—Verdacht? Hoezoo?
—Welnu, wanneer twee gentlemen, van wie de een een blanke en de ander een roodhuid is, zoo alleen in de prairie rondrijden, zijn het gewoonlijk spitsboeven. Daarbij komt dat uw kleeding Indiaansch is. Het zou mij verwonderen, als gij eerlijke kerels waart!
—Dank u zeer voor uw oprechtheid. Het is altijd nuttig te weten, wat de een van den ander denkt. Wij kunnen u echter verzekeren dat gij u vergist.
—Het is mogelijk. Galgentronies hebt gij niet, dat moet ik eerlijk bekennen. Het kan mij eigenlijk ook weinig schelen of gij vroeger of later hier of daar wordt opgeknoopt, want dan krijgt gij het touw om uw hals en ik niet. Misschien zijt gij wel zoo beleefd te zeggen van waar gij komt?
—Zeker, wij hebben niet de minste reden, om dit te verbergen, wij komen van Washita.
—Zoo! En waar wilt gij naar toe?
—Naar de Kiowa’s.
—Naar welken? [402]
—Naar den stam waarvan Tangua het opperhoofd is.
—Dat is niet ver van hier.
—Dat weet ik, het dorp ligt tusschen de Red-River en de Salt-Fork.
—Juist, maar wanneer ik u een goeden raad schuldig ben, keert dan snel terug en laat u niet zien.
—Waarom niet?
—Omdat het een slechte gewoonte is, zich door de roodhuiden te laten ombrengen.
—Kom, wij zijn daarvoor nooit bang geweest en zullen dit nu ook niet zijn!
—Niemand kan vooruit weten, wat er later nog zal gebeuren. Mijn waarschuwing is goed gemeend. Wij komen van Tangua. Hij heeft het prijzenswaardig plan om elken blanke en ook elken roodhuid, die geen Kiowa is om hals te brengen.
—Een prachtig plan. Heeft hij u dit zelf meegedeeld?
—Ja zeker, herhaalde malen.
—Die spotvogel!
—Neen, het was hem volkomen ernst!
—Ernst? Werkelijk? Hoe heb ik dan nu het genoegen u zoo gezond en wel voor mij te zien? Hij wil iederen blanke ombrengen en ook iederen roodhuid, zooals gij beweert. Ik heb u ook voor blanken aangezien, of zijt gij misschien negers?
—Geen gekheid sir! Ons doet hij niets, voor ons heeft hij een uitzondering gemaakt, omdat wij oude, goede bekenden van hem zijn en reeds herhaalde malen in zijn dorp zijn geweest. Wij zijn namelijk kooplieden zooals gij wel zult hebben geraden en wel eerlijke handelaars, niet zulke schelmen, die de roodhuiden met hun waren bedriegen en dan niet weer terugkomen. Daarom zijn wij overal welkom. De roodhuiden hebben onze waren noodig en zullen dus niet zoo dom zijn een eerlijken kerel, van wien zij voordeel kunnen hebben om hals te brengen. U echter zullen zij vermoorden, weest er van verzekerd.
—Maar ik meen het ook goed met hen en zoek hen juist op om hun voordeel aan te brengen.
—Zoo? Vertel ons dan eens, wie gij zijt en wat gij bij hen wilt doen.
—Ik behoor tot een agentschap.
—Agentschap? dat is het ergste, wat er is. Neem mij niet kwalijk maar ik wil u wel in uw eigen belang zeggen, dat de roodhuiden het juist hebben begrepen op de agenten, omdat.… omdat.…
Hij aarzelde en daarom vervolgde ik in zijn plaats:
—Omdat zij zoo dikwijls door hen bedrogen zijn, meent gij. Dat stem ik u toe. [403]
—Het verheugt mij zeer, uit uw eigen mond te hooren, dat gij agenten, spitsboeven zijt!—lachte hij.—De Kiowa’s zijn bij de laatste leveringen geducht beetgenomen. Als gij lust hebt dood gemarteld te worden, gaat er dan maar gerust heen, er zal direct aan uw verzoek worden voldaan.
—Ik dank u wel, sir. Ik weet wel dat de Kiowa’s ons eerst niet vriendelijk zullen ontvangen, maar ik verzeker u dat zij wel spoedig van gedachte zullen veranderen, als ik hun vertel, wat ik bij hen kom doen. Ik wil namelijk weer goedmaken, wat anderen hebben misdreven, zij kunnen krijgen, wat hun te weinig is geleverd en ik kom hun vertellen, waar zij de waren in ontvangst kunnen nemen.
—Voor den drommel, dat is ook een witte raaf!—riep hij verbaasd.—In dat geval zullen zij u natuurlijk niets doen. Maar waarom hebt gij dan een roodhuid bij u?
—Omdat ik het dialect van de Kiowa’s niet versta, hij is mijn tolk een Pawnee, dien Tangua wel kent.
—Zoo! Dan komt alles in orde en is mijn waarschuwing overbodig. Maar ik deed het voor uw bestwil, want Tangua is letterlijk woedend op alles, wat niet Kiowa heet.
—Waarom dat?
—Omdat hij in den laatsten tijd zulke slechte ervaringen heeft opgedaan. De Apachen zijn in zijn gebied gevallen en hebben hem meer dan honderd stuks paarden ontstolen. Hij heeft hen natuurlijk achtervolgd, maar aangezien zij drie- of viermaal meer krijgers hadden dan hij, is hij verslagen geworden. Dit zou evenwel, ondanks hun overmacht, niet geschied zijn als niet een gezelschap blanke mannen de Apachen had geholpen. Een van dezen, heeft den aanvoerder lam geschoten. Deze man heet Old-Shatterhand, een kerel, die den sterksten man met de vuist neerslaat. Het zal hem echter wel niet goed bekomen.
—Niet? Willen de roodhuiden zich wreken?
—Natuurlijk, Tangua is door beide knieën geschoten geworden, een vreeselijk lot voor een opperhoofd! Hij schuimt letterlijk van woede en zal niet rusten voor hij dezen Old-Shatterhand en Winnetou in zijn macht heeft.
—Winnetou? Wie is dat?
—Een jong Apachen-opperhoofd, die met een kleine schare krijgers, ongeveer twee dagritten van hier gelegerd is. De blanken zijn bij hem en een aantal Kiowa’s zijn uitgereden om deze kerels naar het dorp te lokken.
—Hm! Zouden deze blanken en deze Apachen zoo dom zijn, in de val te loopen? [404]
—Waarschijnlijk wel. Tangua althans is er van overtuigd en heeft de streek door welke zij moeten komen laten afzetten. Deze lieden zijn bepaald verloren. Het gaat mij wel niets aan, maar daar er blanken bij zijn heb ik mij maar uit de voeten gemaakt. Ik zou anders nog eenige dagen bij Tangua zijn gebleven, maar nu toe te zien, dat blanken dood worden gemarteld, daarin had ik toch geen lust.
—Zou het u niet mogelijk zijn geweest hen te redden?
—Neen, al had ik het gewild. Maar waarom zal ik mijn handen in eens anders vuil steken? Ik ben, om zoo te zeggen, de handelsvriend der Kiowa’s en ik wil mij zelf niet benadeelen door partij te trekken voor hun vijanden. Ik heb een kleine poging gewaagd, maar Tangua werd zóó woedend, dat ik mij dadelijk heb teruggetrokken.
—Nu ja, het was ook nog geen tijd om voor de gevangenen in de bres te springen, zij waren nog niet eens gevangen, gij hadt moeten wachten.
—O, er was reeds een gevangen, een blanke, een van de metgezellen van Old-Shatterhand. Een zonderling kereltje, die maar steeds lachte en volstrekt niet deed, als iemand die den dood voor oogen heeft.
—Hebt gij hem gezien?
—Ik zag, dat men hem bracht en zag hem wel een uur lang, gebonden op den grond liggen. Toen werd hij naar het eiland gebracht.
—Naar een eiland? dat dienst doet als gevangenis?
