Werkelijk stuitten wij op een kleine, zeer ondiepe rivier, welke hier en daar bijna geheel droog lag. Aan de oevers stonden kreupelhout en boomen, maar deze vormden eigenlijk geen bosch, doch slechts grootere en kleinere, op zichzelf staande boomgroepen.

Kort voordat de duisternis begon te vallen, waren wij den vluchteling zoo dicht op de hielen, dat wij hem elk oogenblik voor ons konden zien. Ik reed alleen vooruit, omdat mijn schimmel zich zoo uitstekend [304]had gehouden en nog volstrekt niet moe was. Ook volgde ik onwillekeurig een innerlijken drang, welke mij er toe aanspoorde zelf den moordenaar te vangen.

Wij reden wederom door een van de zooeven genoemde boomgroepen welke aan den linkeroever van het riviertje lagen. Toen ik aan de laatste boomen was gekomen, zag ik, dat het spoor naar rechts afweek en naar beneden in het droge rivierbed voerde. Ik hield een oogenblik stil om dit aan de mij volgende kameraden mee te deelen en dit was ons geluk, want toen ik eenige oogenblikken op hen wachtend, de bedding overzag, deed ik een ontdekking, welke mij dwong, mij zoo spoedig mogelijk terug te trekken en mij te verbergen. Wanneer men van dit boschje uit, slechts vijfhonderd pas deed, kwam men wederom aan een boschje, dat echter op den rechteroever gelegen was. Hier waren Indianen bezig hun paarden te verzorgen. Ik zag palen in den grond, waartusschen vleesch aan riemen te drogen hing. Was ik een paar pas verder gegaan, dan zouden de roodhuiden mij hebben moeten zien. Nu steeg ik van mijn paard en maakte mijn kameraden opmerkzaam op het voor ons liggende tooneel.

—Kiowa’s!—zeide een der Apachen.

—Ja, Kiowa’s—stemde Sam toe,—de duivel moet dezen Santer wel zeer liefhebben, dat hij hem nog op het laatste oogenblik deze hulp zendt. Ik meende reeds dat wij hem hadden, maar geduld, hij zal ons toch niet ontkomen.

—Het is geen groote afdeeling Kiowa’s—merkte Dick op.

—Hm! Wij zien alleen maar degenen, die zich aan dezen kant van de boomen bevinden, aan den anderen kant zullen er wel meer zijn. Zij zijn blijkbaar op jacht geweest en drogen hier hun vleesch.

—Wat zullen wij doen, Sam? Omkeeren en ons zoo gauw mogelijk uit de voeten maken?

—Ik denk er niet aan, wij blijven hier.

—Maar dat is toch gevaarlijk!

—Wel neen!

—Hoe licht kan hier een roodhuid komen.

—Daar behoeft gij niet bang voor te zijn. Ten eerste bevinden zij zich aan den anderen oever en ten tweede is het spoedig donker en dan verwijderen zij zich niet meer van de legerplaats.

—Maar hoe voorzichtiger, hoe beter.

—Kom, alleen een greenhorn heeft angst. Ik zeg u, dat wij voor deze Kiowa’s even veilig zijn, alsof wij ons in New-York bevonden. Zij denken er niet aan te komen, maar ik zal naar hem toe gaan. Ik moet dezen Santer hebben, al zou ik hem tusschen duizend Kiowa’s weghalen. [305]

—Gij zijt vandaag onvoorzichtig Sam!

—Wat, onvoorzichtig? Sam Hawkins onvoorzichtig? Daar moet ik om lachen, hihihihi! Dat heeft me nog nooit een mensch gezegd! Sir, gij zijt anders nooit bang en gaat zelfs den Grizzlybeer met het mes te lijf, vanwaar nu die angst?

—Het is geen angst, maar voorzichtigheid, wij zijn te dicht bij den vijand!

—Te dicht? Belachelijk! Wij zullen nog dichter bij hem komen. Wacht maar tot het donker is.

Hij was vandaag anders dan gewoonlijk. De dood van de schoone, lieve, roode miss had hem zoo woedend gemaakt, dat hij naar wraak dorstte. De Apachen waren het met hem eens, ook Stone en Parker gaven hem gelijk, ik kon dus niets daartegen doen. Wij bonden onze paarden vast en gingen zitten, om het invallen van de duisternis af te wachten.

Ik moet bekennen, dat de Kiowa’s zich zoo vrij bewogen, alsof zij zich volkomen veilig gevoelden. Zij reden of liepen op de open vlakte rond en deden, alsof zij in hun goed bewaakt Indiaansch dorp waren.

—Ziet ge wel, hoe veilig zij zich wanen?—zeide Sam.—Zij denken aan geen verraad.

—Als gij u maar niet vergist!

—Sam Hawkins vergist zich nooit!

—Ik zou u het tegendeel wel kunnen bewijzen. Ik heb een voorgevoel, dat zij zich zoo maar voordoen!

—Voorgevoel, oude wijven hebben voorgevoelens en anders niemand, onthoud dat. Wat doel zouden zij er mee beoogen, om zich anders voor te doen?

—Ons te lokken!

—Dat is niet noodig, wij zouden ook zonder lokken wel komen.

—Gij houdt het toch voor uitgemaakt, dat Santer bij hen is?

—Natuurlijk. Toen hij op deze plaats kwam, heeft hij hen gezien en is door de droge bedding naar hen toegegaan.

—En denkt gij, dat hij hun verteld heeft, wat er gebeurd is en waarom hij bescherming bij hen zoekt?

—Welk een vraag! Het spreekt vanzelf, dat hij hun dit gezegd heeft.

—Dan heeft hij hun ook meegedeeld, dat zijn vervolgers hem op de hielen zaten.

—Dat is mogelijk.

—Dan verwondert het mij toch, dat zij in het geheel geen voorzorgsmaatregelen hebben genomen.

