—Welnu sir, heb ik het niet knap gedaan?
—Ja, ’t schijnt ten minste wel, dat gij uw doel bereikt hebt.
—Ik heb het bereikt, de medicijnman is verslagen, hij laat zich niet zien of hooren.
Winnetou liet de oogen met een stillen maar veelbeteekenenden blik op ons rusten. Zijn vader evenwel kwam op ons toe en zeide tot Sam:
—Mijn blanke broeder is een knap man, hij heeft de kracht der woorden van den medicijnman gebroken en bezit een rok die veel kan voorspellen. Deze kostbare rok zal beroemd worden. Maar Sam Hawkins is met zijn voorspellingen te ver gegaan.
—Te ver? Hoezoo?—vroeg de kleine man.
—Het was voldoende geweest te zeggen, dat Old-Shatterhand’s tegenwoordigheid ons geen nadeel kon aanbrengen. Waarom heeft hij er bijgevoegd, dat ons onheil staat te wachten?
—Omdat ik dit in het gat gezien heb.
Intschu Tschuna maakte een afwerende beweging en zeide:
—Het opperhoofd der Apachen heeft wel begrepen, wat Sam Hawkins heeft gedaan, het was niet noodig van moeielijke dingen te spreken en onze lieden met angst te vervullen.
—Angst? De dappere krijgers der Apachen zijn toch niet bang?
—Zij zijn niet bang en dat zullen zij bewijzen, wanneer zij op hun weg vijanden mochten ontmoeten. Laat ons nu evenwel onzen tocht beginnen.
De paarden werden voorgebracht. Er was een aanzienlijk getal pakpaarden, op een daarvan werden mijn instrumenten en op de [278]overige de proviand en andere noodzakelijke dingen geladen.
Het is bij de Indianen gebruikelijk, dat de vertrekkende krijgers door de achterblijvenden een eind weegs worden begeleid. Dit geschiedde evenwel nu niet, daar Intschu Tschuna dit niet had gewild. De dertig krijgslieden, die met ons meegingen, namen niet eens afscheid van vrouw en kinderen; hoogstwaarschijnlijk hadden zij dit van te voren gedaan, maar hun waardigheid gedoogde niet, dat dit geschiedde ten aanschouwe van het geheele publiek. Een echter was er, die een uitzondering maakte en zich niet stil kon houden, namelijk Sam Hawkins. Hij zag Kliuna onder de vrouwen staan, reed, toen hij reeds op zijn muildier was gestegen op haar toe en vroeg:
—Heeft Kliuna-ai gehoord, wat ik heb gezien in den schoot der aarde?
—Gij hebt het gezegd en ik heb het gehoord,—was het antwoord.
—Ik had nog veel meer kunnen zeggen, bijvoorbeeld iets van u.
—Van mij? Weet gij ook iets van mij?
—Ja. Ik zag uw geheele toekomst duidelijk voor mij liggen. Zal ik u vertellen, wat ik zag?
—Ja, doe dat!—verzocht zij haastig.—Wat zal mij de toekomst brengen?
—Zij zal u niets brengen, maar u van iets berooven, dat u zeer lief en dierbaar is.
—Wat is dat dan?—vroeg zij bijna angstig.
—Uw haar. Gij zult het binnen eenige maanden verliezen en een vreeselijk kaalkop krijgen. Dan zal ik u mijn pruik zenden. Vaarwel mijn lief!
Hij reed lachend op zijn muildier verder en de Indiaansche schoone keerde zich om beschaamd, dat zij zich door haar nieuwsgierigheid zoo had laten beetnemen.
De tocht werd nu begonnen. Intschu Tschuna, Winnetou met zijn zuster en ik reden aan de spits, dan volgden Hawkins, Parker en Stone en achter hen kwamen de dertig Apachen, die om beurten de pakpaarden hadden te besturen.
Nscho-Tschi zat te paard als een man. Zij was, zooals ik reeds wist, een uitstekende paardrijdster die geen vermoeienis kende. Even bedreven ook was zij in het hanteeren der wapenen. Wie ons had ontmoet, zonder ons te kennen, zou haar hebben aangezien voor een jongeren broeder van Winnetou, aan een scherpziend oog evenwel zouden de vrouwelijke zachtheid harer trekken niet zijn ontgaan. Zij was schoon, werkelijk schoon, ondanks haar mannenkleeding.
De eerste dagen van onze reis gingen voorbij, zonder dat er iets meldenswaards gebeurde. Zooals bekend is hadden de Apachen vijf [279]dagen noodig gehad om van de plaats, waar zij ons hadden overvallen, naar het Pueblo aan den Rio Pecos te komen. Het transport der gevangenen en der gewonden had echter dezen rit vertraagd. Wij bereikten reeds na drie dagen de plaats, waar Kleki-Petra door Rattler vermoord was. Daar werd halt gehouden en werden de tenten opgeslagen. De Apachen verzamelden steenen om daarmede een eenvoudig gedenkteeken op te richten. Winnetou was dien dag nog ernstiger gestemd dan gewoonlijk en op deze plek vertelde ik hem en zijn vader, wat Kleki-Petra mij over diens vroeger leven had medegedeeld. Den volgenden morgen trokken wij verder tot aan de streek, waar onze arbeid door den overval zoo plotseling was onderbroken. De palen zaten nog in den grond en ik had dadelijk met meten kunnen beginnen, indien er niet iets noodzakelijkers te doen was geweest.
De Apachen hadden namelijk destijds na den strijd verzuimd, de gevallen blanken en Kiowa’s te begraven, maar ze laten liggen. Wat zij hadden verzuimd, hadden de gieren en andere roofdieren overgenomen, maar op een andere wijze. De beenderen lagen overal verspreid, sommige geheel afgeknaagd en het was voor ons een treurige taak, deze overblijfselen te verzamelen en in een gemeenschappelijk graf te leggen. De Apachen namen geen deel aan dit werk.
Zoo ging de dag voorbij en eerst den volgenden dag kon ik met mijn opmetingen beginnen. Behalve aan de krijgers die de noodige hulp daartoe verleenden, had ik bijzonder veel steun aan Winnetou. De roodhuiden, die ik niet kon gebruiken, zwierven in den omtrek rond en brachten ’s avonds menig stukje wild voor het avondeten thuis.
’t Spreekt van zelf, dat mijn werk vorderde. Niettegenstaande de moeilijkheden van het terrein, bereikte ik reeds na drie dagen de volgende sectie en nu had ik nog slechts een vierden dag noodig om mijn teekeningen te voltooien. Dan was ik klaar en dat was ook maar goed, want de winter naderde en de nachten werden reeds zoo koud, dat wij het vuur niet lieten uitgaan.
Als ik zeg, dat de roodhuiden mij behulpzaam waren, dan moet ik er bijvoegen dat zij dit niet met lust en opgewektheid deden. Zij gehoorzaamden aan de bevelen van hun opperhoofden, maar men zag het hun aan, dat zij blij waren, wanneer zij hun werk hadden gedaan. En wanneer wij ’s avonds te zamen zaten, bleven zij altijd op behoorlijken afstand van ons. De beide opperhoofden bemerkten dat wel, maar zij zwegen wijselijk daarover.
Sam evenwel kon zich niet altijd stilhouden en zeide eens op een avond tot mij: [280]
—’t Is en blijft toch maar altijd waar, de roodhuid mag een flink jager en dapper krijgsman zijn, maar voor ’t overige is ’t een luiaard. Hij houdt niet van werken.
—Wat zij te doen hebben, is geen inspannend werk. Er bestaat een andere reden, waarom zij het niet met lust doen.
—Zoo, en wat is dat dan?
—Zij schijnen aan de voorspelling van den medicijnman meer waarde te hechten, dan aan de uwe, Sam!
—Maar dat is toch dom van hen!
—En vergeet bovendien niet, dat het werk wat ik doe, in hun oogen een groot onrecht is. De streek behoort hun en ik meet haar op voor hun vijanden!
—Maar hun opperhoofden keuren dit immers goed?
—Zeker, maar daarom behoeven zij het nog niet goed te keuren. Ik weet zeker dat zij er erg tegen zijn en als ik ze daar zoo bij elkaar zie zitten, kan ik uit hun geheele houding wel opmaken, dat zij mij niet veel goeds toewenschen.
—Het kan zijn, dat gij gelijk hebt, maar het is ons tamelijk onverschillig, wat zij van ons denken. Wij hebben met Intschu Tschuna, Winnetou en Nscho-Tschi te doen en over deze drie hebben wij niet te klagen.
Hierin had hij gelijk. Winnetou en zijn vader waren mij in alles behulpzaam en de schoone Indiaansche las mijn wenschen om zoo te zeggen, uit mijn oogen. ’t Was of zij mijn gedachten kon raden en zonder dat ik iets behoefde te zeggen, deed zij wat ik gaarne wilde. Ik gevoelde mij elken dag meer aan haar verplicht. Zij was een scherpe opmerkster en een geduldige toehoorderes en ik bemerkte tot mijn blijdschap, dat ik willens of onwillens een leermeester was, van wien zij gaarne leerde. Als ik sprak hingen haar oogen aan mijn lippen en wat ik deed, deed zij mij na, ook al was het iets, dat in strijd was met de gewoonten van haar ras. Zij scheen alleen voor mij hier te zijn en was veel meer bezorgd voor mijn welzijn, dan ik zelf.