—Ja. Het ligt in de Salt-Fork, eenige schreden van het dorp en wordt goed bewaakt.
—Hebt gij met den gevangene gesproken?
—Slechts enkele woorden. Ik vroeg hem of ik soms iets voor hem kon doen. Hij lachte mij vriendelijk toe en zeide, dat hij zulk een zin had in een glas room, of ik niet naar Cincinnati wou rijden om het te halen. Die gekke kerel! Ik zeide dat er met zijn toestand niet viel te spotten, toen lachte hij weer en meende dat ik mij maar niet bezorgd over hem moest maken, want dat er wel andere menschen waren die voor hem zouden zorgen. Toch deed ik een goed woord voor hem bij het opperhoofd, maar dat hielp mij niet veel. Trouwens, slecht behandeld wordt hij niet, want Old-Shatterhand heeft een gevangen Kiowa als gijzelaar bij zich. Alleen Santer doet zijn best, hem het eindje leven dat hij nog heeft, moeilijk te maken.
—Santer? Dat lijkt, volgens den naam wel een blanke. Waren er dan buiten u nog andere blanken bij de Kiowa’s?
—Neen, alleen deze eene, die Santer heet.—Ik mocht dien kerel niet. Hij kwam gisteren in het dorp met de roodhuiden die Winnetou hierheen hadden gelokt en begon dadelijk den gevangene te plagen. Gij zult hem wel leeren kennen als gij in het dorp komt. [405]
—Weet gij ook, wat hij eigenlijk bij Tangua doet?
—Neen. Ik heb hem gegroet, maar mij verder niet met hem bemoeid, omdat mijn gezelschap hem niet aangenaam scheen te zijn. Ik had het misschien van de roodhuiden te weten kunnen komen, maar ik heb er niet naar gevraagd. Wat mij niet aangaat, daar bemoei ik mij niet mee, dat is zoo mijn stelregel.
—Is deze Santer de gast van den aanvoerder of heeft hij een eigen tent?
—Er is hem een tent aangewezen; niet een dadelijk naast het opperhoofd, maar een oude leeren hut, bijna aan het eind van het dorp. Hij schijnt bij het opperhoofd niet bijzonder in de gunst te staan.
—Weet gij misschien, hoe de blanke gevangene heet?
—Sam Hawkins, een beroemd prairiejager, ondanks zijn eigenaardigheden. Het spijt mij, dat hij gedood zal worden, maar ik kon hem niet helpen. Misschien luistert het opperhoofd meer naar u dan naar mij, doe gij dus een goed woordje voor hem.
—Ik zal het doen. Kunt gij mij de ligging van de tent, in welke Santer woont, niet nauwkeurig omschrijven?
—Waarvoor? Gij zult haar zien, zoodra gij het dorp binnenkomt. Het is de vierde of vijfde, van de rivier af gerekend. Ik geloof niet, dat de man u zal bevallen, hij heeft een boevengezicht. Wacht u voor hem! Gij zijt, ondanks uw ambt, nog zeer jong en zult mij een goeden raad niet kwalijk nemen. Ik moet nu verder. Vaarwel en kom behouden terug!
Zou ik hem hier houden om hem nog meer te vragen? Dan had ik hem oprecht moeten zeggen, wie wij waren en dat scheen mij toch te gewaagd. Winnetou was van dezelfde meening, want hij reed verder en zeide op halfluiden toon:
—Het is genoeg, mijn broeder moet niet meer vragen, want dit zou achterdocht wekken.
—Ik geloof ook, dat wij nu genoeg weten, wij weten tamelijk nauwkeurig, waar Hawkins is en ook, waar Santer woont en zullen beiden wel vinden. Hoe ver zullen wij nu rijden?
—Zoo ver tot deze handelaars uit het gezicht zijn, dan keeren wij terug naar onze legerplaats. Wij hebben zeer veel nut gehad van deze ontmoeting. Om alles te weten te komen, wat wij nu hebben ervaren, hadden wij ons in groot gevaar moeten begeven. Nu weten wij waar wij aan toe zijn en zullen hedenavond samen het dorp der Kiowa’s besluipen.
De beide handelaars verdwenen langzamerhand uit ons gezicht. Zij moesten langzaam rijden, daar zij zoovele lastdieren bij zich hadden. Ik heb later vernomen, hoe noodlottig dit voor hen is geweest. [406]Evenzoo vernam ik, dat ze bij de Kiowa’s vellen van verschillende pelsdieren in ruil hadden ontvangen. Degene, die met ons gesproken had, was de eigenlijke koopman, de andere was slechts zijn bediende geweest. Toen zij weg waren en ons niet meer konden zien, keerden wij langs denzelfden weg, langs welken wij gekomen waren, naar onze legerplaats terug, onderweg alle moeite doende, om onze sporen uit te wisschen.
Dick Stone en Will Parker waren met den uitslag van onzen verkenningstocht zeer ingenomen. Vooral verheugden zij er zich over, dat hun vriend Sam zich naar omstandigheden wel bevond en zijn onverstoorbaar goed humeur had behouden. Zij verzochten ons dringend, hen toch dezen avond mee te nemen, maar Winnetou wees dit verzoek af, door te zeggen:
—Mijn beide blanke broeders moeten vandaag nog hier blijven, want wij zullen op dezen tocht Sam Hawkins toch niet kunnen bevrijden. Dat kan waarschijnlijk eerst morgen gebeuren en dan kunt gij er bij zijn.
Onze schuilplaats was tamelijk veilig, maar wij bevonden ons op vijandelijk gebied en het toeval kon licht een of eenige Kiowa’s naar den oever voeren, waar wij legerden. Daarom stelde Winnetou voor:
—Ik ken een eiland, dat een klein eindje stroomopwaarts, midden in de rivier ligt. Op dit eiland staan boomen en struiken, achter welke wij ons kunnen verbergen. Niemand zal daar komen. Mijn broeders moeten mij naar dit eiland volgen.
Wij verlieten dus onze legerplaats en reden langs den oever der rivier tot wij het eiland zagen. Het water was hier diep en had hier tamelijk veel verval, maar wij kwamen met onze paarden behouden over en het bleek, dat Winnetou gelijk had. Het eiland was groot en genoeg begroeid om ons en onze paarden een veilige schuilplaats aan te bieden.
Ik maakte tusschen de struiken mijn leger gereed en ging slapen, want het was vooruit te zien, dat in den volgenden nacht van slapen geen sprake zou zijn, niet dat wij daartoe geen tijd of gelegenheid zouden hebben, maar om een andere reden.
Sam Hawkins werd namelijk op een klein eiland gevangen gehouden, dat ik wilde besluipen. Om dit te doen, moest ik natuurlijk door het water. Ja, reeds dadelijk, wanneer we opbraken, moest ik met Winnetou van ons eiland naar den oever zwemmen, waarbij wij geheel nat zouden worden. Het was midden in December en het water was koud, wie zou dus met doornatte kleeren hebben kunnen slapen.
Toen het duister was geworden, werden wij gewekt, want ook Winnetou had geslapen. Het was tijd, naar het dorp te gaan. Wij trokken de niet volstrekt noodige kleedingstukken uit en lieten ook alles, wat [407]wij in de zakken hadden, achter. Van onze wapens namen wij alleen het mes mee. Toen sprongen wij in de rivier en zwommen naar den rechteroever, omdat wij van dezen uit, de Salt-Fork konden bereiken.
Nadat wij een klein uur lang, langs dezen oever waren geloopen, kwamen wij aan de plaats, waar de Salt-Fork in de Red-River uitmondt en een honderd pas verder, zagen wij reeds de vuren van het dorp. Het lag onmiddellijk aan den linkeroever van de Salt-Fork, terwijl wij ons op den rechter bevonden. Wij moesten dus naar den overkant. Dit deden wij evenwel niet dadelijk, maar wij slopen langzaam de geheele lengte van het dorp verder.