—Daar behoeft gij u niet over te verwonderen. Zij houden het eenvoudig [306]voor onmogelijk, dat wij hem nu reeds zouden hebben ingehaald en zij verwachten ons eerst morgen. Zoodra het donker genoeg is, zal ik naar hen toesluipen en alles eens goed opnemen. Daarna zullen wij zien wat ons verder te doen staat. Ik moet dezen Santer hebben.

—Goed, dan ga ik met u mee!

—Dat is niet noodig!

—Ik houd het voor zeer noodzakelijk.

—Als Sam Hawkins op verkenning gaat, heeft hij geen hulp noodig, ik neem u niet mee. Ik ken u en uw onpractische menschlievendheid. Waarschijnlijk zult gij uw best doen, om deze moordenaar het leven te sparen!

—Neen Sam, ik denk er in de verste verte niet aan!

—Dat zegt ge nu maar.

—Ik meen, wat ik zeg. Ook ik wil dezen Santer hebben, ik wil hem levend vangen om hem aan Winnetou over te leveren. En zoodra ik zie dat dit onmogelijk is en ik hem levend niet kan krijgen, jaag ik hem een kogel door den kop, daar kunt ge op aan!

—Dat is het juist, een kogel door den kop, gij wilt niet dat hij gemarteld wordt. Ook ik ben een vijand van dergelijke dingen, maar dezen schurk gun ik zulk een pijnlijken dood van ganscher harte. Wij zullen hem zien te krijgen en brengen hem dan naar Winnetou. Als wij nu eerst maar weten, hoeveel Kiowa’s er zijn, want ik acht het een uitgemaakte zaak, dat er meer zijn dan wij hier zien.

Ik vond het beter te zwijgen, want zijn woorden maakten de Apachen wantrouwend. Zij wisten dat ik moeite had gedaan, om Rattler zooveel mogelijk te sparen en dachten dat ik dit thans ook weer Santer zou doen. Ik deed dus, alsof ik mij naar Sam’s wil voegde en ging naast mijn paard op den grond liggen.

De zon was reeds lang aan den horizon verdwenen, de avond begon te vallen. Aan den overkant bij de Kiowa’s werden verscheidene vuren aangestoken, waarvan de vlammen hoog opflikkerden. Voorzichtige roodhuiden doen dit niet en dit feit bevestigde mij in mijn meening dat het er hun om te doen was, ons hierheen te lokken. Wij moesten denken dat zij niets vermoedden van onze komst en daarom op de gedachte zouden komen hen te overvallen. Deden wij dit dan liepen wij den vijand in den geopenden muil.

Terwijl ik hierover lag na te denken was het, alsof ik eenig gedruisch hoorde, dat niet door een van de onzen kon zijn veroorzaakt, het was achter mij. Ik luisterde. Het gedruisch herhaalde zich, ik hoorde het nu duidelijk en wist ook wat het was. Het was een zacht [307]bewegen van taaie ranken, waaraan dorre bladeren hingen, ongeveer hetzelfde geluid alsof men eenige stroohalmen uit een bundel trekt. Het was niet de beweging van een gladden tak, maar zooals gezegd van een rank en deze moest stekels en doornen hebben. Ik begreep dadelijk waar ik de oorzaak van dit gedruisch moest zoeken. Achter mij namelijk stond, tusschen drie andere boomen in een braamstruik, van welken een der ranken bewogen werd. Deze beweging kon veroorzaakt worden door een klein dier, dat daar langs liep, maar onze positie noopte tot voorzichtigheid. Er kon ook een mensch in de buurt zijn en ik diende dit wel te onderzoeken. Ik heb gezegd, dat daarginds bij de Kiowa’s de vuren hoog opvlamden en bij den gloed kon ik alles wat zich tusschen deze vuren en mij bevond, duidelijk zien. Ik moest ongemerkt aan den anderen kant van den braamstruik trachten te komen, stond dus op en slenterde schijnbaar onverschillig heen, doch niet dadelijk in de richting welke ik eigenlijk wilde inslaan. Eerst toen ik ver genoeg was, keerde ik om en naderde het boschje van den anderen kant. Dichtbij gekomen ging ik liggen en kroop zacht, zeer zacht naar den braamstruik, welken ik weldra bereikte. Deze was nu recht voor mij en in dezelfde richting brandden de vuren. Daar, ja werkelijk, daar hoorde ik opnieuw hetzelfde gedruisch en wel niet in, maar op zij van den struik. Ik sloop een eindje verder en zag nu dat mijn vermoeden juist was geweest.

Een Indiaan had zich tusschen de boomen verscholen en was nu op het punt zich te verwijderen. Dit moest noodzakelijk eenig gedruisch veroorzaken, maar hij deed alles zoo omzichtig, dat men enkel van minuut tot minuut een zacht geknetter hoorde dat ik alleen kon vernemen, omdat ik zoo in zijn onmiddellijke nabijheid lag. Reeds was zijn lichaam bijna geheel vrij en alleen de eene schouder en arm, de hals en het hoofd zaten nog in de struiken verward.

Ik kroop naar hem toe, zoodat ik achter zijn rug lag. Hij maakte den eenen schouder vrij, den hals en het hoofd en behoefde nu nog alleen maar den arm er uit te trekken. Nu ging ik op mijn knieën liggen, greep met de linkerhand naar zijn hals en gaf hem met de rechter twee of drie flinke slagen tegen de slapen. Hij viel oogenblikkelijk bewusteloos neer.

—Wat was dat?—vroeg Sam.—Hebt gij niets gehoord?

—Old-Shatterhands paard stampte,—antwoordde Dick.

—Hij is weggegaan. Waar zou hij zijn? Hij zal toch geen dwaasheden begaan?

—Dwaasheden? Hij? die heeft hij nog nooit begaan!

—Oho! Hij is in staat naar de Kiowa’s te gaan en alarm te maken, alleen om dezen Santer het leven te redden. [308]

—Neen, dat zal hij niet doen. Hij zal den moordenaar niet laten ontkomen. De dood der beide Apachen is hem zeer ter harte gegaan, dat hebt ge toch wel aan hem kunnen zien.

