beschaafde wereld te leeren kennen en men bemerkte aan haar niet het minste teeken van opgewondenheid. Ik werd met geen enkele vraag lastig gevallen, het eenige wat men mij vroeg, was wel te willen zorgen voor het inpakken der instrumenten, waarvoor Winnetou mij de noodige wollen dekens gaf. Wij zaten als gewoonlijk den geheelen avond bij elkander, zonder dat men over de voorgenomen reis sprak, en toen ik ten laatste slapen ging, had ik volstrekt niet het gevoel dat ik zulk een reis voor mij had. Den volgenden morgen werd ik gewekt door Sam die mij vertelde, dat alles voor den tocht gereed was.

Wij namen een eenvoudig ontbijt, daarna deden alle bewoners van het Pueblo ons uitgeleide tot aan de rivier, waar een plechtigheid zou plaats hebben, welke ik nog nooit had bijgewoond. De medicijnman zou namelijk verklaren of de reis gelukkig of ongelukkig zou wezen.

Voor deze plechtigheid waren ook de zich in de nabijheid van het Pueblo bevindende Apachen aangekomen. Onze ossewagen stond nog bij de rivier, wij konden dezen niet meenemen, daar hij veel te zwaar was en nu had de medicijnman hem in beslag genomen, en er zijn Tempel van gemaakt. Om dezen wagen heen werd een wijde kring gevormd en nu begon de voor de roodhuiden „heilige handeling” met een gebrom en geknor in den wagen, juist alsof een aantal honden en katten op ’t punt waren te gaan vechten. Ik stond tusschen Winnetou en diens zuster. De groote gelijkenis tusschen deze beiden viel des te meer op, daar Nscho-Tschi, niet haar gewone vrouwen- maar mannenkleeren droeg. Haar kleed was volkomen gelijk aan dat van haar broeder. Ook zij had geen hoed op en heur haar was in een pluimvormigen knoop opgestoken. Aan haar gordel hingen verscheidene buidels, een mes en een pistool en over den rug hing een geweer. Haar kleed was nieuw en met bonte franjes en stiksels versierd.

Zij zag er zeer krijgshaftig en toch zoo meisjesachtig en bekoorlijk uit, dat aller oogen op haar gericht waren. Daar ik het kleed droeg, ’t welk ik gekregen had, waren wij drie bijna gelijk.

Ik zette, toen ik het gebrom en geknor in den wagen hoorde, zeker een niet zeer ernstig gezicht, want Winnetou zeide: [273]

—Mijn broeder kent dit gebruik nog niet, hij zal in zichzelf om ons lachen.

—Ik vind geen enkel godsdienstig gebruik, ook al begrijp ik de bedoeling er niet van, belachelijk,—antwoordde ik.

—Godsdienstig gebruik, juist, dat is het ware woord. Wat gij hier zult zien en hooren, is geen heidensche aanstellerij, maar iedere beweging, ieder geluid, heeft een zekere beteekenis. Dat, wat gij nu hoort zijn de tegen elkaar strijdende stemmen van de goede en slechte geesten!

Op deze wijze verklaarde hij mij ook het verdere verloop der plechtigheid. Op het gebrom en geknor volgde een telkens wederkeerend gehuil, dat afgewisseld werd door zachtere klanken. Het gehuil weerklonk in de oogenblikken, dat de in de toekomst ziende medicijnman, booze voorteekenen waarnam, de zachtere geluiden, wanneer hij goeds voorzag. Toen dit zoo eenigen tijd had geduurd, kwam hij plotseling uit den wagen, rende als een razende, brullend in den kring rond. Langzamerhand begon hij minder vlug te loopen, het brullen hield op, de zoo goed voorgestelde „angst”, welke hem zoo had doen ronddraven, begon te bedaren en nu begon een statige dans, waarbij hij zijn gezicht achter een afschuwelijk masker verborg en zijn lichaam met allerlei zonderlinge voorwerpen behing. Deze dans werd begeleid door een eentonig gezang. Beide, gezang en dans, waren eerst heftig maar werden langzamerhand kalmer, tot eindelijk de medicijnman zich neerzette en met het hoofd tusschen de knieën een langen tijd zwijgend bleef zitten. Toen sprong hij plotseling op en verkondigde met luide woorden:

—Hoort, hoort, gij zonen en dochteren der Apachen, hoort, wat de Groote Manitou mij heeft laten weten. Intschu Tschuna en Winnetou, de opperhoofden der Apachen en Old-Shatterhand, die onze blanke hoofdman is, zullen met Nscho-Tschi, de jonge dochter van onzen stam onder geleide van dertig krijgers, naar de steden der bleekgezichten gaan. De groote Manitou is bereid hen te beschermen. Zij zullen eenige avonturen beleven, zonder daarbij schade te lijden en gezond en wel tot ons terugkeeren. Ook Nscho-Tschi, die langen tijd bij de blanken blijft, zal terugkomen, maar er is een die wij niet terug zullen zien.

Hij hield even op en liet het hoofd op de borst zinken, om uiting te geven aan zijn droefheid over dit feit.