Zulk een Indiaansch dorp is natuurlijk niet te vergelijken met een Europeesch dorp, een verzameling van huizen, bij welke en om welke tuinen en velden liggen. Er was hier geen spoor van tuinen of velden en de woningen bestonden uit dikke lederen tenten, welke in den zomer door linnen werden vervangen.
Bijna voor elke tent brandde een vuur, waaromheen de bewoners zaten, om zich te verwarmen of om het avondeten te gebruiken. De grootste tent stond ongeveer in het midden van het dorp. De ingang was versierd met lansen, waaraan adelaarsveeren hingen en allerlei ander zonderling tuig. Bij het vuur zat Tangua, het opperhoofd met een jongen, misschien achttienjarige Indiaan en twee knapen, van ongeveer twaalf en veertien jaar.
—Dat zijn zijn drie zonen,—zeide Winnetou.—De oudste is zijn lieveling en belooft een dapper krijgsman te worden. Hij loopt zoo snel, dat hij den naam van Pida (hert) heeft gekregen.
Ook vrouwen liepen af en aan, maar het is bij de Indianen aan de vrouwen en kinderen niet geoorloofd met de mannen te eten. Zij eten later en moeten tevreden zijn met wat overblijft, terwijl zij verplicht zijn zelfs den zwaarsten arbeid te verrichten.
Ik zocht naar het eiland. De hemel was donker en bewolkt, geen ster was te zien, maar de vuren maakten het ons mogelijk drie eilanden te onderscheiden, welke op geringen afstand van elkander lagen
—Op welk eiland zou Sam zich bevinden?—vroeg ik.
—Als mijn broeder dit wil weten, moet hij er aan denken, wat de koopman heeft gezegd,—antwoordde Winnetou.
—Dat het eiland dicht aan den oever ligt, meent gij? Het eerste en het derde liggen het verst hier naar dezen kant, het moet dus het tweede, het middelste zijn.
—Waarschijnlijk. En rechts is het benedeneinde van het dorp waar in de vierde of vijfde tent Santer woont. Wij zullen niet bij elkander blijven, maar ieder zijn eigen weg gaan. Ik heb het voorzien op den moordenaar van mijn vader en van mijn zuster en zal dus [408]te weten zien te komen, waar deze woont. Sam is meer uw makker dan de mijne, gij moet dus naar hem zoeken.
—En waar vinden wij elkander weer?
—Hier, op deze plaats.
—Als er niets bijzonders gebeurt, zal dat wel gaan, maar wanneer toevallig één van ons wordt opgemerkt, zal er een groot tumult volgen, daarom moeten wij nog een andere plaats bepalen, wat verder van het dorp gelegen.
—Ons plan is niet gemakkelijk uit te voeren, uw taak is echter nog moeielijker dan de mijne, want gij moet naar het eiland zwemmen en kunt licht door de wachters worden gezien. Mocht men u grijpen, dan zal ik u te hulp komen, wordt gij niet gevat, dan keert gij naar ons eiland terug, maar langs een omweg, opdat men de richting, in welke gij vlucht, niet ontdekt.
—Maar morgen vroeg zal men toch de sporen zien?
—Neen, want wij krijgen spoedig regen en de sporen zullen worden uitgewischt.
—Goed! En als gij een ongeluk mocht krijgen, kom ik u te hulp.
—Dat zal niet gebeuren. Zie eens naar den overkant. Ginds voor de vijfde hut brandt geen vuur, daar zal Santer wonen, hij zal binnen zijn en slapen. Het is dus heel gemakkelijk te weten te komen, hoe het met hem staat!
Na deze woorden ging hij heen, een eind langs den oever, om dan buiten het bereik van het dorp over de rivier te zwemmen en heimelijk naar de tenten terug te keeren.
Ik moest het heel anders aanleggen. Mijn doel lag binnen het bereik van den gloed van het legervuur, ik mocht dus niet aan de oppervlakte van het water komen, maar moest het eiland al duikende zien te bereiken. Onder water door te zwemmen was zoo moeilijk niet, maar hoe, wanneer ik juist opdook vóór een der schildwachten. Neen, ik moest eerst naar een der nabijgelegen eilanden, waar zich waarschijnlijk niemand bevond. Het eerste lag ongeveer twintig meter van het tweede, het middelste. Ik kon dus van daar uit waarschijnlijk zien, hoe het er op het tweede uitzag.
Ik ging dus een eind stroomopwaarts en hield mijn oog voortdurend gevestigd op het eerste eiland. Er was daar niet de geringste beweging te bespeuren, waarschijnlijk was daar niemand. Toen gleed ik langzaam in het water, dook onder en zwom naar den oeverkant. Ik kwam zonder ongelukken aan en waagde het, het hoofd boven water te steken, om adem te halen. Ik bevond mij aan het boveneinde voor het eerste eiland en zag nu, dat er nog een beter middel was, om tot mijn doel te geraken. [409]
Het eiland, aan welks rand ik nu stond, was ook ongeveer twintig meter van den oever verwijderd, waar een lange rij van kano’s lag vastgemeerd. Deze kano’s konden mij een voortreffelijke dekking bieden. Ik dook dus weer onder, zwom naar de eerste kano, van daar naar de tweede, derde en zoo verder, tot ik achter de zesde, zoo nabij het middelste eiland was, dat ik dit geheel kon overzien.
Het lag dichter bij het land dan de beide andere eilanden en was begroeid met laag kreupelhout, waaruit twee boomen omhoog staken. Van den gevangene en zijn bewakers kon ik niets zien. Juist wilde ik weer onderduiken, om terug te zwemmen, toen ik boven mij, op den hoogen oever, eenig gedruisch hoorde. Ik zag op. Een Indiaan daalde den oever af. Het was Pida, het „hert” de zoon van het opperhoofd. Gelukkig ging hij naar een verder stroomafwaarts liggende boot, zoodat hij mij niet zag. Hij maakte deze los en roeide naar het middelste eiland. Ik moest dus wachten. Weldra hoorde ik stemmen en herkende ik die van mijn kleinen Sam. Ik moest hooren, wat er werd gesproken en zwom dus onder water naar een verder gelegen kano. Er waren er zooveel, dat wel ieder dorpsbewoner er een voor zich scheen te hebben. Toen ik weer opdook en achter deze kano verborgen, naar het gesprek luisterde, hoorde ik den zoon van het opperhoofd zeggen:
—Tangua, mijn vader, wil het weten!
—Ik denk er niet aan, het u te zeggen!—antwoordde Sam.
—Dan zult gij tienvoudig worden gepijnigd.
—Laat u niet uitlachen! Sam Hawkins en die gepijnigd worden! hihihihi! Uw vader heeft mij reeds eenmaal willen laten martelen, daarginds, bij den Rio Pecos, bij de Apachen. Wat is het gevolg daarvan geweest? Herinnert gij u dat nog?
—Dat Old-Shatterhand, die hond, hem lam heeft geschoten.
—Welnu, zoo zou het ook nu weer gaan. Gij zult u wel wachten, mij eenig leed te doen.
—Als gij dat in ernst meent, is de waanzin in uw hoofd geslagen. Gij zijt gebonden en kunt niet ontkomen. Bedenk, dat uw geheele lichaam met riemen is omwonden, zoodat gij geen lid kunt verroeren.
—Ja, dat heb ik aan dien braven Santer te danken en ik bevind er mij zeer goed bij.
—Gij lijdt pijn, dat weet ik, maar gij wilt dit niet laten bemerken. Bovendien zijt gij nog vastgebonden en hier zitten dag en nacht vier krijgers om u te bewaken. Hoe wilt gij dus ontkomen?
—Dat is mijn zaak, beste jongen! Tot nu toe bevalt het mij hier goed, wacht dus maar tot ik weg wil. [410]
—Wij zouden u vrijlaten, als gij ons wildet zeggen, waarheen gij gaan zult.