—Het kan zijn, maar ik neem hem niet mee, als ik zoo aanstonds de Kiowa’s ga besluipen, hij kan mij toch ook van geen nut zijn. Ik wil de kerels tellen en de plaats waar zij legeren in oogenschouw nemen, dan kunnen wij overleggen wat ons te doen staat. Hij doet zijn zaakjes goed, dat moet ik bekennen, maar bij zulk een vuurgloed onopgemerkt tot aan de legerplaats te komen dat is hem onmogelijk. De kerels weten misschien dat wij komen, zij zullen dus uiterst voorzichtig zijn en het is alleen een ervaren prairieman mogelijk hen onopgemerkt te naderen.

Nu stond ik op, liep snel naar hem en zeide:

—Gij vergist u, beste Sam. Gij meent dat ik weg ben en ik ben hier nog. Versta ik nu de kunst van besluipen, ja of neen?

—Voor den drommel!—antwoordde hij.—Zijt gij werkelijk hier! Men heeft u niet opgemerkt!

—Dat is een bewijs, dat u ontbreekt, wat gij beweert, dat mij ontbreekt. Er zijn bovendien nog meer menschen hier.

—Wie? Wie meent gij?

—Ga eens naar dien braamstruik en zie, wie daar ligt.

Hij stond op en de anderen volgden hem.

—Hallo!—riep hij,—daar ligt een kerel, een Indiaan, hoe komt die hier?

—Vraag dat aan hem zelf.

—Hij is immers dood!

—Neen, enkel bewusteloos!

—Hoe hebt gij dat gedaan? Hebt gij hem hierheen gesleept?

—Wel neen, hij zat tusschen deze struiken verscholen en ik zag hem. Toen hij wilde weggaan, gaf ik hem een flinken slag. Gij hebt dien slag wel gehoord, want gij hieldt hem voor het stampen van mijn paard.

—Ja, dat is waar! Hij was hier dus en heeft gehoord, wat wij zeiden. Wat zou het een onheil voor ons zijn geweest, wanneer het hem gelukt was, weg te komen! Goed, dat gij hem onschadelijk hebt gemaakt. Bindt en knevelt hem! Maar wat heeft hij hier eigenlijk willen doen? Hij moet toch vóór ons hier zijn geweest?

—Gij doet zulke domme vragen en noemt anderen greenhorns! Natuurlijk was hij hier reeds vóór ons. De Kiowa’s wisten dat wij zouden komen, zij namen aan, dat wij Santers spoor volgden en dus hierlangs kwamen. Zij waren op onze komst voorbereid en zetten hier een wachtpost uit, om hen in te lichten omtrent den juisten tijd dat wij kwamen. Maar omdat wij zoo snel reden, of omdat hij [309]niet goed oppaste of ook omdat hij juist tegelijk met ons hier aankwam, hebben wij hem verrast en heeft hij zich in deze braamstruiken moeten verschuilen.

—Hij had toch ook kunnen vluchten!

—Daarvoor had hij geen tijd, want wij hadden hem kunnen zien loopen en dus moeten begrijpen, dat de Kiowa’s ons verwachtten en door hem gewaarschuwd zouden worden. Het is ook mogelijk dat hij vooraf besloten was zich hier te verschuilen en ons te beluisteren.

—Gij hebt gelijk, in elk geval is het een groot geluk dat wij hem hebben ontdekt. Hij zal nu moeten opbiechten en alles bekennen.

—Hij zal wel oppassen, iets te zeggen. Ik ben overtuigd dat gij geen woord uit hem krijgt.

—Het kan zijn. Het is eigenlijk ook niet noodig dat wij er moeite voor doen. Wij weten nu wat wij te wachten hebben en wat ik niet weet, zal ik spoedig te weten komen, want ik ga nu naar den vijand toe.

—Om misschien nooit terug te komen.

—Waarom niet?

—Omdat de Kiowa’s u wel bij zich zullen houden. Gij hebt immers zelf gezegd, dat het bij dezen vuurgloed zeer moeielijk is naderbij te sluipen.

—Ja voor u, maar niet voor mij. Ik zeg u daarom: ik ga heen en gij blijft hier.

Hij zeide dit op zulk een gebiedenden toon, dat ik niet kon nalaten te zeggen:

—Ik herken u haast niet, Sam. Gij meent toch niet, dat gij mij bevelen hebt te geven?

—Natuurlijk meen ik dat.

—Nu dan moet ik u toch zeggen, dat gij u deerlijk vergist. Als opzichter sta ik boven u en gij zijt ons enkel meegegeven om de wacht te houden. Bovendien weet gij, dat ik met toestemming van den geheelen stam, door Intschu Tschuna tot opperhoofd benoemd ben. Van welken kant gij de zaak dus ook beziet, ik sta altijd boven u en ik heb hier te bevelen.

—Geen opperhoofd heeft mij iets te bevelen,—beweerde Sam,—en bovendien ben ik een oud prairiejager, terwijl gij maar een greenhorn en mijn leerling zijt, dat moet gij niet vergeten, als gij niet ondankbaar wilt zijn. Het is dus zooals ik heb gezegd: ik ga en gij blijft!

Hij ging werkelijk heen. De Apachen bromden en ook Stone zeide verdrietig:

—Hij is vandaag werkelijk anders dan gewoonlijk! U van ondankbaarheid te beschuldigen! Wij mogen u dankbaar zijn, want zonder u leefden wij nu niet meer! [310]

—Laat hem begaan!—antwoordde ik.—Hij is een eerlijke vent en juist dit optreden pleit voor hem. Hij is woedend over den dood van Intschu Tschuna en Nscho-Tschi. Maar ik gehoorzaam hem daarom niet, ik ga ook. In de opgewondenheid, waarin hij nu verkeert kan hij zich licht laten verleiden tot de een of andere ondoordachte daad. Blijft hier, tot ik terugkom en al hoort gij schoten, blijft toch op uw plaats. Alleen wanneer gij mijn stem verneemt, die wel tot hiertoe klinkt, komt gij mij te hulp.

