„Van den hemel komt de zonnestraal en de regen, van daar komt elke goede gave. De aarde ontvangt de warmte en den regen en geeft daarvoor den buffel, den mustang, den beer en het hert, den kalebas, de maïs en bovendien de edele plant, uit welke de geleerde roode mannen den kinnikinnik bereiden, welks heerlijke geur ons uit de vredespijp tegemoet stroomt.”
Ik had namelijk gelezen, dat de Indianen hun tabaksmengsel kinnikinnik noemen, en geurde hier een weinig met mijn kennis. Toen zoog ik den mond vol rook, blies dien naar alle vier windstreken en vervolgde:
„In het westen verheft zich het Rotsgebergte, in het oosten strekken zich onafzienbare vlakten uit, in het noorden schitteren de meren en in het zuiden klotsen de golven der groote zee. Was al het land, dat tusschen deze vier grenzen ligt, het mijne, ik zou het schenken aan de krijgers der Kiowa’s, want zij zijn mijn broeders. Mogen zij in dit jaar tienmaal meer buffels en vijftig maal zooveel Grizzlyberen doen vallen dan zij zelf sterk zijn. Mogen de korrels van hun maïs, zoo groot zijn als kalebassen en hun kalebassen zoo groot, dat men uit een enkele twintig kan snijden. Ik heb gesproken! Howgh!”
Het kostte mij niet veel moeite, hen al deze heerlijkheden toe te wenschen, maar zij verheugden er zich over, alsof zij ze werkelijk reeds gekregen hadden. Mijn sierlijke rede werd met luid gejubel beantwoord. Zooveel had nog geen mensch, en wel allerminst een blanke, hun willen schenken en er kwam geen einde aan het telkens herhaalde: „oef, oef!” De „Vos” drukte mij de hand, verzekerde [110]mij, dat hij mijn vriend was en sperde bij zijn luid oef, oef, den mond zoo wijd open, dat ik van deze gelegenheid gebruik maakte, om hem de vredespijp in den mond te duwen. Hij zweeg onmiddellijk, om zwijgend te genieten van de heerlijke geuren.
Dit was de eerste echt Indiaansche plechtigheid, welke ik bijwoonde, want het rooken van de vredespijp wordt werkelijk als een „heilige handeling”, beschouwd. Hoe dikwijls heb ik na dien tijd weder de calumet gerookt en telkens was ik mij dan volkomen bewust van den ernst en de beteekenis dezer handeling. Nu evenwel stond ze mij tegen en ik was wat blij dat ik de pijp nu in den mond van den hoofdman zag bengelen. Mijn hand stonk letterlijk en om den smaak te verdrijven, nam ik een sigaar uit mijn zak en stak die aan. De oogen der roodhuiden zagen mij begeerig aan. De „Vos” opende zelfs den mond zoo ver, dat zijn pijp eruit viel, maar hij ving haar spoedig weer op en stak haar tusschen de lippen, hoewel het duidelijk was te zien, dat één enkele sigaar hem op dit oogenblik liever was geweest dan duizend pijpen.
Daar wij met Santa-Fé in verbinding stonden en van daar met ossenwagens onze levensmiddelen kregen, was het mij niet moeilijk gevallen een voorraad sigaren op te slaan. Zij waren tamelijk goedkoop en ik veroorloofde mij deze weelde, terwijl de anderen zich aan brandewijn bedronken. Dezen morgen had ik ook weer eenige meegenomen, en daar het mogelijk was, dat wij eerst den volgenden morgen terug zouden keeren, had ik mij dadelijk voor twee dagen voorzien, ik bood dus den roodhuiden ieder een aan. De „Vos” stak de zijne dadelijk aan, de overigen echter, staken haar geheel in den mond en kauwden er lustig op los. Smaken verschillen. De formaliteiten waren nu afgeloopen en de roodhuiden waren door dit alles recht in hun schik. Sam begon dus met te vragen:
—Mijn broeders zeggen, dat de krijgsbijl is opgegraven tusschen hen en de Mescalero-Apachen. Ik weet daarvan niets. Sedert hoelang is dit zoo?
—Sedert den tijd, dien de bleekgezichten twee weken noemen. Mijn broeder Sam heeft zich zeker in een zeer afgelegen streek opgehouden, dat hij dit niet weet.
—Dat is waar, maar uw stammen leefden toch altijd in vrede, wat is de reden, dat mijn broeders de wapenen ter hand hebben genomen?
—De honden van Apachen hebben vier van onze krijgers gedood.
—Waar?
—Aan den Rio Pecos.
—Daar staan niet uw tenten? [111]
—Neen, maar die van de Mescalero’s.
—Wat deden uw krijgers dan daar?
De Kiowa dacht een oogenblik na, en vervolgde toen:
—Er trok een schare van onze krijgers uit, om des nachts de paarden der Mescalero’s te halen. Deze honden echter waakten goed, zij verweerden zich en doodden onze dappere mannen. Daarom is tusschen ons de krijgsbijl opgegraven.
De Kiowa’s hadden dus paarden willen stelen, waren verrast en verdreven. Dat eenigen van hen hun leven daarbij hadden verloren, was dus hun eigen schuld; maar de Apachen moesten daarvoor natuurlijk boeten. Het liefst had ik den schelm dit eerlijk in zijn gezicht gezegd, maar Sam zag mij waarschuwend aan en vroeg verder:
—Weten de Apachen, dat uw krijgers tegen hen zijn uitgetrokken?
—Denkt mijn broeder, dat wij hun dit hebben gezegd? Wij overvallen hen, dooden zooveel van hen, als wij maar kunnen en nemen dan alle dieren en verder alles mee, wat wij maar kunnen gebruiken.
Dat was eenvoudig verschrikkelijk! Ik kon dan ook niet nalaten te vragen:
—Waarom wilden mijn dappere broeders de paarden der Apachen hebben? Ik heb gehoord, dat de rijke stam der Kiowa’s, veel meer paarden bezit, dan hij noodig heeft.
De Vos zag mij glimlachend aan en antwoordde:
—Mijn jonge broeder Old-Shatterhand is over de wijde zee gekomen, en weet dus misschien nog niet, hoe de menschen aan deze zijde van het water denken en leven. Ja, wij hebben vele paarden, maar er kwamen blanke mannen bij ons, die paarden wilden koopen. Wij konden niet zooveel missen, als zij wilden hebben, maar zij vertelden ons van de kudden der Apachen en boden ons voor een Apachenpaard evenveel brandewijn en koopwaren, als voor een Kiowapaard! Toen gingen onze krijgers heen om Apachenpaarden te halen!
Dus wederom! Wie droegen de schuld van den dood der gevallenen en van den strijd, die nu nog te wachten was? Blanke paardenhandelaars, die met brandewijn wilden betalen en de Kiowa’s tot paardendieven hadden gemaakt. Ik kon mij nauwelijks goed houden, maar Sam zag mij wederom aan en vroeg:
—Is mijn broeder, de Vos, als verkenner uitgegaan?
—Ja.
—En wanneer komen uw krijgers?
—Zij zijn een dagrit achter ons.
—Door wien worden zij aangevoerd?
—Door Tangua, den dapperen hoofdman zelf. [112]
—Hoeveel krijgers heeft hij bij zich?
—Tweehonderd.
—En denkt gij de Apachen te overvallen?
—Wij zullen hen overvallen gelijk de adelaar de kraaien.
—Mijn broeder vergist zich, de Apachen weten, dat zij door de Kiowa’s zullen worden overvallen.
De Vos schudde ongeloovig het hoofd en antwoordde:
—Hoe zouden zij dit weten? Reiken hun ooren tot aan de tenten der Kiowa’s?
—Ja.
—Ik begrijp mijn broeder Sam niet, hij moet mij zeggen, wat hij bedoelt.
—De Apachen hebben ooren, die kunnen loopen en rijden. Wij hebben gisteren een paar ooren gezien, die bij de tenten der Kiowa’s geweest waren om hen af te luisteren.