—Maar ik zeg het niet. Ik weet wel, hoe het dan gaat. De brave Santer is zoo vriendelijk geweest, mij de geheele geschiedenis te vertellen, om mij vrees aan te jagen, wat hem echter niet gelukt is. Gij zijt naar de Nuggets-Hills geweest, om Old-Shatterhand en Winnetou te vangen. Belachelijk! Old-Shatterhand te vangen, die mijn leerling is.… hihihihi!
—Waarom zijt gij dan hier gekomen?
—Om den tijd te verdrijven. Ik wilde wel graag eens een paar dagen bij u zijn, omdat ik zooveel van u houd, als ik mij niet vergis. Dus hebt gij een vergeefschen rit gemaakt en verbeeldt u nu, dat Winnetou met zijn Apachen en Old-Shatterhand u na zullen loopen. Zoo iets dwaas heb ik nu nog nooit gehoord. Nu ziet gij evenwel in, dat gij u vergist hebt. Zij zijn niet hier gekomen en gij weet niet, waar zij zijn. Nu wilt gij van mij weten waar Old-Shatterhand kan zijn. Gij denkt, dat ik dat weten moet. En ik wil u ook wel oprecht zeggen, dat ik het weet.
—Waar is hij dan?
—Gij zult het spoedig vernemen, zonder dat ik het u zeg, want.…
Hij hield op, want plotseling weerklonk een luid geschreeuw. Ik verstond de woorden niet, maar naar den toon te oordeelen, was het, alsof men een vluchteling nazette, onder een geroep, dat zooveel beteekende als: „houdt hem, houdt hem.” Daarbij hoorde ik duidelijk den naam van Winnetou.
—Hoort gij, waar zij zijn!—riep Sam verheugd.—Waar Winnetou is, daar is ook Old-Shatterhand. Zij komen, zij komen!
Het gebrul werd nog luider en ik hoorde de Indianen loopen. Zij hadden Winnetou gezien, maar niet gevat. Dat was voor mij een streep door de rekening. Ik zag, dat de zoon van het opperhoofd zich oprichtte en naar den oever zag. Toen sprong hij in zijn kano en riep de vier wachters toe:
—Neemt de geweren in de hand en schiet dit bleekgezicht dadelijk neer, zoodra er iemand mocht komen, om hem te bevrijden.
Daarop roeide hij naar den oever. Ik had Sam, indien het eenigszins mogelijk was geweest, nog vandaag willen redden, nu zag ik, dat dit niet ging. Als ik het had willen wagen alleen met het mes gewapend, de vier roodhuiden aan te vallen, dan zou Sam oogenblikkelijk vermoord zijn geworden.
Daar schoot mij echter een gedachte te binnen. Pida was de lievelingszoon van het opperhoofd. Als ik mij van hem meester kon maken, zou ik hem tegen Sam kunnen uitwisselen. [411]
Een enkele blik overtuigde mij, dat dit plan, hoe dwaas het ook scheen, toch uitvoerbaar was. De gelegenheid was gunstig. Winnetou was gevlucht in de richting van de Red-River, terwijl onze legerplaats zich rechts van het eiland bevond. Hij had dit natuurlijk gedaan om zijn vervolgers van het spoor te brengen. Het geschreeuw weerklonk van dien kant en ook de vier wachters stonden met het gezicht daarheen. Zij keerden mij bijna den rug toe en verder was er niemand te zien. Pida had intusschen met zijn kano den oever bereikt, wilde haar vastmaken en bukte zich. Toen dook ik op, een vuistslag velde hem neer, ik wierp hem in de boot, sprong er zelf in en roeide tegen den stroom in, dicht langs den oever voort. De dolle streek was gelukt.
Ik roeide uit al mijn macht, om zoo spoedig mogelijk buiten het bereik van het dorp te komen en toen het schijnsel van het vuur mij niet langer hinderde, legde ik aan den rechteroever van de Salt-Fork aan, waar ik den onmachtigen Indianenzoon in het gras legde. Daarop sneed ik den riem, waarmee ik de kano aan den oever had vastgebonden los, om daarmee den gevangene te binden en gaf de kano een stoot, dat zij verder gleed. Toen ik Pida’s armen aan zijn lichaam had vastgebonden, nam ik hem op mijn arm en ving den terugtocht naar ons eiland aan.
Dit was een geduchte toer, niet omdat de last welke ik droeg, mij te zwaar werd, maar omdat Pida, toen hij weer tot bewustzijn was gekomen, zich heftig verzette. Herhaalde malen moest ik hem met het mes dreigen. Zijn wapens had ik hem natuurlijk afgenomen.
—Wie zijt gij?—vroeg hij eindelijk woedend,—een bleekgezicht dien Tangua, mijn vader, morgen zal straffen.
—Uw vader zal mij niet in handen krijgen, hij kan immers niet loopen,—antwoordde ik.
—Maar hij heeft tal van krijgers, die hij zal uitzenden om mij te zoeken!
—Ik lach om uw krijgers. Het kan hen gaan, zooals het uw vader is gegaan, toen hij met mij wilde vechten.
—Oef! Hebt gij met hem gevochten?
—Ja.
—Waar?
—Daar, waar hij mijn kogels in zijn beenen kreeg.
—Oef, oef! Zijt gij dan Old-Shatterhand, vroeg hij verschrikt.
—Hoe kunt gij dit nu eerst vragen? Ik heb u immers met de vuist ter neergeslagen. Wie anders, dan Winnetou en Old-Shatterhand zouden het wagen, in uw dorp te dringen en er den zoon van het opperhoofd weg te halen! [412]
—Oef! Dus moet ik sterven! Gij zult evenwel geen kreet van pijn van mijn lippen hooren.
—Wij dooden u niet. Wij zijn niet zulke moordenaars als gij zijt. Als uw vader de beide bleekgezichten uitlevert, die zich bij u bevinden, laten wij u weer vrij.
—Santer en Hawkins?
—Ja.
—Hij zal hen uitleveren, want zijn zoon is hem meer waard, dan tien Hawkins en om Santer geeft hij niets.
Van nu af aan, weigerde hij niet langer met mij mede te gaan. Winnetou’s voorspelling werd vervuld, het begon te regenen en wel zoo hevig, dat het mij onmogelijk werd den oever te bereiken, die tegenover ons eiland lag. Ik zocht dus een dicht bebladerden boom op om onder dezen het einde van den regen of het aanbreken van den dag af te wachten. Dit was een geduldsproef. De regen wilde niet ophouden en de morgen niet komen. Ik troostte mij evenwel met de gedachte, dat ik niet natter kon worden dan ik reeds was, maar ik werd daarbij zoo koud, dat ik allerlei gymnastische beweging moest maken om mij te verwarmen.
Eindelijk werden mijn beide wenschen terzelfder tijd vervuld, de regen hield op en de dag brak aan, maar een dichte nevel bedekte alles. Toch viel het mij niet moeilijk, den oever te vinden. Ik riep een luid: hallo!
—Hallo!—antwoordde Winnetou.—Is het mijn broeder Shatterhand?
—Ja.
—Kom dan over! Waarom roept gij eerst? Dat is niet voorzichtig!
—Ik heb een gevangene bij mij. Zend een goed zwemmer en eenige riemen over!
—Ik zal zelf komen.
Hoe verheugde ik mij, dat hij niet in de handen der Kiowa’s was gevallen! Weldra zag ik zijn hoofd boven het water verschijnen. Toen hij aan wal stapte en den Indiaan zag liggen, zeide hij verbaasd:
—Oef! Pida, de zoon van het opperhoofd! Waar heeft mijn broeder hem gevat?
—Niet ver van Hawkins’ eiland.
—Hebt gij Hawkins gezien?
—Neen, maar ik hoorde hem met dezen Pida redeneeren. Ik had nog met mijn vriend willen spreken en hem willen bevrijden, maar toen werd gij ontdekt en moest ik wel maken dat ik weg kwam.
—Ja, mijn verkenningstocht is ongelukkig afgeloopen, maar ik kon er niets aan doen. Ik had bijna Santer’s tent bereikt, toen eenige [413]Kiowa’s voorbijkwamen. Ik durfde niet opstaan, maar kroop een weinig ter zijde. Zij bleven staan en spraken met elkander en zoo viel het oog van den een op mij. Ik moest mij dus wel uit de voeten maken. Bij het schijnsel van het vuur herkenden zij mij. Ik vluchtte stroomopwaarts, in plaats van stroomafwaarts om hen op een dwaalspoor te brengen. Santer heb ik evenwel niet gezien.
—Gij zult hem spoedig zien, want deze jonge krijgsman heeft er in toegestemd, zich tegen Santer en Sam Hawkins te laten uitleveren en ik ben overtuigd, dat het opperhoofd daarmede genoegen zal nemen.
—Oef! Dat is zeer goed. Mijn broeder Old-Shatterhand heeft dapper, ja, bijna overmoedig gehandeld, maar het was het beste wat hij doen kon.
Ik zeide, dat hij Santer weldra zou zien en dit gebeurde nog eerder, dan ik had gedacht. Wij bonden den gevangene zoo tusschen ons vast, dat zijn schouders de onzen raakten en zijn hoofd dus, ofschoon de armen gebonden waren, boven water moest blijven, hij kon ons met zijn beenen bij het zwemmen helpen. Zoo gingen wij in het water; Pida verzette zich niet, maar sloeg toen wij den grond onder de voeten hadden verloren, de beenen flink uit.
De nevel lag zóó dicht over het water, dat wij geen zes meter voor ons uit konden zien, maar, zooals bekend is, hoort men in den nevel alle geluiden duidelijk. Wij waren nog niet ver van den oever of Winnetou zeide:
—Zachtjes! Ik heb iets gehoord.
—Wat dan?
—Een geluid, als van roeiriemen, die in het water worden gedreven.
—Laat ons dan even wachten.
—Ja, luister.
Wij maakten nu alleen die bewegingen, welke noodzakelijk waren, om ons boven water te houden en maakten dus weinig gedruisch. Het bleek dat Winnetou goed had gehoord, er kwam iemand de rivier afroeien. Hij moest haast hebben, daar hij, ondanks het verval, dat de rivier hier had, de riemen gebruikte.
Het kwam snel nader. Zouden wij ons laten zien of niet? Het kon een vijandelijk verkenner zijn, misschien echter was het beter voor ons te weten, wie hij was. Ik wierp een vragenden blik op Winnetou, hij verstond dien en antwoordde zachtjes:
—Niet terug! Ik wil weten, wie hij is! Hij zal ons wel niet zien, daar wij zoo stil op het water liggen.
Het was te verwachten, dat wij onopgemerkt zouden blijven, want alleen onze hoofden waren boven water. Pida was evenzeer in spanning [414]als wij, hij had ons door een enkelen kreet om hulp kunnen verraden, maar hij deed het niet, daar hij wist dat hij op een andere wijze vrij zou komen.
Nu hoorde men de slagen van de roeiriemen onmiddellijk in de nabijheid en een Indiaansche kano dook uit den nevel op. In deze zat.… wie? Wij hadden stil moeten blijven, maar toen Winnetou den man zag, riep hij luide:
—Santer! hij vlucht!
Mijn anders zoo kalme vriend werd door het plotseling verschijnen van zijn doodsvijand zoo opgewonden, dat hij de armen en beenen uitsloeg om op de kano toe te zwemmen, maar daar hij aan ons, of liever aan Pida was vastgebonden, ging dat niet.
—Oef! Ik moet los! ik moet hem hebben!—riep hij, terwijl hij zijn mes trok en den riem doorsneed, welke hem aan Pida verbond.
Santer had natuurlijk Winnetou’s uitroep gehoord en dadelijk wendde hij de oogen naar onzen kant.
—Thousand devils!—riep hij verschrikt,—daar zijn die.…
Hij hield even op. De uitdrukking van schrik op zijn gelaat, maakte plaats voor die van vreugde; hij had onze positie bemerkt, wierp de roeiriemen in de kano, greep naar zijn geweer richtte het op ons en riep:
—Uw laatste waterpartij, honden!
Hij trok gelukkig juist den haan over op het oogenblik dat Winnetou zich van ons had losgemaakt en met geweldige slagen op de boot toeschoot; daardoor kreeg ik met Pida een stoot, welke ons verwijderde van het punt, waarop Santer had gemikt.
Dat wat ik nu van Winnetou zag, was geen zwemmen, maar eerder een vliegen over het water. Hij had zijn mes tusschen de tanden en vloog in groote sprongen op den vijand toe. Santer had nog een kogel in den loop, mikte op den Apache en riep hoonend:
—Kom hier vervloekte roodhuid! Ik zal u naar den duivel helpen!
Hij meende slechts den haan te kunnen overhalen, maar hij had zich in Winnetou vergist, want deze dook naar beneden, om onder de kano te komen en deze om te werpen. Gelukte hem dit, dan kon Santer zijn geweer niet gebruiken en het moest tot een tweegevecht komen, waarbij de handige Apache overwinnaar zou blijven. Santer zag dit in en snel legde hij de buks neer en greep weer naar de riemen. Het was hoog tijd, want juist had hij de boot in beweging, of Winnetou dook op, op de plek, waar zooeven de kano had gelegen. Santer deed eenige krachtige riemslagen en schreeuwde zijn woedende vijand toe:
—Hebt gij mij, hond? Ik bewaar den kogel voor een volgende gelegenheid! [415]
Winnetou deed alle moeite om hem in te halen, maar tevergeefs. Geen zwemmer, zelfs niet de beste, kan een boot inhalen, welke door een roeier met den stroom wordt voortgedreven.
Dit geheele tooneel had zich in den tijd van nauwelijks een halve minuut afgespeeld en toch verschenen reeds, juist toen Santer weer in den nevel verdween, eenige Apachen, die de luide kreten en het schot hadden gehoord en van het eiland waren gekomen om ons hulp te verleenen. Ik riep hen toe, mij te helpen om Pida naar het eiland te brengen. Toen wij dit hadden bereikt en de Kiowa in het gras lag, gebood Winnetou:
—Mijn roode broeders moeten zich onmiddellijk gereedmaken! Santer is zooeven in een kano de rivier afgeroeid, wij moeten hem achterna.
Hij was zóó opgewonden, als ik hem nog nooit had gezien.
—Ja, wij moeten hem achterna, onmiddellijk achterna,—stemde ik hem toe.—Maar wat zal er dan gebeuren, met Sam Hawkins en met onze beide gevangenen?
—Die laat ik aan u over.
—Moet ik dus hier blijven?
—Ja. Ik moet Santer, den moordenaar van mijn vader en van mijn zuster hebben, gij echter zijt verplicht Sam Hawkins, die uw makker is, te bevrijden, wij moeten dus scheiden.
—Voor hoelang?
Hij dacht een oogenblik na en zeide toen:
—Wanneer wij elkander zullen weerzien, dat weet ik niet. Des menschen wil is ondergeschikt aan dien van den Grooten Geest. Ik meende langer bij mijn broeder Shatterhand te kunnen blijven, maar Manitou heeft het anders beschikt. Weet gij, waarom Santer is weggegaan?
—Ik vermoed het. Wij zijn niet in de ons gestelde val geloopen en men heeft u gisteren gezien. Men weet dus, dat wij hier zijn en niet zullen rusten voor wij Santer hebben gevat en Hawkins hebben bevrijd. Nu is Santer bang geworden en heeft hij zich uit de voeten gemaakt.
—Ja, maar het kan ook anders zijn. De zoon van het opperhoofd is verdwenen en dit brengen de Kiowa’s natuurlijk is verband met ons verschijnen, zij zullen wel vermoeden dat hij in onze handen is gevallen. Tangua is daarover zeer vertoornd en heeft zijn woede willen koelen aan Santer, die aan alles schuld is en heeft dezen daarom weggejaagd.
—Dat kan ook zijn, Santer heeft vermoedelijk moeten hooren, dat de Kiowa’s hem niet langer in hun midden dulden.
—Maar waarom is hij te water gevlucht en heeft hij zijn paard in den steek gelaten? [416]
—Uit vrees voor ons. Hij vreesde ons hier te zullen ontmoeten, en wanneer dit niet geschiedde, konden wij zijn spoor ontdekken en volgen. Daarom zal hij zijn paard wel voor een kano hebben verruild. Hij kon niet vermoeden dat wij ons hier op dit eiland bevonden en hem zouden zien. Nu hij ons heeft gezien, begrijpt hij dat wij hem zullen achtervolgen en hij zal vlug oproeien om ons te ontkomen. Denkt gij, dat gij hem te paard kunt inhalen?
—Het zal moeilijk zijn, maar niet onmogelijk, wij moeten de krommingen van de rivier zien af te snijden.
—Dat gaat niet. Ik moet mijn broeder Winnetou wel opmerkzaam maken, dat dit een groote fout zou zijn.
—Waarom?
—Omdat Santer licht op de gedachte kan komen, zijn vlucht te land voort te zetten, aangezien voor hem de kans om te ontkomen dan grooter is. Daar gij evenwel niet kunt weten, aan welken kant van de rivier hij in dit geval wil landen, zal het wel het beste zijn, uw krijgers te verdeelen en langs de beide oevers van de Red-River te rijden.
—Mijn broeder heeft gelijk, wij zullen doen wat hij gezegd heeft.
—Gij moet evenwel nauwkeurig opletten, opdat de plaats, waar hij aan wal stapt u niet ontga. Ook moet gij de krommingen niet afsnijden, want daar de rivier slangvormig loopt, zou, terwijl de eene afdeeling van u een bocht afsneed, de andere een des te grooteren omweg moeten maken. Op deze wijze zoudt gij te veel van elkander afkomen.
—Het is zooals mijn broeder zegt en wij zijn dus gedwongen alle krommingen van de rivier te volgen. Wij mogen nu geen minuut meer verliezen.
—Hoe gaarne zou ik met u gaan, maar het is mijn plicht voor Sam Hawkins te zorgen, ik mag hem hier niet alleen laten.
—Ik zal nooit iets van u verlangen, dat in strijd is met uw plicht. Gij moogt niet meegaan, maar wanneer de Groote Geest het wil, zullen wij elkander binnen enkele dagen weerzien.
—Waar?
—Wanneer gij van hier rijdt, wend u dan naar de plaats waar de rivier samenvloeit met den Rio Bosco de Natchitoches. Aan den linkeroever van deze vereenigde rivieren zult gij een mijner krijgers vinden, indien een ontmoeting tusschen ons mogelijk is.
—En als ik geen krijger aantref?
—Dan ben ik nog achter Santer aan en weet niet, waarheen hij gevlucht is. Ik kan u dus dan ook niet laten weten, waar gij mij kunt vinden. Reis in dit geval met uw drie kameraden naar [417]St. Louis naar de bleekgezichten, die een weg willen bouwen voor het ijzeren ros. Ik verzoek u echter tot ons terug te keeren, zoodra de goede Manitou het u veroorlooft. Gij zijt steeds welkom in het Pueblo aan den Rio-Pecos en mocht ik er niet zijn, dan zult gij daar vernemen, waar ik ben1.
Gedurende dit gesprek hadden de Apachen zich gereedgemaakt voor den tocht. Winnetou gaf Dick Stone en Will Parker de hand, toen wendde hij zich weer tot mij:
—Mijn broeder weet, hoe welgemoed wij waren, toen wij onzen rit begonnen, den rit, dien Intschu Tschuna en Nscho-Tschi het leven heeft gekost. Als gij eenmaal tot ons terugkeert, zult gij niet meer de stem hooren van de schoonste dochter der Apachen, die in plaats van naar de steden der bleekgezichten, naar het land der afgestorvenen is gegaan. Ik hoop, dat ik u daar beneden aan den mond van den Rio-Posco, tijding kan geven, mocht dit evenwel niet het geval zijn, blijf dan niet al te lang in de steden van het oosten, maar keer spoedig tot mij terug. Gij weet, wie gij mij moet vergoeden. Wilt gij mij beloven, spoedig te komen, mijn beste, beste broeder Charley?
—Ik beloof het u. Mijn hart gaat met u. Gij weet welke beloften ik den stervenden Kleki-Petra heb gegeven en ik zal die belofte houden.
—Dan leide de goede Manitou uw schreden en bescherme u op al uw wegen. Howgh!
Hij omarmde mij, gaf zijn lieden een kort bevel en besteeg zijn paard. De Apachen verdeelden zich, de eene helft bleef op den rechteroever, de andere helft zwom naar den linker onder aanvoering van Winnetou, die stellig niet rusten zou, alvorens hij Santer voor zijn misdaden had doen boeten.
Stone en Parker zagen, dat ik weemoedig gestemd was. De eerste zeide daarom, op zijn gewonen trouwhartigen toon:
—Trek het u niet te zeer aan, sir! Wij zullen de Apachen spoedig terugzien. Wij kunnen hem immers narijden, zoodra wij Sam hebben bevrijd. Laat ons daarom niet te lang wachten, met de uitlevering der gevangenen. Hoe denkt gij dat aan te leggen?
—Laat mij eerst eens hooren, wat gij er van denkt, beste Dick. Gij hebt meer ervaring dan ik.
Hij streelde, gevleid door deze woorden, zijn baard en antwoordde:
—Ik houd het voor het eenvoudigste, den gevangenen Kiowa nu dadelijk naar Tangua te zenden en hem de boodschap mee te geven, waar zich de zoon van het opperhoofd bevindt en onder welke voorwaarden hij vrij zal zijn. Wat zegt gij er van, Will? [418]
—Hm!—bromde Parker,—nog nooit hebt gij zoo iets doms gezegd.
—Dom? Voor den drommel, waarom dom?
—Wel, als wij zeggen, waar wij zijn, stuurt Tangua zijn krijgers hierheen en deze nemen ons Pida af, zonder dat wij Sam ervoor terugkrijgen. Ik zou het anders aanleggen.
—En hoe dan?
—Wij verlaten dit eiland en begeven ons naar de prairie, waar wij vrij om ons heen kunnen zien. Dan zenden wij den Kiowa naar het dorp en stellen de voorwaarde, dat er slechts twee krijgers mogen komen, om ons Sam te brengen, waarvoor zij dan Pida mogen meenemen. Komen er meer, dan zien wij hen van verre aankomen en kunnen hen met onze geweren opwachten. Vindt ge niet, dat dit het beste zal zijn, sir?
—Ik zou nog liever in het geheel geen bode zenden,—antwoordde ik.
—Geen bode? Maar hoe zal Tangua dan te weten komen, dat zijn zoon.…
—Hij komt het te weten,—viel ik hem in de rede.
—Door wien?
—Door mij.
—Door u? Wilt gij dan zelf naar het dorp gaan?
—Ja.
—Doe dat niet, sir! Dat is te gevaarlijk, men zou u dadelijk gevangennemen.
—Dat geloof ik niet.
—Zeker, zeker.
—Dan zou Pida immers verloren zijn. Ik heb geen lust mijn gevangene als bode weg te zenden en daardoor mijn gijzelaar te verliezen.
—Dat is wel waar, maar waarom wilt gij nu juist naar het dorp; ik kan het toch ook doen.
—Ik wil gaarne gelooven, dat gij er wel den moed toe hebt, maar ik acht het beter, zelf met Tangua te spreken.
—Bedenk echter, hoe woedend hij op u is. Als ik bij hem kom, neemt hij onze voorwaarden misschien eerder aan, dan wanneer hij zich ergert aan uw tegenwoordigheid.
—Juist daarom wil ik zelf gaan. Hij moet zich ergeren, hij moet woedend worden, omdat ik het durf wagen tot hem te komen, zonder dat hij mij iets durft te doen. Als ik iemand anders zend, denkt hij misschien dat ik bang voor hem ben en zulk een verdenking wil ik niet op mij laden.
—Ga dan uw gang maar, sir! Waar zullen wij intusschen blijven? [419]Hier op het eiland? Of zullen wij een andere, betere plaats opzoeken?
—Er is geen betere.
—Goed dan. Maar wee onzen gevangene, als u iets overkomt. Wij zouden in dit geval geen medelijden met hem hebben. Wanneer wilt gij gaan?
—Vanavond.
—Eerst vanavond? Is dat niet te laat? Als alles goed gaat, kon de uitwisseling reeds vanmiddag gebeurd zijn en wij konden dan Winnetou achterna rijden.
—Dan zullen de Kiowa’s ons allen te zamen achtervolgen en vermoorden.
—Denkt gij dat?
—Ja, Tangua zal ons gaarne Sam willen geven, als hij daarvoor zijn zoon terugkrijgt, maar wanneer hij dezen eenmaal heeft, zal hij alle moeite doen, om zich op ons te wreken. De uitwisseling der gevangenen moet des avonds geschieden, dan rijden wij weg, om gedurende den nacht een eind vooruit te komen. Het is bovendien beter tot aan den avond te wachten, opdat de angst voor het leven van zijn zoon, des te grooter zal zijn.
—Dat is waar. Maar als men ons voor dien tijd hier ontdekt, Mr. Shatterhand?
—Dan is het nog niet zoo erg.
—Er zal natuurlijk naar Pida gezocht worden en zoo zullen de roodhuiden misschien ook op het eiland komen.
—Op het eiland niet, maar waarschijnlijk zult gij hen wel aan den oever zien. Zij moeten dan Winnetou’s spoor ontdekken en zullen meenen dat wij met Pida weggetrokken zijn. Dat zal Tangua nog meer zorg geven. Luister!
Men vernam den klank van menschelijke stemmen. De nevel begon op te trekken en wij konden den oever zien. Daar stonden verscheidene Kiowa’s, die elkander luide hun verwondering te kennen gaven, voor de paardesporen, welke zij zooeven hadden ontdekt, toen evenwel verdwenen zij haastig, zonder een blik naar het eiland te hebben geworpen.
—Zij zijn weg, zij schijnen haast te hebben—zeide Dick Stone.
—Zij zijn natuurlijk naar het dorp om Tangua hun ontdekking mede te deelen. Hij zal wel dadelijk een troep ruiters zenden, om dit spoor te volgen.
Deze voorspelling bevestigde zich ongeveer twee uur later. Een troep ruiters verscheen aan den oever, zocht het spoor en volgde dit in galop. Dat deze Kiowa’s Winnetou zouden inhalen, was niet [420]wel mogelijk, daar deze minstens even snel zouden rijden. Het spreekt vanzelf, dat wij drieën zacht hadden gesproken; de gevangenen hoefden niet te hooren, wat wij tot elkander zeiden. Zij hadden ook niet gezien, wat aan den oever was voorgevallen, want zij lagen gebonden achter de struiken in het gras.
Den geheelen voormiddag scheen de zon en terwijl wij door haar warme stralen onze natte kleederen wat lieten opdrogen, strekten wij ons behaaglijk in het gras uit, om tot aan den avond kalm uit te rusten. Tegen den middag zagen wij een voorwerp de rivier komen afdrijven. Het was een kano en wel die, met welke ik Pida had ontvoerd, zij was dus uit de Salt-Fork in de Red-River gedreven en kwam waarschijnlijk nu pas voorbij het eiland, omdat zij nu en dan aan de overhangende struiken was blijven hangen. Toen zij binnen mijn bereik was, haalde ik haar op het eiland, om er ’s avonds gebruik van te kunnen maken, wanneer ik naar het dorp zou gaan.
Zoodra het donker was geworden, schoof ik de boot weer in het water en roeide den stroom op, Stone en Parker gaven mij hun beste wenschen mede. Ik zeide hun, dat zij zich niet over mij ongerust behoefden te maken, wanneer ik den volgenden morgen nog niet teruggekeerd zou zijn.
Het roeien tegen den stroom ging zeer langzaam, zoodat ik eerst na verloop van een uur uit de Red-River in de Salt-Fork kwam. Toen ik dicht bij het dorp was, roeide ik naar den oever en bond de kano aan een boom vast.
Ik zag weder zooals gisteren de vuren branden, de mannen er omheen zitten, de vrouwen af en aan loopen. Ik had gedacht, dat het dorp vandaag scherp zou zijn bewaakt, maar ik zag, dat dit niet het geval was. De Kiowa’s hadden de sporen der Apachen gevonden, hen krijgers nagezonden en waanden zich dus veilig.
Tangua zat ook heden voor zijn tent, maar had nu alleen zijn beide jongste zonen bij zich. Hij hield het hoofd gebogen en staarde somber in het vuur.
Ik bevond mij nu op den linkeroever van de Salt-Fork, op welken het dorp lag en sloop achter de andere tenten om, tot ik voor die van het opperhoofd kwam. Er was geen mensch in de nabijheid die mij kon zien. Nu ging ik op den grond liggen en kroop naar de achterzijde van de tent. Daar aangekomen, hoorde ik den diepen, eentonigen klaagzang van het opperhoofd, hij treurde op Indiaansche wijze over het verlies van zijn lievelingszoon. Nu kroop ik om de tent heen, naar de andere zijde, richtte mij op en stond plotseling naast hem.
—Waarom zingt Tangua klaagliederen? Een dapper krijgsman mag nooit een klacht laten hooren, het jammeren is goed voor oude vrouwen. [421]
Het is onmogelijk te zeggen, hoe mijn verschijnen hem deed schrikken. Hij wilde spreken, maar kon geen woorden vinden, hij wilde opstaan, maar moest wegens zijn verbrijzelde knieën blijven zitten. Met wijd opengespalkte oogen zag hij mij aan, als een spook en stamelde eindelijk:
—Old.… Old.… Shat.… Shat.… oef, oef, oef!.… hoe komt.… waar zijt.… gij zijt nog hier.… nog niet weg?
—Zooals gij ziet, ben ik nog hier. Ik ben gekomen om met u te spreken.
—Old-Shatterhand!—bracht hij eindelijk met moeite uit.
Toen zijn beide knapen dit woord hoorden, vluchtten zij in de tent.
—Old-Shatterhand!—herhaalde het opperhoofd nog steeds onder den indruk van den eersten schrik, toen evenwel nam zijn gezicht een uitdrukking van woede aan en hij schreeuwde het een of andere bevel dat ik evenwel niet kon verstaan, omdat hij zich van zijn dialect bediende.
Een oogenblik daarna verhief zich in het dorp een gehuil van woede, alsof de aarde onder mijn voeten beefde en alle krijgers, die in het dorp waren, kwamen met messen zwaaiend op ons toegeloopen. Nu trok ik ook mijn mes en schreeuwde Tangua in het oor:
—Moet Pida worden doodgestoken? Hij zendt mij tot u!
Ondanks het gehuil verstond hij mijn woorden en onmiddellijk hief hij de hand op. Er volgde een stilte, de Kiowa’s vormden een kring rondom ons. Naar de blikken te oordeelen, met welke zij mij schenen te willen verslinden, kwam ik niet levend uit dezen kring. Ik zette mij naast Tangua neer, zag hem kalm in het strakke gezicht en zeide:
—Er heerscht een doodelijke vijandschap tusschen mij en Tangua; dat is niet mijn schuld, maar het laat mij ook geheel koud, want het is mij onverschillig of ik met mijn vrienden, één der krijgers of zijn geheelen stam ten verderve breng. Dat ik niet bang voor hem ben, bewijs ik door mij geheel alleen te midden in zijn dorp te begeven. Ik wil evenwel kort zijn: Pida bevindt zich in onze handen en wordt aan een boom opgehangen, wanneer ik niet op een bepaalden tijd terug ben.
Geen woord, geen beweging der om ons heen staande roodhuiden verried den indruk, welken deze woorden maakten. De oogen van het opperhoofd fonkelden van woede, dat hij mij niets kon doen, zonder het leven van zijn zoon in gevaar te brengen.
Knarsetandend stamelde hij:
—Hoe.… hoe.… hoe is hij in uw handen geraakt?
—Ik was gisteren daarginds op het eiland, toen hij met Sam Hawkins sprak en heb hem neergeveld en meegenomen. [422]
—Oef! Old-Shatterhand is de lieveling van den boozen geest, die hem ook wederom heeft beschermd. Waar is mijn zoon?
—Op een veilige plaats, die gij nu nog niet moogt weten, maar die hij u later zelf wel zal zeggen. Uit deze mijn laatste woorden, ziet ge wel, dat het niet mijn plan is, Pida te dooden. Wij hebben ook nog een anderen Kiowa bij ons, die wij gevangen namen, ik haalde hem uit een doornstruik, waarin hij zat om ons te beluisteren. Hij zal met uw zoon vrij zijn, als gij mij Sam Hawkins daarvoor in de plaats geeft.
—Oef! Dien kunt gij krijgen. Breng mij maar eerst Pida en den anderen Kiowa.
—Brengen? Ik denk er niet aan! Ik ken Tangua en weet, dat hij niet te vertrouwen is. Ik geef twee voor een, dat is ten minste billijk genoeg. Daarom eisch ik evenwel, dat gij mij niets in den weg legt.
—Bewijs mij eerst, dat Pida werkelijk bij u is!
—Bewijzen? Hoe komt gij er bij? Old-Shatterhand is geen Tangua! Laat mij eerst Sam Hawkins zien. Hij zal niet meer op het eiland zijn, daar acht gij hem niet meer veilig. Ik moet hem spreken.
—Wat wilt gij met hem bespreken?
—Ik moet uit zijn eigen mond hooren, hoe hij het hier bij u heeft gehad. Daarna zullen wij het overige regelen.
—Ik moet eerst met mijn oudste krijgers overleggen. Ga naar de volgende tent, zoo aanstonds zult gij hooren wat wij denken te doen.
—Goed! Maak het echter kort, want wanneer ik niet op den bepaalden tijd terug ben, wordt Pida opgehangen.
Opgehangen te worden is de smadelijkste dood voor een roodhuid! Men kan zich dus voorstellen, hoe woedend Tangua was! Ik ging naar de volgende tent en zette mij neer, natuurlijk hier eveneens door krijgers omgeven. Tangua riep zijn raadslieden bijeen en overlegde met hen.
Na eenigen tijd zond het opperhoofd een bode weg, deze verdween in een tent en haalde daaruit mijn kleine Sam. Ik sprong op en liep hem tegemoet. Toen hij mij zag, riep hij jubelend:
—Heigh-day, Old-Shatterhand! Ik heb altijd wel gezegd, dat gij zoudt komen! Wilt gij uw ouden Sam wel weer terug hebben, beste kameraad?
Hij stak mij zijn gebonden handen toe, om mij te begroeten.
—Ja,—antwoordde ik,—de greenhorn is gekomen, om u te bewijzen, dat gij de grootste meester in het besluipen zijt. Men mag zeggen wat men wil, gij loopt altijd den verkeerden kant uit! [423]
—Spaar die verwijten voor later, mijn teergeliefde sir en vertel mij liever of mijn Mary nog bestaat.
—Zij is bij ons.
—En Liddy?
—Dat geweer? Ja, dat hebben wij ook gered.
—Dan is alles in orde, als ik mij niet vergis; kom laat ons maken, dat wij wegkomen, het wordt hier werkelijk vervelend.
—Geduld, beste Sam. Gij doet alsof het slechts kinderspel is, hier te komen en u te bevrijden!
—Dat is het ook, kinderspel, voor u natuurlijk. Ik zou wel eens willen weten, wat gij niet voor elkaar kreeg. Gij zoudt mij van de maan afhalen als ik het in mijn hoofd kreeg naar boven te loopen, hihihihi!
—Lach maar! Het is een bewijs, dat gij het hier niet al te slecht hebt gehad.
—Slecht? Goed heb ik het gehad, buitengewoon goed! Iedere Kiowa had mij op zijn eigen manier lief, zij hebben mij geliefkoosd en gevoed en als ik wilde gaan slapen, behoefde ik niet eens te gaan liggen, want ik lag altijd op mijn rug.
—Heeft men u alles afgenomen?
—Zeker. Mijn zakken zijn leeg.
—Gij krijgt alles terug, als het er althans nog is.
Ik liet nu het opperhoofd weten dat ik niet langer durfde blijven, wilde het leven van zijn zoon geen gevaar loopen en nu volgde een kort gesprek, waarvan het gevolg was, dat ik mijn zin kreeg. Vier gewapende krijgers zouden Sam en mij begeleiden en onze beide gevangenen mee terugnemen. Mochten ons heimelijk meer Kiowa’s volgen dan dreigde ik met Pida’s dood.
Eigenlijk was het van hun kant een weinig gewaagd mij Sam mee te geven; ik had immers den vier, ons begeleidenden krijgers een poets kunnen bakken, maar men sloeg geloof aan mijn woorden en men heeft Old-Shatterhand naderhand ook steeds geloofd. Waar wij naar toe wilden roeien, zeide ik natuurlijk niet. Toen Sam zijn handen weer vrij had, zwaaide hij met zijn korte armen in de lucht en riep:
—Vrij, weer vrij! Dat kan ik nooit vergeten, sir! En nooit zal ik weer naar links loopen, als uw beenen naar rechts willen gaan!
Toen wij gereed waren, heen te gaan, hoorden wij hier en daar een gemompel van toorn en woede. De Indianen ergerden zich, dat zij den gevangene en vooral mij, moesten laten gaan en Tangua wierp mij nog toe:
—Gij zijt veilig, tot aan de terugkomst van mijn zoon, maar dan [424]zal de geheele stam u achtervolgen, wij zullen uw spoor wel vinden en u vatten al zoudt gij ook door de lucht wegrijden!
Ik achtte het onnoodig een antwoord te geven op deze bedreiging en bracht Sam en de vier Kiowa’s naar de rivier, waar wij twee aan twee, ik natuurlijk met Sam, in een kano stapten. De Indianen huilden en brulden, totdat wij geheel uit het gezicht waren.
Terwijl ik stuurde, moest ik Sam vertellen, wat er sedert zijn gevangenneming was voorgevallen. Hij betreurde het, dat Winnetou afscheid van ons had moeten nemen, maar was wel eenigszins bevreesd geweest, voor de verwijten, welke hem van Winnetou’s zijde wachtten.
Wij kwamen, ondanks de duisternis, gelukkig op het eiland aan en werden door Dick en Will met luid gejubel ontvangen.
Wij leverden de beide gevangenen uit, die ons geen enkel woord tot afscheid toevoegden en wachtten tot wij de riemslagen van de terugkeerende kano’s niet meer koorden. Toen bestegen wij onze paarden en reden naar den linkeroever der rivier. Wij moesten in dezen nacht een eind vooruit zien te komen, het was dus maar goed, dat Sam de streek tamelijk goed kende. Hij zat recht op in den zadel, balde dreigend de vuist en zeide, wijzend naar den kant, waar de roodhuiden gelegerd waren:
—Nu steken zij de hoofden weer bij elkaar om te beraadslagen hoe zij ons weer in de handen zullen krijgen. Sam Hawkins is evenwel niet weer zoo dom, in een gat te kruipen, waaruit een greenhorn hem moet halen. Mij krijgt geen Kiowa weer, als ik mij niet vergis!
En nu het vervolg, lezers?
Natuurlijk wilt ge gaarne nog meer hooren van Winnetou en Old-Shatterhand, van Dick en Will en van Sam Hawkins. Welnu, bijna al onze vrienden die in dit boek voorkomen kunt gij terugvinden in het volgende deel getiteld:
DE PELSJAGERS VAN DEN RIO PECOS.
en verder in de deelen voor in dit boek genoemd.