Ik liet mijn berendooder liggen, evenals Sam zijn geweer had laten liggen en verwijderde mij. Ik had opgemerkt dat Sam Hawkins door de rivierbedding was gegaan, ik achtte het evenwel verstandiger een anderen weg te nemen. De Kiowa’s wisten, dat wij stroomopwaarts van hen te vinden waren en zouden dus steeds in die richting uitzien, ik wilde dus van den anderen kant naderbij komen. Daarom ging ik langs den oever stroomafwaarts, maar zorgde zoo ver af te blijven dat de gloed van het vuur mij niet kon beschijnen. Nu had ik het boschje bereikt. Hier waren geen vuren aangemaakt en het was er zoo donker, dat ik ongemerkt in de rivierbedding kon dalen en weer stroomopwaarts kon gaan. Weldra was ik bij de boomen waaronder de Indianen gelegerd waren, ging liggen en kroop verder. Er brandden acht vuren. Zoovele behoefden niet te worden gebrand, want er waren slechts ongeveer veertig Indianen, zij waren dus enkel aangemaakt om ons de plaats te wijzen waar de Kiowa’s gelegerd waren.

Deze zaten onder de boomen in groepen bijeen en hielden hun geweren gereed. Wee ons, wanneer wij zoo onvoorzichtig waren geweest in de ons gestelde val te loopen. Deze was trouwens zoo dom en ondoordacht opgesteld, dat alleen zeer onervaren menschen deze niet zouden hebben vermoed. De paarden der roodhuiden zag ik buiten op de prairie weiden.

Ik zou gaarne een der groepen hebben beluisterd, het liefst die bij welke zich de aanvoerder bevond, omdat ik dan zekerder was daar te hooren wat ik wilde weten. Maar waar moest ik den aanvoerder zoeken? In elk geval bij de groep waarbij Santer zat. Ik schoof dus van boom tot boom om dezen te ontdekken. Na eenig zoeken zag ik hem, hij zat bij vier Indianen die geen van allen het teeken der waardigheid van opperhoofd droegen, maar ik wist dat de oudste der vier aanvoerder moest zijn. Jammer genoeg kon ik niet zoo dicht bij komen als ik wel wilde, omdat ik dekking moest zoeken in het weinige kreupelhout, dat hier groeide. Eenige grootere boomen evenwel stonden zoo, dat hun schaduwen mij een weinig beschermden. Daar er acht vuren brandden, wierp iedere [311]boom meerdere schaduwen, welke heen en weer trilden en aan het boschje een spookachtig aanzien verleenden. Tot mijn vreugde spraken de roodhuiden niet zacht maar luid met elkaar, dit geschiedde met opzet, want het was er hen om te doen, dat wij hen niet alleen zouden zien, maar ook hooren. Ik bereikte de zooeven genoemde schaduwen en was nu nog ongeveer twaalf schreden van de groep, waarbij Santer zat, verwijderd. Het was een waagstuk, wat ik deed, want de andere roodhuiden hadden mij gemakkelijk kunnen zien.

Ik hoorde dat Santer het woord voerde. Hij vertelde van de Nuggetsbergen en noodigde de roodhuiden uit met hem daarheen te trekken en den schat weg te nemen.

—Weet mijn blanke broeder de plek, waar deze te vinden is?—vroeg de oudste der vier Indianen.

—Neen. Wij trachtten het te weten te komen, maar de Apachen waren reeds op den terugweg. Wij hadden gedacht dat zij langer op de plaats hadden willen blijven en wij ze hadden kunnen bespieden.

—Dan is al ons zoeken tevergeefs. Al trekken er ook tien duizend man heen, zij zullen er niets vinden. De roode mannen verstaan bij uitnemendheid de kunst, om zulke plaatsen onzichtbaar te maken. Maar daar mijn broeder onzen grootsten vijand en diens dochter heeft doodgeschoten, willen wij hem het genoegen doen later met hem daarheen te rijden, om hem te helpen zoeken. Eerst echter moeten wij uw vervolgers vangen en dan ook Winnetou dooden.

—Winnetou?—Die zal wel bij hen zijn!

—Neen, want hij mag niet van de zijde zijner dooden wijken en zal ook de grootste helft zijner krijgers bij zich houden. De kleinste helft vervolgt u en wordt aangevoerd door Old-Shatterhand, de blanke man, die onze hoofdman de knieën heeft verpletterd. Deze schaar moeten wij vandaag zien te krijgen.

—Daarna rijden wij naar de Nuggetsbergen om Winnetou te dooden en naar het goud te zoeken!

—Dat kan niet zoo gemakkelijk gebeuren. Winnetou moet zijn vader en zijn zuster begraven en mag niet gestoord worden, de Groote Geest zou ons dit nooit vergeven. Maar wanneer hij daarmee gedaan heeft, overvallen wij hem. Hij zal nu niet naar de steden der bleekgezichten gaan, maar terugkeeren. Wij lokken hem in een hinderlaag, zooals wij dat vandaag Old-Shatterhand doen, die er zeker bij is. Ik wacht nog alleen op mijn verkenner, die daarginds verscholen is. Ook de schildwachten hebben mij nog geen enkel teeken gegeven.

Ik schrok bij deze woorden. Er lagen dus wachtposten voor het [312]boschje. Als Sam Hawkins dezen eens niet zag en in hun handen viel! Nauwelijks was deze gedachte mij door het hoofd gevlogen of ik hoorde een geschreeuw van meerdere stemmen. De aanvoerder sprong op en luisterde. Ook alle andere Kiowa’s zwegen en luisterden.

Daar naderde een groep, die uit vier roodhuiden bestond, welke een blanken man meesleepten. Deze verzette zich, maar tevergeefs, hij was wel niet geboeid, maar vier messen waren steeds op hem gericht. Deze blanke was—mijn onvoorzichtige Sam! Mijn besluit was spoedig genomen, ik mocht hem niet in den steek laten, hoewel ik bij een poging om hem te bevrijden, mijn eigen leven in de waagschaal zette.

