Hij wilde verder gaan, maar wees eensklaps met de hand naar de reeds genoemde twee bergen aan den noordkant van de prairie. Daar verscheen een paard, een enkel paard. Het liep langzaam en zonder te grazen voort, wierp den kop dan eens naar deze, dan eens naar gene zijde en snoof de lucht in. [49]
—Ziet gij het?—fluisterde Sam zacht, hoewel het paard ons op dezen afstand onmogelijk had kunnen hooren:—heb ik u niet gezegd, dat zij zouden komen? Dit is de spion, die rondziet, of de streek veilig is. Wat een slim dier! Zie eens, hoe hij zich naar alle richtingen keert en wendt. Hij zal ons niet bemerken, want de wind komt van zijn kant, daarom heb ik deze plaats gekozen.
Nu begon de mustang te draven, nu naar rechts dan naar links, keerde eindelijk om en verdween in de richting, van waar wij hem hadden zien komen.
—Hebt gij goed opgelet? vroeg Sam.—Hoe verstandig, nietwaar, om elk kreupelboschje tot dekking te nemen. Een Indiaansche verkenner zou het hem niet kunnen verbeteren.
—Werkelijk, ik sta er verbaasd van.
—Nu is hij heengegaan om zijn vierbeenigen generaal te melden, dat het terrein veilig is. Hij heeft zich evenwel vergist, hihihihi! Ik wed, dat zij binnen tien minuten hier zijn, let er eens op. Weet ge, wat wij doen?
—Nu?
—Gij rijdt vlug tot aan den uitgang der prairie en wacht daar. Ik echter rijd tot dicht bij den ingang en verberg mij in het bosch. Komt de kudde, dan laat ik haar voorbijtrekken, en jaag achter haar aan. Zij vlucht dan natuurlijk naar uw kant, gij komt te voorschijn en zij keert terug. Zoo drijven wij haar heen en weer, tot wij de twee beste paarden hebben uitgekozen, die vangen wij en van die twee behoud ik het beste en het andere laten wij loopen. Vindt gij dat goed?
—Hoe kunt gij dat vragen? Ik weet niets van de paardenjacht, waarin gij een meester zijt en zal mij dus geheel naar uw aanwijzingen gedragen.
—Wel, gij hebt gelijk. Ik heb reeds menigen wilden mustang getemd, en gij zijt dus niet zoover mis, als gij mij een „meester” in de kunst noemt. Dus, vooruit maar, anders zijn wij niet op tijd op de juiste plaats.
Wij stegen weer op en reden ieder een verschillenden kant uit, hij naar ’t noorden en ik tot daar, waar wij de prairie hadden betreden. Daar mijn zware berendooder mij wel wat hinderen zou, had ik grooten lust hem zoolang ergens neer te leggen, maar ik had gelezen en gehoord, dat een voorzichtig prairiejager alleen dan het geweer neerlegt, wanneer hij zeker weet, dat hij veilig is en het niet noodig zal hebben. Dit was echter nu niet het geval, ieder oogenblik kon hier een Indiaan of een roofdier te voorschijn komen en ik bevestigde dus het oude geweer maar stevig aan den zadelknop. Nu wachtte [50]ik vol spanning op de komst der paarden. Ik stond tusschen de eerste twee boomen van het bosch, dat aan de prairie grensde, bond het ééne einde van de lasso eveneens aan den zadelknop en legde den riem opgeschoten zóó voor mij, dat ik dien gemakkelijk kon grijpen.
Het benedeneinde van de prairie was zoover van mij verwijderd, dat ik de paarden, wanneer ze daar verschenen, niet kon zien. Eerst wanneer Sam ze zou hebben opgejaagd, zouden ze voor mij zichtbaar worden. Ik was nog geen kwartier op mijn plaats, toen ik daarbeneden een menigte donkere stippen zag, welke, naarmate zij dichter bij kwamen, al grooter werden. Eerst geleken het musschen, toen katten, honden, kalveren, totdat ik eindelijk duidelijk hun vorm kon onderscheiden. Het waren de mustangs, die in een wilde jacht naar mij toe kwamen! Welk een heerlijk gezicht! De manen zwierden om hals en schouders, de staarten wapperden als vederbossen in den wind. Er waren niet meer dan driehonderd stuks en toch scheen de grond onder hun hoeven te dreunen. Vooraan draafde een schimmelhengst, een prachtig dier, dat ik gaarne had willen vangen, maar het zal geen prairiejager in ’t hoofd komen, een schimmel te berijden. Zoo’n lichtgekleurd dier zou hem reeds van verre aan elken vijand verraden!
Nu was het voor mij tijd, te voorschijn te komen. Ik sprong tusschen de boomen uit: de leidende schimmel deinsde achteruit, alsof hij een kogel in zijn lichaam had gekregen, de kudde bleef staan; een luid, angstig snuiven, toen was het, of het bevel luidde: „omgekeerd marsch”, en onmiddellijk vlogen de dieren terug, vanwaar zij gekomen waren.
Ik volgde hen zonder de minste haast, want ik wist dat Sam Hawkins ze weer dezen kant uit zou drijven. Daarbij had ik een oogenblik tijd te denken aan een omstandigheid, welke mij was opgevallen. Hoewel de paarden slechts één oogenblik voor mij hadden stilgestaan, had ik toch meenen te zien, dat een van de dieren geen paard, maar een muildier was. Ik kon mij vergist hebben maar ik meende goed gezien te hebben. De tweede maal wilde ik beter oppassen. Dit muildier bevond zich in de voorste rij, en wel dadelijk achter den schimmel, het werd dus door de paarden niet alleen als een van huns gelijken aangezien, maar bekleedde zelfs een bijzonderen rang.
Na eenigen tijd kwam de kudde terug en keerde bij mijn verschijnen andermaal om. Dit herhaalde zich eenige malen en zoo had ik gelegenheid te zien, dat ik mij niet vergist had; er was een muildier onder hen, een lichtbruin muildier met een donkere streep [51]over den rug. Het was een mooi dier, niettegenstaande zijn grooten kop en zijn lange ooren. Muildieren hebben dit boven gewone paarden voor, dat zij ’t langer kunnen volhouden, een zekerder tred hebben en bij afgronden niet duizelig worden. Dit zijn voordeelen, welke niet over ’t hoofd dienen te worden gezien. Wel is waar zijn die dieren ook koppig. Ik heb muildieren gezien, die zich liever dood lieten ranselen, dan dat zij een stap verder gingen en toch had men geen te zwaren last opgeladen en was de weg prachtig.
Het kwam mij voor, dat dit muildier fier en moedig was, dat zijn oogen helderder en verstandiger rondzagen, dan die van de andere paarden en ik besloot dit dier te vangen. Het was zeker bij ’t voorbijjagen van een kudde wilde paarden, aan zijn meester ontvlucht, en zoo bij de mustangs gebleven.
Sam en ik waren intusschen zóó dicht bij elkaar gekomen, dat wij elkander konden zien en in deze beperkte ruimte konden de mustangs noch voor noch achteruit, zij weken dus naar den kant. Wij volgden hen, de kudde deelde zich nu in tweeën, ik zag, dat het muildier bij de hoofdafdeeling bleef, en steeds naast den schimmel galoppeerde. Ik bepaalde mij dus tot dezen troep, en Sam scheen het op denzelfden te hebben gemunt,
—Tusschen ons in nemen, ik links, gij rechts,—riep hij mij toe.
Wij gaven onzen paarden de sporen, en hadden de mustangs ingehaald, vóór zij het bosch bereikten. Hier keerden zij om en wilden tusschen ons door vluchten. Om dit te verhinderen joegen wij naar elkander toe, toen stoven zij uit elkaar als een troep jonge kuikens, waarop de havik is neergestreken. De schimmel en het muildier werden van de andere gescheiden, wij joegen hen achterna. Daarbij riep Sam, die zijn lasso reeds gereed had, mij toe:
—Een „greenhorn” zijt ge, en dat zult gij wel eeuwig blijven!
—Waarom?
—Wie jaagt er nu op een schimmel, hihihihi.
Ik antwoordde, maar hij hoorde mij niet. Hij dacht dus dat ik ’t op den schimmel had begrepen! Welnu, mij goed! Ik liet het muildier aan hem over en week uit naar de zijde waar de mustangs snuivend en hinnikend door elkaar liepen. Sam was zoo dicht bij het muildier gekomen, dat hij de lasso uit kon werpen; de strop pakte goed om den hals van het dier. Nu moest Sam blijven staan en, zooals hij mij zelf had geraden, zijn paard naar achteren werpen, om den schok te kunnen weerstaan, welke volgen moest, wanneer de lasso zich spande. Hij deed dit ook, maar helaas, een oogenblik te laat; zijn paard werd door den geweldigen ruk omvergeworpen. Sam Hawkins maakte een prachtige buiteling door de lucht en kwam over den kop [52]van ’t paard een eind weegs verder op den grond terecht. Het paard was dadelijk opgestaan en vloog verder, daardoor verloor de lasso de spanning, en het muildier dat was blijven staan, kreeg lucht, het galoppeerde ook weg en sleurde het paard dat de lasso om den zadelknop had, mee de prairie in.
Ik snelde op Sam toe, om te zien, of hij letsel had gekregen, maar hij was reeds opgestaan en riep mij verschrikt toe:
—Wel, alle drommels, daar gaan warempel Dick Stone’s ros en het muildier alle twee er van door, zonder fatsoenlijk adieu te zeggen, als ik mij niet vergis!
—Hebt gij u pijn gedaan?
—Neen, stijg af en leen mij uw paard, ik moet het gebruiken!
—Waarvoor?
—Ik wil natuurlijk de beide vluchtelingen nazetten. Stijg gauw af!
—Ik denk er niet aan! Gij kondt eens weer zulk een buiteling maken en dan waren allebei de paarden naar de maan.
Bij deze woorden dreef ik het mijne aan en joeg het muildier na. Dit was reeds een heel eind vooruitgekomen, maar nu kwam het met het paard in conflict. De een wilde namelijk dezen kant uit, de andere dien en daar zij met de lasso verbonden waren, hielden zij elkaar tegen, en ik kon ze gemakkelijk inhalen. Ik dacht er niet aan mijn eigen lasso te gebruiken, maar ik greep naar de andere, welke beide dieren verbond, wond deze eenige keeren om mijn hand, en nu was ik zeker het muildier in bedwang te kunnen houden. Ik liet het eerst een eindje verder loopen, en galoppeerde met de beide paarden achter hem aan, maar trok daarbij den riem steeds sterker aan, zoodat de strop steeds nauwer werd. Zoo kon ik het dier ook een weinig sturen, en door schijnbaar toegeven, liep het in een boog naar den kant, waar Sam Hawkins stond. Toen trok ik het touw plotseling zoo strak aan, dat het muildier den hals werd toegeknepen, het verloor den adem en viel op den grond.
—Houd vast tot ik den rakker vastheb en laat dan los!—riep Sam.
Hij ging, hoewel het dier met de pooten sloeg, dicht naast hem staan.
—Nu maar!—zeide hij.
Ik liet de lasso los, het muildier kreeg lucht en sprong op, maar even snel had Sam zich op zijn rug geslingerd. Het dier bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk staan, als van schrik verstijfd, toen begon het geweldige sprongen te maken, maar de kleine Sam bleef zitten.
—Hij krijgt er mij niet af!—riep hij mij toe.—Nu zal hij wel een laatste poging wagen en er met mij van doorgaan. Wacht hier op mij, ik breng hem getemd terug. [53]
Maar nu had hij zich vergist. Het beest ging er niet van door, maar wierp zich op den grond en wentelde zich heen en weer. De kleine Sam moest uit den zadel, wilde hij zijn ribben niet breken. Ik sprong eveneens uit mijn zadel, greep de op den grond sleepende lasso en slingerde haar snel tweemaal om een sterken boomstam. Nu had het muildier zijn ruiter afgeworpen en sprong op. Het wilde wegloopen, maar de lasso spande zich opnieuw en voor de tweede maal stortte het dier ter aarde.
Sam Hawkins had zich een weinig teruggetrokken, betastte zijn ribben en beenen, trok een gezicht, alsof hij zuurkool met pruimenmoes gegeten had, en zeide:
—Laat dat beest loopen, geen mensch kan het temmen!
—Nooit van mijn leven, ik laat mij niet beschaamd maken door zoo’n muildier. Let eens op! het zal mij gehoorzamen, voor wij tien minuten verder zijn.
Ik maakte de lasso van den boomstam los, en ging met de beenen, wijd van elkander, over het dier heen staan. Zoodra het lucht kon krijgen, sprong het op. Nu kwam het er maar op aan, de beenen stijf in de lenden te drukken en dat kon ik beter dan Sam.
Terwijl het muildier pogingen deed om mij, evenals Sam, uit den zadel te lichten, nam ik de lasso, die, van den hals afhangend, op den grond sleepte, bij elkaar en hield hem juist boven den strop vast. Zoodra ik merkte, dat het dier wilde gaan liggen, trok ik aan, en door deze behandeling en door den druk mijner knieën, hield ik het op de beenen. Het was een moeilijke strijd, durf ik zeggen, ik begon uit al mijn poriën te zweeten, maar het muildier zweette nog veel meer, het zweet droop hem van het lichaam en groote vlokken schuim vlogen uit zijn bek. Zijn bewegingen werden zwakker en zwakker, zijn eerst woedend gesnuif ging over in een kort hoesten, en eindelijk stortte het onder mij neer, niet uit willekeur, maar van vermoeidheid en uitputting. Met verdraaide oogen bleef het onbeweeglijk liggen. Ik haalde diep, diep adem, het was of al mijn spieren en zenuwen verscheurd waren.
—Jongen, wat zijt ge toch voor een mensch?—riep Sam.—Gij zijt sterker geweest dan dit dier! Als gij uw gezicht kondt zien, zoudt gij er van schrikken!
—Dat wil ik wel gelooven.
—Uw oogen puilen uit het gezicht. Uw lippen zijn gezwollen en uw wangen zijn letterlijk blauw.
—Dat komt er van, als men een „greenhorn” is en zich niet uit den zadel wil laten werpen, terwijl een ander, die een meester in het mustangvangen heet, een buiteling maakt, zijn eigen paard [54]aan het muildier koppelt en ze samen een wandeling laat maken.
Hij trok een jammerlijk gezicht en zeide op klagenden toon:
—Houd u toch stil sir, ik zeg u, zoo iets overkomt den besten jager wel eens. Gij hebt gisteren en vandaag een paar mooie dagen gehad.
—Ik hoop nog meer zulke dagen te beleven, maar voor u zijn ze erg genoeg. Hoe staat het met uw ribben en andere beenderen?
—Ik weet het niet, ik zal later eens tellen of ik ze nog alle heb, maar nu beven ze in mijn lichaam. Dat is een beest, zooals ik er nog nooit een onder mij gehad heb. Ik hoop, dat het tot bezinning gekomen zal zijn!
—Zie het dier eens aan, het ligt daar om medelijden mee te krijgen. Wij zullen zadelen en dan kunt gij er op naar huis rijden.
—Dan begint hij natuurlijk weer te springen!
—Geen sprake van, die heeft vooreerst genoeg, het is een verstandig dier, en gij zult er veel plezier van hebben.
—Ja, dat geloof ik ook, ik had het dadelijk op dit paard gemunt, gij op den schimmel, wat een groote dwaasheid was.
—Weet gij dat zeker?
—Natuurlijk was het een dwaasheid.
—Dat bedoel ik niet, maar of ik het op den schimmel gemunt had.
—Op wat dan anders?
—Ook op het muildier!
—Werkelijk?
—Ja, al ben ik ook een „greenhorn” ik weet toch wel, dat een schimmel niets waard is voor een prairiejager. Het muildier beviel mij dadelijk, toen ik het zag.
—Ja, gij hebt een goed verstand van paarden, dat moet ik toestemmen.
—Dank u voor ’t compliment, Sam, maar help mij nu het dier eens op de been brengen.
Wij deden dit, het arme beest stond stil en sidderde over al zijn leden. Het verweerde zich ook niet, toen wij den zadel vastgespten en den teugel aanlegden, en toen Sam opgestegen was, gehoorzaamde het gewillig als een goed gedresseerd paard.
—Deze heeft reeds eenmaal een meester gehad,—zeide Sam,—dat kan ik merken, het is zeker weggeloopen. Weet ge, hoe ik het zal noemen?
—Welnu?
—Mary. Ik heb vroeger eens een muildier gehad, dat ook Mary heette en dan behoef ik niet de moeite te doen een anderen naam te bedenken. [55]
—Dus het paard Mary en het geweer Liddy.
—Ja, twee allerliefste namen, vindt ge niet? En nu heb ik een ernstig verzoek aan u.
—Welk?
—Spreek niet over wat hier gebeurd is, ik zal er u erg dankbaar voor zijn.
—Dat is niet noodig, ik beloof u te zullen zwijgen.
—Goed; wat zouden ze daarginds in de legerplaats lachen, als ze wisten hoe Sam Hawkins aan zijn Mary gekomen was. Als gij u stil houdt, zal ik …
—Och kom! viel ik hem in de rede,—het is immers de moeite niet waard, daarover nog meer woorden te verspillen. Gij zijt immers mijn leeraar en mijn vriend, meer behoef ik u niet te zeggen.
Toen werden zijn kleine, schrandere oogjes vochtig en riep hij vol geestdrift uit:
—Ja, uw vriend ben ik en als ik wist, dat gij ook maar een heel klein beetje van mij hieldt, zou dat mijn arm hart oneindig veel genoegen doen.
Ik reikte hem de hand en antwoordde:
—Gij kunt verzekerd zijn, Sam, dat ik veel van u houd, ja, zooveel ongeveer als men van een braven, goeden oom houdt. Is u dat genoeg?
—Zeker, sir, zeker! Ik ben er zoo blij mee, dat ik u wel gaarne dadelijk een groot genoegen zou willen doen. Zeg mij, wat ik doen zal! Zal ik—zal ik—bij voorbeeld, deze nieuwe Mary voor uw oogen met huid en haar verslinden? Of zal ik, als ge dit beter vindt, me zelf opeten? Of zal ik …
—Zwijg toch!—lachte ik.—In beide gevallen zou ik u verliezen, in ’t eerste zou er niets van u overblijven, en in het tweede zoudt gij sterven aan een indigestie, want uw maag zou uw pruik nooit kunnen verteren. Gij hebt mij bovendien reeds zoo dikwijls een dienst bewezen en zult daartoe nog wel eens in de gelegenheid komen. Blijf dus voorloopig met uw Mary maar in leven en maak dat wij spoedig weer in de legerplaats komen, ik moet aan ’t werk.
—Werk? Gij hebt vandaag genoeg werk gedaan, als ik mij niet vergis!
Ik bond Dick Stone’s paard met de lasso aan het mijne vast en wij reden weg. De mustangs waren natuurlijk alle reeds lang uit het gezicht verdwenen, het muildier luisterde gewillig naar de bevelen van zijn meester en Sam riep zoo nu en dan verheugd uit:
—Zij heeft een uitstekenden meester gehad, deze Mary! Ik voel [56]en merk bij iederen tred, dat ik voortaan een voortreffelijk paard zal hebben. Zij herinnert zich langzamerhand, wat zij vroeger geleerd en onder de mustangs vergeten heeft. Ik hoop, dat zij niet alleen temperament, maar ook karakter bezit.
—Als zij dat nog niet heeft, kunt gij ’t haar nog leeren, zij is nog niet oud!
—Hoe oud denkt gij, dat zij is?
—Vijf jaar, ouder niet.
—Dat is ook mijn meening. Ik zal later eens nauwkeurig onderzoeken, of ’t werkelijk zoo is. Ik heb dit paard alleen aan u te danken, alleen aan u, sir! Dit waren twee leelijke dagen voor mij, maar voor u zeer eervolle. Hadt gij wel gedacht, dat gij de buffel en de paardenjacht zoo spoedig achter elkaar zoudt meemaken?
—Och, waarom niet? Men moet hier in ’t Westen op alles voorbereid zijn. Ik hoop aan nog meer dergelijke jachten deel te zullen nemen.
—Hm ja, ’t is te hopen, dat gij er dan even eervol afkomt. Gisteren vooral hing uw leven aan een zijden draadje. Gij hebt te veel gewaagd, gij moogt nooit vergeten, dat gij nog „een greenhorn” zijt! Laat ge me daar niet den buffel kalm tot u komen en schiet hem dan recht in de oogen! Heeft men wel ooit zoo iets gehoord! Gij zijt nog onervaren en hebt de bisons onderschat. Neem u later beter in acht en heb niet al te veel zelfvertrouwen. De jacht op buffels is zeer gevaarlijk. Er is maar één die nog gevaarlijker is.
—Welke dan?
—De jacht op beren.
—Meent gij de jacht op den zwarten beer met gelen snuit?
—Op den Baribal? Neen, dat is een zeer goedig en vreedzaam dier, dat men allerlei kunstjes kan leeren. Neen, ik bedoel den Grizzly, den grijzen beer uit het rotsgebergte. Gij hebt zeker wel over hem gelezen?
—Ja.
—Wil maar hopen, dat gij hem nooit ontmoet. Als hij op zijn achterpooten staat, is hij twee voet langer dan gij, met één knauw heeft hij uw hoofd verbrijzeld en als hij aangevallen wordt en kwaad gemaakt wordt, rust hij niet, voor er van zijn vijand geen stukje meer over is.
—Kom, kom!
—Zie, daar hebt ge nu weer uw groote lichtzinnigheid! Gij spreekt van den grooten, onoverwinnelijken grijzen beer met een geringschatting, die kant noch wal raakt. [57]
—Wel neen, ik acht hem ook zeer gevaarlijk, maar onoverwinnelijk, zooals gij daar zegt, is hij toch niet. Geen roofdier is onoverwinnelijk, ook de Grizzly niet.
—Hebt gij dat misschien ook gelezen?
—Ja zeker.
—Hm, ik geloof, dat de boeken, die gij hebt gelezen u zoo lichtzinnig hebben gemaakt. Gij zijt toch anders zulk een verstandig mensch, als ik mij niet vergis! Gij zoudt in staat zijn, om op den grijzen beer op dezelfde manier los te trekken, als gisteren op de bisons.
—Als ik niet anders kon, zeker!
—Niet anders kon! Onzin! Wat bedoelt ge met deze woorden? Ieder mensch kan anders, als hij wil!
—Dat wil zeggen, hij kan op de vlucht trekken, als hij laf is, bedoelt ge dat?
—Ja, maar van lafheid is daarbij geen sprake. Het is geen lafheid voor den Grizzly te vluchten, integendeel, het is zelfmoord hem aan te vallen.
—Dan verschillen wij van meening. Wanneer hij mij verrast en mij geen tijd laat te vluchten, moet ik mij verdedigen. Als hij een van mijn makkers aanvalt, moet ik hem te hulp komen. Dat zijn twee gevallen, waarin ik niet kan of mag vluchten. En bovendien kan ik mij zeer goed denken, dat een dapper prairiejager lust krijgt eens den strijd met den grijzen beer te wagen, om zijn moed te toonen, een gevaarlijk roofdier onschadelijk te maken en eens lekker te smullen van de ham en de klauwen.
—Gij zijt een onverbeterlijk mensch, en ik word waarlijk bang voor u! Bid God, dat gij nooit met die ham en die klauwen kennis maakt, al wil ik niet ontkennen, dat er niets op de geheele wereld is, dat lekkerder smaakt.
—Waarschijnlijk behoeft ge vooreerst nog niet bezorgd over mij te zijn. Of zijn hier in deze streek ook grijze beren?
—Zeker waarom niet? De Grizzlybeer vindt men in ’t geheele gebergte, hij volgt den loop der rivieren en komt soms tot in de prairiën! Wee dengene, dien hij daar aantreft. Laat ons er niet verder over spreken.
Hij vermoedde evenmin als ik, dat reeds den volgenden dag dit thema opnieuw ter sprake zou komen en wij dit gevreesde dier op onzen weg zouden ontmoeten. Er was geen tijd meer het gesprek verder voort te zetten, want wij waren nu bij de legerplaats aangekomen. Men had in dien tusschentijd flink gewerkt, Bancroft had eens willen toonen, dat hij, als ’t moest, ook nog wel iets kon.
Toen men ons zag aankomen, riep men reeds van verre: [58]
—Een muildier, een muildier, waar haalt ge dat vandaan?
—Over de post gekregen!—antwoordde Hawkins met den grootsten ernst.
—Niet mogelijk en van wien dan?
—Onder kruisband, voor twee cent, wilt gij het omslag zien?
Eenigen lachten, anderen scholden, maar Sam had zijn doel bereikt, men vroeg niet verder. Of hij tegen Dick Stone en Willy Parker iets mededeelzamer was, kon ik niet zien, daar ik dadelijk aan ’t werk ging. Wij vorderden goed en tegen den avond waren wij zoover, dat wij den volgenden morgen beginnen konden, het dal op te meten, in ’t welk wij den vorigen dag de bisons gejaagd hadden. Toen ik daarover met Sam sprak, vroeg ik hem, of het niet mogelijk was, dat wij in onzen arbeid door de buffels gestoord zouden worden, daar zij waarschijnlijk door dit dal wilden trekken. Wij hadden slechts met de voorhoede te doen gehad en konden ons dus voorbereiden op de komst van den hoofdtroep. Sam antwoordde evenwel:
—Wees daarvoor niet bang, sir. De bisons zijn even slim als de mustangs. De door ons verjaagde voorposten zijn teruggekeerd en hebben de kudde gewaarschuwd, deze neemt nu een anderen weg en zal zich wel wachten door dit dal te komen.
Toen de morgen aanbrak, verlegden wij onze legerplaats. Hawkins, Stone en Parker hielpen ons daarbij niet, want de eerste wilde zijn „Mary” inrijden en de beide anderen waren met hem meegegaan naar de prairie, waar dit kunststuk zou worden vertoond.
Wij, opzichters, hadden het druk met het aanbrengen der meetstangen, waarbij eenige ondergeschikten van Rattler ons hielpen; deze zelf slenterde met de anderen wat in de omgeving rond. Daarbij kwamen wij, en hij ook, dicht bij de plek, waar ik de beide buffels had doodgeschoten. Tot mijn verbazing bemerkte ik, dat de oude buffel er niet meer lag. Wij gingen er naar toe, en zagen dat, van de plek, waar hij gelegen had, een breed spoor leidde tot aan het kreupelhout, het gras was geheel platgetreden.
—Wel duivels! hoe is dat mogelijk—riep Rattler—Ik heb toen wij het vleesch haalden, de stieren toch goed onderzocht, zij waren dood en toch heeft deze nog leven in zich gehad.
—Meent gij dat?—vroeg ik.
—Zeker, of denkt gij dat een doode buffel aan den haal kan gaan.
—Moet hij zelf aan den haal zijn gegaan, kan een ander hem niet hebben gehaald?
—Zoo, en wie zou dat dan kunnen zijn?
—Indianen bijvoorbeeld! Wij hebben daarginds hun voetspoor gezien. [59]
—Zoo, wat kan zulk een „greenhorn” toch verstandig praten. Waar zouden de Indianen vandaan zijn gekomen?
—Wel van hier of daar.
—Dat is natuurlijk, uit den hemel misschien, want anders zou men hier toch hun sporen zien. Neen, er is nog leven in den buffel geweest, en toen hij bijkwam, heeft hij zich voortgesleept tot in het kreupelhout, waar hij natuurlijk gestorven is. Laat ons maar eens gaan zien!
Hij volgde met zijn lieden het spoor. Misschien had hij gedacht, dat ik mee zou zijn gegaan, ik deed dit echter niet, want de hoonende wijze, waarop hij met mij sprak, ergerde mij en ik had nog te werken, bovendien was het mij ook tamelijk onverschillig, waar het lijk van den ouden stier gebleven was. Ik keerde dus naar mijn werk terug, maar nauwelijks had ik de maatstang weer ter hand genomen, of ik hoorde een vreeselijk angstgeschreeuw tusschen de boomen, twee, drie schoten knalden en toen hoorde ik Rattler roepen:
—In de boomen, vlug, in de boomen, anders zijt gij verloren, hij kan niet klimmen.
Wien bedoelde hij daarmee? Ik zag iemand uit het kreupelhout komen met sprongen, zooals men die slechts in doodsangst kan maken.
—Wat is er, wat is er?—riep ik hem toe.
—Een beer, een groote beer, een grijze Grizzly!—hijgde hij, terwijl hij mij voorbij rende.
Tegelijkertijd schreeuwde een stem:
—Help, help, hij heeft mij beet. Oh, oh!
Zóó kon slechts een mensch brullen, die den dood voor oogen ziet. De man moest zich in groot gevaar bevinden, hij moest gered worden, maar hoe? Ik had mijn geweer bij de tent laten liggen, omdat het mij bij ’t werk hinderde. Dit was geen onvoorzichtigheid geweest, want wij, opzichters, hadden immers de prairiejagers tot onze bescherming bij ons. Indien ik eerst naar de tent liep, werd de man in dien tusschentijd door den beer verscheurd, ik moest dus naar hem toe, zooals ik was, alleen met mijn mes en de revolvers in den gordel. Maar wat zijn dit voor wapens tegen een Grizzlybeer! Dit dier is verwant aan den nu uitgestorven holenbeer, en behoort meer tot den voortijd dan tot den tegenwoordigen tijd. Hij wordt negen voet lang en ik heb exemplaren gezien, die even zooveel duizenden ponden wogen. Zijn spierkracht is zoo groot, dat hij met gemak met een hert, een veulen, of een bisonkalf in den bek wegloopt. Een ruiter kan hem slechts dan ontkomen, wanneer hij een bijzonder sterk paard heeft, anders haalt de grijze beer hem zeker in. Het [60]spreekt dus vanzelf, dat, wegens zijn reusachtige sterkte en onvermoeide kracht, de overwinning op den Grizzlybeer, bij de Indianen voor een ongehoord dappere daad geldt. Ik ijlde dus naar het kreupelhout. Het spoor liep nog verder, tot daar, waar de boomen begonnen. Tot hierheen had de beer den dooden stier gesleept.
Het was een vreeselijk oogenblik. Achter mij riepen de opzichters, die naar de tent snelden om hun wapens te halen, vóór mij schreeuwden de prairiejagers en daartusschen klonk het onbeschrijfelijke angstgehuil van den man, die in de klauwen van den beer was gevallen.
Met elken sprong kwam ik nader, nu hoorde ik de stem van den beer, of liever dat eigenaardig snuiven en brommen, dat dit dier kenmerkt.
Eindelijk was ik er. Vóór mij lag het ontvleeschde lijk van den bison, rechts en links schreeuwden de prairiejagers, die in de boomen waren geklommen en die zich daar vrij veilig voelden, daar men zelden of nooit een Grizzlybeer ziet klimmen. Recht voor mij, aan den anderen kant, had een der prairiejagers in een boom willen klimmen, maar was daarbij door den beer overvallen. Hij lag met het bovenlichaam, zich met beide armen aan den stam vasthoudende, op de laagste takken en de Grizzly had hem de groote slagtanden in buik en beenen geboord. De man was reddeloos verloren, ik kon hem niet helpen en niemand zou, wanneer ik weer weggeloopen was, het recht hebben gehad, mij daarvan een verwijt te maken, maar bij dit gezicht nam ik een heel ander besluit. Ik raapte een der weggeworpen geweren op, het was helaas afgeschoten. Toen sprong ik over den buffel heen en gaf den beer met de kolf van ’t geweer een geweldigen slag op den kop. Belachelijk! Het geweer brak als glas in mijn handen; zulk een harde kop geeft zelfs niets om een bijl, maar ik had in elk geval de voldoening, dat de beer zijn slachtoffer een oogenblik met rust liet. Hij keerde den kop naar mij toe, niet snel, zooals een roofdier van het katten- of hondengeslacht zou hebben gedaan, maar langzaam, alsof hij zeer verwonderd was over mijn dommen aanval. Mij met zijn kleine oogen metend, scheen hij bij zichzelf te overleggen, of hij bij zijn tegenwoordig slachtoffer zou blijven, of mij zou aanpakken;—deze weinige oogenblikken redden mijn leven. Ik haalde de eene revolver uit den gordel, sprong tot zeer dicht bij den beer, die mij wel den kop, maar voor ’t overige, den rug toekeerde en schoot hem een, twee, drie, viermaal in de oogen, juist zooals ik een paar dagen te voren, den buffel in de oogen had geschoten. Dit gebeurde natuurlijk zoo snel mogelijk, toen sprong ik ter zijde en bleef wachtend staan, terwijl ik het bowiemes te voorschijn haalde. [61]
Was ik staan gebleven, dan had ik dit waagstuk met mijn leven moeten betalen, want het blinde roofdier wierp zich neer op de plaats, waar ik mij een oogenblik van te voren had bevonden. Ik was evenwel niet meer daar en nu begon de beer, onder woedend gesnuif en slaan met de pooten, naar mij te zoeken. Hij deed als een waanzinnige, rolde over den grond, wroette in de aarde, maakte dan weer sprongen naar alle kanten, om mij te zoeken, maar kon mij tot mijn geluk niet vinden. Misschien had zijn reuk hem op mijn spoor kunnen brengen, maar hij was razend van woede, en dit verhinderde hem zijn instinct te volgen.
Eindelijk schonk hij zijn opmerkzaamheid meer aan zijn verwondingen dan aan dengene, die ze hem bezorgd had, hij ging zitten, richtte zich een weinig op en streek snuivend en tandenknarsend met de voorpooten over de oogen. Snel stond ik naast hem, hief mijn mes op en stiet het hem tweemaal tusschen de ribben. Hij greep onmiddellijk naar mij, maar ik was reeds weer verdwenen. Ik had echter het hart niet getroffen en het zoeken naar mij begon opnieuw met verdubbelde woede. Dit duurde wel tien minuten lang, hij verloor veel bloed en werd moede. Hij ging dus weer zitten en streek zich over de oogen. Hierdoor was ik in de gelegenheid opnieuw twee op elkaar volgende messtooten toe te brengen en ditmaal had ik beter getroffen, het kolossale dier viel voorover, terwijl ik snel weer op zij was gesprongen, liep waggelend en snuivend eenige stappen verder, wilde zich weer oprichten, maar had daartoe niet meer de kracht; het slingerde heen en weer, deed vergeefsche moeite om op de pooten te blijven en viel eindelijk uitgeput op den grond. Hier bleef hij onbeweeglijk liggen.
—God zij dank!—riep Rattler van zijn boom.—Het beest is dood, dat was een vreeselijk gevaar, waarin wij ons bevonden.
—Ik zou niet weten waarin het vreeselijke gevaar voor u bestond—antwoordde ik,—gij hadt goed voor uw veiligheid gezorgd, kom nu maar naar beneden.
—Neen, neen, nog niet, zie eerst eens goed na of de Grizzly werkelijk dood is.
—Hij is dood.
—Dat kunt gij wel beweren, maar gij hebt er geen begrip van, welk een taai leven zulk vee heeft. Onderzoek dus eerst!
—Voor u zeker? Als gij wilt weten of hij nog leeft, onderzoek hem dan zelf. Gij zijt immers beroemde prairiejagers en ik maar een „greenhorn”.
Ik wendde mij nu tot hun kameraad die nog altijd in den zooeven beschreven toestand tegen den boom hing. Hij gaf geen geluid en [62]bewoog zich niet meer. Zijn gezicht was geheel verwrongen, en zijn verglaasde oogen stonden wild open. Het vleesch was hem tot op het been van de dijen gescheurd en de ingewanden hingen uit zijn lijf. Ik overwon mijn afgrijzen en riep hem toe:
—Laat dien boom los, sir! Ik zal u helpen!
Hij antwoordde niet en geen enkele beweging verried, dat hij mij begrepen had. Ik verzocht zijn kameraden uit de boomen te komen en mij te helpen, maar deze ervaren prairiejagers waren daartoe niet te bewegen, vóór ik den beer eenige malen had bevoeld en betast en hen daardoor had bewezen, dat hij werkelijk dood was. Eerst toen kwamen zij naar beneden en hielpen mij den zoo gruwelijk verminkten kameraad uit den boom te krijgen. Dit ging niet gemakkelijk want hij hield de armen zóó stijf om den stam geklemd, dat wij ze slechts met geweld konden losmaken.
Dit verschrikkelijke einde scheen echter zijn kameraden niet in ’t minst aan ’t hart te gaan, want zij wendden zich onverschillig van hem af, en keken naar den beer, terwijl de aanvoerder zeide:
—Nu wordt het omgekeerd, eerst heeft de beer ons willen opeten en nu zullen wij hem opeten. Komt kameraden, laat ons de huid afnemen, opdat wij de klauwen en de ham kunnen meenemen.
Hij nam zijn mes en ging op de knieën liggen, om de daad bij het woord te voegen, maar nu kwam ik tusschenbeide:
—Het zou eervoller voor u zijn geweest, als gij uw mes op hem hadt beproefd, toen hij nog in leven was, nu is het te laat, doe geen moeite.
—Wat?—spatte hij op,—wilt gij mij misschien verhinderen een stuk vleesch af te snijden?
—Zeker, dat wil ik, Mr. Rattler.
—En met welk recht?
—Met een onbetwistbaar recht van den man, die het dier heeft neergeveld.
—Dat is niet waar, gij zult toch niet willen beweren, dat een „greenhorn” een Grizzly met het mes kan dooden? Wij hebben toen wij hem zagen, op hem geschoten.
—En u toen snel op de boomen teruggetrokken, ja, dat is waar, zeer waar.
—Maar onze kogels hebben getroffen, daaraan is hij gestorven en niet aan een paar speldeprikken, welke gij hem, toen hij reeds halfdood was, hebt toegebracht. De beer is van ons en wij zullen met hem doen wat wij willen, begrepen?
Hij wilde zich opnieuw aan het werk zetten, maar ik waarschuwde hem: [63]
—Laat dat Mr. Rattler, of anders moet ik u leeren, mijn woorden goed op te vatten, begrepen?
Daar hij, ondanks mijn bevel, toch met het mes in den pels stak, nam ik hem, zooals hij daar op zijn knieën lag, met beide handen in de zijde beet, en wierp hem tegen den naasten boom, dat zijn ribben kraakten. Het was mij op dit oogenblik werkelijk onverschillig of hij iets brak of niet. Onmiddellijk nam ik mijn tweede nog geladen revolver uit den gordel, om mogelijke aanvallen te voorkomen. Hij stond snel weer op, zag mij met van woede fonkelende oogen aan, trok zijn mes en riep:
—Dat zal ik u betaald zetten! Gij hebt mij reeds eens geslagen en ik zal zorgen, dat gij u niet voor de derde maal aan mij kunt vergrijpen!
Hij kwam op mij toe, maar ik hief mijn revolver op en dreigde:
—Nog één stap, en ik jaag u een kogel door den kop! Weg met dat mes! Bij „drie” schiet ik, als gij het in de hand houdt. Dus:—een—twee—drie!
Hij hield het mes vast en ik zou werkelijk geschoten hebben, al was het niet in zijn hoofd dan in zijn hand, maar ik behoefde het niet zoover te laten komen, want op dit kritieke oogenblik klonk een stem:
—Menschen, zijt gij dwaas! Wat moet dat beteekenen, dat blanken elkander bevechten. Wapens neer!
Wij keken in de richting van waar deze woorden kwamen en zagen een man van achter de boomen te voorschijn komen. Hij was klein, mager en gebocheld en bijna als een roodhuid gekleed en bewapend; men kon niet recht zien, of hij een blanke of een Indiaan was. Zijn scherp geteekend gezicht wees op het laatste, terwijl de kleur van zijn door de zon verbrand aangezicht waarschijnlijk vroeger blank was geweest. Zijn hoofd was onbedekt en het lange, zwarte haar hing hem tot over de schouders. Zijn kleeding bestond uit een Indiaansche broek, een jachthemd en eenvoudige mokassins en hij was enkel gewapend met een geweer en een mes. Zijn oogen hadden een zeer verstandige uitdrukking en ondanks zijn mismaaktheid, maakte hij geenszins een belachelijke indruk. Het zijn trouwens alleen ruwe en bekrompen menschen, die voor een lichaamsgebrek den neus optrekken.
Rattler evenwel behoorde tot dit soort, en lachend riep hij:
—Hallo, wat komt daar voor een dwerg of misbaksel aan! Zijn er hier in de Far-West ook zulke lui?
De vreemdeling mat hem van het hoofd tot de voeten en antwoordde op kalmen, bezadigden toon: [64]
—Dank God, dat gij gezonde ledematen hebt, voor ’t overige komt het niet op het lichaam maar op het hart en den geest aan en dit zeg ik u, in dat opzicht, durf ik een vergelijking met u best te wagen!
Hij maakte een minachtende beweging met de hand en wendde zich tot mij.
—Gij hebt kracht in uw handen, sir! Het was een lust dien zwaren kerel zooeven als een veer te zien oplichten.
Toen schopte hij met zijn voet tegen den Grizzly en ging op spijtigen toon voort:
—Dus dat is de kerel, dien wij wilden hebben, wij zijn helaas te laat gekomen, dat is jammer genoeg!
—Gij hadt hem dus ook willen dooden?—vroeg ik.
—Ja, wij vonden gisteren zijn spoor en zijn het gevolgd, door dik en dun, door bosch en weide en nu we hem eindelijk vinden, moeten wij zien, dat het werk reeds gedaan is.
—Gij spreekt het meervoud, zijt gij dus niet alleen?
—Neen, er zijn nog twee anderen bij mij.
—Wie zijn dat?
—Dat zal ik u zeggen, als gij mij eerst verteld hebt, wie gij zijt. Gij weet wel, dat men in deze streek niet voorzichtig genoeg zijn kan. Men ontmoet hier meer slechte, dan goede menschen.
Hij zag bij deze woorden even naar Rattler en zijn kameraden, en ging op vriendelijken toon voort:
—Men ziet het trouwens dadelijk, of men de menschen kan vertrouwen. Ik heb uw laatste gesprek gehoord en weet dus ongeveer met wien ik te doen heb.
—Wij zijn landmeters, sir,—verklaarde ik hem.—Een hoofdingenieur, vier landmeters, drie gidsen, en twaalf prairiejagers, die ons tegen mogelijke overvallen hebben te beschermen.
—Hm, nu wat dat betreft, gij schijnt u wel alleen te kunnen verdedigen. Dus gij zijt landmeters. Zijt gij hier aan ’t werk?
—Ja.
—Wat meet gij op?
—Een weg.
—Die hier zal worden aangelegd?
—Ja.
—Hebt gij dan deze streek gekocht?
Zijn oog was bij deze vragen somberder en zijn gezicht ernstiger geworden. Hij scheen recht te hebben deze vragen te doen, daarom antwoordde ik:
—Ik heb de opdracht gekregen, deze opmetingen te doen en om het overige bekommer ik mij dus niet. [65]
—Hm ja, maar ik denk toch, dat gij wel weet, wat gij doet. De grond, waarop gij u bevindt, behoort aan de Indianen en wel aan de Apachen, van den stam der Mescaleros. Ik weet zeer beslist, dat zij dezen grond noch verkocht noch aan iemand afgestaan hebben.
—Wat gaat u dat aan?—riep Rattler hem nu toe.—Bemoei u niet met de zaken van een ander, maar met uw eigen.
—Dat doe ik ook, sir, dat doe ik, want ik ben een Apache, ja zelfs een Mescalero.
—Gij? kom, laat u niet uitlachen, men moest wel blind zijn als men niet zag, dat gij een blanke zijt.
—Gij vergist u toch! Oordeel niet naar mijn huid, maar naar mijn naam, ik word Kleki-Petra genoemd.
Deze naam beteekent in de taal der Apachen, wier dialecten ik destijds nog niet kende, zooveel als: „blanke vader”. Rattler scheen dezen naam vroeger gehoord te hebben, want hij deed verwonderd een stap achteruit en zeide:
—Zoo, Kleki-Petra, de beroemde schoolmeester der Apachen. Jammer, dat gij een bochel hebt, want de roode bengels zullen u wel geducht uitlachen.
—O, dat is niets, sir, want ik ben er al aan gewend door bengels te worden uitgelachen, verstandige menschen doen het niet. En nu ik weet, wie gij zijt en wat gij doet, kan ik u ook zeggen, wie mijn geleiders zijn. Het is maar ’t beste, dat ik ze aan u voorstel.
Hij riep een Indiaansch woord, dat ik niet verstond en weldra kwamen twee buitengewoon interessante persoonlijkheden met langzamen en waardigen tred op ons toe. Het waren Indianen en wel vader en zoon, wat men op het eerste gezicht duidelijk zag.
De oudste was van iets meer dan middelbare lengte en daarbij zeer krachtig gebouwd, zijn houding had iets voornaams en edels en uit zijn bewegingen kon men opmaken dat hij handig en sterk was. Zijn ernstig gezicht was echt Indiaansch, maar niet zoo scherp geteekend, als bij de meeste roodhuiden. Zijn oog had een kalme, bijna zachte uitdrukking, welke hem bij zijn stamgenooten bemind moest doen maken. Zijn hoofd was onbedekt, en het donkere haar was in een soort van helmvormigen knoop opgebonden, waarin een adelaarsveer, het teeken zijner waardigheid als hoofdman, prijkte. De kleeding bestond uit mokassins, leggins met franjes, een lederen jachthemd, alles zeer eenvoudig en gelijk gemaakt. In den gordel stak een mes, en hingen verscheidene buidels, welke allerlei kleinigheden bevatten, noodig voor een prairieman. De medicijnbuidel hing om zijn hals, daarnaast de vredespijp met den uit heilige klei gesneden kop. In de hand hield hij een geweer met dubbelen loop, [66]waarvan de kolf met zilveren spijkertjes was beslagen. Dit was het geweer, hetwelk later door zijn zoon Winnetou onder den naam van zilverbuks, zoo beroemd zou worden.
De jongste was op dezelfde wijze gekleed als zijn vader, maar alleen was alles een weinig sierlijker. Zijn mokassins waren met stekelvarkensborstels en de naden van zijn leggins en van zijn jachthemd met fijne, roode draadjes afgewerkt. Ook hij droeg den medicijnbuidel om den hals en het calumet. Zijn wapens bestonden ook uit een dubbelloopsgeweer en een mes. Hij droeg eveneens geen hoed of muts en had het haar opgestoken, zonder het evenwel met een veer te versieren, maar het was zoo lang en dik, dat menige dame hem daarom zou hebben benijd. Zijn gelaat was bijna nog schooner en edeler dan dat van zijn vader, en de kleur was lichtbruin met gebronsde tint. Hij was, naar ik toen reeds vermoedde en later zeker kwam te weten, ongeveer even oud als ik, en maakte reeds bij deze eerste ontmoeting een diepen indruk op mij. Ik voelde dat hij een goed mensch was en bovendien zeer begaafd moest zijn. Wij zagen elkander met een langen, onderzoekenden blik aan, toen meende ik te zien, dat in zijn donkere oogen een vriendelijk licht glansde, als een groet, welke de zon door de wolken werpt.
—Dat zijn mijn vrienden en metgezellen,—zeide Kleki-Petra, terwijl hij eerst op den vader en toen op den zoon wees.—Deze is „Intschu Tschuna” (goede zon), het opperhoofd der Mescaleros, ook door alle andere Apachenstammen als opperhoofd erkend. En hier staat zijn zoon Winnetou1, die ondanks zijn jeugd, reeds meer dappere daden heeft uitgevoerd, dan tien oude krijgers in hun geheele leven. Zijn naam zal eens bekend en beroemd worden, tot in de verste savannen en prairiën.
Dit klonk wel wat overdreven, maar was toch, naar ik later ondervond, niet te veel gezegd. Rattler evenwel lachte hoonend en riep:—Zulk een jong man zou reeds zoovele heldendaden hebben gedaan? Het zullen wel niet veel anders zijn geweest, dan dieverijen en rooverijen, de roodhuiden stelen en rooven altijd.
Dit was een grove beleediging, maar de drie vreemdelingen deden, alsof ze deze woorden niet gehoord hadden. Zij gingen naar den beer en bezagen dien, terwijl Kleki-Petra daarbij op zijn knieën ging liggen.
—Hij is aan de messteken en niet aan de kogels gestorven,—zeide hij, zich tot mij wendend. Hij had den twist tusschen Rattler en mij mee aangehoord en wilde nu openlijk zeggen, dat ik gelijk had gehad.
—Dat zal nog moeten blijken,—meende Rattler.—Hoe zou zulk [67]een gebochelde schoolmeester verstand hebben van de berenjacht. Als wij zoo aanstonds de huid hebben afgestroopt, zullen wij duidelijk zien, welke wonde doodelijk geweest is. Ik laat mij door geen „greenhorn” mijn recht betwisten.
Nu bukte Winnetou zich ook over den dooden beer heen, betastte hem op de plaatsen waar hij bloedde en vroeg mij, toen hij zich weer oprichtte:
—Wie heeft dit dier met een mes aangevallen?
Hij sprak daarbij zuiver Engelsch.
—Ik—antwoordde ik kort.
—Waarom heeft mijn jonge, blanke broeder niet op hem geschoten?
—Omdat ik geen geweer bij mij had.
—Hier liggen toch geweren?
—Die zijn niet van mij. De eigenaars wierpen ze weg en klommen in de boomen.
—Toen wij het spoor van den beer volgden, hoorden wij in de verte een vreeselijk angstgeschreeuw, waar was dat?
—Hier.
—Zoo. De eekhoorntjes en stinkdieren klimmen in de boomen, wanneer de vijand nadert. De man evenwel moet strijden, want wanneer hij moed bezit, is hem ook de macht gegeven zelfs het sterkste dier te overwinnen. Mijn jonge, blanke broeder heeft dien moed bezeten. Waarom wordt hij dan een „greenhorn” genoemd?
—Omdat ik voor ’t eerst en nog maar kort in ’t Westen ben.
—De blanken zijn zonderlinge menschen. Bij hen wordt een jongeling, die met een mes den verschrikkelijken Grizzly aanvalt, een „greenhorn” genoemd, terwijl zij, die uit vrees in de boomen klimmen of van angst schreeuwen, voor flinke prairiemannen worden aangezien. De roodhuiden zijn rechtvaardiger. Bij hen kan een dapper man nooit een lafaard en een lafaard nooit een dapper man worden genoemd.
—Mijn zoon heeft zeer goed gesproken,—stemde zijn vader toe, in iets minder zuiver Engelsch.—Deze moedige, jonge blanke is geen „greenhorn” meer. Wie den Grizzly op deze wijze neerlegt, is een groote held. En wie het daarenboven doet om anderen te redden, die in de boomen klimmen, die mag van dezen dank, maar geen schimpwoorden verwachten. Howgh! Laat ons nu eens gaan zien, waarom de blanken zich hier in deze streken bevinden.
Welk een verschil tusschen mijn blanke metgezellen en de door hen verachte Indianen! De aangeboren rechtvaardigheidszin der roodhuiden noopte hen, ongevraagd ten mijnen gunste te spreken. Het was zelfs eenigszins gewaagd, dit te doen. Zij waren slechts met [68]hun drieën en wisten niet hoeveel man wij sterk waren, en het was dus voor hen gevaarlijk, zich het ongenoegen van onze prairiejagers op den hals te halen. Zij schenen zich daaraan echter niet te storen. Langzaam en met fiere schreden, gingen zij ons voorbij naar de vlakte. Wij volgden hen. Daar zag Intschu Tschuna de meetpalen staan, en zich tot mij wendend, vroeg hij:
—Wat wordt hier gedaan? Willen de blanken dit land misschien opmeten?
—Ja.
—Met welk doel?
—Om een spoorweg aan te leggen.
Zijn oog begon te fonkelen en met eenige haast vroeg hij mij:
—En behoort gij tot die lieden?
—Ja.
—Hebt gij ook opgemeten?
—Ja.
—En wordt gij daarvoor betaald?
—Ja.
Toen wierp hij mij een minachtenden blik toe en even minachtend klonk zijn stem, toen hij tot Kleki-Petra zeide:
—Uw leerredenen klinken mooi maar in werkelijkheid zijn zij niets waard. Daar ontmoet men nu eindelijk eens een jongen blanke met een dapper hart, en een eerlijk gezicht, maar als men hem vraagt, wat hij hier komt doen, dan hoort men, dat het is om ons land te stelen. De gezichten der blanken mogen goed zijn of boos, innerlijk zijn zij toch allen gelijk!
Eerlijk gezegd zou ik geen woorden hebben kunnen vinden om mij te verdedigen, ik gevoelde mij veel te beschaamd. De hoofdman had gelijk, kon ik, christen, trotsch zijn op mijn beroep?
De hoofdingenieur was met de andere drie opzichters in de tent gebleven uit vrees voor den beer. Toen zij ons aan zagen komen, waagden zij het naar buiten te gaan, niet weinig verbaasd dat zij de Indianen bij ons zagen. Hun eerste vraag was natuurlijk, hoe wij ons tegen den beer hadden verdedigd. Snel antwoordde Rattler:
—Wij hebben hem doodgestoken en vanmiddag krijgen wij berenklauw en van avond ham.
Onze drie gasten zagen mij aan, of ik mij dit liet welgevallen, daarom maakte ik de opmerking:
—En ik beweer, dat ik hem doodgestoken heb. Hier staan drie deskundigen, die mij gelijk hebben gegeven, maar dat is niet voldoende. Als Hawkins, Stone en Parker zoo aanstonds terugkomen, kunnen ook zij hun oordeel zeggen en daaraan zullen wij ons [69]houden, tot zoolang evenwel blijft de beer onaangeroerd liggen.
—Wat geef ik om het oordeel van die drie!—bromde Rattler.—Ik ga met mijn kameraden heen, om den beer te stroopen en wie mij dat wil verhinderen, dien jaag ik een kogel door den kop.
—Niet zulke groote woorden, Mr. Rattler! Ik ben niet zoo bang voor uw kogels, als gij voor den beer. Gij jaagt mij niet in een boom! Ik heb er niets tegen, dat gij er heengaat, maar ik verwacht dat gij dit doet om uw dooden makker te begraven, gij zult hem toch zeker zoo niet laten liggen?
—Is er een doode?—riep Mr. Bancroft verschrikt.
—Ja, Rollins,—antwoordde Rattler,—die arme drommel heeft zijn leven moeten laten, door de domheid van een ander.
—Hoe dat, wiens domheid?
—Welnu, hij deed net als wij en wilde in een boom klimmen, maar daar kwam die „greenhorn” in eens aan en maakte den beer boos, die zich toen woedend op Rollins wierp.
Dat was dan toch wat al te kras, ik was sprakeloos van verbazing. De zaak zoo voor te stellen en dat nog wel, terwijl ik er zelf bij was, dat kon ik toch niet dulden!
—Meent gij dat in ernst Mr. Rattler?—vroeg ik.
—Yes,—knikte hij vastberaden, en meteen haalde hij een revolver voor den dag, daar hij een aanval van mij scheen te verwachten.
—Zou Rollins zich hebben kunnen redden, als ik niet gekomen was?
—Yes.
—Maar ik meende, dat de beer hem reeds beet had, toen ik kwam.
—Dat is niet waar!
—Wel, dan zult ge nu de waarheid hooren of liever voelen.
Bij deze woorden sloeg ik hem met de linkerhand de revolver uit de hand en gaf hem met de rechter zulk een geweldige oorvijg, dat hij wel zes of acht pas weg stoof en daar op den grond viel. Hij stond evenwel dadelijk op en kwam, als een woedend dier, brullend op mij aan. Ik pareerde den messteek met de linkerhand en sloeg hem met de rechtervuist op den slaap, dat hij bewusteloos aan mijn voeten viel.
—Oef, oef!—riep Intschu Tschuna verbaasd, terwijl hij van bewondering over dezen forschen slag zijn gewone Indiaansche terughoudendheid vergat.
—Dat was weer Shatterhand,—zeide de landmeter Wheeler.
Ik lette niet op deze woorden, maar hield mijn oog gericht op Rattler’s kameraden, zij waren woedend, maar geen van hen waagde het voor hun kameraad op te komen. Zij bromden en vloekten onder elkaar, maar dat was ook alles, wat zij deden. [70]
—Neem Rattler toch eens ernstig onderhanden,—zoo wendde ik mij tot den hoofdingenieur,—ik heb hem niets misdaan en toch heeft hij het altijd op mij begrepen. Ik vrees, dat er nog eens moord of doodslag van komt. Stuur hem weg en wilt ge dit niet doen, welnu, dan ga ik.
—Kom, kom, zoo ernstig is de zaak toch niet!
—Ja zeker, zoo ernstig is zij wel. Hier hebt gij zijn revolver en zijn mes. Geef hem deze wapens niet terug, voor hij kalm is geworden. Want ik zeg u, ik zal mijn leven zoo duur mogelijk verkoopen, en als hij weer met een wapen op mij aankomt, schiet ik hem neer. Gij noemt mij wel een „greenhorn”,—maar ik ken de wetten der prairie. Wie mij met mes of kogel dreigt, dien heb ik het recht, neer te schieten.
Deze woorden waren natuurlijk evengoed bestemd voor al Rattler’s kameraden en geen van hen zeide een woord. Nu wendde zich de hoofdman Intschu Tschuna tot den hoofdingenieur:
—Mijn oor heeft nu gehoord, dat gij onder de blanken degene zijt, die hier het opperbevel voert. Is dit werkelijk zoo?
—Ja,—antwoordde Bancroft.
—Ik heb dus met u te spreken?
—Waarover?
—Dat zult gij vernemen. Gij staat, maar mannen, die met elkander zullen beraadslagen, moeten gaan zitten.
—Wilt gij onzen gast zijn?
—Neen, dat is onmogelijk, hoe kan ik uw gast zijn, terwijl gij u op mijn bodem, in mijn bosch, in mijn dal en mijn prairie bevindt. De blanke mannen kunnen gaan zitten. Wat zijn dat voor blanken, die daar nog aan komen?
—Zij behooren tot ons gezelschap.
—Zij kunnen dus ook gaan zitten.
Sam, Dick en Will kwamen namelijk nu van hun rit terug. Zij, als ervaren prairiejagers, verwonderden zich niet bijzonder over de aanwezigheid der Indianen, maar toen zij hoorden, wie dit waren, gevoelden zij zich toch niet erg op hun gemak.
—En wie is de derde?—vroeg Sam mij.
—Hij heet Kleki-Petra en Rattler noemde hem den schoolmeester.
—Kleki-Petra, de schoolmeester? Wel, ik heb dikwijls van hem gehoord, als ik mij niet vergis. Dat is een zeer geheimzinnig mensch, een blanke, die reeds jaren onder de Apachen leeft en een soort van zendeling schijnt te zijn. ’t Verheugt mij zeer, hem te zien.
’k Zal hem eens op den tand voelen, hihihihi!
—Als hij dat ten minste toelaat. [71]
—Hij zal mij toch niet in den vinger bijten? Is er anders nog iets gebeurd?
—Ja.
—Wat dan?
—Iets zeer gewichtigs.
—Vertel dan op.
—Ik heb iets gedaan, waarvoor gij mij hadt gewaarschuwd.
—’k Weet niet, wat gij bedoelt. ’k Heb u voor zooveel gewaarschuwd.
—De Grizzlybeer.
—Wat-wat-wa-at? Is hier een grijze beer geweest?
—En nog wel een groote!
—Waar dan, waar, kom, gij houdt mij voor den gek.
—Waarachtig niet, hij was daarginds in het bosch, hij had den ouden stier meegesleept.
—Werkelijk, ach waarom moest dat nu juist gebeuren, terwijl wij er niet waren. Zijn er dooden gevallen?
—Een, Rollins.
—En gij, wat hebt gij gedaan? Gij zijt toch op een afstand gebleven?
—Ja.
—Goed zoo, maar ik kan het haast niet gelooven.
—Geloof het gerust, ik ben op zulk een afstand gebleven, dat hij mij niets kon doen, maar ik hem viermaal met mijn mes tusschen de ribben kon stooten.
—Wees toch wijzer, hebt gij hem met het mes aangevallen?
—Ja, ik had mijn geweer niet bij mij.
—Wat een echte „greenhorn” zijt gij toch nog! Die heeft me een extra zwaren berendooder meegenomen en nu de beer komt, doodt hij hem met het mes, in plaats van met het lood. Hoe is ’t mogelijk, hoe kwam dat toch?
Ik vertelde hem hoe alles gebeurd was, en ook dat ik weer eens voor een enkelen keer ruzie met Rattler had gehad.
—Mensch, gij zijt werkelijk ongelooflijk lichtzinnig!—riep hij uit.—Heeft nog nooit een Grizzlybeer gezien en gaat er op los, alsof ’t een oude poedelhond was. Ik moet dat dier dadelijk eens in oogenschouw gaan nemen, komt mee Dick en Will, gij moet toch ook eens zien, wat voor dommen streek die „greenhorn” weer uitgehaald heeft. Hij wilde weggaan, maar daar Rattler intusschen weer bijgekomen was, wendde hij zich eerst tot dezen:
—Hoor eens, Mr. Rattler ik heb u iets te zeggen, gij hebt weer ruzie gemaakt met mijn jongen vriend. Als dit nog eens gebeurt, zal ik zorgen dat het voorgoed gedaan is. Mijn geduld is ten einde, onthoud dat! [72]
Hij verwijderde zich met Stone en Parker. Rattler zette een woedend gezicht maar zeide niets.
De beide Indianen en Kleki-Petra waren intusschen in het gras gaan zitten. De hoofd-ingenieur zat tegenover hen, maar het gesprek scheen niet te willen vlotten, zij wachtten blijkbaar op de terugkomst van Sam. Toen deze na eenige oogenblikken verscheen, riep hij reeds van verre:
—Wat dom om op den Grizzlybeer te schieten en dan te vluchten, als men hem niet aandurft, doet men beter in ’t geheel niet te schieten en hem met rust te laten, dan doet hij niets. Die Rollins is vreeselijk toegetakeld. En wie heeft nu eigenlijk de beer gedood?
—Ik!—riep Rattler haastig.
—Gij, waarmee dan?
—Met mijn kogel.
—Wel, dat komt uit, dat is waar.
—Zoo, dat dacht ik ook.
—Ja, de beer is door een kogel gestorven.
—Dus behoort hij mij. Hoort ge ’t nu kameraden. Sam Hawkins heeft mij gelijk gegeven,—schreeuwde Rattler triomfantelijk.
—Dat wil zeggen. Uw kogel is zijn kop voorbijgegaan en heeft een puntje van zijn oor meegenomen. En aan zulk een wondje sterft zoo’n Grizzly zeker dadelijk, hihihihi! Als er meer zijn geweest die geschoten hebben, dan zijn hun kogels hem eveneens voorbijgegaan, want er is anders geen spoor van een kogelwond te vinden. Maar wel zie ik vier geduchte messteken, twee naast het hart en twee er juist in. Wie heeft die steken gedaan?
—Ik,—was mijn antwoord.
—Gij alleen?
—Ik alleen.
—Dan behoort de beer aan u. Dat wil zeggen, daar wij één gezelschap vormen, is de pels voor u en het vleesch behoort aan ons allen te zamen, maar gij hebt te zeggen, hoe het verdeeld zal worden. Zoo is het gebruik in de Far-West. Wat zegt gij nu daarvan, Mr. Rattler?
—Loop naar den duivel!
Hij liep bij deze woorden al vloekend naar den wagen, waarop het brandewijnvat lag, ik zag dat hij den brandewijn in den beker liet loopen en wist dat hij nu zoolang zou drinken, tot hij niet meer kon.
Deze aangelegenheid was dus geregeld en nu noodigde Bancroft het Opperhoofd der Apachen uit, zijn wenschen kenbaar te maken.
—Ik kom niet met wenschen maar met bevelen,—antwoordde Intschu Tschuna trotsch. [73]
—Wij nemen geen bevelen aan,—verzekerde de hoofd-ingenieur even trotsch.
Een oogenblik verduisterde het gezicht van den Apache, maar hij beheerschte zich en vervolgde op kalmen toon:
—Mijn blanke broeder moet mij eenige vragen naar waarheid beantwoorden. Heeft hij een huis, waarin hij woont?
—Ja.
—En een tuin daarbij?
—Ja.
—Wanneer nu een buurman een weg wil aanleggen door dien tuin, zou mijn broeder dit dulden?
—Neen.
—De landen aan gene zijde van het Rotsgebergte en ten oosten van den Mississippi hooren aan de blanken. Wat zouden zij er van zeggen, wanneer de Indianen kwamen en daar wegen wilden maken?
—Zij zouden ze wegjagen.
—Mijn broeder heeft de waarheid gesproken. Maar nu komen de blanken hier in het land, dat ons behoort, zij vangen onze mustangs, zij dooden onze buffels, zij zoeken bij ons goud en edelgesteenten. Nu willen zij zelfs een langen, langen weg aanleggen, waarop hun ijzeren ros zal gaan. Langs dezen weg komen dan telkens meer bleekgezichten, die ons overvallen en ons langzamerhand nog zullen berooven van het weinige, dat men ons nog gelaten heeft, wat zullen wij dan doen?
Bancroft zweeg.
—Hebben wij misschien minder rechten dan gij? Gij noemt u Christen en hebt den mond vol van Liefde. Daarbij echter besteelt en berooft gij ons, terwijl wij eerlijk moeten zijn tegenover u. Is dat Liefde? Gij zegt, uw God is de Vader van alle blanken en roodhuiden. Is hij nu onze stiefvader en uw eigen vader? Behoorde niet het geheele land aan ons? Men heeft het ons ontnomen, en wat heeft men er ons voor in de plaats gegeven? Ellende en nog eens ellende! Gij jaagt ons steeds verder, tot dat wij eindelijk nergens meer plaats zullen hebben. Waarom doet gij dat? Uit nood? Omdat gij zelf ruimte noodig hebt? Neen, enkel uit hebzucht, want in uw landen is nog plaats voor millioenen. Ieder van u zou wel een staat voor zich willen hebben, maar men gunt den Roodhuid wiens land dit is, geen plek, waar hij zijn hoofd rustig kan neerleggen. Kleki-Petra, die hier naast mij zit, heeft mij van uw heilig boek verteld. Daarin staat te lezen, dat de eerste mensch twee zonen had, van wien de een den ander versloeg. Hoe gaat het nu met den rooden en den blanken broeder? Zijt gij niet Kaïn en wij [74]Abel, wiens bloed ten hemel schreit? En dan verlangt gij nog, dat wij ons zullen laten ombrengen, zonder ons te verweren. Neen, wij zullen ons verweren! Wij zijn verjaagd van de eene plaats naar de andere. Nu wonen wij hier. Wij meenden hier te kunnen uitrusten en rustig te kunnen ademen, maar daar komt gij weer, om een spoorweg aan te leggen. Hebben wij dan niet hetzelfde recht gelijk gij? Wilden wij naar onze wetten handelen, dan moesten wij u allen dooden, maar wij willen alleen, dat uw wetten ook voor ons zullen gelden. Doen zij dat? Neen, uw wetten zijn voor twee uitleggingen vatbaar, en men legt ze uit, zooals men wil. Gij wilt hier een weg maken, hebt gij ons om verlof gevraagd?
—Neen, want wij hebben uw permissie niet noodig.
—Waarom niet? behoort dit land aan u?
—Ik geloof van ja.
—Neen, het behoort ons, hebt gij het van ons gekocht?
—Neen.
—Hebben wij het u geschonken?
—Neen, niet aan mij ten minste.
—En ook aan niemand anders. Als gij een eerlijk man zijt en hierheen zijt gezonden, om een weg voor uw ijzeren ros te leggen, dan moet gij eerst aan den man, die u zendt, vragen of hij het recht heeft dit te doen en u dat kan bewijzen. Dit hebt gij niet gedaan, ik verbied u dus verder te gaan met uw opmetingen!
Dit laatste zeide hij met zooveel nadruk, dat ik den Indiaan met verbazing aanstaarde. Ik had vele boeken gelezen over dat ras, en ook vele redevoeringen gelezen door Indianen gehouden, maar zoo één als deze nooit. Intschu Tschuna sprak tamelijk zuiver Engelsch, zijn wijze van redeneeren, was die van een beschaafd man. Zou hij dit alles van Kleki-Petra hebben geleerd?
De hoofdingenieur gevoelde zich zeer in het nauw gebracht. Als hij eerlijk en oprecht wilde zijn, kon hij tegen deze beschuldigingen niets inbrengen. Hij wilde weliswaar eenige tegenwerpingen maken, maar gevoelde dat dit eigenlijk maar nietswaardige praatjes waren. Toen de hoofdman nu weer begon en hem hoe langer hoe meer in ’t nauw dreef, wendde hij zich tot mij:
—Maar sir, hoort gij dan niet waarover gesproken wordt? Zeg toch ook eens een woordje.
—Dank u wel, Mr. Bancroft, ik ben hier als landmeter en niet als advocaat. Red u zelf er maar uit, ik heb met deze zaak niets te maken.
Toen vervolgde de hoofdman op zeer beslisten toon:
—Het is niet noodig verder over deze zaak te redetwisten, ik [75]heb u gezegd, dat ik u niet hier duld. Ik eisch, dat gij nog vandaag van hier vertrekt, overlegt met elkaar of gij zult gehoorzamen of niet. Ik ga nu met mijn zoon Winnetou weg en zal terugkomen na den tijd, dien de blanken een uur noemen. Dan moet gij mij het antwoord geven. Gaat gij, dan zijn wij broeders, gaat gij niet, dan wordt de oorlogsbijl tusschen u en ons opgegraven. Ik ben Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen, ik heb gezegd! Howgh!