Aan den avond van den vierden dag dus, was ik gereed en pakte de meetinstrumenten in de daarvoor bestemde dekens. Wij maakten ons reisvaardig en braken den morgen van den vijfden dag op. De beide opperhoofden waren van plan denzelfden weg te gaan, langs welken ik door Sam in deze streek was gebracht.
Twee dagen gingen voorbij, zonder dat er iets bijzonders gebeurde, den derden dag evenwel hadden wij een eigenaardige ontmoeting. Wij bevonden ons in een vlakke grasrijke en hier en daar door kreupelboschjes afgewisselde streek, waar wij aan alle kanten om [281]ons heen konden zien, wat in ’t Westen altijd van veel belang is. Men weet nooit, welke menschen men kan ontmoeten en het is altijd beter dat men ze van verre ziet aankomen. Dien dag nu, zagen wij vier ruiters, die ons tegemoet kwamen, het waren blanken. Zij zagen ons natuurlijk evengoed, als wij hen en zij hielden hun paarden even in, onzeker of zij nader zouden komen of liever omkeeren. Onverwacht voor dertig roodhuiden te staan is niet aangenaam voor blanken, vooral wanneer men niet weet, tot welken stam de Indianen behooren. Zij zagen evenwel, dat er blanken bij onzen troep waren en stuurden hun paarden dus naar ons toe.
De vier mannen waren als cow-boys gekleed en met geweren en messen gewapend.
Toen zij ons tot op ongeveer twintig pas genaderd waren, hielden zij de paarden in, namen hun geweren in de hand en een van hen riep:
—Good day, heeren! Is het noodig, den vinger aan den trekker te hebben of niet?
—Good day, heeren!—antwoordde Sam.—Laat die geweren maar rusten, wij hebben geen plan u op te eten. Mag men weten, van waar gij komt?
—Van den ouden Mississippi.
—En wat is het doel van uw tocht?
—Wij willen naar Nieuw-Mexico en van daar naar Californië. Wij hebben gehoord, dat de cow-boys daar meer geld kunnen verdienen dan bij ons.
—Daaraan zult gij wel gelijk hebben, sir, maar dan hebt ge nog een geducht eind te reizen. Wij komen daar vandaan en zijn van plan naar St. Louis te gaan. Is de weg daarheen veilig?
—Ja, ten minste wij hebben van het tegendeel niets bemerkt. Maar gij behoeft toch niet ongerust te zijn, gij zijt talrijk genoeg. Of rijden de roode heeren misschien niet zoover mee?
—Neen, alleen deze beide krijgers met hun dochter en zuster. Intschu Tschuna en Winnetou, de beide opperhoofden der Apachen.
—Wat zegt gij, sir? Een roode dame, die naar St. Louis wil? Mag men uw namen misschien weten?
—Waarom niet? ’t Zijn eerlijke namen, wij behoeven er ons niet voor te schamen. Ik word Sam Hawkins genoemd, dit zijn mijn kameraden Dick Stone en Willy Parker en hier hebt ge Old-Shatterhand, een man die den grijzen beer met het mes doorsteekt en den sterksten man met de vuist neerslaat. Wilt gij nu zoo vriendelijk zijn ons ook uw namen te noemen?
—Gaarne, wij hebben den naam Sam Hawkins wel eerder gehoord, [282]de andere heeren zijn ons onbekend. Ik heet Santer en ben niet zulk een beroemd man als gij, maar een arme cow-boy.
Hij noemde ook de namen van de andere drie mannen, welke ik evenwel niet heb onthouden; deed nog enkele vragen en daarna ging ieder zijns weegs. Toen zij uit het gezicht waren, vroeg Winnetou aan Sam:
—Waarom heeft mijn broeder aan deze lieden dit alles verteld?
—Mocht ik dit dan niet doen?
—Neen.
—Ik zou niet weten waarom niet. Wij werden beleefd gevraagd, en ik moest dus wel beleefd antwoorden.
—Ik vertrouw de beleefdheid der bleekgezichten nooit. Zij waren beleefd, omdat wij achtmaal sterker in aantal waren dan zij. Het spijt mij, dat gij hun hebt gezegd, wie wij zijn.
—Waarom? Meent gij dat dit kwaad kan?
—Ja!
—Hoe komt gij op die gedachte?
—Deze bleekgezichten bevielen mij volstrekt niet. De oogen van den man, met wien gij sprak, waren niet te vertrouwen.
—Dat heb ik niet opgemerkt. Maar, al was dat zoo, ’t zal ons niet hinderen, want zij zijn weggereden.
—Toch wil ik weten wat zij doen. Mijn broeders kunnen langzaam verder rijden, ik zal met Old-Shatterhand terugkeeren en deze bleekgezichten op een afstand volgen. Ik moet weten of zij werkelijk verder rijden of dit slechts in schijn doen.
Terwijl de anderen hun weg vervolgden, reed hij met mij de vier vreemdelingen achterna. Ik moet eerlijk zeggen, dat deze Santer mij ook volstrekt niet was bevallen en dat ook het uiterlijk der andere drie mannen weinig vertrouwen inboezemen kon; ik begreep echter niet, welke plannen zij tegenover ons zouden kunnen hebben. Zelfs al behoorden zij tot die lieden, die het eigendom van andere menschen als het hunne beschouwen, dan nog, vroeg ik mij tevergeefs af, wat zij er aan zouden hebben, ons lastig te vallen. Bovendien wij waren zeven en dertig goedgewapende mannen en behoefden dus niet bang voor hen te zijn. Toen ik dit aan Winnetou zeide, antwoordde hij evenwel:
—Als zij dieven zijn, storen zij zich niet aan ons aantal, omdat zij ons toch niet openlijk aanvallen, maar zij volgen ons stilletjes en wachten het oogenblik af, dat hij, op wien zij het hebben voorzien zich van het gezelschap afzondert.
—Maar op wien zouden zij het dan hebben voorzien? Zij kennen ons immers in ’t geheel niet. [283]
—Op dengeen, die naar hun vermoeden, goud bij zich heeft.
—Goud? Hoe kunnen zij weten dat wij dat hebben en wie van ons dit bij zich heeft.
—O, zij behoeven slechts even na te denken, om dit te weten. Sam Hawkins is zoo onvoorzichtig geweest te zeggen, dat wij opperhoofden zijn en naar St. Louis willen gaan. Meer behoeven zij niet te weten.
—Nu begrijp ik, wat mijn broeder bedoelt. Wanneer Indianen naar het Oosten gaan, hebben zij geld noodig en daar zij geen gestempelde munten hebben, nemen zij goud mee en als opperhoofden nemen zij waarschijnlijk veel goud mee.
—Mijn broeder Old-Shatterhand heeft het geraden. Indien de bleekgezichten van plan zijn diefstal en roof te plegen, dan zijn wij, de beide opperhoofden, de personen op wie zij het gemunt zullen hebben. Zij zouden nu evenwel niets bij ons vinden.
—Niet? Gij wildet toch immers goud meenemen?
—Ja, maar dit halen wij eerst morgen. Waarom het mee te dragen als wij het toch niet hard noodig hebben? Tot nu toe hadden wij niets te betalen, dit begint zoodra wij aan de forten komen, welke op onzen weg liggen. Daarom zullen wij waarschijnlijk morgen goud halen.
—Is er dan een plaats, waar goud is te vinden, dicht bij ons?
—Ja, vanavond komen wij in de nabijheid van den berg Nuggets-Hill, daar ligt het goud in hoopen.
Ik beken eerlijk, dat ik een gevoel van bewondering, vermengd met een weinig afgunst, niet kon onderdrukken. Deze menschen wisten dat kostbare metaal in menigte te vinden en maakten er geen gebruik van om zich het leven aangenamer en gemakkelijker te maken. Zij namen geen beurzen mee, maar hadden overal verborgen schatkamers liggen, waar zij het goud voor het grijpen hadden.
Wij moesten voorzichtig zijn, want Santer mocht niet bemerken dat wij hem volgden, wij zochten dus telkens dekking achter heuvels en struiken.
Na een kwartieruurs zagen wij de vier mannen voor ons. Zij reden flink door, schenen haast te hebben en aan omkeeren niet te hebben gedacht. Wij hielden even stil. Winnetou zag hen nog eens opmerkzaam na en zeide toen:
—Zij hebben geen slechte bedoelingen en wij kunnen dus gerust zijn.
Hij vermoedde even weinig als ik, dat hij zich deerlijk vergiste. Deze kerels hadden wel slechte bedoelingen, maar zij waren buitengewoon [284]slim, zooals ik later van hen zelf hoorde. Zij vermoedden wel dat wij hen een tijdlang in het oog zouden houden en deden dus, alsof zij haast hadden. Later echter keerden zij om en volgden ons.