—Oef, dus twee bespieders?
—Ja.
—Dan moet ik oogenblikkelijk terug naar den hoofdman, wij hebben slechts tweehonderd krijgers meegenomen, omdat wij dachten, dat de Apachen niets van onze komst wisten, maar nu hebben wij veel meer noodig.
—Mijn broeders hebben alles niet rijpelijk overwogen. Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen, is een wijs man. Toen hij zag, dat zijn lieden vier Kiowa’s hadden gedood, heeft hij begrepen, dat de Kiowa’s zich zouden wreken en hij ging heen, om hun plannen af te luisteren.
—Oef, oef! deed hij dit zelf?
—Ja, met zijn zoon Winnetou.
—Oef, was deze er ook bij? Hadden wij dat geweten, dan zouden wij deze beide honden gevangen hebben genomen. Nu zullen zij hun krijgers hebben verzameld en ons opwachten. Ik moet dit aan mijn opperhoofd zeggen. Gaan Sam en Old-Shatterhand met mij mee?
—Ja.
—Haalt dan dadelijk uw paarden?
—Niet te haastig! Ik heb vooraf nog meer met u te bespreken!
—Dat kunt gij onderweg doen.
—Neen. Ik zal met u meerijden, maar niet naar uw opperhoofd: ik zal u naar onze legerplaats brengen.
—Dat kan mijn broeder Sam niet meenen.
—Ja, luister, naar wat ik u ga zeggen. Wilt gij Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen, levend in handen krijgen? [113]
—Oef!—riep de Kiowa en zijn lieden spitsten de ooren.
—En zijn zoon Winnetou eveneens?
—Oef, oef, is dat mogelijk?
—Het is zeer gemakkelijk.
—Ik ken mijn broeder Sam, anders zou ik denken, dat hij in scherts sprak.
—Wel neen, het is mij ernst, gij kunt den hoofdman en zijn zoon levend in handen krijgen.
—En wanneer?
—Ik dacht in vijf, zes of zeven dagen, maar ik geloof nu, dat het veel eerder kan gebeuren!
—En waar dan?
—Bij onze legerplaats.
—Ik weet niet waar die is.
—Gij zult haar zien, want ik denk, dat gij mij gaarne zult vergezellen, wanneer gij hebt gehoord, wat ik u nu ga vertellen.
Hij vertelde hun nu van onze opmetingen, van het doel, waarmee deze geschiedden, van de ontmoeting met de beide Apachen en voegde er toen bij:
—Ik verwonderde mij de beide opperhoofden alleen te zien en dacht, dat zij op de buffeljacht waren en van hun krijgers waren afgedwaald, maar nu weet ik wat zij wilden. De beide Apachen zijn bij u geweest en dat zij dezen tocht zelf hebben gedaan, is een zeker bewijs, dat zij de zaak zeer ernstig opnemen. Nu zijn zij thuis. Winnetou kan slechts langzaam vooruitkomen, daar hij het lijk van Kleki-Petra meevoert; Intschu Tschuna is vooruitgereden en zal, wanneer het moet, zijn paard doodrijden, om zijn krijgers zoo spoedig mogelijk te verzamelen.
—Daarom juist moet ik mijn opperhoofd onmiddellijk gaan waarschuwen.
—Mijn broeder moet mij laten uitspreken. De Apachen dorsten naar wraak, maar niet alleen naar wraak op u, maar ook op ons, om den moord op Kleki-Petra begaan. Zij zullen een groote schare naar u en een kleinere naar ons zenden en bij deze laatste zullen zich ongetwijfeld het opperhoofd en zijn zoon bevinden. Wanneer hij met ons heeft afgerekend, zal hij zich bij de anderen aansluiten. Gij rijdt, nadat ik u onze legerplaats heb gewezen, naar uw hoofdman en vertelt hem alles, wat ik u gezegd heb. Dan komt gij met uw twee honderd krijgers bij ons, om Intschu Tschuna met zijn kleine schaar op te wachten en gevangen te nemen. Hij zal niet meer dan vijftig man meenemen. Gij zijt tweehonderd sterk, wij blanken tellen twintig man en zullen u natuurlijk helpen, het zal u dus zeer gemakkelijk [114]vallen, de Apachen te overwinnen. Als gij de beide opperhoofden in handen hebt, kunt gij verlangen en eischen wat gij maar wilt. Ziet mijn broeder dit wel in?
—Ja, het plan van mijn broeder Sam is zeer goed overlegd, als het opperhoofd dit hoort, zal hij zeker daarmee instemmen.
—Laat ons dan nu opbreken, opdat wij nog voor den nacht de legerplaats bereiken.
Wij bestegen onze paarden, die voldoende uitgerust waren en vlogen in galop weg. Ditmaal wachtten wij ons wel, hetzelfde spoor te volgen, wij reden rechtuit en vermeden dus de omwegen.
Ik moet eerlijk zeggen, dat ik werkelijk niet gesticht was over Sam’s gedrag; integendeel, ik ergerde mij zeer. Winnetou, de edele Winnetou zou met zijn schaar van vijftig krijgers in een hinderlaag worden gelokt! Als dat gelukte waren zij immers verloren! Hoe had Sam Hawkins daartoe kunnen meewerken! Hij wist immers, dat ik van den jongen man was gaan houden en ik wist van hem, dat ook hij hem niet ongenegen was. Al mijn pogingen om onderweg met hem te spreken waren tevergeefs. Ik wilde hem tot andere gedachten brengen, maar hij scheen dit te begrijpen en week niet van de zijde van den aanvoerder. Dit maakte mij nog boozer en als ik ooit in een slechte luim ben geweest, dan was het dien dag, toen wij tegen den avond in de legerplaats aankwamen. Ik steeg van mijn paard, en ging mismoedig in het gras liggen, want ik zag in, dat ik Sam dien avond niet te spreken zou krijgen. Hij stoorde zich in ’t geheel niet aan mij en vertelde aan mijn kameraden, waar en hoe wij de Kiowa’s hadden ontmoet en wat er nu zou gebeuren. Eerst schrokken de blanken eenigszins bij ’t gezicht van de Indianen, maar zij verheugden zich ten zeerste, toen zij hoorden, dat deze onze vrienden en bondgenooten waren en wij niet bevreesd behoefden te zijn voor de komst der Apachen. Wij konden door de tweehonderd Kiowa’s beschermd, kalm ons werk afmaken en overtuigd zijn, dat ons niets zou overkomen.
De Kiowa’s werden onthaald op berenvleesch en reden daarna weg. Eerst toen zij vertrokken waren, kwam Sam naar mij toe en zeide op zijn gewonen, bedaarden toon:
—Gij ziet er vanavond niet bijzonder opgewekt uit, sir. Hebt gij iets op uw hart?
—Zeker,—antwoordde ik niet zeer vriendelijk.
—Zeg mij dan wat het is, misschien kan ik u helpen.
—Ik wilde, dat gij dat kondet, Sam, maar ik betwijfel het.
—Ik kan u helpen, zeker ik kan, wees maar gerust.
—Zeg mij dan eens, Sam, hoe Winnetou u is bevallen? [115]
—Uitmuntend, u toch ook.
—En gij wilt hem in ’t verderf storten. Hoe rijmt ge dat?
—In ’t verderf? Ik, hem? Dat is mij geen oogenblik ingevallen.
—Maar hij zal gevangen genomen worden.
—Zeker.
—En dat zal toch zijn ondergang zijn.
—Maak u toch niet ongerust, sir. Ik houd zooveel van Winnetou, dat ik mijn leven voor hem zou wagen.
—Waarom lokt gij hem dan in een hinderlaag?
—Om ons zelf tegen hem en zijn Apachen te verweren.
—En verder?
—Verder, hm! Gij zoudt dezen jongen Apache gaarne onder uw bescherming nemen, sir?
—Ik zou dit niet alleen willen, maar ik zal het ook werkelijk doen. Als hij gevangen wordt genomen, zal ik hem bevrijden, en als ’t moet voor hem strijden ook, dat zeg ik u eerlijk.
—Zoo? Zult gij dat doen? Werkelijk?
—Ja, ik heb het aan een stervende beloofd en zulk een belofte is mij, die zelfs nooit een eenvoudige afspraak vergeet, zoo heilig als een eed.
—Dat verheugt mij, dat verheugt mij zeer, wij denken er geheel gelijk over.
—Maar—vervolgde ik eenigszins ongeduldig,—zeg mij dan hoe uw mooie praatjes overeen te brengen zijn met uw slechte voornemens!
—Zoudt gij dat willen weten? Hm, ja de oude Sam heeft wel gemerkt, dat gij onderweg graag een woordje met hem wildet spreken. Dat mocht echter niet, want dan zou mijn geheele plan in duigen zijn gevallen. Ik meen het heel anders, dan gij denkt, maar ik wil niet iedereen in de kaart laten zien, hihihihi! U kan ik alles wel vertellen en Dick Stone en Parker ook wel, als ik mij niet vergis. Wat ik dus zeggen wil, is dit: als ik Intschu Tschuna goed ken, is hij niet alleen met Winnetou op verkenning geweest, maar heeft hij intusschen zijn krijgslieden laten uittrekken. Deze zijn in elk geval reeds een eind op weg en daar hij, evenals Winnetou, den geheelen nacht is doorgereden, vermoed ik, dat hij hen reeds morgen vroeg of in den voormiddag althans, denkt te ontmoeten, anders zou hij zijn paard niet zoo hebben afgejaagd. Overmorgenavond kan hij dan reeds weer hier zijn. Gij ziet dus, in welk gevaar wij ons bevinden, en ’t is maar goed, dat wij hem na zijn gereden. Gelukkig ook, dat wij de Kiowa’s hebben aangetroffen en dit alles van hen zijn te weten gekomen. Zij halen hun tweehonderd ruiters hier en.…
—Ik zal Winnetou voor de Kiowa’s waarschuwen—viel ik hem in de rede. [116]
—Doe dat om ’s Hemels naam niet!—riep hij,—dat zou ons ongeluk zijn, want wij kregen dan vrij wat met de Apachen te doen. Neen, zij moeten werkelijk gevangengenomen worden en den dood voor oogen zien. Als wij ze dan heimelijk bevrijden, moeten zij ons dankbaar zijn en hun plannen van wraak tegenover ons opgeven. Misschien zullen zij dan Rattler nog opeischen en dien kunnen zij voor mijn part krijgen. Wat zegt gij er nu van, booze mijnheer?
Ik stak hem de hand toe en antwoordde:
—Ik ben tevreden over u, beste Sam, gij hebt dat mooi bedacht.
—Nietwaar? Ja, Sam Hawkins mag dan, zooals een zeker iemand beweert, veldmuizen vreten, hij heeft toch ook nog wel zijn goede zijde, hihihihi! Dus, gij zijt niet meer boos?
—Volstrekt niet.
—Goed, ga dan nu op één oor liggen en slaap, want morgen zal er veel te doen zijn. Ik ga nu Stone en Parker waarschuwen, opdat zij weten, hoe zij zich morgen hebben te houden.
Was hij niet een beste, brave kerel, die oude Sam Hawkins? Als ik „oud” zeg, dan is dit eigenlijk minder juist uitgedrukt, hij telde hoogstens veertig jaar, maar zijn dichte, reeds vergrijsde baard, zijn kolossale neus, die als een vuurtoren uit dien baard oprees, zijn stijve jachtrok deden hem veel ouder schijnen dan hij was. Het woord „oud” echter wordt ook dikwijls gebruikt, om kracht bij te zetten. Een der beroemdste prairiejagers bijv. was Old-Firehand. Nam hij eenmaal zijn geweer ter hand, dan kon men zeker zijn, dat de kogel doel trof, vandaar Firehand. Het voorgevoegde „Old” diende, om dit des te krachtiger te doen uitkomen. Ook ik kreeg later steeds bij mijn naam, Shatterhand, dit woordje „old.” Nadat Sam zich verwijderd had, beproefde ik te slapen, maar het wilde mij niet gelukken. Mijn metgezellen waren verrukt over de hulp, welke de Kiowa’s ons zouden brengen en spraken daarover op zulk een luiden toon, dat het een kunst zou geweest zijn om in slaap te komen, maar bovendien mijn eigen gedachten lieten mij niet met rust. Hawkins had over zijn plan gesproken, alsof dit onmogelijk kon mislukken, maar was dit werkelijk zoo? Wij wilden Winnetou en zijn vader bevrijden, over de andere Apachen was niet gesproken. Moesten zij in de handen der Kiowa’s blijven, terwijl de beide hoofdmannen gered werden? Dit zou immers een onrecht zijn? Maar inderdaad zou het voor ons vieren hoogst moeilijk zijn, zooveel Apachen te bevrijden, vooral omdat er niet de minste verdenking op ons mocht vallen. En op welke wijze zouden de Apachen in de handen der Kiowa’s geraken? Het was te voorzien, dat dit niet zonder heftigen strijd zou gaan en juist de beiden, die wij wilden redden, zouden zich ’t meest verweren [117]en daardoor groot gevaar loopen, te worden gedood.
Ik dacht over dit alles na, terwijl ik mij op mijn legerstede heen en weer keerde, maar kon geen uitweg vinden. Het eenige, waarmee ik mij troostte, was dat de kleine, listige Sam er wel iets op zou weten te vinden, en ik nam mij ten slotte vast voor, de beide opperhoofden zoo noodig met gevaar van mijn eigen leven te verdedigen.
Den volgenden morgen ging ik met verdubbelden ijver aan het werk, en daar iedereen zooveel mogelijk zijn best deed, waren wij tegen den avond een flink eind gevorderd. Rattler bleef op een afstand, hij slenterde wat rond, maar werd door de andere prairiejagers even vriendelijk bejegend alsof er niets was gebeurd. Dit bracht mij tot de overtuiging, dat wij, mocht het wederom tot een botsing komen, niet veel steun van hen hadden te wachten. Door het vele werken waren wij ’s avonds erg vermoeid en na het avondeten gingen wij dan ook dadelijk onze tenten opzoeken.
Ook den volgenden morgen togen wij weer vlijtig aan den arbeid, maar tegen den middag kwamen de Kiowa’s. Onze legerplaats was een weinig verlegd, maar zij hadden ons gemakkelijk kunnen vinden.
De Indianen, die onze gasten zouden zijn, waren allen zeer krachtige mannen met een krijgshaftig uiterlijk; allen waren zeer goed bereden en voorzien van geweren, messen en tomahawks. Ik telde meer dan tweehonderd man. Hun aanvoerder had werkelijk een bijzonder knap figuur, strenge, sombere gelaatstrekken en een paar roofdieroogen, die niet veel goeds voorspelden. Hij heette Tangua, een naam, welke woordelijk hoofdman beteekent. Toen ik zijn gezicht en zijn oogen zag, werd het mij angstig te moede bij de gedachte aan Intschu Tschuna en Winnetou.
Hoewel deze man kwam als vriend en bondgenoot, gedroeg hij zich volstrekt niet vriendelijk tegen ons. Zijn optreden was, om mij van een vergelijking te bedienen, als dat van een tijger, die met een luipaard ter jacht gaat, met het voornemen, dezen na afloop daarvan ook meteen maar op te vreten. Hij steeg toen hij bij ons aankwam, niet af om ons te begroeten, maar maakte een bevelende beweging, waarop wij dadelijk door zijn lieden werden omsingeld. Daarop reed hij naar onze wagens en lichtte de zeilen op, om te zien wat zich daarin bevond. De inhoud scheen hem wel te bevallen, want hij steeg van zijn paard en klom in den wagen, om beter te kunnen snuffelen.
—Oho!—zeide Sam, die naast mij stond:—die schijnt ons eigendom voor goeden buit aan te zien, en hij heeft nog geen woord met ons gesproken. Wanneer hij meent, dat Sam Hawkins dom genoeg is om den bok als tuinman aan te stellen, dan vergist hij zich toch leelijk, dat zal ik hem toonen. [118]
—Geen onvoorzichtigheid, Sam!—verzocht ik;—wat kunnen wij tegenover tweehonderd man doen?
—Jawel, hun aantal is grooter dan het onze, maar hun verstand is kleiner, hihihihi!—antwoordde hij.
—Maar zij hebben ons omsingeld!
—Wel, dat doe ik ook!—Of denkt gij, dat ik geen oogen heb? Wij hebben naar ’t schijnt, geen geschikte hulptroepen laten aanrukken, hij schijnt ons maar tegelijk met de Apachen te willen opeten. Dat hapje zou hem echter zwaar genoeg in zijn maag liggen, dat verzeker ik u. Kom mee naar dien wagen, dan kunt gij hooren hoe Sam Hawkins met zulke schelmen doet. Ik ben een goede bekende van deze Tangua, en al heeft hij mij hier nog niet gezien, hij weet heel goed dat ik hier ben. Zijn gedrag is allesbehalve vriendelijk! Ziet die gezichten eens van die kerels! Ik zal hun dadelijk toonen, wie Sam Hawkins is. Kom dus mee!
Wij hadden onze geweren in de hand en gingen naar den wagen in welken Tangua rondsnuffelde. Ik voelde mij niet erg op mijn gemak, maar Sam begon dadelijk op waarschuwenden toon:
—Heeft het beroemde opperhoofd der Kiowa’s lust om binnen enkele oogenblikken naar de eeuwige jachtvelden te gaan?
De aangesprokene, die met zijn rug naar ons toestond, richtte zich op, keerde zich om en antwoordde lomp:
—Waarom doet de blanke man deze dwaze vraag? Tangua zal eenmaal in de eeuwige jachtvelden als opperhoofd heerschen, maar er zal nog een lange tijd verloopen, voor hij zich daarheen begeeft.
—Deze tijd zal misschien slechts een enkele minuut zijn.
—Waarom?
—Kom van den wagen af, dan zal ik het u zeggen, maar een beetje vlug als ’t u belieft.
—Ik blijf hier!
—Goed, vlieg dan maar in de lucht!
Sam keerde zich bij deze woorden om en deed alsof hij zich wilde verwijderen. Nu sprong echter het opperhoofd vlug van den wagen, greep hem bij den arm en riep:
—In de lucht vliegen, waarom zegt Sam Hawkins dit?
—Om u te waarschuwen.
—Waarvoor?
—Voor den dood, die u zou hebben aangegrepen, als gij ook nog één minuut daar op dien wagen waart gebleven.
—Oef! was de dood op dien wagen?
—Ja.
—Waar? Laat hem mij zien. [119]
—Later misschien. Hebben uw verkenners niet gezegd waarom wij hier zijn?
—Ja, zij hebben gezegd, dat gij een weg wildet maken voor het ijzeren paard der bleekgezichten.
—Juist; zulk een weg gaat over rivieren en afgronden en door rotsen, welke wij uit elkaar laten springen; ik denk dat gij dit wel zult weten.
—Ik weet dit, maar wat heeft dit met den dood te maken, die mij bedreigd heeft?
—Zeer veel, meer dan gij vermoedt. Hebt gij misschien gehoord, waarmee wij de rotsen laten springen, die ons bij het bouwen van een spoorweg in den weg staan? Meent gij dat wij daarvoor het kruit gebruiken, dat gij voor uw geweren noodig hebt?
—Neen, ik heb wel gehoord, dat de bleekgezichten een andere stof hebben uitgevonden.
—Juist, en deze stof ligt hier op dien wagen! Zij is, wel is waar goed ingepakt, maar die niet weet hoe hij zulk een pak moet aanvatten, is verloren, want zoodra hij het in de hand neemt, vliegt het uit elkaar en er blijft geen stukje meer van hem over.
—Oef, oef! riep Tangua zichtbaar geschrokken uit.—Ben ik dicht bij deze pakken geweest?
—Zoo dicht, dat gij, wanneer gij er niet afgesprongen waart, nu reeds in de eeuwige jachtvelden zoudt zijn. Maar wat zou er dan van u overgebleven zijn? Geen haarlok, geen medicijn, niets dan kleine stukjes vleesch en been. Uw overblijfselen waren door de vurige rossen der geesten vermorzeld en versplinterd.
Een Indiaan, die zonder haarlok en zonder medicijn in de eeuwige jachtvelden aankomt, wordt door de gestorven helden met minachting ontvangen, en moet zich steeds op den achtergrond houden. Zoo zegt het geloof der roodhuiden. Welk een ongeluk dus, in kleine verbrijzelde stukjes daar aan te komen! Men zag, ondanks de donkere gelaatskleur, dat al het bloed uit de wangen van het opperhoofd week, en hij riep uit:
—Oef, wat gelukkig, dat gij mij tijdig hebt gewaarschuwd! Waarom bewaart gij deze stof op dien wagen, waarop zich nog zooveel andere nuttige dingen bevinden?
—Moesten wij deze gevaarlijke pakken dan op den grond leggen, waar zij bij de minste aanraking groot onheil zouden aanrichten? Ik zeg u, ze zijn zelfs op den wagen reeds gevaarlijk genoeg; als zulk een pakket uit elkaar slaat, vliegt alles, wat zich in de nabijheid bevindt, in de lucht.
—De menschen ook? [120]
—Natuurlijk, ook de menschen en dieren, die zich tweehonderd voet in den omtrek bevinden.
—Dan moet ik aan mijn krijgers zeggen, dat geen van hen dicht bij dezen gevaarlijken wagen komt.
—Doe dat, opdat wij niet allen te zamen om een onvoorzichtigheid, te gronde gaan! Gij ziet, hoe bezorgd ik voor u ben, omdat de krijgers der Kiowa’s onze vrienden zijn. Het schijnt evenwel, dat ik mij vergist heb, want wanneer vrienden elkander ontmoeten, begroeten zij elkander en rooken de vredespijp. Wilt gij dat vandaag niet doen?
—Gij hebt dit immers reeds met den Vos, mijn verkenner, gedaan?
—Ik alleen en de blanke krijgsman, die hier naast mij staat, maar de anderen niet. Als gij dezen niet wilt begroeten, moet ik wel aannemen, dat uw vriendschap niet oprecht is.
Tangua dacht een oogenblik na, en antwoordde toen ontwijkend:
—Wij zijn op een krijgstocht en hebben de kinnikinnik dus niet bij ons.
—De mond van den hoofdman spreekt anders dan zijn hart denkt, ik zie den buidel met kinnikinnik immers aan den gordel hangen, wij hebben die evenwel niet noodig, want wij hebben zelf tabak genoeg bij ons. Allen behoeven niet mee te rooken, gij rookt voor u zelf en voor uw krijgers, ik rook voor mij zelf en voor de hier aanwezige blanken, dan geldt de vriendschapsbond voor allen, die zich hier bevinden.
—Waarom zullen wij beiden rooken, wij zijn immers vrienden? Sam Hawkins mag gerust aannemen, dat wij de vredespijp voor allen hebben gerookt.
—Zooals gij wilt, maar dan zullen wij doen, wat wij noodig achten, en gij krijgt de Apachen niet in uw macht.
—Wilt gij ze misschien waarschuwen?—vroeg Tangua, terwijl zijn oogen fonkelden.
—Neen, want zij zijn onze vijanden en willen ons dooden. Maar ik zal u niet zeggen, op welke wijze gij ze kunt vangen.
—Dat behoeft niet, dat weet ik zelf wel.
—Oho! Weet ge soms, wanneer en van welken kant ze komen?
—Ik zal dat wel te weten komen, want ik zend hun mijn verkenners tegemoet.
—Dat zult ge niet doen, want gij zijt verstandig genoeg, om te begrijpen, dat de Apachen de sporen van uw verkenners zouden vinden en op uw ontvangst voorbereid zijn. Het zou dan zeer de vraag worden, of gij ze in handen krijgt, terwijl zij naar het plan, dat ik wil volgen, geheel onvoorbereid door u kunnen worden ingesloten en gevangengenomen. [121]
Ik zag dat deze uitlegging indruk maakte en Tangua verklaarde dan ook na een korte pauze:
—Ik zal met mijn krijgers spreken.
Hij verwijderde zich, wenkte eenige andere roodhuiden en scheen met hen te overleggen.
—Door eerst met deze kerels te beraadslagen, levert hij het bewijs, dat hij ook tegenover ons niets goeds in ’t schild voert,—meende Sam.
—Dat is slecht van hem, want gij zijt zijn vriend en hebt hem niets gedaan—antwoordde ik.
—Vriend? Wat noemt gij vriend bij deze Kiowa’s? Zij zijn slechts vrienden, zoolang er voor hen niets valt te halen. Hier echter hebben wij een wagen, met victualiën en andere dingen, welke voor hen waarde hebben. Dat hebben de verkenners aan hun aanvoerder verteld, en sedert dat oogenblik was het een uitgemaakte zaak, dat wij bestolen zouden worden.
—En wat nu?
—Nu, hm, nu zijn wij veilig.
—Ik zou er blij mee zijn, als dat zoo was!
—’t Is zoo! Ik ken deze lieden. Een heerlijke inval van mij, om dezen kerel wijs te maken, dat wij een soort dynamiet hier op den wagen hebben, hihihihi! Hij verheugde zich reeds op al de heerlijkheden, en nu ben ik zeker, dat geen roodhuid meer in de nabijheid van den wagen zal komen. Ik hoop nog meer nut te trekken van dit kostelijke grapje. Ik zal een blikje sardinen in den zak steken, en hen wijsmaken, dat dit met deze helsche stof gevuld is. Doe gij dat ook, het kan u te pas komen.
—Goed, ik zal uw raad opvolgen. Wat denkt gij van de vredespijp?
—Wel, ’t was afgesproken, dat zij niet gerookt zou worden, maar nu zullen zij zich nog wel eens bedenken. Maar toch mogen wij hen nooit vertrouwen!
—Ziet gij wel, Sam, dat ik eergisteren gelijk had? Gij wildet uw plan uitvoeren, met behulp van de Kiowa’s en hebt ons daardoor in hun macht gebracht. Ik ben nieuwsgierig hoe dit zal afloopen!
—Niet anders, dan ik verwacht, daar kunt ge op rekenen. De hoofdman wilde ons van alles berooven en dan de Apachen op eigen houtje afwachten. Nu echter ziet hij wel in, dat zij te slim zijn, om zich zoo maar te laten vangen. Zooals ik hem zelf heb gezegd, zullen zij de sporen van de verkenners ontdekken en dan zouden zij zich wel wachten hier te komen. Zie, de beslissing is genomen.
Wij zagen reeds dadelijk, dat de roodhuiden eieren voor hun geld [122]hadden gekozen, want op aanwijzing van de „Vos,” ging de kring der krijgers, die ons steeds omringde uiteen en allen stegen van hun paarden.
Tangua kwam nu naar ons toe en zeide op veel vriendelijker toon:
—Ik heb met mijn krijgers beraadslaagd en wij zijn overeengekomen, de calumet met u te rooken, dit geldt dan ook voor de anderen.
—Ik had dit besluit verwacht,—zei Sam,—want gij zijt niet alleen een dapper, maar ook een verstandig man. De krijgers der Kiowa’s mogen er getuigen van zijn, dat wij met elkander den bond der vriendschap hernieuwen.
Zoo geschiedde het. Tangua en Sam Hawkins rookten de calumet onder de reeds vroeger gemelde ceremoniën en daarop gaven wij, blanken, den roodhuiden een voor een de hand. Wij konden nu aannemen, dat wij, althans voor dezen dag, veilig waren, wat zij later zouden denken en doen, moesten wij afwachten.
Als ik zeg: calumet rooken, dan bedien ik mij van de uitdrukking, welke bij ons gebruikt wordt. De Indiaan zegt, tabak drinken, in plaats van rooken. Hij drinkt haar eigenlijk ook, want hij slikt den rook in, bewaart dezen een oogenblik in de maag en geeft ze dan in kleine hoeveelheden terug.
Na afloop van deze plechtigheid stelde Tangua voor een groote vergadering te houden, waaraan alle blanken zouden deelnemen. Dit paste ons in ’t geheel niet, want wij moesten noodzakelijk aan ’t werk. Ik verzocht daarom Sam, het daarheen te willen leiden, dat deze vergadering werd uitgesteld tot aan den avond, want ik had gehoord en gelezen, dat wanneer de roodhuiden eenmaal ter vergadering zijn gezeten, deze bijna geen einde neemt. Hawkins sprak dus met den Indiaan, maar keerde weldra terug met de boodschap:
—Als echte Indiaan, is hij niet van zijn eens genomen besluit af te brengen. De Apachen zijn nog in lang niet hier, en daarom verlangt hij een vergadering, in welke ik mijn plannen duidelijk zal uitleggen en na afloop waarvan er flink gegeten moet worden. Wij hebben voorraad genoeg en de Kiowa’s hebben ook gedroogd vleesch op hun paarden meegebracht. Gelukkig heb ik in zooverre mijn zin gekregen, dat alleen ik, Dick Stone en Parker van de partij behoeven te zijn, gij overigen, moogt dus aan het werk gaan.
—Mogen? Alsof wij daarvoor de toestemming van den Indiaan noodig hadden! Ik zal hem toonen, dat ik geheel onafhankelijk ben.
—Houd u als ’t u blieft kalm, sir! Doe liever alsof gij niets hebt gehoord. Wij moeten hen te vriend houden, indien alles goed zal gaan. [123]
—Maar ik zou wel bij die vergadering tegenwoordig willen zijn!
—Dat is niet noodig.
—Niet? ik moet toch ook weten, wat besloten wordt?
—Dat zal ik u wel vertellen.
—Maar wanneer gij nu eens een besluit neemt, dat ik niet goedkeur?
—Goedkeuren? gij? hoor nu dien greenhorn eens aan! Hij verbeeldt zich waarempel, dat hij eerst moet goedkeuren, wat Sam Hawkins besluit. Moet ik u misschien ook vragen, of ik mijn nagels mag knippen of mijn laarzen mag oplappen?
—Zoo bedoelde ik het natuurlijk niet, Sam. Ik wilde alleen maar zeker zijn, dat er geen besluit werd genomen, dat het leven van onze beide Apachen in gevaar kan brengen.
—Wat dat betreft, verlaat u gerust op den ouden Sam Hawkins; ik geef u mijn woord, dat hun geen leed zal geschieden, is u dat genoeg?
—Ja, uw eerewoord is mij voldoende, ik weet dat gij het zult houden!
—Vooruit dan, maak dat gij aan uw werk komt, en wees verzekerd, dat de zaak evengoed zal gaan, zonder dat gij er uw neus insteekt.
Ik moest mij schikken, want er was mij alles aan gelegen, de opmetingen ten einde te brengen vóór de komst der Apachen. Wij begonnen dus met moed en kwamen flink vooruit, want ook Bancroft en zijn drie andere ondergeschikten spanden al hun krachten in. Ik had hun namelijk gezegd, dat, wanneer de Apachen kwamen, vóór wij gereed waren, het er voor ons leelijk uit zou zien, maar dat, wanneer wij ons werk voor hun komst af hadden, wij gelegenheid zouden hebben, stilletjes weg te trekken en zoo ons zelf en onze teekeningen te redden. Zij werkten dus zoo hard zij konden, en mijn doel was bereikt. Ik zelf dacht er echter geen oogenblik aan, mij zoo uit de voeten te maken. Winnetou lag mij veel te na aan het hart. De anderen mochten doen, wat zij wilden, ik was besloten, niet weg te gaan, voor ik vast overtuigd was, dat er voor hem geen gevaar meer bestond. Ik had werk te doen voor twee, want ik moest opmeten en meteen de berekeningen en teekeningen maken. Dit laatste deed ik in duplo. Eén exemplaar gaf ik aan den hoofdingenieur en een hield ik, om in geval van nood, te kunnen gebruiken. Onze positie was zoo gevaarlijk, dat deze voorzichtigheid wel noodig was.
De vergadering duurde werkelijk, zooals ik reeds had vermoed, tot aan den avond; zij werd juist gesloten, toen wij door de duisternis genoodzaakt waren, ons werk neer te leggen. De Kiowa’s waren in de vroolijkste stemming, want Sam Hawkins had de fout, of [124]misschien ook wel den wijzen zet begaan, hun onze geheele rest brandewijn te geven. Er brandden verscheidene wachtvuren, waaromheen de smullende roodhuiden gelegerd waren, de paarden graasden rustig en verder buiten in de duisternis stonden de schildwachten, door den hoofdman uitgezet.
Ik ging bij Sam en zijn onafscheidelijke metgezellen Parker en Stone zitten, at mijn avondbrood en liet mijn oogen dwalen over de legerplaats, welke voor mij, nieuweling, een aardig gezicht aanbood. Geen van de roodhuiden, die ik daar zag, scheen mij vatbaar voor eenig gevoel van medelijden tegenover den vijand. Ik zag er geen een die dronken was, want de hoeveelheid brandewijn was niet zoo groot, of ieder had slechts een teug of vijf kunnen krijgen, maar daar zij dit nat zelden proefden was de opwindende uitwerking duidelijk merkbaar. De gebaren waren levendiger, de gesprekken luidruchtiger, dan gewoonlijk het geval placht te zijn.
Natuurlijk vroeg ik Sam dadelijk naar den afloop der vergadering.
—Wees maar tevreden,—meende hij,—er zal aan uw twee Apachen niets kwaads overkomen.
—Maar als zij zich verzetten?
—Zoover komt het niet, zij worden overvallen, en zullen reeds gebonden zijn, voor zij er aan denken.
—Zoo, hoe stelt gij u de zaak dan eigenlijk voor, Sam?
—Zoo eenvoudig mogelijk. De Apachen komen langs een bepaalden weg. Kunt gij dien misschien raden, sir?
—Ja, zij zullen natuurlijk gaan naar de plaats, waar zij ons hebben aangetroffen en van daar ons spoor verder volgen.
—Juist! Gij zijt werkelijk niet zoo dom, als gij er uitziet. Dus, het eerste, wat wij moeten weten, is ons bekend, namelijk de richting, van waar zij zullen komen. Het voornaamste is evenwel de tijd, waarop zij verwacht kunnen worden.
—Dien kan men niet nauwkeurig vooruit bepalen, maar toch wel eenigszins.
—Ja, maar dat geeft ons niets, wij moeten zekerheid hebben, volle zekerheid.
—Die kunnen wij alleen krijgen, door verkenners uit te zenden en dat wildet gij immers niet, beste Sam. Gij vreesdet toch, dat het spoor der verkenners ons zou verraden.
—Van de roode verkenners, zeker, let wel sir, van de rooden! De Apachen weten, dat wij in de nabijheid zijn; vinden zij dus het spoor van een blanke, dan kan het hun wantrouwen niet opwekken. Vinden zij evenwel het spoor van een roodhuid, dan is dat geheel iets anders, zij zouden gewaarschuwd zijn en zich in acht nemen. [125]Daar gij zulk een knappe kerel zijt, sir, kunt gij dunkt mij, wel vermoeden wat zij daaruit zouden opmaken.
—Dat er Kiowa’s in de buurt zijn?
—Natuurlijk, gij hebt het geraden! Als ik mijn pruik niet een beetje moest sparen, zou ik den hoed voor u afnemen. Neem nu den wil voor de daad!
—Dank u, Sam! Maar om verder te gaan, meent gij dus, dat wij den Apachen geen roode, maar blanke verkenners tegemoet moeten zenden?
—Ja, maar niet meer dan een.
—Is dat niet te weinig?
—Neen, want die eene is een kerel op wien men kan vertrouwen, hij heet namelijk Sam Hawkins en pleegt veldmuizen te eten, hihihihi! Kent gij dien man misschien, sir?
—Ja,—knikte ik,—en als die man eenmaal iets op zich neemt, kunnen wij gerust zijn; hij zal zich niet door de Apachen laten vangen.
—Neen vangen niet, maar wel laten zien.
—Wat? moeten zij u zien?
—Ja.
—Maar dan pakken en dooden zij u.
—Zij zullen ’t wel laten, daarvoor zijn zij veel te verstandig. Ik richt het zoo in, dat zij mij moeten zien, opdat zij niet op het denkbeeld komen, dat er ook nog anderen bij ons zijn. Als ik daar zoo genoeglijk voor hen uit wandel, zullen zij meenen, dat wij ons zoo veilig wanen als in Abraham’s schoot. Zij zullen mij niets doen, daar gij ongerust zoudt kunnen worden, als ik niet in de legerplaats terugkeerde, later kunnen zij mij volgens hun meening immers toch wel krijgen.
—Maar Sam, is het niet mogelijk, dat zij u zien, maar gij hen niet?
—Sir,—barstte hij los,—als gij zulke opmerkingen durft maken, is het uit tusschen ons. Ik hen niet zien! De oogjes van Sam Hawkins zijn weliswaar klein, maar zien scherp. De Apachen komen niet in troepen, maar zij zenden een paar verkenners vooruit, en die zullen mij niet ontgaan, want ik zal mij zóó opstellen, dat ik hen moet zien. Weet ge, er zijn van die open plekken, waar men niet de geringste bedekking heeft. Zulke plaatsen zoekt men op, als men verkenners wil ontdekken. Zoodra ik ze gezien heb, breng ik u bericht, opdat gij, wanneer zij om de legerplaats heensluipen, voorbereid zijt.
—Maar dan zien zij toch de Kiowa’s en zullen dit aan hun hoofdman melden!
—Wie zien ze? de Kiowa’s? mensch, greenhorn, en achtenswaardig [126]jongeling, meent gij dan, dat de hersenen van Sam Hawkins van zand zijn? Ik zal natuurlijk zorgen, dat de Kiowa’s niet te zien zijn en er geen spoor van hen te vinden is. Deze goede vrienden zullen zich wat graag laten verstoppen, om op het geschikte oogenblik te voorschijn te komen. De verkenners der Apachen mogen natuurlijk alleen dezelfde personen zien, die in de legerplaats waren, toen Winnetou en zijn vader zich daar bevonden.
—Zoo, dat is iets anders!
—Niet waar? De verkenners der Apachen mogen ons dus gerust besluipen en de overtuiging krijgen, dat wij geen kwaad vermoeden. Wanneer zij zich dan verwijderen, volg ik hen, om uit te zien naar de komst der geheele schaar. Deze zal natuurlijk niet bij dag maar bij nacht komen en onze legerplaats zoo dicht mogelijk trachten te naderen, om ons dan plotseling te overvallen.
—En ons gevangen te nemen en te vermoorden!
—Luister, sir, ik heb werkelijk soms medelijden met u. Gij zijt een gestudeerd man en weet nog niet eens, dat men zich uit de voeten moet maken, wanneer men niet gevangengenomen wil worden, dat weet anders zelfs iedere haas of konijn. Staat dat misschien niet in de vele boeken, welke gij gelezen hebt?
—Neen, maar verder dus, meent gij, dat wij ons in veiligheid moeten brengen?
—Ja zeker. Wij maken natuurlijk een wachtvuur, opdat zij ons duidelijk kunnen zien. Zoolang dit brandt, houden de Apachen zich op een afstand. Wij laten het stil uitbranden en sluipen, zoodra het donker wordt, weg, om de Kiowa’s te halen. Nu werpen de Apachen zich op onze legerplaats en.… vinden geen mensch, hihihihi! Zij zijn natuurlijk zeer verbaasd en steken het vuur weer aan, om ons te zoeken! Wij zien hen dan even duidelijk, als zij ons zooeven zagen. De rollen worden dan omgekeerd, en nu zijn zij het, die overvallen worden. Dat wordt een slag, waarover men nog lang zal spreken en dan zal er bij gezegd worden: dat heeft Sam Hawkins kostelijk bedacht, als ik mij niet vergis!
—Ja, het zou prachtig zijn, als alles ging, zooals gij dacht.
—Het zal niet anders gaan, daarvoor zal ik wel zorgen.
—En dan verder? Zullen wij dan de Apachen heimelijk bevrijden?
—Intschu Tschuna en Winnetou in elk geval.
—De anderen niet?
—Voor zoover dit zonder ons zelf te verraden mogelijk is.
—Hoe zal het dan met de overigen gaan?
—Dat zal nog meevallen sir, dat verzeker ik u. De Kiowa’s zullen in de eerste oogenblikken meer aan de vluchtelingen denken, dan [127]aan de anderen. En mochten zij al te bloeddorstig zijn, dan is Sam Hawkins er ook nog. Trouwens gij moet u niet het hoofd breken over wat later zal gebeuren, gij kunt uw tijd wel beter gebruiken. Komt tijd, komt raad. Er moet echter vóór alles een plaats gezocht worden, welke geschikt is voor de uitvoering van ons plan. Morgen vroeg zal ik mij daarmee onledig houden, vandaag hebben wij overlegd, morgen moeten wij handelen.
Hij had gelijk, verder spreken en plannen maken was overbodig, wij konden nu niets anders doen dan afwachten, wat er zou gebeuren.
De nacht was allesbehalve aangenaam. Er kwam een flinke wind opzetten, die langzamerhand tot een storm aanwakkerde en tegen den morgen begon het erg koud te worden. Sam Hawkins keek eens naar de lucht en meende:
—Vandaag zullen wij iets beleven, dat in deze streek zelden voorkomt; het zal regenen, als ik mij niet vergis. En dat zal de uitvoering van ons plan begunstigen.
—Hoe dat?—vroeg ik.
—Kunt gij dat niet begrijpen? Zie eens hoe het gras hier vertreden is. Wanneer de Apachen hier komen, zullen zij dadelijk zien, dat hier meer menschen en dieren zijn geweest, dan zij bij ons hebben gezien. Komt er nu regen, dan richt zich het gras weer op en worden de sporen van deze legerplaats uitgewischt. Ik zal zoo gauw mogelijk met de roodhuiden van hier gaan.
—En een plaats zoeken, geschikt om hen te verbergen?
—Ja. Ik zou de Kiowa’s wel eerst nog hier kunnen laten en ze later halen, maar hoe eerder ze weggaan, des te eerder verdwijnt het spoor. Gij kunt intusschen kalm doorwerken.
Hij deelde zijn plan aan het opperhoofd der Kiowa’s mee, en deze stemde daarmee in. Na korten tijd, reed Sam met Dick en Will dan ook weg. Het spreekt vanzelf, dat de plaats, welke zij zich wilden kiezen, moest liggen aan den weg, dien wij als landmeters hadden te volgen, en zeer langzaam, doch zoo snel echter als ons werk dit gedoogde, trokken wij hen achterna. Tegen den middag, werd Sam’s voorspelling bewaarheid, het begon te regenen en wel op een wijze, zooals het slechts in die streken regenen kan, wanneer dit eens een enkele maal gebeurt. Het was of het met emmers werd neergegooid.
Midden in dezen regen kwam Sam met de beide anderen terug. Wij zagen ze niet, voor ze misschien slechts twaalf of vijftien pas van ons af waren, zoo dicht viel de regen. Zij waren geslaagd in het vinden van een geschikte plaats, Parker en Stone zouden ons deze wijzen. Sam evenwel ging onmiddellijk weer weg, om zijn verkennersambt te aanvaarden. Hij wilde te voet gaan, omdat hij zich [128]dan beter kon verbergen, dan wanneer hij zijn muildier bij zich had.
Toen hij achter het dichte regengordijn verdween, had ik een gevoel, alsof het ongeluk met snelle schreden naderde.
Even plotseling als de regen gekomen was, even snel hield hij weer op. De sluizen des hemels sloten zich en de zon straalde weer even warm als den vorigen dag. Wij konden den arbeid, dien wij hadden moeten staken, weer hervatten.
Het terrein, waarop wij ons bevonden, was een vlakke, niet groote savanna, aan drie zijden begrensd door dichte bosschen, en wij konden dus tamelijk snel vooruitkomen. Ik had daarbij gelegenheid op te merken, dat Sam de uitwerking van den regen juist had voorspeld, want waar wij ons nu bevonden, was geen spoor meer te zien van de hoeven der paarden. Indien de Apachen ons volgden, konden zij onmogelijk vermoeden, dat wij tweehonderd bondgenooten in onze nabijheid hadden.
Toen het donker begon te worden en wij den arbeid moesten neerleggen, hoorden wij van Stone en Parker, dat wij niet ver meer waren van den plek, welke Sam had uitgekozen.
Den volgenden morgen bereikten wij na korten tijd, een beek, welke een tamelijk groot vijverachtig bekken vormde, dat waarschijnlijk steeds met water was gevuld, terwijl het bed van de beek zelf meest droog lag. Tengevolge van den regen van gisteren was het water echter aanmerkelijk gezwollen. Een smalle, open grasstrook, rechts en links met boomen en struiken omzoomd, leidde naar dezen vijver. Een klein schiereiland, eveneens met boomen en struiken begroeid, strekte zich daarin uit; aanvankelijk was het smal, maar verder verbreedde het zich, zoodat het bijna geheel rond werd. Aan den anderen kant van den vijver lag een hoogte met dicht bosch bedekt.
—Dit is de plek, welke Sam heeft uitgekozen,—zeide Stone terwijl hij met een kennersblik om zich heen zag,—hij had geen betere kunnen vinden.
Deze opmerking noodzaakte mij, eens goed naar alle kanten rond te zien.
—Waar zijn nu de Kiowa’s Mr. Stone?—vroeg ik.
—Verborgen, goed verborgen!—antwoordde hij,—met de grootste moeite zoudt gij ze niet kunnen vinden, hoewel ik zeker weet, dat zij ons kunnen zien en gadeslaan.
—Waar zijn zij dan?
—Een oogenblik geduld, sir, eerst moet ik u vertellen, waarom de listige Sam, deze plaats gekozen heeft. De savanna, langs welke wij gekomen zijn, is bedekt met enkele alleenstaande kreupelboschjes. Dit maakt het den verkenners der Apachen gemakkelijk ons [129]onopgemerkt te volgen. Zie nu verder deze open grastong, welke hierheen leidt. Een legervuur, dat wij hier branden, verspreidt zijn schijnsel over de geheele savanna; dat zal de Apachen lokken en zij kunnen ons dus gemakkelijk naderen, wanneer zij dekking zoeken achter de boomen en struiken, welke aan weerszijden van deze tong staan. Ik zeg u, heeren, wij konden geen betere plaats vinden, om door de roodhuiden overvallen te worden.