—Oef, oef!—riepen de roodhuiden, nieuwsgierig wie dat kon zijn, zonder evenwel te vragen.

Daar de medicijnman een geruimen tijd in gebogen houding bleef staan, werd mijn kleine Sam ongeduldig en vroeg: [274]

—Wie zal niet terugkeeren? Laat de medicijnman dat toch zeggen.

De aangesprokene maakte een afwerende beweging, wachtte eerst weer eenigen tijd, hief toen het hoofd op, richtte zijn oog op mij en zeide:

—Het ware beter, dat er niet naar hem gevraagd was geworden. Ik wilde hem niet noemen, maar nu heeft Sam Hawkins, het nieuwsgierige bleekgezicht mij gedwongen het te zeggen. Het is Old-Shatterhand, die niet zal terugkeeren. De dood zal hem binnenkort treffen. Zij, aan wie ik een gelukkige terugkomst heb voorspeld, moeten er op rekenen niet te lang bij hem te blijven, willen zij niet zijn lot deelen! Bij hem zijn zij in gevaar, ver van hem zijn zij veilig. Zoo heeft de Groote Geest gezegd!—Howgh!

Na deze woorden keerde hij naar den wagen terug. De roodhuiden zagen mij wantrouwend aan, van dit oogenblik was ik voor hen een persoon, met wien men zich niet te veel moest inlaten.

—Wat mankeert die kerel?—meende Sam.—Gij sterven? Hoe komt hij op die gedachte.

—Vraag liever, welke bedoeling hij heeft, met dit te zeggen. Geen Indiaansche medicijnman zal ooit de vriend worden van een Christen. Deze heeft nog nooit een woord tot mij gericht en ik natuurlijk evenmin tot hem. Hij vreest mijn invloed op de opperhoofden en heeft nu deze gelegenheid te baat genomen om mij tegen te werken.

—Zal ik naar hem toegaan en hem eenige oorvijgen geven, sir?

—Bega geen dwaasheden, Sam. De zaak is immers van geen beteekenis.

Intschu Tschuna, Winnetou en Nscho-Tschi hadden bij de waarschuwing van den medicijnman elkaar verlegen aangezien. Of zij aan de voorspelling geloofden of niet, dat deed er niet toe, maar zij kenden de uitwerking daarvan op de menigte. Er zouden dertig man met ons meegaan, als deze nu geloofden dat mijn tegenwoordigheid verderf aanbracht, dan waren allerlei onaangenaamheden niet te vermijden. Dit was alleen te voorkomen, door aan hun ondergeschikten te toonen, dat zij, ondanks de voorspelling van den medicijnman, dezelfde voor mij zouden blijven. Daarom grepen beide mijn handen, en Intschu Tschuna zeide, zoo luid, dat allen het konden hooren:

—Mijn roode broeders en zusters mogen mijn woorden vernemen! Onze medicijnman kan een blik werpen in de geheimen der toekomst en zeer dikwijls is dat, wat voorspeld is, uitgekomen, maar wij hebben ook wel gezien dat hij zich kan vergissen. Hij heeft in den tijd van groote droogte, regen voorspeld die nooit is gekomen. Voor onzen [275]laatsten tocht tegen de Comanchen verkondigde hij, dat wij met grooten buit terug zouden keeren, maar de overwinning, welke wij behaalden heeft ons niets gegeven dan een paar oude paarden en eenige slechte geweren. Toen hij ons in den voorlaatsten herfst zeide, dat wij naar de rivier Tugah moesten gaan, wilden wij veel buffels schieten, hebben wij naar zijn woorden geluisterd, maar wij schoten er zoo weinig, dat wij in den winter bijna van honger moesten omkomen. Ik zou u nog meer zulke voorbeelden kunnen opnoemen, welke bewijzen, dat zijn oogen niet altijd helder in de toekomst zien. Daarom is het ook nu zeer wel mogelijk, dat hij zich wat onzen broeder Old-Shatterhand betreft, vergist. Ik doe dus, alsof ik zijn woorden niet heb gehoord en noodig mijn broeders en zusters uit dit eveneens te doen. Wij willen kalm afwachten, wat ons lot zal zijn.

Nu trad mijn kleine Sam Hawkins uit den kring der omstanders naar voren en riep:

—Neen, wij willen niet afwachten, wij behoeven niet te wachten, want er is een middel om dadelijk te weten, of de medicijnman waarheid heeft gesproken of niet.

—Welk middel bedoelt mijn blanke broeder?—vroeg het opperhoofd.

—Ik zal het u vertellen. Niet alleen de roodhuiden, maar ook de blanken hebben hun medicijnmannen, die de kunst verstaan in de toekomst te lezen en ik, Sams Hawkins, ben de beroemdste van allen.

—Oef, oef!—riepen de Apachen verbaasd.

—Ja, verwonder er u maar over! Gij hebt mij tot nu toe voor een gewonen prairiejager aangezien, omdat gij mij nog niet kende, maar wacht maar, ik ben veel meer dan gij meent! Eenigen van mijn roode broeders moeten hun tomahawks nemen en een gat in de aarde graven.