—Sam Hawkins!—riep Santer die hem herkende.—Good evening, sir! Gij zult wel niet hebben gedacht, mij weer te zien?

—Schurk, roover, moordenaar!—antwoordde de dappere kleine, terwijl hij hem bij de keel pakte.—Goed dat ik u heb, gij zult uw verdiende loon krijgen.

De aangevallene verweerde zich. De roodhuiden grepen Sam en sleurden hem mee. Er ontstond een heftig tumult, waarvan ik gebruik maakte om ongemerkt mijn revolver voor den dag te halen en midden tusschen de Indianen te springen.

—Old-Shatterhand!—riep Santer terwijl hij verschrikt achteruitweek.

Ik loste twee schoten op hem, die evenwel geen doel troffen en riep Sam toe.—Weg, mij na, blijf onmiddellijk achter mij!

Het was alsof de roodhuiden van schrik en ontsteltenis niet wisten, wat te doen, zij bleven stokstijf staan. Ik greep Sam bij den arm, trok hem mee door het boschje naar de rivierbedding. Dit alles ging zeer vlug in zijn werk.

—All devils! Dat was juist op tijd!—meende Sam, toen wij beneden in de bedding waren,—ik werd door die schurken.…

—Praat niet, maar volg mij!—viel ik hem in de rede, terwijl ik zijn arm losliet en mij naar rechts wendde, om zooveel mogelijk buiten bereik van de kogels der vijanden te komen.

Nu eerst kwamen de verblufte roodhuiden tot bezinning. Hun gehuil was zoo ontzettend dat ik Sam’s voetstappen niet meer kon hooren.

Waarom vluchtte ik niet stroomopwaarts naar den kant, waar zich onze legerplaats bevond, maar juist in tegenovergestelde richting? Ik had daarvoor mijn redenen. De roodhuiden konden ons niet dadelijk zien, daar het beneden in de rivierbedding donker was en liepen in elk geval stroomopwaarts in de veronderstelling, dat wij in deze richting zouden zijn gevlucht, wij waren dus hier tamelijk veilig en konden langs een omweg naar onze legerplaats terugsluipen.

Toen ik ver genoeg meende te zijn, bleef ik staan. Nog altijd hoorde [313]ik in de verte het gehuil der roodhuiden, maar hier was alles stil om mij heen.

—Sam!—riep ik bezorgd.

Geen antwoord.

—Sam, hoort gij mij?—riep ik luider.

Wederom geen antwoord. Waar was hij gebleven? Hij moest mij toch gevolgd zijn. Was hij misschien gevallen en had zich misschien bezeerd aan de rotsblokken, waarover wij op onzen vlucht hadden moeten klauteren? Ik nam mijn patronen uit den gordel, laadde de revolver opnieuw en keerde met langzame schreden terug om naar hem te zoeken.

Het helsche lawaai, dat de Kiowa’s maakten duurde nog altijd voort, maar toch waagde ik het nader te komen, totdat ik eindelijk weer op dezelfde plaats stond waar ik Sam had gevraagd mij te volgen. Ik vond hem niet. Hij had dus niet gedaan wat ik gezegd had en was dadelijk den anderen oever weer opgeklommen. Maar hier moest hem het schijnsel van het vuur beschenen hebben en hij stelde zich niet alleen voor aan de oogen, maar ook aan de kogels der Kiowa’s. Welk een onbedachtzaamheid van het kleine, vandaag zoo onhandelbare kereltje! Ik maakte mij zeer angstig over zijn lot, ging weer terug en liep toen ik mij geheel veilig voelde, in een boog naar de legerplaats.

Hier vond ik alles in de grootste opgewondenheid. Mijn roode en blanke metgezellen verdrongen zich om mij heen en Dick Stone zeide op verwijtenden toon:

—Sir, waarom hebt gij ons toch verboden u te volgen, zelfs wanneer er schoten vielen? Wij hebben met groote spanning gewacht, dat gij zoudt roepen. God zij dank, dat gij weer hier zit en wel ongekwetst, naar ik zie!

—Waar is Sam?—Niet hier?—vroeg ik.

—Hier? Hoe kunt gij dit vragen? Hebt gij dan niet gezien wat er met hem is gebeurd?

—Neen, wat dan?

—Toen ge weg waart, bleven wij hier wachten. Na eenigen tijd hoorden wij de roodhuiden roepen, daarop werd het weer stil. Opeens hoorden wij revolverschoten en een vreeselijk gehuil. Toen wederom geweerschoten en nu zagen wij Sam verschijnen.

—Waar?

—Ginds bij het boschje, aan dezen oever.

—Dat dacht ik al! Sam is vandaag onvoorzichtiger geweest dan ooit te voren. Verder, verder!

—Hij kwam naar ons toegeloopen, maar er was een bende Kiowa’s [314]achter hem, die hem inhaalden en vasthielden. Wij zagen dit duidelijk, daar de vuren helder brandden, maar voor wij de plaats konden bereiken, waren zij met hem door de rivierbedding getrokken en achter de boomen verdwenen. Wij hadden grooten lust hen te volgen, aan te vallen en Sam te bevrijden, maar wij dachten aan uw verbod en bleven hier.

—Daaraan hebt ge zeer verstandig gedaan, want gij, elf man, had niets kunnen doen en waart allen vermoord geworden.

—Maar wat moeten wij dan nu doen, sir? Sam is gevangen!

—Helaas ja en dat wel voor de tweede maal!

—Voor de tweede maal?.…—riepen allen verbaasd.

—Ja. Ik had hem reeds weer verlost, hij behoefde mij slechts te volgen om weer veilig hier te komen, maar hij heeft zijn eigen zin doorgedreven.

Ik vertelde hun wat er gebeurd was. Toen ik geëindigd had, zeide Will Parker:

—Dan hebt gij in het geheel geen schuld sir, gij hebt meer gedaan dan een ander zou hebben gewaagd. Sam heeft zichzelf leelijk in de val geholpen, maar wij mogen hem er daarom niet in laten zitten.

—Dat ben ik met u eens, maar dit zal ons nu voor de tweede maal zeer moeilijk vallen, want ge begrijpt, dat de Kiowa’s dubbel zullen oppassen.

—Dat is zeker; maar misschien gelukt het ons toch nog hem te redden.

—Hm, alles is mogelijk, maar twaalf man tegenover vijftig, die op een aanval voorbereid zijn! En toch is dit misschien de eenige manier, want bij dag is het nog minder te wagen.

—Wel, laat het ons dan nog dezen nacht probeeren!

—Langzaam, langzaam, eerst overleggen!

—Overleg het, sir, maar geef mij intusschen verlof, nog eens daarheen te sluipen en te zien hoe alles er voor staat.

—Dat moogt ge wel doen, maar later, als zij niet langer zoo nauwkeurig toezien. En dan gaat ge niet alleen, maar ik ga met u en waarschijnlijk nemen wij ook alle anderen mee.

—Goed, sir, goed, als we de anderen ook dadelijk meenemen, heeft het wel wat van een overval. Wij zullen onzen plicht doen. Zes tot acht Kiowa’s neem ik voor mijn rekening en Dick Stone zal zich wel niet met minder tevreden willen stellen, niet waar, vriend Dick?

—Gij hebt het geraden, vriend Will,—antwoordde de aangesprokene,—het komt er bij mij niet op een meer of minder aan, als het te doen is om Sam te bevrijden. Hij is anders zulk een slimme vogel, maar vandaag is hij leelijk uitgeweest. [315]

Ja zeker, hij had gelijk. Sam was vandaag leelijk uitgeweest. Ik dacht bij mij zelf na, wat de beste manier was, om hem te helpen. Mijn leven zou ik voor hem hebben willen wagen, maar had ik het recht, dat van de Apachen op het spel te zetten? Misschien kon men langs den weg van list ook tot het doel geraken, dat zou ik eerst kunnen beslissen, wanneer wij de geheele positie der Kiowa’s zouden verkend hebben. In elk geval leek het mij het beste toe de Apachen mee te nemen, het kon zijn dat een plotselinge aanval toch nog het meest practische was.

Wij moesten evenwel nog eenigen tijd wachten, want wij bemerkten dat het daarginds nog zeer levendig toeging. Weldra echter werd het stiller en de stilte werd slechts onderbroken door krachtige bijlslagen. De roodhuiden waren bezig hout te kappen en waren dus waarschijnlijk van plan de vuren tot aan den morgen aan te houden.

Eindelijk hielden ook de bijlslagen op. De sterren fonkelden aan den hemel, het moest bij middernacht zijn en ik hield het voor tijd aan het werk te gaan. Eerst zorgden wij er voor dat de paarden die wij moesten achterlaten, goed vastgebonden werden, toen zag ik nog eens naar de banden van den gevangen Kiowa. Hierop verlieten wij onze legerplaats en sloegen denzelfden weg in langs welken ik van te voren naar de rivierbedding was gegaan.

Toen wij op de hoogte van het boschje waren gekomen, beval ik den Apachen, onder aanvoering van Dick Stone, hier te blijven en elk gedruisch te vermijden. Ik zelf ging met Will Parker zachtjes verder. Toen wij den oever hadden bereikt, gingen wij plat op den grond liggen en luisterden. Er heerschte rondom diepe stilte. Nu kropen wij langzaam voorwaarts. De acht vuren brandden nog steeds even helder. Ik zag, dat er hoopen dorre takken opgegooid waren. Dit wekte mijn achterdocht op. Wij gingen vooruit en weer vooruit en zagen geen mensch. Eindelijk kwamen wij tot de overtuiging dat het boschje ledig was en er geen enkele Kiowa meer te zien was.

—Zij zijn weg, stilletjes weggegaan!—zeide Parker verbaasd,—en toch hebben zij de vuren zoo aangepord!

—Om hun terugtocht te verbergen. Zoolang de vuren brandden, moesten wij wel denken dat zij nog hier waren.

—Maar waar zijn ze dan? Voor goed weg?

—Dat vermoed ik, omdat Sam voor hen een goede buit is, welken zij in veiligheid willen brengen. Maar het is ook mogelijk, dat zij het een of ander helsch plan hebben verzonnen.

—En wat zou dat dan kunnen zijn?

—Dat zij ons daarginds willen overvallen, evenals wij het hen hier hadden willen doen! [316]

—Wel ja, dat is immers mogelijk! daar moeten wij toch een stokje voor steken, sir!

—Ja, wij moeten terug en onze paarden in veiligheid brengen, ook al blijkt het later onnoodig te zijn geweest.

Wij daalden den oever weer af, kwamen bij de Apachen terug en snelden nu naar onze legerplaats, waar wij evenwel alles in de beste orde vonden. De Kiowa’s konden evenwel ook later komen, daarom bestegen wij onze paarden en reden een flink eind de prairie in. Indien de Kiowa’s nu nog mochten komen, zouden zij ons niet meer vinden en in elk geval tot den ochtend moeten wachten om ons te zoeken. Den gevangene hadden zij natuurlijk niet laten liggen, maar meegenomen.

Nu bleef ons ook niets anders over, dan geduldig den volgenden morgen af te wachten. Wie slapen kon, sliep, wie dit niet kon bleef wakker. Zoo ging de nacht voorbij en toen de morgen begon aan te breken, stegen wij weer te paard en reden eerst weer naar onze legerplaats terug. Er was niemand geweest en onze bezorgdheid was dus onnoodig geweest, maar dit schaadde niet. Nu ging het over de rivier naar het boschje. De vuren waren uitgebrand en de aschhoopen alleen bewezen dat de Kiowa’s hier waren geweest.

Nu zochten wij de voetsporen op. Van de plaats waar ik de paarden had gezien, leidde het spoor der Kiowa’s in zuid-oostelijke richting. Het was duidelijk dat zij het plan om ons te overvallen hadden opgegeven.