Wij haalden onze kameraden spoedig in en tegen den avond maakten wij halt, dicht bij een water. Gewend, voorzichtig te zijn, zochten de opperhoofden eerst den omtrek af, voor wij bevel kregen de tenten op te slaan. Het water was een soort van bron, in de nabijheid was gras voor de paarden in overvloed en daar de plek rond om door boomen was ingesloten, konden wij flinke vuren aanleggen, zonder kans te loopen opgemerkt te worden. Bovendien zette Intschu Tschuna twee wachten uit en dus meenden wij alle voorzorgsmaatregelen genomen te hebben.
De dertig Apachen gingen op eenigen afstand van ons liggen, om als de vuren brandden, hun portie vleesch te eten. Wij zaten met ons zevenen aan den rand van het bosch, om het vuur heen geschaard.
Na het avondeten waren wij gewend nog wat samen te praten, dit geschiedde ook heden. In den loop van het gesprek vertelde Intschu Tschuna, dat wij morgen tegen den middag verder zouden reizen en toen Sam Hawkins naar de reden daarvan vroeg verklaarde het opperhoofd met een oprechtheid, welke ik later diep heb betreurd:
—Het moest eigenlijk een geheim zijn, maar ik zal het mijnen blanken broeders vertellen, als zij mij beloven mij niet te volgen.
Toen wij dit hadden beloofd, ging hij voort:
—Wij hebben goud noodig, daarom zal ik morgen vroeg met mijn kinderen van hier gaan om Nuggets te halen en eerst tegen den middag terugkeeren.
Stone en Parker lieten niet na aan hun verwondering lucht te geven en Sam Hawkins vroeg:
—Is er dan goud hier in de nabijheid?
—Ja,—antwoordde Intschu Tschuna,—niemand vermoedt dit, ook mijn krijgslieden weten dit niet. Ik heb het gehoord van mijn vader, die het weer van den zijnen hoorde. Zulke geheimen gaan van vader op zoon over en men maakt er zelfs zijn besten vriend geen deelgenoot van. Ik heb er nu wel met u over gesproken, maar ik zou de plaats aan geen mensch toonen en ieder neerschieten, die het zou wagen om ons te volgen, om de plaats te weten te komen.
—Zoudt gij ons ook dooden?
—Ook u! Ik heb u in het vertrouwen genomen, schendt gij dit [285]dan hebt gij den dood verdiend. Ik weet evenwel dat gij deze legerplaats niet zult verlaten, voor wij zijn teruggekeerd.
Hij zweeg verder over dit onderwerp en het gesprek nam een andere wending. Intschu Tschuna, Winnetou, Nscho-Tschi en ik zaten met den rug naar de boomen; Sam, Dick en Will hadden aan de andere zijde van het vuur plaats genomen. Midden in het gesprek uitte Sam een kreet van verrassing en meteen greep hij zijn geweer, legde aan en schoot. Dit schot bracht natuurlijk een algemeenen schrik teweeg. De Indianen sprongen op en kwamen naar ons toe. Ook wij stonden op en vroegen Sam, waarom hij had geschoten.
—Ik heb twee oogen gezien, die achter Intschu Tschuna door de boomen gluurden,—verklaarde hij.
Dadelijk doofden de roodhuiden de vuren uit en drongen in het bosch. Hun zoeken was evenwel tevergeefs en gerustgesteld nam ieder zijn plaats weer in.
—Sam Hawkins zal zich vergist hebben,—zeide Intschu Tschuna.—Bij zulk een flikkerend vuur kan dit licht gebeuren.
—Ik meende toch stellig twee oogen te hebben gezien.
—De wind heeft zeker door de bladeren gespeeld en daar de achterkant lichter is, zal mijn broeder twee bladen voor oogen hebben aangezien.
—’t Is mogelijk, dan heb ik dus twee bladeren doodgeschoten.… hihihihi!—Hij lachte op zijn eigenaardige wijze, maar Winnetou nam de zaak zeer ernstig op en zeide:
—Mijn broeder Sam heeft in elk geval een fout begaan, waarvoor hij zich later wel moet wachten.
—Een fout? Ik? Waarom?
—Er mocht niet geschoten worden.
—Niet? Als er een spion tusschen de boomen is, heb ik toch zeker wel het recht, hem een kogel door den kop te jagen?
—Weet men dan vooruit, welke plannen die spion heeft? Hij ziet ons en komt nader, om te zien wie wij zijn. Misschien is ’t een vriend, die ons wil begroeten.
—Hm, dat zou mogelijk kunnen zijn,—bekende de kleine eerlijk.
—Het schot kan gevaarlijk voor ons worden,—ging Winnetou voort.—Of Sam heeft zich vergist en geen oogen gezien en dan was het schot overbodig en kan slechts vijanden hierheen lokken, òf het zijn werkelijk een paar oogen geweest en dan was het eveneens verkeerd te schieten, daar vooruit wel te zien was, dat de kogel geen doel zou treffen.
—Oho, Sam Hawkins is zeker van zijn schot, hij heeft nog nooit misgeschoten. [286]
—Ik kan ook goed schieten, maar zou evenmin treffen. De spion ziet immers, dat men op hem mikt en kan zich bijtijds uit de voeten maken, dat begrijpt ge toch wel?
—Ja, ja, maar wat zou mijn roode broeder dan in mijn plaats hebben gedaan?
—Ik zou òf een knieschot hebben gedaan, òf mij heimelijk hebben verwijderd om den spion langs een omweg, vóór mij te krijgen.
Het knieschot is het moeilijkste schot dat er bestaat. Vele, vele prairiejagers, die anders goede schutters zijn, zijn niet in staat zulk een schot te doen. Ik had het zelfs nooit hooren noemen, maar Winnetou had het mij geleerd en ik oefende mij er nu dagelijks in. Verondersteld dat ik alleen of met anderen, dat maakt geen verschil, bij ’t legervuur zit met mijn geweer, volgens gewoonte geladen, aan mijn rechterzijde.
Daar zie ik twee oogen die mij van uit een hinderlaag gadeslaan. Ik kan het gezicht van den spion niet zien door de duisternis, maar de oogen hebben een phosphoriseerenden glans, die des te sterker is naarmate de man zijn oogen inspant. Men stelle zich echter niet voor, dat het gemakkelijk is ’s nachts tusschen millioenen van bladeren, twee oogen te vinden. Dat leert men niet, maar deze scherpte, deze zekerheid van blik moet aangeboren zijn.
Ben ik overtuigd, een vijandelijken spion voor mij te zien, dan moet ik, om mijzelf te redden, hem onschadelijk maken, hem dooden en wel door een kogel, die hem tusschen de oogen treft, want op de oogen moet ik mikken, daar dit het eenige is, wat ik van hem zie. Indien ik evenwel het geweer gewoon aanleg, dat wil zeggen het op de hoogte van mijn wang breng, dan ziet hij dat ik mik en hij verdwijnt oogenblikkelijk. Ik moet dus zoo aanleggen, dat hij er niets van bemerkt. Dit nu gebeurt bij het knieschot. Ik buig namelijk het rechterbeen zóó, dat de knie wat hooger komt en mijn bovenbeen één lijn vormt, in welks verlengde beide oogen liggen, die ik wil raken. Dan neem ik schijnbaar in gedachten, als spelend, mijn geweer op en leg het op mijn bovenbeen, zoodat het juist in ’t verlengde daarvan komt te liggen en haal den haan over. Dit is moeielijk, zeer moeielijk, vooral omdat men daarbij alleen de rechterhand mag gebruiken. Met deze eene hand het geweer stellen, het tegen het dijbeen aandrukken en dan afvuren, dit is een kunst, die slechts weinigen kunnen. Vergeet bovendien niet, hoe moeielijk het is in deze houding en zonder het oog aan ’t vizier te brengen, een zeker doel te treffen. En dit doel bestaat daarbij nog uit twee, nauwelijks zichtbare punten in een bladerenmassa, welke dikwijls door den wind wordt bewogen. Op zulk een schot doelde Winnetou, [287]toen hij van een knieschot sprak, hij was er een meester in. Mij gelukte dit schot zelden, omdat mijn berendooder zoo zwaar woog en met één hand niet te hanteeren was. Door voortdurend oefenen evenwel heb ik het later toch kunnen leeren. (Zie: May, Het Geheim van den Witten Bison).
Terwijl de anderen door het vergeefsche zoeken gerustgesteld waren, was dit met Winnetou niet het geval, want hij stond na eenigen tijd weer op en begon opnieuw den naasten omtrek te onderzoeken. Het duurde wel een uur, voor hij terugkwam.
—Er is geen mensch,—zeide hij. Sam Hawkins moet zich dus wel hebben vergist.
Ondanks deze woorden, zette hij in plaats van twee, vier wachten uit en beval hun zeer opmerkzaam rond te zien en van tijd tot tijd om de legerplaats heen te patrouilleeren. Daarna legden wij ons te slapen.
Ik sliep echter niet gerust, ik werd dikwijls wakker en had korte, benauwde droomen, waarin Santer en zijn metgezellen de hoofdrollen speelden. Dit was een natuurlijk gevolg van de ontmoeting, welke wij met hem gehad hadden, maar toen ik ’s morgens opstond, had ik een voorgevoel alsof ons iets onaangenaams wachtte.
Na het ontbijt, dat uit vleesch en een mengsel van meel en water bestond, begaf Intschu Tschuna zich met zijn kinderen op weg. Ik vroeg verlof hen een eind weegs te mogen vergezellen. Opdat zij overtuigd konden zijn, dat ik dit niet deed om den weg naar de plaats waar het goud zich bevond te leeren kennen, vertelde ik hun ook, dat ik de gedachte aan Santer maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Ik wist zelf niet waarom, maar ik was overtuigd, zonder daartoe eenigen grond te hebben, dat deze schurk met zijn lieden was teruggekeerd. Dit kon evenwel het gevolg zijn van mijn droomen.
—Mijn broeder behoeft zich over ons niet ongerust te maken—antwoordde Winnetou.—Om hem gerust te stellen, zal ik nog eens zien of ik ook sporen kan vinden, wij weten dat mijn jonge broeder niet naar geld verlangt, maar als hij ook slechts maar een klein eindje met ons meeging, zou hij de plaats raden waar het goud ligt en dan zou hij zeker de koorts krijgen, welke de bleekgezichten niet verlaat, voor zij naar lichaam en geest te gronde zijn gegaan. Wij verzoeken hem dus niet uit wantrouwen, maar enkel uit liefde en voorzichtigheid niet met ons te gaan.
Daarmee moest ik tevreden zijn. Hij zag nog eens nauwkeurig rond, maar toen hij ook nu weer niets vond, gingen zij heen. Uit het feit, dat zij liepen en niet reden, maakte ik op dat de plaats waar zij heen wilden, niet heel ver af lag. [288]
Ik ging in het gras liggen, stak mijn pijp aan en maakte een praatje met Sam, Dick en Will, alles maar, om mijn bezorgdheid van mij af te zetten. Maar ik had geen rust, ik stond spoedig weer op: er was iets in mij, dat mij steeds voortdreef. Daarom nam ik eindelijk mijn geweer, misschien zou ik het een of ander stuk wild ontdekken, dat mijn gedachten kon afleiden. Intschu Tschuna was den zuidkant opgegaan, daarom ging ik noordwaarts, opdat het niet den schijn zou hebben, dat ik op verboden wegen wilde gaan. Toen ik zoo ongeveer een kwartier had geloopen, zag ik een spoor, dat door drie personen moest zijn gemaakt, welke mocassins droegen. Ik onderscheidde twee groote, twee kleinere en twee zeer kleine voetsporen, welke nog maar kort geleden konden zijn gemaakt. Zij moesten die van Intschu Tschuna, Winnetou en Nscho-Tschi zijn. Zij waren dus eerst zuidelijk gegaan, natuurlijk om ons te misleiden, maar waren daarna omgekeerd.
Mocht ik verder gaan? Neen. Het was immers mogelijk, dat zij mij zagen, hoogst waarschijnlijk zouden zij op hun terugweg, mijn spoor herkennen en ik wilde volstrekt niet, dat zij zouden denken, dat ik hen had willen volgen. Ik wilde echter ook niet dadelijk weer naar de legerplaats terugkeeren en daarom liep ik in oostelijke richting verder.
Reeds na korten tijd, moest ik weer stilhouden, want ik stuitte opnieuw op een spoor. Dit was gemaakt door vier mannen, die laarzen droegen en dadelijk dacht ik aan Santer. Het spoor leidde in de richting waarin de beide hoofdmannen waren gegaan en scheen te komen uit een niet ver gelegen kreupelboschje. Ik richtte mijn schreden daarheen.
Het was, zooals ik had vermoed; het spoor kwam uit dit boschje en toen ik verder daarin doordrong, vond ik de vier paarden die aan Santer en zijn kameraden toebehoorden. Het was duidelijk aan den grond te zien, dat de vier kerels hier den nacht hadden doorgebracht. Zij waren dus toch omgekeerd! Waarom—Natuurlijk om ons! Sam Hawkins had zich dus gisteravond niet vergist en werkelijk twee oogen gezien, maar door zijn verkeerd optreden, den spion verjaagd, nog voor dat het schot was afgegaan. Wij waren dus beluisterd geworden. Santer was in onze buurt en wachtte slechts het oogenblik af, dat degeen, dien hij wilde vangen zich van de anderen afzonderde. Maar deze plaats was immers ver van onze legerplaats verwijderd? Hoe kon hij ons van hier uit gadeslaan?
Ik bezag nauwkeurig de boomen. Midden in het kreupelboschje, stonden eenige hooge eiken, welke gemakkelijk te beklimmen waren. De stam van den eene, was hier en daar beschadigd. Men was dus [289]in den boom geklommen en van deze hoogte kon men zeker, al was het niet de legerplaats zelf, dan toch een ieder die deze verliet zeer goed zien. Welke gedachten bestormden mij toen ik dat zag! Waarover hadden wij gisteravond gesproken, op het oogenblik dat Sam de oogen meende te zien? Hierover, dat Intschu Tschuna met zijn kinderen den volgenden dag wilde heengaan, om goud te halen. Dat moest de luisteraar hebben gehoord! Vanmorgen in de vroegte was hij stellig in den boom geklauterd en had de drie personen voorbij zien komen. Toen was hij hen met zijn drie makkers gevolgd.
Winnetou was dus in gevaar; hij en zijn vader en Nscho-Tschi! Ik moest weg, zoo snel mogelijk en de roovers zien in te halen. Ik gunde mij niet den tijd naar de legerplaats terug te keeren, maar maakte een der paarden los, geleidde het naar het open veld, sprong er op en galoppeerde op hun eigen spoor, dat zich spoedig vereenigde met dat der opperhoofden, de schelmen na.
Daarbij zocht ik te raden, waar, ingeval ik het spoor mocht verliezen, de plaats waar het goud lag, gezocht moest worden. Winnetou had gesproken over een berg die Nuggets-Hill werd genoemd. Nuggets zijn goudklompjes, welke men in verschillende grootten vindt. Hill beteekent heuvel of berg, Nuggets-Hill wil dus zeggen Klompjesberg. De plaats lag dus hoog. Ik overzag de streek, door welke ik reed. Noordwaarts van mij lagen eenige aanzienlijke met bosch begroeide hoogten. Een van deze moest de Nuggetsberg zijn, dat stond bij mij op dit oogenblik vast.
De oude knol, waarop ik zat liep mij lang niet vlug genoeg. Ik trok dus in het voorbijrijden een tak van een boom en dreef hem daarmee aan. Hij deed wat hij kon en spoedig zag ik dan ook de bergen voor mij. Het spoor voerde tusschen twee hoogten door, maar ik kon het weldra niet meer terugvinden, daar het water van de bergen veel steengruis had meegevoerd. Ik steeg evenwel niet af, want het sprak vanzelf dat zij, die ik zocht hier verder het dal waren ingegaan.
Weldra zag ik een zijkloof, welke eveneens een steenachtigen bodem had. Nu was het de vraag of de opperhoofden links of rechts waren gegaan. Ik sprong uit den zadel, onderzocht den bodem en vond het spoor; het voerde naar links in den kloof. Ik steeg weer te paard en volgde het, maar weldra deelde zich deze kloof en moest ik opnieuw afstijgen. Het was te voorzien, dat dit nog wel meer zou kunnen gebeuren en dan zou het paard mij maar in mijn bewegingen belemmeren. Ik bond het dier dus aan een boom vast en ging te voet verder, nauwkeurig oplettend waarheen het spoor voerde.
Ik kwam nu in een nauwe rotsachtige spleet, waarin zich op [290]dit oogenblik geen water bevond. De angst dreef mij voort en benam mij langzamerhand den adem. Op een hoogte gekomen moest ik een oogenblik blijven staan om te bekomen, toen liep ik verder tot het spoor mij plotseling linksaf naar het bosch leidde. Ik liep zoo hard ik kon tusschen de boomen door. Zij stonden eerst dicht bij elkaar, later op eenigen afstand tot het eensklaps lichter om mij heen werd en ik begreep een open plek voor mij te hebben. Nog had ik dezen niet bereikt of ik hoorde verscheidene schoten vallen. Eenige oogenblikken daarna weerklonk een kreet welke mij als een mes door de ziel sneed, het was de doodskreet der Apachen. Nu liep ik niet, maar ik vloog voort in groote sprongen als een roofdier dat zich op zijn prooi wil werpen. Wederom een schot en nog één, dit was het dubbelloopsgeweer van Winnetou, ik kende den knal. God zij dank! Hij leefde nog! Ik had nog maar enkele schreden te doen, weldra had ik de open plek bereikt en bleef onder den laatsten boom staan, want wat ik zag, deed mijn voeten aan den grond vastnagelen.
De plek was niet groot. Bijna in het midden daarvan lagen Intschu Tschuna en zijn dochter. Of zij nog leefden kon ik zoo dadelijk niet zien. Niet ver van hen af, lag Winnetou achter een klein rotsblok, bezig zijn geweer opnieuw te laden. Links van mij stonden twee kerels met aangelegd geweer gereed te schieten, zoodra Winnetou zich maar eenigszins bloot gaf. Rechts van mij sloop een derde voorzichtig tusschen de boomen door om Winnetou in den rug te kunnen aanvallen. De vierde lag juist voor mij dood door het hoofd geschoten.
De twee waren voor ’t oogenblik gevaarlijker voor Winnetou, dan de derde. Ik nam mijn berendooder en schoot hen beiden neer, toen sprong ik zonder mij tijd te gunnen, mijn geweer opnieuw te laden op den derde toe. Hij had mijn schoten gehoord en zich omgekeerd, zag mij komen, legde op mij aan en schoot. Ik sprong ter zijde; de kogel vloog mij voorbij. Hij zag dat zijn spel verloren was en vluchtte. Ik snelde hem na, want ik had gezien dat het Santer was. Evenwel de afstand tusschen hem en mij was te groot en in het bosch kon ik hem moeielijk vinden. Ik keerde dus terug, vooral ook, omdat ik begreep dat Winnetou mijn hulp noodig zou hebben.
Toen ik wederom op de open plek terugkwam, knielde hij naast zijn vader en zuster, angstig onderzoekend of er nog leven in hen was. Hij zag mij aankomen en stond even op. Nooit zal ik de uitdrukking zijner oogen vergeten. Ik las daarin een bijna aan waanzin grenzende woede en smart.
—Mijn broeder ziet wat er gebeurd is. Nscho-Tschi, de schoonste [291]en beste der Apachenvrouwen zal niet naar de steden der bleekgezichten gaan; zij leeft nog wel, maar zij zal de oogen niet weer openen.
Ik was niet in staat een woord te spreken. Wat zou ik ook zeggen! Ik had immers gezien wat er gebeurd was. Vader en dochter lagen naast elkaar, Intschu Tschuna midden door het hoofd geschoten, Nscho-Tschi in de borst getroffen. De eerste was dadelijk dood geweest, het meisje evenwel ademde nog, zwaar rochelend, terwijl de bronskleur van haar gelaat steeds matter en matter werd. De volle wangen vielen in en een doodelijke bleekheid verspreidde zich over de mij zoo dierbare trekken. Nu bewoog zij zich even. Langzaam wendde zij het hoofd naar den kant, waar haar vader lag en opende de oogen. Zij zag Intschu Tschuna badende in zijn bloed, schrok en scheen langzaam tot bewustzijn te komen. Zij legde de hand op haar hart, voelde het warme bloed uit de wonde vloeien en slaakte een diepen zucht.
—Nscho-Tschi, mijn lieve, mijn eenige zuster!—klaagde Winnetou op een toon, welke niet is weer te geven.
Zij scheen hem te hooren, want zij sloeg even de oogen naar hem op.
—Winnetou.… mijn.… broeder! fluisterde zij.—Wreek.… wreek.… mij!
Toen gleed haar blik van hem op mij en een gelukkige, maar spoedig wegstervende glimlach speelde om haar lippen.
—Old-Shatterhand!.… stamelde zij.—Gij.… zijt.… hier! Nu.… sterf ik.… zoo.…
Meer hoorden wij niet want de dood sloot haar voor altijd den mond. Het was of mijn hart zou bersten; ik moest lucht hebben, sprong op en stiet een luiden kreet van smart uit, welke door de bergen werd weerkaatst.
Winnetou stond ook op, langzaam alsof hij door loodzware gewichten werd neergedrukt. Hij sloeg beide armen om mij heen en zeide:
—Nu zijn zij dood! Het grootste, het edelste opperhoofd der Apachen en Nscho-Tschi, mijn zuster, die aan u haar hart had gegeven. Zij stierf met uw naam op de lippen. Vergeet dat niet, vergeet dat nooit, mijn beste broeder!
—Nooit, nooit zal ik het vergeten!—riep ik. Toen kreeg zijn gezicht een andere uitdrukking en zijn stem klonk vol en plechtig, toen hij vroeg:
—Hebt gij gehoord wat haar laatste bede aan mij was?
—Ja.
—Wraak! ik moet haar wreken en ik zal haar wreken, zooals nog nooit een moord gewroken is. Weet gij, wie de moordenaars [292]waren. Gij hebt hen gezien. Het waren bleekgezichten, wien wij niets hadden misdaan. Zoo is het steeds geweest en zoo zal het altijd blijven tot de laatste roode man vermoord is geworden. Wij wilden naar de steden der bleekgezichten gaan, Nscho-Tschi wilde worden als een blanke vrouw, want zij had u lief en hoopte uw hart te winnen, wanneer zij zich eenmaal de zeden en gewoonten der blanken had eigengemaakt. Zij heeft met haar leven daarvoor moeten boeten. Of wij u ook haten en of wij u liefhebben, ’t is alles hetzelfde, overal waar een bleekgezicht den voet zet brengt hij ons verderf. Er zal een klaaglied klinken door alle stammen der Apachen en er zal zich een gehuil van woede en wraak verheffen, overal, waar zich leden van onzen stam bevinden. De oogen van alle Apachen zijn gericht op Winnetou om te zien, hoe hij den dood van zijn vader en zijn zuster zal wreken. Mijn broeder Old-Shatterhand mag hooren wat ik hier bij deze beide dooden zweer! Ik zweer bij den Grooten Geest en bij al mijn dappere voorvaderen, die in de eeuwige jachtvelden verzameld zijn, dat ik van dit oogenblik af elk bleekgezicht dat ik ontmoet met het geweer, dat aan de hand mijns vaders is ontvallen, zal doodschieten of— —
—Halt!—viel ik hem huiverend in de rede, want ik wist dat het hem onverbiddelijke ernst was met deze woorden.—Halt! Mijn broeder Winnetou mag nu niet zweren!
—Waarom nu niet!—vroeg hij bijna toornig.
—Een eed moet worden uitgesproken in een volkomen kalme gemoedsstemming.
—Oef! Mijn stemming is op dit oogenblik zoo kalm als het graf waarin ik deze beide dooden neer zal leggen. Evenals het graf mijn dierbaren nooit zal teruggeven, evenmin zal ik ooit een woord van hetgeen ik heb gesproken, terug.…
—Niet verder—viel ik hem nogmaals in de rede.
—Wil Old-Shatterhand mij verhinderen mijn plicht te doen? Moeten de oude wijven mij in ’t gezicht spuwen en moet ik uit mijn volk worden verbannen, omdat ik niet den moed bezit te wreken, wat vandaag is geschied?
—Het zij verre van mij, dit te verlangen, ook wil ik de moordenaars straffen. Drie van hen zijn reeds gevallen, de vierde is ontvlucht, maar hij zal ons niet ontkomen.
—Hij zal ons niet ontkomen!—herhaalde hij.—Maar ik heb niet alleen met hem te doen. Hij heeft gehandeld als zoon van dat blanke ras, dat ons ten verderve wil brengen, maar ik roep dit geheele ras ter verantwoording, ik, Winnetou nu de eerste en opperste van alle stammen der Apachen! [293]
Hij stond trotsch en met opgerichten hoofde voor mij, een man, die ondanks zijn jeugd, zich koning voelde over al de zijnen! Ja, hij was er de man naar te doen wat hij wilde. Hem zou het zeker gelukt zijn de krijgers van alle roode natiën te verzamelen om met de blanken een reuzenstrijd te beginnen, een wanhopigen strijd, waarvan het einde niet twijfelachtig kon zijn, maar die honderdduizenden offers zou vragen. Nu op dit oogenblik, zou worden beslist of deze strijd zou worden begonnen.
Ik nam zijn hand en zeide:
—Gij moet en zult doen wat gij wilt, maar luister naar mijn bede, welke misschien mijn laatste zal zijn, dan zult gij nooit meer de stem van uw blanken broeder hooren. Hier ligt Nscho-Tschi. Gij zelf hebt gezegd, dat zij mij heeft liefgehad en met mijn naam op de lippen is gestorven. Ook u had zij lief, mij als vriend en u als broeder en gij hebt haar wederkeerig uw liefde geschonken. Bij deze onze liefde smeek ik u, spreek den eed dien gij wilt doen, nu niet uit, maar eerst dan, wanneer het graf zich boven het hoofd van de edelste dochter der Apachen zal hebben gesloten!
Hij zag mij ernstig, bijna somber aan en sloeg den blik neer. Ik zag dat zijn trekken zachter werden en toen hij eindelijk zijn oog weer opsloeg, zeide hij:
—Mijn broeder Old-Shatterhand heeft een groote macht over de harten van allen met wie hij omgaat. Nscho-Tschi zou zijn verzoek zeker inwilligen en daarom zal ik het ook doen. Eerst dan, wanneer mijn oog deze beide dooden niet meer ziet, zal worden beslist of de Mississippi en zijn zijrivieren zullen worden gekleurd met het bloed der blanke en roode volkeren. Howgh!
God zij dank! Het was mij althans voorloopig gelukt een groot onheil af te wenden. Ik drukte hem dankend de hand en sprak:
—Mijn broeder zal nu inzien dat het niet mijn bedoeling is genade te vragen voor den schuldige, hij heeft een strenge straf verdiend. Wij moeten zorgen, dat hij niet ontkomt. Winnetou mag zeggen wat ik in dit opzicht moet doen!
—Mijn voeten zijn gebonden!—zeide hij, nu weer op somberen toon.—De gebruiken mijns volks gebieden mij, bij deze dooden die mij zoo na verwant zijn, te blijven tot zij begraven zijn. Eerst dan mag ik wraak nemen.
—En wanneer zal de begrafenis plaats hebben?
—Dat zal ik met mijn krijgers overleggen. Of wij begraven hen hier op de plaats, waar zij gestorven zijn, òf wij brengen hen naar het Pueblo. Maar zelfs al zullen zij hier hun laatste rustplaats vinden, moeten er nog verscheidene dagen voorbijgaan voor alles [294]gereed is, voor de begrafenis van zulk een groot opperhoofd.
—Maar dan zal de moordenaar ons zeker ontkomen.
—Neen. Want al kan Winnetou zelf hem niet achtervolgen, anderen kunnen dit in zijn plaats doen. Mijn broeder moet mij vertellen hoe hij eigenlijk hier is gekomen.
Nu het iets zakelijks betrof, was hij zoo kalm mogelijk. Ik vertelde hem in ’t kort wat hij weten wilde. Er volgde eenigen tijd van stilte en nu was het, alsof wij een zwaren zucht hoorden welke van de plaats kwam waar de beide struikroovers lagen. Den een was mijn kogel door het hart gegaan, maar de andere was, evenals Nscho-Tschi in de borst getroffen, hij leefde nog en kwam op dit oogenblik weer bij. Hij staarde ons aan en mompelde eenige woorden, welke ik niet kon verstaan. Ik boog mij over hem heen en riep hem toe:
—Man, kom tot u zelf. Weet gij, wie hier bij u staat?
Hij deed moeite na te denken, zijn oog werd ook werkelijk helderder en ik hoorde hem zachtjes vragen:
—Waar.… waar is.… Santer?
—Ontvlucht,—antwoordde ik, want ik kon het niet over mijn hart verkrijgen tegenover een stervende te liegen.
—Waar.… heen?
—Dat weet ik niet, maar ik hoop dit van u te vernemen. Uw andere metgezellen zijn dood, ook gij hebt slechts nog maar eenige seconden te leven, gij zult aan den rand des grafs niet meer durven liegen. Waar komt Santer vandaan?
—Weet.… het.… niet.
—Heet hij werkelijk Santer?
—Heeft.… vele.… vele namen.
—Wat is hij eigenlijk?
—Weet ook.… niet.
—Hebt gij bekenden hier in de buurt, misschien in een of ander fort?
—Neen.
—Waar wildet gij heengaan?
—Nergens heen. Waar maar geld-buit.
—Dus waart gij roovers en dieven van beroep! Verschrikkelijk! Hoe kwam gij op het denkbeeld, de beide Apachen met het meisje te overvallen?
—Nug.… nuggets!
—Maar gij wist immers niets van deze nuggets?
—Wilden naar.… naar.…
Hij hield even op, het viel hem zwaar te antwoorden. Ik raadde evenwel wat hij wilde zeggen en vroeg: [295]
—Hadt gij vernomen dat deze Apachen naar het Oosten wilden gaan en hebt gij daaruit afgeleid, dat zij goud bij zich hadden?
Hij knikte.
—Gij naamt u dus voor hen te overvallen, daar gij echter wel wist dat wij voorzichtig zouden zijn en u in ’t oog zouden houden, reedt gij eerst een eind weg en keerdet later om, toen gij meendet dat wij ons niet meer ongerust over u zouden maken?
Hij knikte wederom.
—Toen zijt gij omgekeerd en ons nagereden. Hadt gij ons den vorigen avond beluisterd?
—Ja.… Santer.
Dus Santer zelf was het geweest!—Heeft hij u verteld, wat hij bij ons had gehoord?
—Apachen.… Nuggets.… hill.… nuggets halen.… vroeg …
—Juist zooals ik had vermoed. Toen hebt gij u in het bosch verscholen en ons van daar gadegeslagen? Gij wildet de plaats weten van waar de Apachen het goud haalden?
Hij had de oogen gesloten en antwoordde niet.
—Of wildet ge hem alleen bij hun terugkomst overvallen om.…
Nu evenwel viel Winnetou mij in de rede.
—Mijn broeder behoeft niet verder te vragen, want dit bleekgezicht zal niet meer antwoorden, hij is dood. Deze blanke honden wilden ons geheim leeren kennen, maar het is hun niet gelukt. Wij waren reeds op den terugweg, toen zij ons ontmoetten. Zij verscholen zich in het kreupelhout en schoten van daar op ons. Intschu Tschuna en mijn zuster vielen getroffen neer, een andere kogel raakte alleen mijn mouw. Ik schoot op een der kerels, die evenwel juist achter een boom kroop, daarom trof ik hem niet, maar mijn tweede kogel deed den andere vallen. Daarop zocht ik een schuilplaats achter deze steenen, maar ik zou mijn leven niet hebben kunnen redden, wanneer Old-Shatterhand niet op het juiste oogenblik was gekomen. Twee der roovers bedreigden mij van dezen kant en een derde sloop om mij heen om mij in den rug aan te vallen, zijn kogel had mij moeten treffen. Toen evenwel hoorde ik de kogels van Old-Shatterhand’s berendooder en ik was gered. Nu weet mijn broeder alles en zal ik hem vertellen, hoe hij het aan moet leggen, Santer te vangen.
—Moet ik die taak op mij nemen?
—Ja, Old-Shatterhand moet het doen, hij zal het spoor van den vluchteling zeker vinden.
—Misschien wel, maar er zal daarmee veel tijd verloren gaan.
—Neen, mijn broeder behoeft niet lang te zoeken, want het [296]spoor zal zeker leiden naar zijn paarden, zonder welke hij niet veel kan beginnen. Daar, waar hij met zijn lieden den nacht heeft doorgebracht, is gras en Old-Shatterhand kan dus gemakkelijk zien, in welke richting hij is gegaan.
—En dan?
—Dan neemt mijn broeder tien krijgers mee, om hem te achtervolgen en gevangen te nemen. De andere twintig krijgers zendt hij hierheen opdat zij met mij den doodszang kunnen aanheffen.
—Het zal geschieden en ik hoop, dat ik het vertrouwen dat mijn broeder in mij stelt, niet zal beschamen.
—Ik weet dat Old-Shatterhand zal handelen, zooals ik zelf zou hebben gehandeld! Howgh!
Hij stak mij de hand toe, ik drukte dien hartelijk, boog mij nog eenmaal over de dooden en ging heen. Aan den rand van het bosch keerde ik mij nog eenmaal om. Winnetou bedekte juist de hoofden der gestorvenen en begon op somberen klagenden toon den bij den roodhuiden gebruikelijken lijkzang aan te heffen. Mijn hart was vol, overvol. Maar ik moest handelen en snelde dus terug op den weg, dien ik daar straks gekomen was.
Ik was van plan te doen, wat Winnetou mij gezegd had. Toen ik evenwel den reeds vroeger genoemden kant van den berg had bereikt, dacht ik een oogenblik na.
Santer zou voor alles trachten, zoo spoedig mogelijk uit onze nabijheid te komen, dat deed hij niet, wanneer hij eerst naar zijn legerplaats liep. Dit zou hij enkel doen om een paard machtig te worden. Maar als hij nu eens het dier had gevonden, waarop ik gereden had. Hij moest ook dezen weg langs zijn gekomen en dan had hij stellig het paard gezien.
Deze gedachte liet mij niet los. Ik snelde den berg af, vol spanning of ik het paard nog zou aantreffen. Welk een teleurstelling toen ik op de bedoelde plek kwam en zag, dat het verdwenen was. Ik stond slechts een oogenblik stil en vloog meer dan ik liep, door de kloof. Hier kon ik mij nog haasten, want door het steengruis kon ik toch het spoor niet vinden. Toen ik echter het dal had bereikt moest ik langzamer loopen om het spoor te vinden, maar hoe ik ook mijn oogen inspande, ik vond niets. Santer was hier niet geweest. Hij moest verder op een plaats, waar de bodem rotsachtiger was, de kloof hebben verlaten. Daar stond ik nu! Wat te doen? Zou ik terugkeeren om die plaats te zoeken? Er konden uren voorbijgaan, voor ik deze vond en dezen tijd kon ik niet verloren laten gaan. Beter was het in elk geval naar onze legerplaats terug te keeren en van daar hulp te halen. [297]
Ik deed dit. Het was een vermoeiende loop, maar ik volbracht hem, omdat ik van Winnetou had geleerd, hoe men het moest aanleggen om op adem te blijven en zich niet te vermoeien.
Toen ik mijn doel naderde, liep ik eerst naar de legerplaats van Santer. De drie paarden stonden nog in het kreupelhout. Ik maakte ze los, ging op een er van zitten en nam de beide andere aan de teugels mee. ’t Was reeds laat in den namiddag toen ik eindelijk bij de mijnen aankwam en Sam riep mij reeds uit de verte toe:
—Waar blijft ge dan toch, sir. Gij hebt het eten verzuimd en ik.…—hij hield op, zag verbaasd naar de paarden en ging voort:—voor den drommel, gij zijt te voet weggegaan en komt te paard terug. Gij zijt toch geen paardendief geworden?
—Dat niet, ik heb deze dieren buitgemaakt.
—Waar?
—Niet ver hier vandaan.
—En van wien?
—Bezie ze maar eens goed. Ik herkende ze dadelijk en gij hebt immers even goede oogen!
—Ja, die heb ik. Ik zag dadelijk aan wie zij behoorden, het zijn immers de paarden van Santer en zijn kameraden, maar er ontbreekt er één.
—Dat zullen wij zoeken en ook dengeen, die er opzit.
—Maar hoe komt.…
—Stil, beste Sam!—viel ik hem in de rede.—Er is iets bijzonders, iets zeer treurigs gebeurd. Wij moeten onmiddellijk van hier.
—Van hier? Waarom?
In plaats van hem te antwoorden, riep ik de Apachen, van welke zich eenigen hadden verwijderd bijeen en deelde hun de treurige tijding mee. Toen ik geëindigd had, heerschte rondom een diepe stilte. Men kon niet gelooven, wat ik zeide, mijn boodschap was te verschrikkelijk. Daarom vertelde ik uitvoeriger, wat er was gebeurd en voegde er bij:
—Nu mogen mijn roode broeders zelf zeggen, wie de toekomst beter heeft voorspeld. Sam Hawkins of uw medicijnman. Intschu Tschuna en Nscho-Tschi hebben den dood gevonden omdat zij zich van mij hebben verwijderd en Winnetou is door mij gered geworden. Brengt mijn tegenwoordigheid dus dood of leven?
Zij waren volkomen overtuigd en nu verhief zich een gehuil, dat mijlen ver te hooren was. De roodhuiden renden als razenden rond, zwaaiden met hun wapenen en trokken om uiting te geven aan hun woede, allerlei vreeselijke gezichten. Eerst na geruimen tijd was het mij mogelijk hun geschreeuw te overstemmen. [298]
—De krijgers der Apachen moeten zwijgen,—gebood ik.—Dit gehuil dient tot niets. Wij moeten weg om den moordenaar te zoeken.
—Weg, weg, weg!—schreeuwden allen, terwijl zij naar hun paarden snelden.
—Weest toch kalm!—beval ik nogmaals.—Mijn broeders weten niet eens, wat zij moeten doen, ik zal het hun zeggen.
Allen drongen om mij heen, ik kon mij bijna niet bewegen. Was Santer op dit oogenblik hier geweest, zij zouden hem in stukken hebben gescheurd. Hawkins, Stone en Parker stonden sprakeloos bij elkaar. Dit bericht had een diepen indruk op hen gemaakt.
Langzaam kwamen zij op mij toe.
—Ik ben als door den bliksem getroffen,—zeide Sam en kan het nog maar niet begrijpen. Verschrikkelijk! Die lieve, schoone, beste, jonge roode miss! Zij was altijd zoo vriendelijk voor ons en nu zoo in eens dood! Weet gij sir, het is, alsof.…
—Vertel mij dat later maar eens, beste Sam!—viel ik hem in de rede—wij moeten nu geen tijd verliezen en den moordenaar zien te krijgen. Praten helpt niet veel!
—Dat stem ik u toe. Maar weet gij dan, waar hij is?
—Neen, nu nog niet.
—Dat dacht ik. Hebt gij geen spoor gevonden? Zullen wij het zoeken? Het zal moeielijk te vinden zijn.
—Neen, juist niet, integendeel zeer gemakkelijk.
—Denkt gij dat? Hm! Moeten wij naar de kloof en zien hoe hij daaruit is gekomen?
—In de kloof behoeven wij niet te zoeken.
—Niet? Dan ben ik nieuwsgierig te weten, waar wij dan heen moeten. Ja, menigmaal heeft een greenhorn een gedachte, die.…
—Zwijg met uw greenhorn! Ik heb geen zin om dat woord te hooren, houdt uw grappen maar voor u!
—Grappen? Wie denkt, dat ik de zaak niet ernstig opneem, kan een schop tegen zijn beenen krijgen, dat hij van hier naar Californië vliegt. Ik kan mij niet begrijpen, hoe gij het spoor van Santer wilt vinden, zonder te zien, waar dit verloren is gegaan!
—Dan zouden wij lang kunnen zoeken en daarom wil ik het anders aanleggen. Als ik die bergen daar voor ons zoo aanzie, komt het mij voor, dat zij niet met andere samenhangen, maar meer op zich zelf staan.…
—Dat is ook zoo, ik ken deze streek tamelijk goed. Hier hebben wij een vlakte en daarginds weer een. Deze bergen behooren niet tot een aaneengeschakelde groep, maar staan op zichzelf in de open prairie. [299]
—Prairie? Er is dus gras?
—Ja zeker, evenals hier.
—Dat is gelukkig. Santer kan tusschen deze bergen doorrijden, zooals hij wil, dat gaat ons niet aan, maar zoodra hij ze verlaat komt hij op de open prairie en moet in het gras een spoor achterlaten.
—Dat spreekt vanzelf, sir!
—Luister verder. Wij verdeelen ons in twee troepen en rijden om den berg heen, wij vier blanken van rechts en de tien Apachen, die Winnetou mij heeft toegewezen, van links. Wij ontmoeten elkander aan den anderen kant weer en hooren dan of een van ons het spoor heeft kunnen vinden. Ik ben overtuigd, dat dit het geval zal zijn.
Mijn kleine Sam zag mij van ter zijde aan, zette een zeer verbaasd gezicht en riep:
—Wie had dat nu gedacht! Hoe is het mogelijk, dat ik zelf niet op dit denkbeeld ben gekomen. ’t Is immers ’t eenvoudigste en beste wat we kunnen doen, als ik mij niet vergis!
—Gij keurt dit plan dus goed, Sam?
—Zeker, zeker, sir. Zoek nu maar gauw tien Apachen uit.
—Ik zal zien, welke van hen ’t best bereden zijn en die neem ik mee, wie weet, hoelang wij dien kerel moeten nazitten. Daarom moeten wij ook voldoende proviand medenemen. Als gij deze streek tamelijk goed kent, kunt gij ons wel vertellen, hoelang het duurt voor men van hier uit, den anderen kant van den berg bereikt.
—Al haasten wij ons ook nog zoo, wij zullen toch altijd twee uur moeten rijden.
—Laat ons dan geen tijd verliezen.
Ik koos toen tien Apachen die blij waren mee te mogen gaan, want den moordenaar nazetten was aangenamer werk dan klaagliederen te zingen bij de lijken der gevallenen. Den overigen Apachen wees ik den weg naar Winnetou en zij reden dadelijk daarheen.
Even daarna braken ook wij op. De Apachen reden volgens afspraak linksom, wij blanken gingen evenwel eerst nog even naar de legerplaats van Santer en ik zocht de plaats op waar de hoef van het paard, dat ik had bereden, diep in den bodem was gedrongen. Van dezen indruk nam ik nauwkeurig de maat. Sam Hawkins schudde het hoofd en vroeg lachend:
—Behoort het ook al tot het vak van opzichter, paardepooten op te meten?
—Neen, maar elke prairiejager moest het kennen.
—Waarom?
—Omdat het hem in voorkomende gevallen van groot nut kan zijn.
—Hoe dan? [300]
—Wel, dit zult gij zien. Als ik nu een paardenspoor vind, vergelijk ik dit met deze teekening.
—Hm, juist niet zoo kwaad bedacht! Hebt gij dat ook uit de boeken geleerd?
—Neen.
—Van wie hebt gij het dan?
—Ik ben zelf op die gedachte gekomen.
—Zoozoo, zijt ge zoo knap, dat had ik waarlijk niet gedacht!
—Neen, Sam, ’t valt wel eens wat mee!
—Maar waarom hebt ge de tien Apachen dan ook niet zulk een teekening meegegeven?
—Ik achtte dit overbodig,—antwoordde ik.
—Overbodig.… waarom?
—Omdat zij niet in staat zouden zijn, zulk een teekening met een paardepoot te vergelijken. Bovendien ik ben bijna zeker, dat zij Santer’s spoor niet zullen vinden.
—En ik beweer het tegendeel. Niet wij, maar zij zullen het vinden, want ’t spreekt vanzelf, dat Santer westwaarts is gereden.
—Daarvan ben ik niet zoo zeker.
—Niet? Hij kwam toch van het westen en zal ook weer dien kant teruggaan.
—Dat denk ik niet. Hij is een slimme kerel, dat heb ik wel bespeurd en hij zal wel begrijpen, dat wij hem in het westen zullen zoeken. Daarom zal hij wel in oostelijke richting zijn gegaan.
—Het kan zijn dat ge gelijk hebt.
Wij gaven onze paarden de sporen en galoppeerden over de prairie, steeds zorgend, dat wij de bewuste bergen links van ons hielden. Natuurlijk trachtten wij het zoo in te richten, dat wij steeds op den begroeiden bodem bleven, waar Santer, indien hij hier was geweest een duidelijk spoor moest hebben achtergelaten. Onze oogen waren voortdurend op den grond gericht, want hoe sneller wij reden, hoe nauwkeuriger wij moesten opletten, daar het spoor ons anders licht kon ontgaan.
Zoo verliep anderhalf uur en wij hadden onzen halven cirkel om den berg bijna volbracht, toen wij een donkere streep bemerkten, welke dwars door het gras liep. Het was het spoor van een enkelen ruiter en zeer waarschijnlijk, dat, wat wij zochten. Wij stegen af en ik zocht tot ik een zeer duidelijken indruk vond. Nu vergeleek ik dezen bij de teekening en het bleek, dat de afmetingen volkomen dezelfde waren. Er was dus geen twijfel mogelijk, wij waren Santer op het spoor.
—Zulk een teekening is toch werkelijk practisch,—meende Sam,—ik zal dat onthouden. [301]
—Ja, onthoud dat,—voegde Parker er bij,—en onthoud dan bovendien nog wat.
—Wat dan?
—Dat het nu zoover gekomen is, dat de leermeester, die gij altijd zijt geweest, van zijn leerling kan leeren.
—Wilt gij mij het land opjagen, oude Will? Dat zal u niet gelukken, hihihihihi!—lachte Sam.—Het is immers een eer voor den leermeester, dat hij den leerling zoo ver heeft gebracht, dat deze nog verstandiger en wijzer is, dan hij. Van u heb ik niet zooveel plezier beleefd. Hoeveel jaren ben ik niet bezig geweest, om van u een goeden prairiejager te vormen en al mijn moeite is tevergeefs geweest. Gij zult in uw oude dagen niets kunnen verleeren, omdat gij in uw jonge jaren niets hebt geleerd.
—Ik weet het wel, gij zoudt mij nu wel graag greenhorn willen noemen, omdat gij zonder dit woord niet kunt leven en gij Old-Shatterhand daarmee niet meer moogt betitelen.
—Gij zijt ook een greenhorn, maar een oude, als ik mij niet vergis.
Ondanks dit twistgesprek waren wij het toch hierover eens, dat Santer’s spoor niet veel meer dan twee uur oud kon zijn. Gaarne zouden wij hem dadelijk zijn achtervolgd, maar wij moesten wel op de tien Apachen wachten. Het duurde helaas drie kwartier voor zij kwamen. Ik zond een van hen naar Winnetou, om dien te laten weten dat wij het spoor gevonden hadden, toen reden wij in oostelijke richting verder.
Het was diep in den herfst en wij hadden nauwelijks twee uur meer den tijd, voordat de zon zou zijn ondergegaan, wij moesten ons dus haasten, want viel de duisternis in, dan zouden wij tot den morgen moeten wachten, daar we het spoor niet zouden kunnen onderscheiden.
Daarentegen was het bijna zeker, dat Santer den geheelen nacht door zou rijden. Wij hadden dus morgen een vermoeienden rit voor ons, welke nog des te vermoeiender zou worden, omdat wij steeds op het spoor moesten letten. Gelukkig moest Santer, indien hij den nacht doorreed, zijn paard den volgenden dag rust gunnen en zoo kon het mogelijk zijn, dat wij hem toch nog inhaalden.
De door Winnetou en zijn vader met den naam van Nuggetsbergen betitelde hoogten, lagen achter ons en wij hadden nu voor ons de open vlakte, welke met gras was bedekt. Santer’s spoor was duidelijk zichtbaar. Toen het donker begon te worden, stegen wij af en volgden het spoor, dat wij loopend beter in het oog konden houden dan rijdend, zoolang tot het niet meer te herkennen was. Nu maakten wij halt, gelukkig op een plaats, waar veel gras was, [302]zoodat onze paarden iets te eten konden krijgen. Daarna wikkelden wij ons in onze dekens en gingen liggen om te slapen.
De nacht was zeer koel en ik bemerkte dat mijn kameraden dikwijls wakker werden van de kou. Ik zou bovendien toch niet hebben kunnen slapen. De gewelddadige dood van Intschu Tschuna en zijn dochter had een te diepen indruk op mij gemaakt en wanneer ik de oogen sloot, zag ik hen weer op de noodlottige plaats liggen en hoorde ik Nscho-Tschi’s laatste woorden. Ik verweet mijzelf dat ik niet vriendelijker voor haar was geweest en mij in het gesprek met haar vader, niet anders over haar had uitgelaten. Ik had een gevoel of ik daardoor haar dood op mijn geweten had.
Tegen den morgen werd het nog kouder en ik stond op om mij door heen en weer loopen een weinig te verwarmen. Sam Hawkins bemerkte dit en vroeg:
—Zijt gij koud sir? Gij hadt een warme kruik mee moeten nemen naar de Far-West. Greenhorns hebben gewoonlijk dergelijke dingen bij zich. Neen, dan ben ik maar blij met mijn ouden rok, die laat geen kou door. Zal ik hem u leenen, hihihihi!
Tengevolge van deze onaangename koude, waren allen reeds vroeg in den morgen gereed en zoodra het licht genoeg was, om het spoor te zien stegen wij op en zetten wij onzen tocht voort. Onze paarden waren volkomen uitgerust en hadden het zeker des nachts ook koud gehad, althans zij draafden lustig voort, zonder dat wij ze behoefden aan te sporen.
Nog steeds waren wij in de prairie, die nu evenwel eenigszins begon te golven; op de hoogste punten was het gras dor en hard, op de lagere gedeelten groen en zacht. Hier er daar waren zelfs enkele waterplassen, waar wij onze paarden konden laten drinken.
Terwijl het spoor tot nu toe steeds in oostelijke richting had geleid, ging het later op den dag meer naar het zuiden. Toen Hawkins dit zag, zette hij een zeer bedenkelijk gezicht en op mijn vraag wat dat beteekende, antwoordde hij:
—Als het waar is wat ik vermoed, zal al onze moeite tevergeefsch zijn geweest.
—En wat vermoedt ge dan?
—De kerel is slim. Hij schijnt naar de Kiowa’s te willen gaan.
—Dat geloof ik zoo dadelijk niet.
—Waarom niet? Zou hij misschien midden in de prairiën blijven staan, om zich door u gevangen te laten nemen? Wat denkt ge wel? Hij zal toch wel zijn best doen om zich te redden? Hij heeft zijn oogen open gehad en wel gezien dat onze paarden beter waren, dan het zijne. Daarom vreest hij dat wij hem zullen achterhalen en is [303]hij op de gedachte gekomen, bescherming te zoeken bij de Kiowa’s.
—En zullen die hem vriendelijk ontvangen?
—Daaraan behoeft ge geen oogenblik te twijfelen. Hij behoeft alleen maar te vertellen dat hij Intschu Tschuna en Nscho-Tschi heeft doodgeschoten en zij zullen hem hartelijk welkom heeten. Wij moeten toch zien, dat wij hem voor vanavond nog inhalen!
—Hoe oud denkt ge, dat dit spoor is?
—Dat is mij tamelijk onverschillig. Hij heeft den nacht doorgereden en wij moeten de plaats zien te vinden, waar hij gelegerd heeft. Dan kunnen wij zien, hoe oud zijn nieuw spoor is. Hoe langer hij uitgerust heeft, hoe eerder wij hem zullen inhalen.
Tegen den middag vonden wij, wat wij zochten. Men zag dat het paard was gaan liggen, het was dus zeer moe geweest, wat wij ook reeds aan de sporen hadden gezien. Waarschijnlijk was zijn berijder niet minder uitgeput, want het nieuwe spoor was niet ouder dan twee uur; hij had dus blijkbaar langer geslapen, dan hij gewild had. De voorsprong, dien hij op ons had gekregen, doordat hij den nacht was doorgereden was dus ingehaald, ja, wij waren op dit oogenblik zeker een half uur dichter bij hem, dan bij ’t begin van den tocht.
Zijn spoor leidde steeds meer naar het zuiden. Hij scheen het gebied van de Canadianrivier te hebben willen verlaten en meer den kant van de Red River op te willen gaan. Wij lieten onze paarden slechts nu en dan even uitblazen, want wij wilden zoo mogelijk, den schelm nog voor den avond inhalen.
Tegen den namiddag bereikten wij wederom grasvelden, zoo nu en dan met kreupelhout bedekt. Naar het spoor te oordeelen, kon Santer ons nog slechts een half uur vooruit zijn. Voor ons was de horizont donker.
—Daar is bosch,—meende Sam, ik vermoed, dat wij aan een zijrivier zullen komen; jammer ’t was beter voor ons geweest, dat wij de prairie hadden kunnen houden.
Hij had gelijk, want op de prairie zag men alles vóór zich, terwijl men in het bosch, licht in een hinderlaag kon vallen. Bovendien, bij de snelheid waarmede wij reden, was het onmogelijk, het terrein voldoende te onderzoeken.