—Wil mijn blanke broeder in het binnenste der aarde zien?—vroeg Intschu Tschuna.

—Ja, want de toekomst ligt verborgen in den schoot der aarde, soms ook in de sterren, maar daar er op klaarlichten dag geen sterren te zien zijn, moet ik mij wel tot de aarde wenden.

Eenige Indianen voldeden aan zijn verzoek en maakten met hun krijgsbijlen een gat in den grond.

—Geen humbug, Sam,—fluisterde ik hem toe.—Als de roodhuiden bemerken dat gij dwaze dingen gaat doen, maakt gij de zaak veel erger in plaats van haar beter te maken.

—Humbug? Dwaasheden? Wat doet de medicijnman dan anders? Wat hij doet, kan ik toch ook doen als ik mij niet vergis. Als er van [276]onzen kant niets wordt gedaan, krijgen wij de dertig krijgers niet mee, daar kunt ge op aan!

—Dat weet ik wel, maar ik verzoek u toch, niets belachelijks te doen.

—Wees maar niet bezorgd, ’t is een zeer ernstige zaak!

Ik gevoelde mij, ondanks zijn geruststelling, volstrekt niet op mijn gemak. Ik kende hem wel, hij was een spotvogel. Daarom zou ik hem gaarne nog eens hebben gewaarschuwd, maar hij liet mij alleen staan en ging naar de Indianen om hun te zeggen, hoe diep het gat moest zijn.

Toen zij gereed waren, zond hij hen weg en trok zijn ouden lederen jachtrok uit. Nadat hij dezen had dichtgeknoopt en op den grond had neergezet, waar zij stijf bleef staan, plaatste hij het oude ding juist boven het gat en begon met een air van gewicht:

—De krijgers, vrouwen en kinderen der Apachen zullen zien wat ik doe en daarover zeer verbaasd staan. De aarde zal mij, als ik mijn tooverwoorden heb uitgesproken haar schoot openen, op dat ik alles kan zien wat in den eerst volgenden tijd met ons zal gebeuren.

Hierop verwijderde hij zich eenige schreden van het gat en liep met een deftig gebaar om den rok heen, terwijl hij tot mijn groote ontzetting de tafel van vermenigvuldiging prevelde. Gelukkig deed hij dit zoo haastig, dat de roodhuiden hem onmogelijk konden verstaan. Toen hij hiermede gereed was, verhaastte hij zijn schreden en liep eindelijk op een draf om den rok heen, terwijl hij luid huilde en schreeuwde en met zijn armen zwaaide. Buiten adem, stond hij eindelijk stil, liep op den rok toe, maakte sierlijke buigingen en stak nu zijn hoofd in de halsopening om naar beneden in het gat te zien.

Ik was doodsbang, wat het gevolg zou zijn van deze aanstellerij en zag schuw om mij heen. Tot mijn geruststelling zag ik dat alle roodhuiden al zijn bewegingen met de grootste spanning volgden. Ook de gezichten der beide opperhoofden stonden ernstig, hoewel ik overtuigd was, dat Intschu Tschuna zeer wel begreep dat Sam’s kunsten, niets dan aanstellerij waren.

Wel vijf minuten lang bleef Sam’s hoofd in de halsopening van zijn rok, maar hij zwaaide van tijd tot tijd met zijn armen, alsof hij iets zeer bijzonders en gewichtigs zag. Eindelijk richtte hij het hoofd op, zag met een ernstig gezicht om zich heen en gebood:

—Mijn roode broeders kunnen nu het gat wel weer dichtmaken, want zoolang het open is, mag ik niets zeggen!

Toen aan dit verzoek was voldaan, haalde hij diep adem, alsof hij zeer geschokt was en riep:

—Uw roode medicijnman heeft verkeerd gezien, want juist [277]het tegendeel van wat hij heeft voorspeld, zal gebeuren. Ik heb alles vernomen wat in de eerste weken zal geschieden, maar het is mij verboden er iets van te vertellen. Alleen dit mag ik u zeggen: ik heb geweren in het gat gezien en schoten gehoord, wij zullen dus gevechten hebben te doorstaan. Het laatste schot dat ik hoorde kwam uit den berendooder van Old-Shatterhand. Wie het laatste schot lost, kan niet dood of verslagen zijn, maar moet overwinnaar zijn. Er dreigt onzen rooden broeders onheil. Zij kunnen dit enkel ontgaan door in Old-Shatterhand’s nabijheid te blijven. Wanneer zij evenwel den raad van den medicijnman opvolgen, gaan zij hun ondergang tegemoet. Ik heb gezegd. Howgh!

De uitwerking was voor ’t oogenblik zooals Sam die had verwacht. De rooden geloofden hem en zagen vol verwachting naar den wagen, want zij dachten niet anders of de medicijnman zou komen om zich te verdedigen. Deze bleef evenwel waar hij was en dus namen zij aan, dat hij zich overwonnen gevoelde. Sam Hawkins kwam nu op mij toe, zag mij met zijn kleine oogjes aan en vroeg: