De herfst die in Noord-Amerika zoo mooi kan zijn, liep ten einde; wij waren reeds meer dan drie maanden bezig geweest en nog was onze taak niet afgeloopen, terwijl de andere secties meest allen reeds naar huis waren teruggekeerd. Daarvoor bestonden twee redenen.

Ten eerste hadden wij een zeer moeielijke streek te bewerken. De weg moest den loop van de Canadian-rivier volgen, de richting was dus tot aan het brongebied van deze rivier voorgeschreven, terwijl hij van Nieuw-Mexico uit, door de ligging der dalen en passen was bepaald. Onze sectie evenwel, lag tusschen de Canadian-rivier en Nieuw-Mexico in, en wij moesten zelf de geschiktste richting zoeken. Daarom moesten wij vele tijdroovende ritten, vele inspannende zwerftochten en vele opmetingen doen, voor wij met het eigenlijke werk konden beginnen. Bovendien bevonden wij ons in een gevaarlijke streek, want er zwierven in deze buurt gedurig Indianenstammen rond, die van een spoorweg, door een terrein, dat zij als het hunne beschouwden, niets wilden weten. Wij moesten dus steeds op onze hoede zijn en dit maakte ons werk zooveel moeilijker. Met het oog op deze rondzwervende stammen, moesten wij er ook van afzien op jacht te gaan, want dit zou hen op ons spoor kunnen brengen. Alles wat wij noodig hadden moest met ossenwagens uit Santa-Fé worden aangevoerd. Jammer genoeg was dit transport zeer ongeregeld en wij konden dikwijls niet met onze opmetingen voortgaan, omdat wij op de aankomst der wagens moesten wachten.

De tweede reden was deze. Ik heb reeds gezegd, dat ik in Sint-Louis zeer vriendelijk was ontvangen door den hoofdingenieur en de drie opzichters. Deze ontvangst deed mij verwachten, dat wij prettig samen zouden werken, maar daarin had ik mij vergist.

Mijn collega’s waren echte Yankees, die in mij den „greenhorn”, [23]den onervaren Duitscher zagen. Zij wilden veel geld verdienen zonder er naar te vragen, of zij hun taak ook werkelijk naar behooren vervulden. Ik was als eerlijk man een doorn in hun oog, maar ik stoorde mij niet aan hen en deed, wat ik mijn plicht achtte. Reeds heel spoedig had ik opgemerkt, dat hun kennis niet heel groot was, zij lieten mij het moeielijkste werk doen en namen het zelf zoo gemakkelijk mogelijk op. Ik had daar niets tegen, want ik wist, dat men van werken beter wordt.

Mr. Bancroft, de hoofdingenieur, was de knapste van allen, jammer genoeg bleek het, dat hij duchtig de brandewijnflesch kon aanspreken. Sedert er eenige vaatjes van dit nat uit Santa-Fé waren meegebracht, hield hij zich daarmee meer bezig, dan met zijn meetinstrumenten. Het kwam wel voor, dat hij dagen aaneen dronken was en Rigss, Marcy en Wheeler, de drie opzichters, die met mij dezen snaps hadden moeten betalen, dronken, om niet aan het kortste eind te komen, met hem mee. Men kan dus denken dat deze heeren ook niet altijd in staat waren hun werk te doen. Daar ik nooit een droppel nam werkte ik alleen, terwijl zij afwisselend zich bedronken, of hun roes uitsliepen. Wheeler was nog de beste, want hij zag ten minste in, dat ik alles voor hem deed zonder daartoe verplicht te zijn. Dat het werk onder deze omstandigheden weinig vorderde, zal ieder kunnen begrijpen.

Het overige gezelschap liet niet minder te wenschen over. Wij hadden bij onze aankomst aan de sectie twaalf op ons wachtende prairiejagers gevonden. Ik, als nieuweling, koesterde in den eersten tijd, diepen eerbied voor hen, maar ik zag maar al te spoedig in, dat ik met lieden van zeer weinig zedelijk gehalte te doen had. Zij moesten ons beschermen en ons bij het werk behulpzaam zijn. Gelukkig kwam volle drie maanden lang niets voor, dat mij aanleiding kon geven, mij onder deze twijfelachtige bescherming te stellen en wat hun hulp bij het werk betreft, zoo kon ik met volle recht beweren, dat hier de twaalf grootste luiaards van de Vereenigde Staten bijeen waren gekomen. Hoe treurig moest het dus onder zulke omstandigheden, met tucht en orde gesteld zijn!

Bancroft was in naam het hoofd, hij deed ook, alsof hij dit was, gaf bevelen, maar niemand gehoorzaamde. Als hij iets zeide, lachte men hem uit, dan vloekte hij, zooals ik zelden een mensch heb hooren vloeken en ging naar het brandewijnvat om een kleine belooning voor deze inspanning. Rigss, Marcy en Wheeler deden niet veel anders. Ik had dus alle reden om de teugels in handen te nemen en ik deed dit ook, maar zoo, dat men het niet bemerkte. Zulk een jong en onervaren mensch kon door zulke lieden onmogelijk voor vol worden [24]aangezien. Indien ik eens beproefd had op gebiedenden toon te spreken zou ik natuurlijk uitgelachen zijn geworden. Neen, ik moest voorzichtig te werk gaan, en hen met een zacht lijntje leiden, zoodat zij, denkende hun eigen zin te doen, per slot van rekening den mijnen volgden. Ik werd door deze half wilde, moeilijk te regeeren prairiejagers wel tienmaal daags een „greenhorn” genoemd, maar daaraan stoorde ik mij niet meer en werd er zelfs niet eens kregelig onder.

Hierbij had ik een voortreffelijke steun aan Sam Hawkins en zijn makkers, Dick Stone en Willy Parker. Deze drie mannen waren door en door eerlijk en bovendien wat ik den kleinen Sam bij onze eerste ontmoeting niet had aangezien, ervaren, verstandige, dappere jagers, wier namen een goeden klank hadden. Zij bemoeiden zich enkel met mij en lieten de anderen links liggen, evenwel zoo, dat deze zich niet beleedigd konden gevoelen. Vooral Sam Hawkins verstond de kunst, om, ondanks zijn dwaze eigenaardigheden, aan de anderen eerbied in te boezemen, en meestal wanneer hij op half strengen, half gekscherenden toon iets doorzette, geschiedde dit om mij behulpzaam te zijn in ’t geen ik wilde, dat gebeuren zou.

Er was tusschen hem en mij een soort van verhouding geboren geworden, die ik het beste met den naam van suzereiniteit, zou kunnen betitelen. Hij had mij onder bescherming genomen, en wel als iemand, wien men niet behoeft te vragen, of hem dit welgevallig is. Ik was een „greenhorn” en hij een ervaren prairiejager, wiens woorden en daden voor mij onfeilbaar dienden te zijn. Hij gaf mij zoo dikwijls zich daartoe de tijd en gelegenheid aanbood, theoretisch en practisch onderricht in alles, wat men in de Far-West moet weten en kennen, en wanneer ik heden ten dage moet erkennen, dat ik aan Winnetou’s zijde de hoogeschool doormaakte, zoo moet ik zeggen, dat Sam Hawkins mijn eerste onderwijzer is geweest. Hij maakte zelfs eigenhandig een lasso voor mij gereed en stond mij toe, mij in het werpen op zijn persoon en zijn paard te oefenen. Toen ik het daarmede zoover had gebracht, dat de strop bij iederen worp het doel greep, verheugde hij zich hartelijk met mij en riep:

—Mooi zoo, jongeheer, zoo gaat het goed. Maar trek u niet te veel aan van mijn goedkeuring. Een schoolmeester moet zelfs den domsten leerling zoo nu en dan eens een prijsje geven. Ik heb reeds menig jongmensch deze kunst geleerd en allen hebben het veel spoediger beetgehad, dan gij, maar wanneer gij u zoo vlijtig oefent, bestaat er kans, dat men u na zes of acht jaar, geen „greenhorn” meer behoeft te noemen. Tot zoolang moogt gij u troosten, met het spreekwoord, dat Hans wel eens door zijn domheid voortkomt. [25]

Hij zeide dit met den grootsten ernst en ik hoorde het ook met denzelfden ernst aan, hoewel ik zeer goed wist, dat hij het anders meende.

Van al zijn lessen waren mij de practische het aangenaamste, want mijn eigen werk nam mij zoo in beslag, dat ik, wanneer Sam Hawkins er niet geweest was, er niet den tijd zou hebben afgenomen om mij nog te oefenen in de vaardigheden, die noodzakelijk zijn voor een goed prairiejager. Trouwens, wij deden deze oefeningen in ’t geheim en gingen steeds op zulk een afstand van de legerplaats, dat men ons niet kon zien. Sam was daarop gesteld en toen ik hem eens naar de reden vroeg, antwoordde hij:

—Dat gebeurt alleen om u, sir. Gij hebt zoo weinig aanleg, dat ik mij tot in mijn ziel zou schamen, als die kerels het zagen. Nu weet ge het, hihihihi! Steek die in je zak!

Het gevolg daarvan was, dat het geheele gezelschap mij, wat betreft hanteering der wapenen en lichamelijke kracht, voor een nul aanzag, wat mij echter niet in het minste hinderde. Niettegenstaande alle zooeven genoemde feiten, waren wij eindelijk toch zoover gekomen, dat wij de aansluiting aan de volgende sectie, na verloop van een week tegemoet konden zien. Om dit mee te deelen, moest een bode worden afgezonden. Bancroft verklaarde, dat hij deze boodschap zelf wilde brengen en een der jagers als gids wilde medenemen. Het was niet de eerste keer, dat er een boodschap moest worden gedaan; wij hadden, zoowel met de sectie voor als achter ons, steeds de gemeenschap onderhouden; daarvan wist ik dan ook, dat de ingenieur, die over de sectie vóór ons het bevel had, een flinke man was.

Het was op een Zondag, dat Bancroft den tocht wilde gaan aanvaarden. Hij vond het echter noodig eerst een afscheidsdronk aan te bieden. Ik alleen werd daarbij niet uitgenoodigd en Hawkins, Stone en Parker gaven aan de hun gedane uitnoodiging geen gevolg. Zooals ik wel gedacht had, hield men niet op met drinken voor Bancroft niet meer op de beenen kon staan en ook de anderen niet minder dronken waren dan hij. Van den voorgenomen tocht kon voorloopig niets komen. De kerels deden wat zij in dezen toestand altijd deden; zij gingen onder de boomen liggen om hun roes uit te slapen.

Wat nu te doen? De boodschap moest gedaan worden, en deze kerels zouden in elk geval niet voor laat in den middag wakker worden. Het was het beste, dat ik den tocht ondernam, maar kon ik wel weg? Ik wist zeker, dat er tot aan mijn terugkomst, die minstens vier dagen zou duren, van werken geen sprake zou zijn. Terwijl ik met Sam Hawkins stond te overleggen, wees deze met de hand naar het westen en zeide: [26]

—’t Is niet noodig, sir, dat gij gaat, gij kunt de boodschap meegeven aan die twee, die daarginds aankomen.

Toen ik in de aangeduide richting keek, zag ik twee ruiters die snel naderden. Het waren blanken en in den eenen herkende ik den ouden scout (spoorzoeker), die reeds meermalen als boodschapper tusschen ons en de andere secties dienst had gedaan.

Naast hem reed een jonge man, die niet als prairiejager was gekleed, en dien ik niet kende. Ik ging hen tegemoet en toen ik hen bereikt had, hielden zij de paarden in en vroeg de jonge onbekende naar mijn naam. Ik zeide hem dien, hij zag mij met een vriendelijken blik aan en begon:

—Zoo, zijt gij de jonge Duitscher, die hier al het werk doet, terwijl de anderen op hun rug liggen? Ik zal u ook mijn naam zeggen, sir, ik heet White.

Dit was de naam van den ingenieur der westelijk aan ons grenzende sectie, aan wien de boodschap moest worden gericht. Er moest een bepaalde reden voor zijn, dat hij persoonlijk hier kwam. Hij steeg van zijn paard, stak mij de hand toe en liet zijn oog gaan over onze legerplaats. Toen hij de slapenden onder de boomen gewaar werd, gleed een veelbeteekenend, maar geenszins vriendelijk lachje over zijn gezicht.

—Zijn zij dronken?—vroeg hij.

Ik knikte toestemmend.

—Allen?

—Ja. Mr. Bancroft wilde naar u toe, en gaf eerst een klein afscheidsfeestje. Ik zal hem wekken en …

—Halt!—viel hij mij in de rede.—Laat hen slapen! Ik ben blij, dat ik met u kan spreken, zonder dat zij het hooren. Laat ons een weinig ter zijde gaan. Wie zijn de drie mannen, die daar bij u stonden?

—Sam Hawkins, Willy Parker en Dick Stone, onze drie vertrouwbare gidsen.

—Ah, Hawkins, de kleine zonderling, een flinke kerel, ’k heb wel van hem gehoord. Die drie mogen wel met ons gaan.

Ik wenkte hen en zeide intusschen tot Mr. White:

—Gij komt zelf hier, Mr. White, is er iets bijzonders aan de hand?

—Niets, dan dat ik zelf hier eens poolshoogte wilde nemen en met u, juist met u, wilde spreken. Wij zijn met onze sectie gereed, gij nog niet met de uwe.

—Dat komt van de moeilijkheden van het terrein, en ik wil …

—Ik weet het wel, ik weet het wel!—viel hij mij in de rede.—Ik weet helaas alles! Als gij niet werk voor drie hadt gedaan, stond Mr. Bancroft nog daar, waar hij moest beginnen. [27]

—Dat is volstrekt het geval niet, mr. White. Ik weet niet, wie u verteld heeft, dat ik alleen vlijtig zou zijn geweest en het is mijn plicht—

—Zwijg, sir, er zijn telkens boden tusschen u en ons heen en weer gereden, en ik heb hen uitgehoord, zonder dat zij ’t merkten. Het is zeer edelmoedig van u, dat gij deze dronkaards in bescherming neemt, maar ik wil de waarheid weten. En daar ik zie en hoor, dat gij te eerlijk zijt, om haar mij te zeggen, zal ik het maar aan Sam Hawkins vragen. Laat ons gaan zitten!

Wij waren naar onze tent gegaan. Hij ging in ’t gras voor de tent zitten en noodigde ons uit ’t zelfde te doen. Toen wij goed en wel gezeten waren, begon hij Sam Hawkins, Stone en Parker uit te vragen. Zij vertelden hem alles, zonder een enkel woord te veel te zeggen, maar toch wierp ik zoo nu en dan een woordje in ’t midden, om mijn collega’s te verschoonen of te verdedigen.

Deze opmerkingen maakten evenwel niet den gewenschten indruk op Mr. White, integendeel verzocht hij mij herhaalde malen, niets tot hun verschooning in te brengen, daar hen dit toch niet zou helpen.

Eindelijk, toen hij alles wist, eischte hij van mij, dat ik hem onze teekeningen en het dagboek zou laten zien; ik behoefde dit niet te doen, maar ik deed het, omdat ik hem anders zou hebben gekrenkt en omdat ik zag, dat hij ’t goed met mij meende. Hij zag alles nauwkeurig na, en toen hij mij op den man af vroeg, kon ik niet loochenen, dat ik alleen de teekenaar en schrijver was geweest, want geen der anderen had een pennestreek gedaan of een letter geschreven.

—Maar aan dit dagboek kan men niet zien, hoeveel arbeid ieder voor zich heeft gedaan, gij zijt veel te ver gegaan in uw collegialiteit.

Toen merkte Hawkins met een guitig gezicht op:

—Zoek zijn borstzak eens na, Mr. White. Daar zult gij een blikje vinden, waarin sardinen zijn geweest. In plaats van de vischjes zitten er papieren in. Dat zal zijn eigen dagboek zijn, als ik mij niet vergis, en daarin zult ge heel wat anders lezen, dan in dit officieele bericht, waarin hij de luiheid van zijn makkers verbergt.

Ik vond het volstrekt niet aangenaam, dat Sam mijn geheim vertelde, maar Mr. White verzocht mij hem ook dit dagboek te laten zien. Wat zou ik doen? Verdienden mijn collega’s, dat ik voor hen werkte en dit ook nog verzweeg? Bovendien kon ik ook niet onbeleefd zijn tegenover Mr. White. Ik gaf hem dus mijn dagboek, evenwel onder voorwaarde, dat hij van den inhoud aan niemand iets zou vertellen. Hij las het door, gaf het mij toen terug en zei: [28]

—Eigenlijk moest ik deze bladen meenemen en ze brengen waar ze behoorden te komen; uw collega’s zijn onwaardige menschen, aan wie geen dollar meer moest worden uitbetaald, u echter moest men drievoudig betalen. Maar, gij moet zelf weten, wat gij wilt. Alleen wil ik u dit nog zeggen, dat het voor u van belang zal zijn, deze aanteekeningen goed te bewaren, zij kunnen u later van veel nut zijn. En nu zullen wij de brave lieden eens wakker maken.

Hij ging opstaan en begon lawaai te maken, waarop de „heeren” met waterige oogen en booze gezichten van achter de boomen te voorschijn kwamen. Bancroft kwam direct op mij toe, om mij een standje te maken, dat ik hem in zijn slaap gestoord had, maar toen ik hem vertelde, dat Mr. White van de volgende sectie hier gekomen was, hield hij zich stil. De beide ingenieurs hadden elkander nog nooit ontmoet en het eerste wat Mr. Bancroft deed, was den ander een beker brandewijn aanbieden. Hiermee kwam hij echter aan het verkeerde adres, Mr. White bedankte, maar gaf in plaats daarvan een boetpredikatie, welke lang niet malsch was. Bancroft was buiten zichzelf van woede, greep den spreker bij den arm en schreeuwde:

—Mijnheer, wilt gij mij dadelijk zeggen, hoe gij heet?

—Ik heet White, dat hebt gij immers gehoord?

—En wat zijt gij?

—Hoofdingenieur van de naburige sectie.

—Heeft iemand van ons u daar iets te bevelen?

—Ik zou denken van niet.

—Welnu! Ik heet Bancroft en ben hoofdingenieur van deze sectie. Niemand heeft mij iets te bevelen en allerminst Mr. White.

—Wij staan geheel gelijk,—antwoordde deze kalm.—Geen van ons beiden behoeft bevelen van den ander aan te hooren; maar wanneer de een ziet, dat de ander de onderneming, voor welke beiden moeten werken, benadeelt, dan is het zijn plicht, dezen daarop opmerkzaam te maken. Uw taak schijnt te zijn het brandewijnvat leeg te maken. Ik tel hier zestien menschen, die allen dronken waren, toen ik twee uren geleden aankwam, en dus …

—Twee uur geleden?—viel Bancroft hem in de rede,—zijt gij reeds zoolang hier?

—Zeker, ik heb alle opmetingen nagezien en geïnformeerd, wie ze gedaan heeft. Gij hebt hier een lui leventje geleid, terwijl een, en nog wel de jongste van u, alleen het werk heeft gedaan.

Bancroft wendde zich nu tot mij:

—Dat hebt gij gezegd en geen ander,—wierp hij mij toe.—Ontken het maar niet, gij leugenaar en verrader! [29]

—Neen,—antwoordde White—uw jonge collega heeft als een gentleman gehandeld, en alleen goeds van u gezegd. Hij heeft u in bescherming genomen en ik raad u aan, hem verschooning te vragen, dat gij hem een leugenaar en een verrader genoemd hebt.

—Om verschooning vragen? Ik denk er niet aan!—lachte Bancroft hoonend,—dit jongmensch weet geen driehoek van een vierhoek te onderscheiden en verbeeldt zich toch nog opzichter te zijn. Wij zijn niet verder gekomen, omdat hij alles verkeerd had gedaan en wij alles moesten overdoen, en wanneer hij nu, in plaats van dit in te zien en te erkennen, ons bij u zwart maakt, dan …

Verder kwam hij niet. Ik was maanden lang geduldig geweest en had deze lieden over mij laten denken, wat zij wilden, maar nu was het oogenblik gekomen, om hen te toonen, dat zij zich in mij vergist hadden. Ik nam Bancroft bij den arm, hield hem zóó stijf vast, dat hij van pijn ineenkromp, en zeide tot hem:

—Mr. Bancroft, gij hebt te veel brandewijn gedronken en niet kunnen uitslapen, ik wil aannemen dat gij dronken zijt en dus maar doen, alsof gij niets hebt gezegd.

—Ik dronken? gij zijt gek!—antwoordde hij.

—Ja, zeker, dronken! Want, wanneer ik wist, dat gij nuchter waart en deze beschuldigingen met opzet hadt uitgesproken, dan zou ik gedwongen zijn, u als een hond neer te schieten, begrepen? Hebt gij nu nog den moed te ontkennen, dat gij dronken zijt?—Ik hield zijn arm nog altijd stevig vast. Hij had zeker niet gedacht, dat hij ooit bang voor mij zou behoeven te zijn, maar, hoewel hij geen zwakke man was, scheen de uitdrukking van mijn gezicht hem toch eerbied in te boezemen, Hij wilde niet erkennen dat hij dronken was, evenmin wilde hij zijn beschuldigingen intrekken daarom wendde hij zich om hulp tot den aanvoerder der twaalf prairiejagers.

—Mr. Rattler,—begon hij—duldt gij, dat deze kerel zich aan mij vergrijpt? Zijt gij niet hier om ons te beschermen?

Deze Rattler was een lange, breed gebouwde kerel, een ruw schepsel, oogenschijnlijk zoo sterk als drie of vier man, en tegelijk Bancroft’s trouwe kameraad in het drinken.

Hij mocht mij niet lijden en greep daarom dankbaar deze gelegenheid aan om lucht te geven aan zijn haat tegen mij. Snel kwam hij nader, greep mijn arm, zooals ik nog altijd dien van Bancroft vasthield en antwoordde:

—Neen, dat kan ik niet dulden, Mr. Bancroft. Dit kind heeft zijn eerste kousen nog niet doorgeloopen en durft hier bedreigingen te uiten tegen volwassen menschen. Laat den arm los, knaap, of ik zal u toonen, wat een „greenhorn” gij zijt.—Hij schudde mij heftig [30]heen en weer, maar dit was mij des te liever, omdat hij een sterkere tegenpartij was, dan de hoofdingenieur. Als ik hem mores leerde, zou ik meer succes hebben, dan wanneer ik dezen toonde, dat ik geen lafaard was. Ik rukte den arm los en antwoordde:

—Ik, een knaap, een greenhorn? Trek uw woorden onmiddellijk in, mr. Rattler, anders werp ik u op den grond!

—Gij mij?—lachte hij.—Zulk een „greenhorn” is werkelijk zoo dom te gelooven, dat …

Hij kon niet verder spreken, want ik gaf hem met de vuist zulk een geweldigen slag tegen de slapen, dat hij als een zak in elkaar zonk en bewusteloos bleef liggen. Eenige oogenblikken heerschte diep stilzwijgen, toen riep een van Rattler’s kameraden:

—Wat drommels! Moeten wij kalm toezien, dat zulk een verloopen Duitscher onzen aanvoerder neerslaat. Grijpt den schurk!

Hij sprong op mij toe. Ik ontving hem met een schop in de maagstreek. Dit is een zeker middel, om de tegenpartij van de been te brengen, men moet evenwel daarbij zelf vast op het andere been blijven staan. De kerel viel en in ’t zelfde oogenblik, zat ik op hem en gaf hem eveneens een vuistslag op den slaap. Toen sprong ik haastig overeind, nam mijn beide revolvers uit mijn gordel en riep:

—Wie nu nog? Kom maar op!

Rattler’s bende scheen grooten lust te hebben, de nederlaag hunner beide kameraden te wreken; de een zag den ander aan, ik waarschuwde echter:

—Luistert naar mij! wie een stap doet of met de hand naar zijn wapen grijpt, krijgt oogenblikkelijk een kogel door den kop! Denkt voor mijn part, wat gij wilt, van den „greenhorn” in ’t algemeen, maar wat een Duitschen „greenhorn” betreft, zal ik u toonen, dat één enkele, het tegen twaalf prairiejagers, als gij zijt, durft opnemen.

Toen kwam Sam Hawkins op mij toe en zeide:

—En ik, Sam Hawkins, wil u ook waarschuwen, als ik mij niet vergis. Deze jonge, Duitsche „greenhorn” staat onder mijn bijzondere bescherming. Wie het waagt, hem een haar te krenken, krijgt het met mij te kwaad, denkt er om, hihihihi!

Dick Stone en Willy Parker hielden het voor noodig, ook naast mij te komen staan, ten teeken, dat zij het geheel met Sam Hawkins eens waren. Dit maakte indruk op de tegenstanders. Zij keerden zich om, bromden en vloekten wat voor zich heen, en knielden naast de beide gevallenen neer om te beproeven hen weer tot bewustzijn te brengen; Bancroft scheen het ’t verstandigste te vinden, naar zijn tent te gaan en stilletjes van het tooneel te verdwijnen. [31]

White had mij al dien tijd met groote, verwonderde oogen aangestaard, nu schudde hij eindelijk het hoofd en zeide op een toon van ongeveinsde verbazing:

—Maar, sir, dat is vreeselijk! Voor geen geld zou ik in uw handen vallen, men moest u Shatterhand noemen, omdat gij een reuzensterken man met een enkelen vuistslag nederwerpt. Zoo iets heb ik nog van mijn leven niet gezien!

Dit voorstel scheen den kleinen Hawkins te bevallen. Vroolijk riep hij uit:

—Shatterhand, hihihihi! Een „greenhorn” nog, en reeds een krijgsnaam, en dan wel zulk een! Ja, als Sam Hawkins zijn oog op een „greenhorn” laat vallen, dan steekt daar iets meer in, als ik mij niet vergis. Shatterhand, Old-Shatterhand! Evenals Old-Firehand, die ook een prairiejager was en sterk als een beer. Wat zegt gij wel van dezen naam, Dick en Will?

Ik hoorde niet, wat zij antwoordden, want White nam mij bij den arm, voerde mij een weinig ter zijde en vroeg:

—Hebt gij geen lust, met mij mee te gaan?

—Lust of niet, Mr. White, ik mag niet.

—Waarom niet?

—Omdat mijn plicht mij hier houdt.

—Kom, dat neem ik op mijn verantwoording.

—Dat helpt mij niet. Ik ben hierheen gezonden, om deze sectie te helpen opmeten, en kan niet weggaan, voor wij daarmee gereed zijn.

—Bancroft zal het werk met de drie andere wel ten einde brengen.

—Ja, maar wanneer en hoe! Neen ik moet blijven!

—Maar bedenk, dat dit gevaarlijk voor u is!

—Waarom?

—Kunt ge mij dat vragen? Gij moet toch inzien, dat gij deze lieden tegen u hebt gemaakt.

—Ik heb hen immers niets misdaan.

—Dat is waar, of liever, dat was tot vandaag toe waar. Nu gij echter twee van hen zoo hebt getracteerd, is het geheel uit tusschen u en hen.

—’t Kan zijn, maar ik ben niets bang. En juist deze beide vuistslagen hebben hen ontzag voor mij ingeboezemd; ik denk dat niemand zich zoo licht aan mij zal wagen. Bovendien zullen Hawkins, Stone en Parker mij trouw ter zijde staan.

—Welnu, zooals gij wilt, eens menschen zin is eens menschen leven, maar het kan ook wel eens zijn dood zijn. Ik had u wel kunnen gebruiken. Maar gij wilt mij toch zeker wel een eind weegs terugbrengen?

—Wanneer? [32]

—Dadelijk.

—Wilt gij dadelijk weggaan, Mr. White?

—Ja, ik heb den toestand hier zóó gevonden, dat ik volstrekt geen lust gevoel, hier langer te blijven, dan noodzakelijk is.

—Maar gij moet toch eerst iets eten, voor gij den terugtocht aanvaardt.

—Dat is niet noodig. Wij hebben eetwaren in onze zadeltasschen meegebracht.

—Wilt gij geen afscheid nemen van Mr. Bancroft?

—Daartoe heb ik geen lust.

—Maar gij waart immers gekomen, om met hem over zaken te spreken!

—Zeker, maar ik kan u dit evengoed zeggen, ik wilde hem voornamelijk waarschuwen voor de roodhuiden.

—Hebt gij er eenigen gezien?

—Neen, dat juist niet, maar wel hun sporen. Wij zijn in den tijd, dat de wilde mustangs en buffels zuidwaarts trekken, dan verlaten de roodhuiden hun dorpen, om te jagen en hun vleeschvoorraad te verzamelen. Van de Kiowas hebben wij niets te vreezen; met hen zijn wij het eens geworden over den aanleg van den weg, maar de Comanchen en Apachen weten er niets van en dus mogen wij ons niet door hen laten zien. Wat mij betreft, ik ben met mijn werk gereed en ga deze streek verlaten. Maak ook, dat gij klaar komt. Deze bodem wordt van dag tot dag gevaarlijker voor u. Zadel uw paard nu en vraag Sam Hawkins, of hij lust heeft mee te rijden.

Natuurlijk had Sam lust.

Eigenlijk had ik dien dag moeten werken, maar het was Zondag, de dag des Heeren, waarop de Christen, zelfs al bevindt hij zich in de wildernis, zich met zijn geestelijke plichten moet bezighouden. Bovendien had ik wel eens een rustdag verdiend. Ik ging dus naar de tent van Mr. Bancroft en zeide hem, dat ik vandaag niet meer zou werken, maar Mr. White een eind weg zou brengen.

—Ga voor mijn part met hem mee en breek uw nek!—antwoordde hij en ik kon toen niet denken, dat deze ruwe wensch, binnenkort bijna vervuld zou zijn geworden.

Ik had sedert eenige dagen niet te paard gezeten en mijn schimmel hinnikte vroolijk, toen ik hem zadelde. Het dier had zich buitengewoon goed gehouden en ik verheugde mij er reeds bij voorbaat op, dit aan mijn ouden „gunsmith” te kunnen vertellen.

Wij reden welgemoed uit, spraken over de grootsche plannen, om hier een spoorweg aan te leggen en verder over alles, wat ons op het [33]hart lag. White gaf me de noodige wenken, over de aansluiting aan de volgende sectie en tegen den middag maakten wij halt, om bij een beekje een eenvoudig maal te gebruiken. Na verloop daarvan reed White met zijn gids verder, en wij bleven nog een poosje liggen, om over godsdienstige onderwerpen te spreken.

Hawkins was namelijk een vroom man, al liet hij dit tegenover anderen nooit blijken.

Even voordat wij opstonden om terug te keeren, bukte ik mij om met mijn hand water uit het beekje te scheppen. Door het kristalheldere nat, zag ik op den bodem een indruk, welke veel op een voetspoor geleek. Natuurlijk maakte ik Sam daarop opmerkzaam. Hij onderzocht den indruk nauwkeurig en zeide toen:

—Mr. White had wel gelijk, toen hij ons voor de Indianen waarschuwde.

—Meent gij dan, Sam, dat dit het spoor van een Indiaan is?

—Ja zeker, hoe gevoelt gij u daarbij?

—Ik gevoel niets.

—Kom. Gij moet toch iets denken of gevoelen?

—Wat moet ik anders denken, dan dat hier een roodhuid geweest is?

—Gij voelt dus geen angst?

—Volstrekt niet.

—Of ongerustheid?

—Evenmin.

—Ja, maar gij kent de roodhuiden ook niet.

—Ik hoop ze evenwel te leeren kennen. Zij zullen wel niet anders zijn dan andere menschen, de vijanden van hun vijanden en de vrienden van hun vrienden, en daar het niet mijn plan is, vijandig tegen hen op te treden, denk ik, dat ik niets van hen te vreezen heb.

—Gij zijt nu eenmaal een „greenhorn” en zult het wel altijd blijven. Al neemt gij u nog zoo vast voor, de roodhuiden zus of zoo te behandelen, het komt toch anders uit, dan gij denkt. De gebeurtenissen zijn niet afhankelijk van uw wil. Gij zult dit ervaren, en ik hoop maar, dat deze ervaring u niet een duchtig stuk vleesch uit uw lichaam of uw geheele leven kost.

—Wanneer zou deze Indiaan hier geweest zijn?

—Ongeveer twee dagen geleden. Wij zouden hetzelfde spoor in het gras hebben kunnen vinden, als dit zich sedert dien tijd niet weer had opgericht.

—Zou ’t een spion zijn?

—Dat wil zeggen, een spion voor de buffels, want daar het tegenwoordig vrede is tusschen de stammen, die hier verblijf houden, kan [34]het geen gewone spion zijn. De kerel was bovendien zeer onvoorzichtig en dus waarschijnlijk zeer jong.

—Hoe dat?

—Een ervaren krijgsman zet nooit den voet zóó in ’t water, dat het spoor op den vochtigen bodem dagenlang zichtbaar blijft. Zoo’n domheid begaat slechts een domkop, die nog even „greenhorn” is, als gij zijt, hihihihi.

Hij grinnikte zachtjes en stond toen op om zijn paard te bestijgen. De goede Sam mocht mij gaarne zoo nu en dan eens een steek onder water geven.

Wij hadden evengoed denzelfden weg terug kunnen keeren, maar als opzichter was ik verplicht de streek goed te leeren kennen, daarom reden wij een eind linksaf om langs een omweg weer op den eersten weg terug te komen.

Daarbij kwamen wij in een tamelijk breed dal, dat met sappig gras begroeid was; de heuvels, welke het omgaven, waren beneden met kreupelhout, verder naar boven met hooge boomen bedekt. Het dal was misschien een half uur lang en zoo recht, dat men er van ’t begin tot het einde door kon zien. Wij waren nog slechts enkele passen in dit vriendelijk dal, toen Sam zijn paard plotseling inhield en opmerkzaam voor zich uit zag.

—Heijh-daij!—riep hij.—Daar zijn zij, daar zijn zij, de allereersten!

—Wat? vroeg ik.

Ik zag in de verte misschien achttien of twintig donkere stippen, die zich langzaam voortbewogen.

—Wat?—herhaalde hij, terwijl hij in den zadel heen en weer schoof. Schaamt gij u niet, zulk een vraag te doen? Maar och, gij zijt ook zoo’n „greenhorn”. Zulke kerels als gij, zien zelfs met open oogen niet. Wees toch zoo goed, eens te raden, wat voor dingen het zijn, welke gij daar in de verte ziet!

—Raden? Wel ik zou ze voor reeën houden, als ik niet wist, dat dit soort wild in troepen van niet meer dan tien stuks bijeen leeft. Ook moet ik zeggen, dat de dieren daar, hoe klein zij van hier ook lijken, veel grooter schijnen te zijn dan reeën.

—Reeën, hihihihi!—lachte hij.—Reeën, hier bij de bronnen van de Canadian-rivier, dat is net wat voor u! Maar wat gij daar ’t laatst zegt, was niet zoo slecht bedacht, ja, grooter zijn zij, deze dieren, veel, veel grooter dan reeën!

—Maar beste Sam, het zijn toch geen buffels?

—Ja, natuurlijk, buffels! Bisons zijn het, echte bisons, die aan het trekken zijn, de eerste, die ik zie. Nu weet ge, dat Mr. White [35]gelijk had: bisons en Indianen. Van de roodhuiden zagen wij enkel de voetsporen, de buffels hebben wij echter in levenden lijve vóór ons. Wat zegt ge daar wel van, als ik mij niet vergis?

—Wij moeten er heen!

—Natuurlijk!

—Ze nader bezien?

—Bezien, werkelijk?—vroeg hij, terwijl hij mij verbaasd van ter zijde aanzag.

—Ja, ik heb nog nooit bisons gezien, en zou ze gaarne willen begluren.

—Begluren, alleen begluren?—vroeg Sam,—zooals een kleine jongen, door de reten van een deur gluurt, om zijn konijntjes te zien? O, „greenhorn” wat moet ik niet van u beleven. Niet beschouwen en begluren wil ik ze, maar er jacht op maken!

—Vandaag, op Zondag!

Dit ontviel mij eigenlijk, maar Sam werd werkelijk boos en begon:

—Houd toch uw mond, sir! Wat geeft een echte prairiejager om den Zondag, wanneer hij de eerste buffels voor zich ziet. Dat geeft vleesch, en wat voor vleesch, als ik mij niet vergis! Een stuk bisonlende is heerlijker dan het hemelsche ambrozius of ambrozijn, of hoe dat goed mag heeten, waarvan de Grieksche goden leefden. Ik moet een buffellende hebben, al zou het mij mijn leven kosten! De omstandigheden zijn ons gunstig. Hier aan den linker, noordelijken kant van het dal schijnt de zon, rechts echter is schaduw, laat ons daar heengaan, dan merken de dieren ons niet op. Kom mee!

Hij zag zijn geweer na en stuurde zijn paard naar den zuidelijken rand van het dal. Ik volgde zijn voorbeeld en zag ook naar mijn berendooder. Toen hij dit zag, bleef hij een oogenblik staan en vroeg:

—Gij wilt toch niet deelnemen aan de jacht?

—Natuurlijk!

—Laat dat alsjeblieft, als ge ten minste niet binnen tien minuten tot brij gestampt wilt zijn! Een bison is geen kanarievogel, dien men op den vinger neemt en laat zingen. Voor gij u aan zulk gevaarlijk wild waagt, moet gij nog veel onweerswolken over de rotsen zien trekken.

—Maar ik wil toch …

—Zwijg en gehoorzaam!—viel hij mij in de rede, op een toon, dien hij nog nooit van te voren tegen mij had aangeslagen.—Ik wil uw dood niet op mijn geweten hebben. Doe later wat ge wilt, nu duld ik geen weerspannigheid!

Had er niet zulk een goede verstandhouding tusschen ons bestaan, [36]dan zou ik een scherp antwoord hebben gegeven, nu evenwel zweeg ik en reed langzaam in de schaduwzijde achter hem aan.

—Er zijn twintig stuks,—vervolgde Sam nu op veel vriendelijker toon—maar kom eens hier als er duizend en nog meer over de Savanna jagen. Ik heb vroeger wel kudden van meer dan tien duizend gezien. Zij leverden het voedsel voor de Indianen, maar de blanken hebben het hun ontnomen. De roodhuid spaarde het wild, omdat hij het noodig had, de blanke evenwel, heeft onder de ontelbare kudden huisgehouden, als een wild roofdier, dat ook al is het verzadigd, nog voortmoordt, enkel uit lust om bloed te vergieten. Het zal niet lang meer duren, of er is geen enkele buffel meer en dan na korten tijd, ook geen enkele Indiaan. ’t Is God geklaagd. En zoo gaat het ook met de paarden. Er waren troepen van duizend mustangs, nu is men al blij, als men er eens een honderd bij elkaar ziet.

Wij waren intusschen tot op een afstand van ongeveer vierhonderd pas van de buffels gekomen, zonder dat zij ons opgemerkt hadden en nu hield Sam zijn paard in. De dieren graasden langzaam het dal in. Het verst vooruit was een oude stier, wiens reuzenlichaam ik met verbazing beschouwde. Hij was zeker twee meter hoog en wel drie meter lang; destijds kon ik het gewicht van een bison niet goed taxeeren, en zou ik wel zeggen, dat dit dier wel 3000 pond woog. Hij lag zich genoegelijk in een soort van poel te wentelen.

—Dat is de aanvoerder,—fluisterde Sam—de gevaarlijkste van den geheelen troep. Wie het met hem te kwaad krijgt, kan zijn testament wel maken. Ik neem die jonge koe rechts voor mijn rekening. Let er op, waar ik haar den kogel geef. Achter het schouderblad, van de zijde schuin in het hart, dat is het beste, ja het eenige zekere schot, behalve dat in het oog, maar wie zou een bison van voren aanvallen! Blijf hier en kruip wat tusschen ’t kreupelhout. Als zij mij zien en dan vluchten, komt de wilde troep hierlangs. Krijg het niet in uw hoofd, deze plaats te verlaten, voor ik terugkom en u roep!

Hij wachtte, tot ik mij tusschen de boomen had verborgen en reed toen aanvankelijk langzaam en zacht verder. Het was mij zonderling te moede. Ik had dikwijls gelezen, hoe men den bison jaagt, maar er is een groot verschil tusschen het papier, waarop men zulke beschrijvingen drukt en de wildernis, waarin men zulke jachten beleeft.

Vandaag zag ik voor ’t eerst in mijn leven buffels. Wat voor wild had ik tot nu toe geschoten? In verhouding tot deze reusachtige, gevaarlijke dieren, niets. Men zou dus denken, dat ik zeer ingenomen zou zijn met Sam’s bevel, om niet aan deze jacht deel te nemen, [37]maar juist het tegendeel was waar. Eerst had ik slechts willen beloeren, bestudeeren, nu voelde ik een onweerstaanbaren drang om mee te doen. Sam wilde een jonge koe voor zijn rekening nemen, wel dacht ik, dat is niets waard, een dapper man kiest juist den sterksten stier!

Mijn paard was buitengewoon onrustig geworden, het stampte met de hoeven, was bang en wilde vluchten, en ik had nauwelijks de kracht, het in toom te houden. Was het niet beter, hem te dwingen, den strijd met den buffel te aanvaarden? Ik overlegde, innerlijk zeer kalm, tusschen ja en neen, toen besliste de indruk van ’t oogenblik.

Sam was den bison tot op driehonderd pas genaderd, toen gaf hij zijn paard de sporen en galoppeerde op de kudde toe, den grooten stier voorbij, naar de koe, die hij mij gewezen had. Het dier bleef een oogenblik staan. Ik zag, dat Sam op haar mikte en schoot. Wat er verder gebeurde, weet ik niet, want mijn oog werd geboeid door een ander schouwspel.

De reuzenstier was opgesprongen, hij keerde zich naar Sam Hawkins! Welk een kolossaal dier! Deze dikke kop met gewelfden schedel, de wel is waar korte, maar sterke gekromde horens, de dichte manen om den nek en op de borst! het volmaakte beeld van oorspronkelijke, ruwe kracht. Ja, dit was een hoogst gevaarlijk schepsel, maar dat gezicht prikkelde letterlijk mijn verlangen, mijn menschelijke kracht te meten met deze ongebonden dierlijke sterkte.

Wilde ik, of wilde ik niet? Ik weet het niet. Of ging mijn schimmel er met mij van door? Hij vloog uit de boomen, wilde links gaan, maar ik drong hem naar rechts en vloog op den stier aan. Deze hoorde mij aankomen en boog den kop om ros en ruiter met de horens te ontvangen. Ik hoorde Sam uit alle macht schreeuwen, maar ik had geen tijd om naar hem om te zien. Op den bison schieten was onmogelijk, want ten eerste zou ik hem niet treffen, en ten tweede wilde mijn paard mij niet gehoorzamen, want van louter angst liep het recht op de horens toe. De buffel had zijn achterpooten een weinig gebogen, en richtte nu den kop omhoog, maar met inspanning van al mijn krachten gelukte het mij mijn paard een weinig te zwenken en met een vervaarlijken sprong vloog het over het achterdeel van den buffel, terwijl diens horens bijna mijn beenen raakten. Wij kwamen juist in de slijkmassa terecht, waarin de buffel zich zooeven gewenteld had; ik zag het en trok onmiddellijk de voeten uit den stijgbeugel, tot mijn geluk, moet ik zeggen, want het paard gleed uit en wij vielen. Hoe dat zoo snel kon gebeuren, weet ik nog heden niet, maar ik stond in het volgende [38]oogenblik naast den poel, met het geweer vast in de hand. De buffel had zich naar ons toegekeerd en sprong in ongelijke sprongen op het paard toe, dat zich ook had opgericht en stond op het punt er van door te gaan. Nu was de tijd gekomen om mijn berendooder op de proef te stellen. Nog een oogenblik en de bison zou mijn schimmel hebben bereikt, ik legde aan en schoot—het dier bleef staan; of het van schrik was, of dat mijn schot getroffen had, wist ik niet, ik gaf hem dadelijk een tweeden kogel. Hij hief langzaam den kop op, stiet een gebrul uit, dat den grond deed trillen, wankelde eenige malen en viel op dezelfde plaats neer.

Ik had van louter vreugde over deze overwinning wel luidkeels willen jubelen, maar ik had wel iets anders te doen. Mijn paard zette het op een loopen en ginds bij den rand van het dal, zag ik Sam Hawkins galoppeeren, achtervolgd door een anderen stier, die niet veel kleiner was dan de mijne.

Men moet weten, dat de bison, eenmaal geprikkeld, niet van zijn tegenstander aflaat, en daarbij in snelheid zich met het paard kan meten.

Zoo was ook deze stier den ruiter dicht op de hielen. Om hem te ontgaan moest Sam allerlei wendingen maken, welke het paard afmatten, hij zou het niet lang meer kunnen volhouden en hulp was dus dringend noodig. Ik had geen tijd, na te zien of mijn stier werkelijk dood was of niet, ik laadde snel mijn berendooder en liep zoo hard ik kon, naar de andere zijde van het dal. Sam zag dit, en zwenkte zijn paard, om naar mij toe te komen. Dit was een groote fout, want de stier die dicht achter hem was, kreeg daardoor het paard dwars voor zich; ik zag dat hij de horens omlaag boog, één stoot, en paard en ruiter werden opgenomen en een eind verder neergeworpen. Maar ook nu nog liet de stier niet van hen af en verwoed boorde hij de horens in de arme slachtoffers. Sam schreeuwde om hulp, zoo hard hij kon. Ik was nog wel honderdvijftig pas van hem verwijderd en mocht geen oogenblik weifelen. Het schot zou dichterbij zekerder zijn geweest maar wanneer ik aarzelde, kon Sam verloren zijn, en mocht ik niet treffen, dan zou het schot het ondier waarschijnlijk doen schrikken en van mijn vriend afwenden. Ik bleef dus staan, legde aan achter het linkerschouderblad en schoot. De buffel hief den kop op, als wilde hij luisteren en keerde zich langzaam om. Toen zag hij mij, en onmiddellijk vloog hij op mij toe, evenwel met steeds verminderde vaart: daardoor gelukte het mij, het afgeschoten geweer met koortsachtige haast opnieuw te laden en ik was daarmee gereed, toen het dier nog hoogstens dertig schreden van mij verwijderd was. Het kon niet snel meer loopen, zijn bewegingen werden moeilijker, maar [39]met gebogen kop en met uitpuilende oogen kwam het langzaam nader en nader, als een niet af te wenden gevaar. Nu knielde ik neer, en legde aan. Deze beweging had voor gevolg dat de bison staan bleef, en den kop een weinig ophief, om mij beter te kunnen zien. Daardoor kwamen de beide groote oogen voor den loop van mijn geweer, ik schoot eerst op het rechter, toen op het linker—een korte siddering voer door het lichaam, toen stortte het dier neer.

Ik sprong op om naar Sam te gaan, maar dit was niet noodig, want ik zag hem reeds aankomen.

—Halloo!—riep ik hem toe.—Leeft gij nog? Zijt gij niet zwaar gewond?

—In ’t geheel niet—antwoordde hij.—Alleen mijn rechterheup doet mij pijn van den val, of is het de linker, ik weet het niet zoo precies.

—En uw paard?

—Heeft gedaan; het leeft nog wel, maar de buffel heeft het geheele lichaam opengereten. Wij moeten het doodschieten, om het te verlossen uit zijn lijden. Is de bison dood?

—Ik hoop het, maar we moeten eens gaan zien.

Wij deden dit en kwamen tot de overtuiging, dat alle leven geweken was. Toen zeide Hawkins met een diepen zucht:

—Deze oude brutale bison heeft mij wat te doen gegeven. Een koe zou mij wat zachter hebben behandeld, maar men kan van zoo’n beest ook geen damesmanieren verwachten, hihihihi!

—Hoe kwam hij er toe u aan te vallen?

—Hebt gij dat niet gezien?

—Neen.

—Wel, ik schoot de koe dood, maar kon dat, daar mijn paard galoppeerde, niet eerder doen, dan op het oogenblik, dat de buffel voorbijrende. Hij nam mij dit schot kwalijk en kwam regelrecht op mij af. Wel gaf ik hem den tweeden kogel, dien ik in mijn Liddy had, maar dat maakte het niet beter. Hij joeg mij zoo achterna, dat het mij onmogelijk was, mijn geweer opnieuw te laden, ik heb het weggeworpen, omdat ik er toch niets meer mee doen kon en ik daardoor de handen vrij kreeg, om mijn paard beter te besturen, als ik mij niet vergis. Het arme dier heeft zijn best gedaan, maar het heeft zich niet kunnen redden en werd door den stier gegrepen.

—Omdat gij de laatste, noodlottige zwenking maaktet. Gij had in een boog moeten rijden, dan was het paard gered geweest.

—Gered geweest? Gij spreekt als een ervaren jager, dat zou men van een „greenhorn” niet verwachten.

—Kom, „greenhorn” hebben ook wel eens iets goeds. [40]

—Ja, want wanneer gij er niet geweest waart, lag ik daar evengoed dood als mijn paard. Laat ons eens naar het arme dier gaan zien.

Wij vonden het dier in een treurigen toestand. De ingewanden hingen uit het opengereten lijf, het kreunde van de pijn. Sam haalde zijn weggeworpen geweer, laadde het en gaf hem het genadeschot. Daarop nam hij de teugels en het zadel af en zeide:

—Nu kan ik zelf voor paard spelen en het zadel op mijn rug nemen. Dat heeft men er van, als men bisons jaagt.

—Ja, waar zult ge nu een ander paard vandaan halen?—vroeg ik.

—Dat is het minste, ik vang er een, als ik mij niet vergis.

—Een Mustang?

—Ja, de buffels zijn er, zij zijn op trek naar het zuiden, de mustangs zullen zich dus niet lang laten wachten, dat weet ik.

—Mag ik er bij zijn, als gij er een vangt?

—Natuurlijk, gij moet dat ook leeren. Maar kom nu mee, wij willen den ouden stier eens gaan bekijken, misschien leeft hij nog. Zulke Methusalems plegen een taai leven te hebben.

Wij zagen dat het dier dood was. Nu het zoo stil daar neerlag, kon men de kolossale vormen nog beter zien dat te voren. Sam bezag hem nauwkeurig aan alle kanten, schudde het hoofd en zeide:

—Het is onverklaarbaar, werkelijk onverklaarbaar, weet gij wel waar gij hem geraakt hebt?

—Waar dan?

—Juist op de rechte plaats. Het is een aartsvader, en ik zou mij wel tienmaal hebben bedacht, voor ik er toe had besloten, hem aan te vallen. Weet gij, wat gij zijt, sir?

—Wat dan?

—De lichtzinnigste mensch, die er op Gods aardbodem loopt.

—Oho!

—Zeker, dat meen ik!

—Lichtzinnig ben ik nooit geweest.

—Dan zijt gij ’t nu geworden, begrepen? Ik had u immers bevolen, uw handen van de buffels af te houden en in het kreupelhout te blijven. Waarom hebt gij mij niet gehoorzaamd?

—Dat weet ik zelf niet!

—Zoo, gij handelt dus, zonder u zelf rekenschap te geven van uw handelingen, is dat niet lichtzinnig?

—Dat geloof ik niet, er zal wel een andere reden voor te vinden zijn.

—Dan moest gij die toch weten! [41]

—Misschien, omdat gij mij een bevel hadt gegeven en ik laat mij nu eenmaal niets bevelen.

—Zoo! als men u in uw eigen belang waarschuwt, zijt gij dan zoo dwaas die waarschuwing in den wind te slaan?

—Ik ben niet naar ’t Westen gekomen om de gevaren, die daar dreigen te ontloopen.

—Goed, maar gij zijt toch een „greenhorn” en moet oppassen. En als gij mij dan volstrekt niet wilt gehoorzamen, waarom hebt gij u dan niet aan een koe gewaagd, in plaats van juist aan dit reusachtig beest.

—Omdat het ridderlijker was!

—Ridderlijker! die „greenhorn” wil hier den ridder spelen, als ik mij niet vergis, hihihihi!

Hij lachte, dat hij schudde en vervolgde toen nog steeds lachend:

—Dat zou ik nu maar laten. Als een echte prairieman iets doet, vraagt hij er niet naar, of het ridderlijk is, maar alleen of het nuttig is.

—Dat is hier toch ook het geval.

—Hier, hoe dat?

—Ik koos den buffel uit, omdat hij veel, veel meer vleesch heeft dan een koe.

Hij zag mij een oogenblik aan en riep toen:

—Veel meer vleesch? Deze jonge man heeft den stier om zijn vleesch geschoten, hihihihi! Ik geloof zelfs, dat gij aan mijn moed hebt getwijfeld, toen ik mij met een koe tevreden stelde.

—Dat niet, hoewel ik het voor moediger hield, een sterk dier uit te zoeken.

—Om stierenvleesch te eten? Wat zijt gij toch een verstandig mensch, sir! Deze stier is zeker achttien of twintig jaar oud, hij bestaat uit een vel, veel beenderen en zenuwen. En het vleesch, dat hij heeft is eigenlijk geen vleesch meer te noemen, want het is zoo hard als gelooid leer en al braadt en kookt gij het ook dagen lang, gij kunt het toch niet kauwen. Ieder ervaren prairiejager verkiest een koe boven een stier, omdat het vleesch malscher en sappiger is. Nu ziet ge eens weer wat een „greenhorn” ge zijt. Ik had geen tijd om naar u te kijken; vertel mij eens hoe uw lichtzinnige aanval op den buffel in zijn werk is gegaan.