En Sam? Dien hadden zij meegenomen, wat Dick Stone en Will Parker zeer aan het hart ging. Ook mij deed het leed, om het brave kereltje en ik was in staat alles te doen om hem te bevrijden.

—Als wij hem niet uit hun handen redden, zullen zij hem aan den folterpaal binden,—klaagde Dick Stone.

—Neen,—troostte ik hem.—Wij hebben immers ook een gevangene, een gijzelaar voor hen.

—Maar zullen zij dit weten?

—Zeker, Sam is wijs genoeg om hun dat te vertellen. Wat zij met hem doen, dat doen wij met onzen gevangene.

—Maar wij moeten deze Indianen na, wat er ook van kome.

—Neen.

—Wat? Wilt gij hem dan in den steek laten?

—Ook niet.

—Hoe rijmt ge dat nu samen?

—Wel, ik laat mij door die roode kerels niet voor gek de savanna rondvoeren.

—Wat bedoelt gij? Ik begrijp u niet! [317]

—Welnu zie dan dit spoor eens: hoe oud is dit?

—Zij zijn reeds voor middernacht weggereden, schijnt mij toe.

—Dat denk ik ook, dat is dus nu ongeveer tien uur geleden en zoudt gij denken dat wij desniettegenstaande zoo gemakkelijk dezen voorsprong vandaag kunnen inhalen?

—Neen.

—Of morgen?

—Evenmin.

—En waarheen denkt gij dat ze gereden zijn?

—Naar hun dorp.

—Dan zijn zij dáár, voor wij ze hebben ingehaald. Meent gij nu werkelijk dat het verstandig is, dat wij, twaalf personen, ons wagen in het groote gebied der Kiowa’s om een van hun dorpen te overvallen en een gevangene te bevrijden?

—Dat zou krankzinnigenwerk zijn.

—Juist, dat is ook mijn meening, wij zijn het dus eens: wij rijden hen niet achterna.

Nu krabde hij zich achter de ooren en bromde geërgerd:

—Maar Sam, Sam! Onze oude Sam, wat zal er met hem gebeuren? Wij kunnen hem daar toch niet laten!

—Neen, natuurlijk niet, wij zullen hem integendeel bevrijden.

—Loop rond, sir! Ik kan zulke raadsels niet oplossen! Eerst zegt gij dat wij de roodhuiden niet moeten volgen en dadelijk daarop beweert gij, dat hun gevangene bevrijd zal worden. De drommel mag dat begrijpen, ik niet!

—Ik zeg u, dat de Kiowa’s niet naar hun dorp gaan!

—Niet? Waarheen dan?

—Raadt gij dat niet?

—Neen.

—Hm. Wat zijt gij toch oude, ervaren prairiejagers! Dan ben ik maar blij dat ik een greenhorn ben. Wel de roodhuiden gaan natuurlijk naar de Nuggetsbergen.

—Naar.… de.… bergen, zou dat werkelijk zoo zijn?

—Zeker, ik ben er vast van overtuigd!

—Zij zijn er werkelijk toe in staat. Maar zij mogen immers de begrafenis niet storen?

—Dat is ook niet hun doel. Zij zullen geduldig wachten tot deze voorbij is. Zij zijn onze vijanden en die van de Apachen en zinnen op wraak. Santer’s komst was hun zeer welkom. Zij vernamen van hem den dood van Intschu Tschuna en zijn dochter en verheugden zich daarover zeer. Toen zij van Santer hoorden, dat wij hem achtervolgden, hoopten zij ons te zullen vangen, maar alleen Sam is in de [318]door hen gestelde val geloopen. Nu willen zij het op een andere wijze beproeven. Zij doen alsof zij naar hun dorp willen teruggaan en wij hen daarom niet zullen volgen, zij nemen dus aan dat wij naar Winnetou terug zullen keeren. Wanneer zij eenigen tijd in zuid-oostelijke richting zijn gereden en, wanneer het toeval dit wil, nog meer van hun krijgers hebben ontmoet, keeren zij om en gaan naar de Nuggetsbergen, waar wij, naar zij denken, ons zullen laten overvallen en slachten.

—Een mooi plan, ja wel, een mooi plan! maar wij zullen zorgen dat het niet zoover komt.

—Ja, dat zullen wij. Waarschijnlijk is dit plan door Santer geopperd, die van deze gelegenheid gebruik wil maken om goud te krijgen. Kortom ik ben overtuigd dat alles zal gaan zooals ik u dit heb uitgelegd. Wilt gij de Kiowa’s nu nog achterna?

—Ik denk er niet meer aan. Uw veronderstelling schijnt mij wel wat gewaagd, maar zoolang ik u ken, hebt gij u zelden vergist en bijna altijd gelijk gehad, daarom zal het ook ditmaal wel zoo zijn, vindt gij ook niet Will?

—Ik denk ook dat Old-Shatterhand volkomen juist heeft geraden. Wij moeten hier vandaan en wel dadelijk, om Winnetou bijtijds te kunnen waarschuwen. Zijt gij dat met mij eens, sir?

—Ja.

—Nemen wij den gevangene mee?

—Natuurlijk, wij binden hem op Sam’s Mary vast, wat hem wel niet erg zal bevallen. Als gij daarmee klaar zijt, breken wij op. Eerst echter willen wij ginds bij de rivier een waterpoel zoeken om de paarden te drenken.

Een half uur later waren wij onderweg, niet best tevreden over het succes van onzen tocht. In plaats van Santer te vangen, hadden wij Sam verloren, maar door zijn eigen schuld en wanneer mijn veronderstelling juist bleek te zijn, dan stond het bijna vast dat wij Sam Hawkins bevrijden en Santer vangen zouden.

Bij de vervolging van dezen laatste waren wij natuurlijk gedwongen geweest op zijn spoor te blijven en hadden daarom een omweg moeten maken, omdat hij van zijn oorspronkelijke richting afgeweken en in een boog was gereden. Ik besloot dezen boog af te snijden en het gevolg daarvan was, dat wij reeds kort na twaalf uur van den volgenden dag voor de kloof stonden, welke naar de open plek voerde, waar de overval en de dubbele moord hadden plaats gehad.