Ik vertelde het hem. Toen ik geëindigd had zag hij mij met groote oogen aan, schudde wederom het hoofd en zeide niets dan:

—Ga heen en haal uw paard! we zullen het vleesch, dat wij mee willen nemen er op laden. [42]

Eerlijk gezegd, voelde ik mij een weinig teleurgesteld over zijn behandeling. Ik had gehoopt een woord van goedkeuring en aanmoediging van hem te hooren en in plaats daarvan, zeide hij niets, maar zond mij weg om mijn paard te halen. Ik was evenwel niet boos want ik ben nooit iemand geweest, die iets doet om een prijsje te verdienen.

Toen ik met het paard terugkwam, lag Sam reeds op zijn knieën bij de buffelkoe, had reeds het vel afgestroopt en sneed nu de lende uit.

—Ziezoo,—zeide hij;—nu zullen wij van avond eens heerlijk eten. Deze lende is alleen voor ons, Dick en Willy. Als de anderen ook iets willen hebben, moeten zij hier maar heenrijden om de koe te halen.

—Als zij ten minste in dien tusschentijd niet door de gieren of andere wilde dieren is opgegeten.

—Zoo! wel, wat zijt ge weer verstandig. Het spreekt vanzelf, dat we het dier met takken bedekken en dan steenen er boven opleggen. Het moet al een beer of een ander groot roofdier zijn, dat er aankomt.

Ik sneed dus dikke takken uit het nabijzijnde kreupelhout en sleepte zware steenen aan. Wij legden deze op de koe en laadden toen het vleesch op mijn paard.

—Wat zullen we met den stier doen? kunnen wij er niets van gebruiken?—vroeg ik.

—Niets.

—Ook niet de huid?

—Zijt gij leerlooier? Ik niet.

—Ik heb echter toch gelezen dat de buffelhuiden in zoogenaamde cachés worden bewaard.

—Zoo, hebt gij dat gelezen? Welnu, als gij ’t gelezen hebt zal ’t wel waar zijn, want alles wat men over de Far-West leest is waar, onomstootelijk waar, hihihihi! Zeker, er zijn prairiejagers, die de dieren vangen om de huid, ik heb het ook wel eens gedaan, maar nu zullen wij ons wel wachten deze zware huid mee te sleepen.

Wij braken op en kwamen, hoewel wij moesten loopen, reeds na ongeveer een half uur in de legerplaats aan, want verder was deze niet verwijderd van de plaats, waarin ik mijn eerste of liever mijn eerste twee buffels had geschoten.

Allen zagen verbaasd op, dat wij te voet kwamen en Sam’s paard niet meebrachten.

—Wij zijn op de buffeljacht geweest en mijn paard is door een [43]stier gedood geworden,—was Sam’s antwoord op de aan ons gedane vragen.

—Buffels, buffels?—klonk het uit aller mond.—Waar hebt ge ze gezien?

—Een klein half uurtje van hier; wij hebben een lende meegebracht, gij kunt ook wel een stuk vleesch gaan halen, als ge wilt.

—Dat zullen we doen,—riep Rattler, die deed alsof er tusschen hem en mij nooit iets was voorgevallen.—Waar ligt het dier?

—Rijdt terug op ons spoor dan komt gij vanzelf op de plaats, gij hebt zelf ook wel oogen als ik mij niet vergis.

—Hoeveel stuks waren er?

—Twintig.

—En hoeveel hebt gij geschoten?

—Een koe.

—Niet meer? Waar zijn de andere gebleven?

—Weg natuurlijk, ik heb niet gevraagd waar zij heengingen, hihihihi!

—Maar één koe. Twee jagers en dan maar één te schieten!—zei Rattler op een minachtenden toon.

—Doe het ons na, als gij kunt, gij hadt al zeker alle twintig geschoten en misschien nog eenige meer. Gij zult bovendien, als gij er komt, nog twee oude twintigjarige stieren zien liggen die deze jonge gentleman heeft neergelegd.

—Stieren, oude stieren, wie schiet daar nu op!—riepen allen,—dat kan alleen zulk een „greenhorn” doen.

—Lacht hem voor mijn part uit, maar ziet de dieren eerst eens goed aan. Ik zeg u, dat hij mij daardoor het leven gered heeft.

—Het leven gered? hoe zoo?

Zij waren nieuwsgierig het avontuur te hooren, maar Sam vervolgde:

—Ik heb geen lust daarover te praten. Laat het u door hem zelf vertellen, als gij het tenminste beter vindt, het vleesch eerst te halen als het donker is.

Hij had gelijk. De zon begon reeds onder te gaan. Allen stegen dus te paard en reden heen. Ik zeg met opzet allen, want geen enkele wilde achterblijven, omdat de een den ander niet vertrouwde. Onder fatsoenlijke jagers behoort elk stuk wild, dat in de wildernis wordt geschoten, aan al de leden van ’t gezelschap, maar hier waar de verhouding niet zeer vriendschappelijk was, eerbiedigde men deze wet niet. Toen zij terugkwamen, hoorde ik dan ook wel, dat zij zich als wilden op de koe hadden geworpen en ieder onder gevloek en getwist, zijn best had gedaan om een zoo groot mogelijk stuk voor zich zelf te bemachtigen. [44]

In den tijd dat zij weg waren, had ik het vleesch van mijn paard genomen, en bracht nu mijn schimmel in orde. Ik haastte mij daarbij volstrekt niet, ten einde Sam in de gelegenheid te stellen, ons avontuur aan Parker en Stone mede te deelen. Zij stonden zoo, dat de tent tusschen hen en mij lag en zij mij dus niet konden zien toen ik nader kwam.

—Gelooft mij, ’t is, zooals ik u zeg,—hoorde ik Sam zeggen— —Neemt me die kerel niet den grootsten en sterksten stier en schiet hem neer als een oude, ervaren buffeljager! Ik heb gedaan alsof ik ’t voor lichtzinnigheid hield en heb hem duchtig de les gelezen maar ik heb hem nu leeren kennen.

—Ik ook,—stemde Stone toe,—hij zal een uitstekende prairieman worden.

—En ook zeer spoedig,—hoorde ik Parker zeggen.

—Yes,—bevestigde Hawkins,—weet gij, makkers, hij is er als voor geboren! En dan die kracht! Heeft hij gisteren niet onzen zwaren ossenwagen geheel alleen voortgetrokken, ja, ja, hij kan er wat mee! Maar wilt ge me één ding beloven?

—Wat dan?—vroeg Parker.

—Laat hem nooit merken, hoe wij over hem denken.

—Waarom niet?

—’t Kon hem eens naar ’t hoofd gaan.

—Wel neen!

—Zeker. Hij is nu nog zeer bescheiden, maar men moet een mensch nooit prijzen, daarmee bederft men ’t karakter. Noemt hem maar gerust „een greenhorn”, hij is ’t ook nog werkelijk, want al bezit hij ook alle eigenschappen, welke een prairiejager moet bezitten, zij zijn nog niet ontwikkeld en hij moet nog veel leeren en zich nog oefenen.

—Hebt gij hem bedankt, dat hij u ’t leven heeft gered?

—Wel neen, ik heb er geen oogenblik aan gedacht.

—Niet? Wat moet hij dan wel van u denken.

—’t Is mij totaal onverschillig wat hij van mij denkt, als ik mij niet vergis. Natuurlijk houdt hij mij voor een ondankbaren schurk, maar dat is bijzaak, de hoofdzaak is, dat hij zoo bescheiden blijft als hij nu is. Ik had hem wel gaarne willen omarmen en willen kussen!

—Foei!—riep Stone uit,—u kussen! Omarmen is nog wat anders, maar kussen!

—Zoo, waarom niet?—vroeg Sam.

—Waarom? Hebt gij dan nog nooit een spiegel in de hand gehad of uw eigen conterfeitsel in het heldere water gezien? Dat gezicht, [45]dien baard en dien neus! Mensch, wie op de onzinnige gedachte komt, om zijn lippen te plaatsen, waar men de uwe moet zoeken, heeft zeker zijn verstand verloren!

—Zoo, zoo, wel, dat klinkt vriendelijk! Ben ik zulk een leelijke kerel? Waarvoor ziet gij u zelf dan aan? Voor een knappen man? Nu verbeeldt u maar niet, dat ge dat zijt. Ik verzeker u, dat, wanneer wij beiden op een tentoonstelling zouden staan, ik een prijs zou krijgen en gij niet, hihihihi! maar laat ons daarover nu maar zwijgen. Wij spreken over onzen „greenhorn”. Ik heb hem niet bedankt en ik ben ook niet van plan het te doen, maar als zoo aanstonds onze lende gebraden is, krijgt hij het lekkerste en sappigste stuk, hij heeft het eerlijk verdiend. En weet ge, wat ik morgen doe?

—Nu?—vroeg Stone.

—Ik zal hem een plezier doen.

—Waarmee?

—Hij mag meegaan een mustang te vangen.

—Wilt gij op de jacht gaan?

—Ja, ik moet toch een ander paard hebben, gij zult mij voor morgen het uwe wel willen leenen. Vandaag hebben wij buffels gezien, de mustangs zijn dus ook op komst. Ik denk, dat ik niet verder behoef te rijden dan tot aan de prairie, welke wij eergisteren hebben opgemeten. Daar moeten zeker mustangs zijn.

Ik luisterde niet verder, maar trok mij terug, om langs een omweg de jagers van een anderen kant te naderen. Zij behoefden niet te weten, dat ik gehoord had, wat niet voor mijn ooren was bestemd. Er werd een vuur aangelegd, naast ’t welk twee gevorkte takken in den grond werden gestoken. Zij vormden het onderstel voor een braadspit, dat uit een sterken rechten tak bestond. De lende werd daaraan bevestigd en nu begon Sam Hawkins het spit langzaam en met overleg te draaien. Ik moest inwendig lachen om het verheugde gezicht, dat hij daarbij trok.

Toen de anderen met het vleesch terugkwamen, volgden zij ons voorbeeld. Wel ging het bij hen niet zoo kalm toe, want daar ieder zijn eigen stuk op hetzelfde vuur wilde braden was er voor allen geen plaats genoeg en ’t gevolg was, dat zij hun voorraad half rauw opaten.

Ik kreeg werkelijk het beste stuk, ’t was wel drie pond zwaar en ik at het op. Men houde mij daarom niet voor een veelvraat, ik heb integendeel, altijd minder gegeten dan anderen in mijn omstandigheden zouden doen, maar het is voor iemand, die het zelf niet heeft gezien en mee doorleefd heeft, niet te gelooven, welk een vleeschmassa een prairieman eten kan en ook eten moet, wil hij gezond blijven. [46]

De mensch heeft voor zijn voedsel, behalve de anorganische stoffen, een zekere hoeveelheid eiwit en koolstof noodig, en kan deze in de juiste verhouding tot zich nemen, wanneer hij in een beschaafde streek woont. De prairie-bewoner daarentegen, die maandenlang in geen bewoonde streek komt, leeft alleen van vleesch, dat weinig koolstof bevat, hij moet dus groote porties eten om de noodzakelijke hoeveelheid koolstof te krijgen. Dat hij daarbij onnoodig meer eiwit tot zich neemt dan zijn lichaam noodig heeft, daaraan kan hij zich niet storen. Ik heb een ouden Trapper acht pond vleesch achter elkaar zien opeten en toen ik hem vroeg, of hij genoeg had, antwoordde hij lachend:

—Ik moet wel genoeg hebben, want ik heb niet meer, maar als gij nog een stukje van ’t uwe overhebt, zal ik het nog met genoegen opeten.

Onder den maaltijd spraken de prairiejagers druk over onze buffeljacht, en ik merkte, dat zij, toen zij de groote stieren hadden zien liggen, toch nog wel eenig ontzag voor ons hadden gekregen.

Den volgenden morgen deed ik, alsof ik gewoon aan mijn werk wilde gaan, maar Sam kwam naar mij toe en zeide:

—Laat die instrumenten nu maar liggen, sir, wij hebben iets anders te doen.

—Wat dan?

—Dat zult ge wel zien. Zadel uw paard, wij gaan er op uit.

—Waarheen? ’t werk gaat toch voor!

—Neen, hoor, gij hebt genoeg gedaan, bovendien, ik denk, dat wij tegen den middag reeds terug zijn en dan kunt gij wat mij betreft, nog zooveel rekenen en meten, als gij maar wilt!

Ik deelde Bancroft mee, wat hij moest weten en wij reden weg. Sam deed onderweg zeer geheimzinnig en ik liet hem niet merken, dat ik iets van zijn plannen afwist. Na een korten rit, bereikten wij de prairie, waarover Sam gisteren gesproken had. Zij was ongeveer twee Engelsche mijlen breed, dubbel zoolang en omgeven door boschrijke heuvels. Een tamelijk breede beek gaf vochtigheid in overvloed en het gras was dientengevolge hoog opgeschoten. Van het noorden kon men, tusschen twee tamelijk hooge bergen door deze prairie bereiken, terwijl zij ten zuiden in een dal eindigde. Toen wij hier aangekomen waren, hield Hawkins zijn paard in en overzag de vlakte met een vorschend oog, daarna reden wij verder naar het noorden langs de oevers der beek. Plotseling pareerde hij zijn paard, dat van een der anderen geleend was, steeg af, sprong over de beek en ging naar een plek waar het gras was platgetreden. Hij onderzocht deze plaats nauwkeurig, kwam terug, klom weer in [47]den zadel en reed verder, doch niet, zooals te voren, in noordelijke, maar nu in westelijke richting, zoodat we spoedig den rand der prairie bereikten. Hier steeg hij weer af en liet zijn paard grazen, evenwel niet zonder het vooraf goed vastgebonden te hebben. Sedert hij het spoor had onderzocht, had hij nog geen woord gezegd, maar zijn zonderling gezicht, toonde een uitdrukking van volkomen tevredenheid. Nu begon hij eindelijk:

—Stijg ook af, sir en bind uw paard stevig vast, wij zullen hier wachten.

—Waarom moet ik het paard vastbinden?—vroeg ik, hoewel ik het zeer goed wist.

—Omdat gij het anders licht zoudt verliezen. Ik heb dikwijls genoeg gezien, dat de paarden er bij dergelijke gelegenheden van doorgingen.

—Welke gelegenheden?

—Vermoedt gij niet, wat ik bedoel?

—Hm!

—Raad dan eens!

—Mustangs?

—Hoe komt gij daaraan?—vroeg hij, terwijl hij mij verwonderd aanzag.

—Omdat ik daarvan wel eens iets gelezen heb.

—Wat dan?

—Dat de tamme paarden, wanneer zij niet goed zijn vastgebonden, er wel eens met de wilde mustangs van doorgaan!

—Loop naar den duivel, gij hebt ook alles gelezen en ’t is niet mogelijk u met ’t een of ander te verrassen. Neen, dan houd ik meer van menschen, die in ’t geheel niet kunnen lezen.

—Hadt gij mij dan willen verrassen?

—Natuurlijk.

—Met een jacht op mustangs?

—Ja.

—Maar gij hadt mij toch een en ander er van moeten vertellen, vóór de mustangs kwamen.

—’t Is waar, welnu, luister dan, de mustangs zijn er reeds geweest.

—Was dat daar zooeven hun spoor?

—Ja, zij zijn gisteren hierlangs getrokken, dat wil zeggen, een klein troepje, de verkenners, weet ge. Deze dieren zijn namelijk bijzonder verstandig. Zij zenden altijd kleine troepen vooruit. Zij hebben hun officieren, en de bevelhebber is altijd een ervaren, sterke en moedige hengst. Als zij weiden of zich in beweging stellen, [48]altijd is de buitenste rij door hengsten gevormd, dan volgen verder naar binnen de merries en eindelijk de veulens. Dit gebeurt, opdat de hengsten de andere kunnen verdedigen. Ik heb u reeds herhaalde malen gewezen, hoe men een mustang met de lasso vangt, hebt gij dat nu goed begrepen?

—Zeker.

—Hebt gij lust er een te vangen?

—Ja.

—Dan zult gij vanmiddag daartoe in de gelegenheid zijn, sir!

—Dank u, ik zal er geen gebruik van maken.

—Niet? wat duivel waarom niet?

—Omdat ik geen paard noodig heb.

—Maar een prairiejager vraagt er niet naar of hij een paard noodig heeft of niet!

—Dan beantwoordt hij niet aan mijn ideaal van een prairiejager.

—Hoe moet hij dan zijn?

—Wel, gij hebt gisteren van aasjagers gesproken, van blanken, die de buffels in massa dooden, zonder dat zij het vleesch noodig hebben. Ik houd dat voor een onrecht, gepleegd aan de dieren en aan de roodhuiden, die daardoor van hun voedsel worden beroofd. Gij toch ook?

—Zeker.

—Nu zoo is het ook met de paarden. Ik wil geen van deze heerlijke dieren van zijn vrijheid berooven, zonder mij daarmee te kunnen verontschuldigen, dat ik een paard noodig had.

—Dat is braaf gezegd, sir, braaf gezegd. Zoo moest ieder Christen spreken en handelen. Maar wie heeft u gezegd, dat gij een mustang van zijn vrijheid zoudt berooven? Gij hebt u geoefend in het gebruik van de lasso, gij moet nu een proef leveren. Ik wil zien of gij door uw examen komt, weet ge?

—Dat is iets anders, ja, dan doe ik mee.

—Goed. Bij mij evenwel is ’t natuurlijk ernst. Ik heb een paard noodig en zal er een nemen. Ik heb het u reeds zoo dikwijls gezegd, let er dus op: ga recht in den zadel zitten en houd uw paard in, op het oogenblik dat de lasso aantrekt en de ruk volgt. Als gij dat niet doet, wordt gij omvergehaald; de mustang vliegt weg en sleurt uw paard aan de lasso mee. Dan hebt gij geen paard meer en kunt te voet gaan, evenals ik nu.