Wij lieten de paarden onder de hoede van een Apache beneden in het dal en stegen omhoog. Aan den rand van de open plek stond een wachter, die ons slechts met een lichte handbeweging begroette. [319]Wij zagen bij den eersten blik, hoe druk de Apachen het gehad hadden met de voorbereidselen voor de begrafenis van hun opperhoofd en diens dochter. Ik zag een aantal dunne boomstammen liggen, welke met de tomahawks waren geveld en bestemd waren voor den brandstapel. Bovendien waren er groote hoopen steenen opeengestapeld. De Apachen die ik bij mij had, begonnen dadelijk mede te helpen en ik vernam dat de begrafenis was bepaald op den volgenden dag.

Aan den kant had men een soort van hut opgericht, waarin de beide lijken werden bewaard. Winnetou bevond zich hierin. Er werd hem gezegd dat wij waren aangekomen en onmiddellijk kwam hij naar buiten. Hoe zag hij er uit!

Hij was altijd zeer ernstig en slechts bij zeldzame gelegenheden gleed er een glimlach over zijn gelaat. Luid lachen heb ik van hem evenwel nooit gehoord, maar niettegenstaande dezen ernst, hadden zijn mannelijke trekken toch steeds een uitdrukking van goedheid en welwillendheid en zijn donker oog kon soms zelfs vriendelijk rondblikken. Vandaag evenwel, van dit alles geen spoor! Zijn gezicht scheen hard als steen te zijn geworden en zijn oog staarde somber voor zich uit. Zijn bewegingen waren langzaam en moeilijk. Hij kwam op mij toe, zag onderzoekend om zich heen, schudde mij de hand, zag mij aan met een uitdrukking, welke mij door de ziel sneed en vroeg:

—Wanneer is mijn broeder teruggekeerd?

—Zooeven.

—Waar is de moordenaar?

—Hij is ontkomen.

De oprechtheid gebiedt mij te erkennen dat ik bij dit antwoord de oogen neersloeg; ja, ik moet zeggen dat ik mij een weinig schaamde.

Ook hij zag naar den grond! Hoe gaarne zou ik in zijn binnenste hebben willen lezen. Daarop vroeg hij:

—Heeft mijn broeder het spoor verloren?

—Neen, ik heb het, hij zal hier komen.

—Old-Shatterhand kan verder vertellen.

Hij ging op een steen zitten, ik eveneens en nu deed ik hem een nauwkeurig verslag van alles, wat er gebeurd was. Hij hoorde mij zwijgend aan, dacht een poos na en vroeg eindelijk:

—Dus weet mijn broeder niet zeker of de moordenaar door de revolverkogels getroffen is geworden?

—Neen, maar ik vermoed, dat ik hem niet heb geraakt.

Hij knikte even, drukte mij de hand en zeide:

—Mijn broeder moet mij de vraag vergeven, welke ik zooeven heb gedaan, namelijk of hij het spoor had verloren! Old-Shatterhand heeft alles gedaan, wat hij doen kon en is ten slotte buitengewoon [320]verstandig geweest. Sam Hawkins zal het zeer betreuren, zoo onverstandig te hebben gehandeld, maar wij zullen het hem vergeven en hem zien te bevrijden. Ik denk er over als mijn broeder: de Kiowa’s zullen komen, maar zij zullen ons bereid vinden. De gevangene mag niet hard behandeld worden, maar er moet nauwkeurig op hem worden gelet. Morgen zullen wij de graven boven Intschu Tschuna en Nscho-Tschi sluiten. Zal mijn broeder daar tegenwoordig zijn?

—Het zou mij zeer leed doen, indien Winnetou het mij niet veroorloofde!

—Ik veroorloof het niet alleen, maar ik verzoek u er om. Uw tegenwoordigheid zal wellicht aan honderden zonen der bleekgezichten het leven redden. De wet des bloeds eischt den dood van vele blanke menschen, maar uw oog is als de zon, wier warmte het harde ijs doet smelten en in water verandert. Gij weet, wat ik heb verloren. Wees gij mij vader en zuster te gelijk, ik bid er u om, Charley!

De tranen stonden hem in de oogen. Hij schaamde zich daarover, liep haastig weg en verdween in de hut. Hij noemde mij vandaag voor de eerste maal bij mijn voornaam Karl en heeft hem later ook nooit anders dan nu, namelijk als Charley, uitgesproken.

Nu moest ik eigenlijk vertellen van de begrafenis, welke met veel Indiaansch prachtvertoon plaats had, ik weet ook zeer goed dat een nauwkeurige beschrijving van deze plechtigheden zeker ieder belang zou inboezemen, maar, wanneer ik aan die treurige uren terugdenk, gevoel ik nog heden zulk een diepe smart, alsof alles eerst gisteren was gebeurd en de schildering van al deze tooneelen komt mij voor, als een ontwijding niet van de gedenkteekenen, welke wij voor de beide dooden destijds in de Nuggets-Hills hebben opgericht, maar van de herinnering, welke ik in mijn hart trouw heb bewaard. Intschu Tschuna’s lijk werd op zijn paard gebonden, waarop men op beide de aarde ophoogde, tot het dier zich niet meer kon bewegen, toen kreeg het een kogel door den kop. De aardhoop werd nu nog zooveel verhoogd, dat zij den ruiter, zijn wapenen en zijn medicijn geheel bedekte en dan rondom bedekt met groote steenen.

Nscho-Tschi kreeg op mijn verlangen, een ander graf. Ik wilde haar niet zoo onmiddellijk met aarde hebben bedekt. Wij zetten haar dus in zittende houding tegen den stam van een boom en bouwden als ’t ware een pyramide van steenen om haar heen, uit welker spits de top van den boom weder uitstak. Ik ben later eenige malen met Winnetou naar de Nuggets-Hills geweest, om de graven te bezoeken. Wij hebben ze altijd ongeschonden aangetroffen.…1 [321]