Zijn lang, mager, verweerd gezicht glom letterlijk van tevredenheid, maar de hoofdingenieur schudde het hoofd en zeide:
—Hoe komt ge er toch bij, Mr. Stone? verheugt gij u, dat wij overvallen zullen worden, ik zeg u, ik zal maken, dat ik voor dien tijd weg kom!
—Dan valt gij zeker in handen der Apachen, Mr. Bancroft. Natuurlijk verheug ik mij, want als de Apachen ons gemakkelijk kunnen overvallen, valt het ons later nog veel gemakkelijker hen te overvallen. Zie eens over dat water heen. Aan den anderen kant, daarginds op de hoogte zijn de Kiowa’s verborgen. Hun verkenners zitten in de toppen der boomen en hebben ons zien aankomen. Evenzoo zullen wij de Apachen zien aankomen.
—Maar,—viel de hoofdingenieur hem in de rede,—wat geeft het ons, dat de Kiowa’s daarginds in het bosch zijn, wanneer wij worden overvallen.
—Daar hebben wij ze maar vooreerst geborgen, omdat zij niet hier kunnen zijn, wanneer de verkenners der Apachen komen. Zijn deze evenwel weer vertrokken, dan brengen wij ze naar het schiereiland, waar zij niet gezien kunnen worden.
—Kunnen de verkenners daar niet komen?
—Dat gedoogen wij niet.
—Dan zoudt gij ze dus moeten verjagen, en toch moeten wij doen, alsof wij ze niet zien, hoe rijmt ge dat, Mr. Stone?
—Dat zal ik u zeggen. Wij moeten doen, alsof wij ze niet zien en kunnen hen dus ook niet verbieden, het schiereiland te betreden; maar dat is, waar het met den oever is verbonden, slechts dertig voet breed en langs deze geheele breedte, plaatsen wij paarden.
—Paarden als barricade? hoe is dat mogelijk.
—Wij binden de paarden aan de boomen vast, dan kunt ge zeker zijn, dat geen Indiaan nader komt, daar de paarden hen door hun snuiven zouden verraden. Wij laten de verkenners dus kalmpjes komen, op het schiereiland zullen zij geen voet zetten. Als zij weg zijn, om hun krijgers te halen, komen de Kiowa’s van gindsche hoogte en verbergen zich op het schiereiland. Dan komen de Apachen allen naderbij en wachten tot wij gaan slapen. [130]
—Als zij nu echter eens niet zoolang wachten?—viel ik hem in de rede,—dan kunnen wij ons toch niet terugtrekken?
—Dat zou nog zooveel kwaad niet kunnen,—antwoordde hij,—want de Kiowa’s zouden ons dadelijk te hulp komen.
—Maar dat zou niet zonder bloedvergieten gaan en dat willen wij liefst vermijden.
—Ja, maar hier in ’t Westen moet men niet op een druppeltje bloed zien. Heb maar geen vrees! De Apachen zullen als ’t mogelijk is, hun eigen leven sparen, daarom zullen zij wel wachten, tot wij gaan slapen. Wij laten dan het vuur uitgaan en trekken ongemerkt naar het eiland.
—En wat doen wij nu, kunnen wij gaan werken?
—Ja, alleen moet gij zorgen, dat gij op tijd hier zijt!
—Laat ons dan geen tijd verliezen. Komt heeren, we kunnen nog heel wat uitvoeren!
Zij volgden mij, hoewel zij er weinig lust toe hadden. Ik was overtuigd, dat allen gaarne waren weggeloopen, maar dan kwam het werk niet af en volgens contract werd dan geen geld uitbetaald. En namen zij de vlucht, dan liepen zij nog kans door de Apachen te worden achterhaald. Neen, zij zagen in, dat zij hier nog ’t veiligst waren en daarom bleven zij.
Wat mij betreft, ik moet eerlijk bekennen, dat ik mij volstrekt niet op mijn gemak gevoelde. Ik bevond mij in een toestand welke zich moeielijk laat beschrijven. Was het vrees, of angst voor wat er waarschijnlijk zou gebeuren? Neen, daartoe had ik veel meer reden gehad, toen ik den buffel of den beer neervelde. Vandaag ging het om menschenlevens en dat was het, wat mij zoo onrustig maakte. Aan mijn eigen leven dacht ik niet, dat zou ik wel verdedigen, maar Intschu Tschuna en Winnetou! Ik had in de laatste dagen zooveel aan Winnetou gedacht, dat ik steeds meer belang in hem stelde, zonder dat ik hem nog nader gezien had. En, zonderling! Ik heb later van Winnetou gehoord, dat ook hij in die dagen dikwijls met zijn gedachten bij mij was geweest. Mijn innerlijke onrust verdween niet onder den arbeid, maar toch wist ik, dat ik in het beslissende oogenblik kalm zou zijn, daarom hoopte ik maar, dat dit niet te lang op zich zou laten wachten. Mijn wensch werd vervuld, want het was kort na den middag, dat wij Sam Hawkins op ons toe zagen komen. De kleine man was blijkbaar vermoeid, maar de listige oogjes fonkelden boven den donkeren baard.
—Is het gelukt?—vroeg ik,—me dunkt ik zie het aan uw gezicht, goeie, oude Sam!
—Zoo?—lachte hij,—wel, wel, wat een verbeelding!
—Verbeelding? neen, uw oogen verraden u! [131]
—Zoo, goed dat ik dat weet voor een volgenden keer. Maar, gij hebt gelijk. Het is gelukt, veel beter dan ik had durven hopen.
—Hebt gij de verkenners gezien?
—Verkenners gezien? veel meer nog, niet alleen de verkenners, maar den geheelen troep, en niet alleen gezien, maar gehoord, beluisterd heb ik ze.
—Beluisterd? vertel ons gauw wat gij gehoord hebt.
—Nu niet en niet hier. Neemt uw instrumenten en gaat naar de legerplaats. Ik kom achter u aan, maar eerst moet ik naar de Kiowa’s om hun te zeggen, wat ik weet en hoe zij zich hebben te gedragen.
Hij liep opwaarts om den vijver op de beek toe, sprong er over en verdween toen tusschen de boomen van het bosch. Wij pakten onze instrumenten bijeen en gingen naar de legerplaats om daar Sam’s terugkomst af te wachten. Wij hadden hem niet zien komen en evenmin gehoord, maar plotseling stond hij weder voor ons en zeide op overmoedigen toon:
—Daar hebt ge mij, heeren! Hebt gij ooren noch oogen? U kan een ieder overrompelen, zelfs een olifant, wiens stappen men op een kwartier afstands hoort!
—Maar gij stapt in elk geval niet als een olifant—antwoordde ik.
—Dat is zoo, ik wilde u maar eens toonen, hoe men dicht bij de menschen kan komen, zonder dat zij ’t bemerken. Gij hebt kalmpjes gezeten, hebt niet gesproken, u doodstil gehouden en hebt toch niet gehoord, dat ik naderbij kwam. Ziet ge, zoo ging het gisteren ook toen ik de Apachen beloerde.
—Vertel ons nu alles!
—Goed, gij zult het hooren! Maar laat mij dan gaan zitten, want ik ben erg moe, mijn beenen zijn gewend aan rijden en niet aan loopen, ’t is ook voornamer om tot de cavalerie te behooren, dan tot de infanterie, als ik mij niet vergis.
Hij ging naast mij zitten, zag ons allen beurtelings aan en begon toen, veelbeteekenend met het hoofd knikkend:
—Dus vanavond begint de grap!
—Vanavond reeds?—vroeg ik, half verrast en half verheugd,—dat is maar goed!
—Hm, gij schijnt er zin in te hebben, in de handen der Apachen te vallen. Maar gij hebt gelijk, ’t is maar goed en ik verheug er mij ook over, dat wij niet langer behoeven te wachten. ’t Is nooit prettig op iets te moeten wachten, dat nog wel eens anders uit kan loopen, dan men denkt.
—Dan men denkt! Bestaat er reden tot bezorgdheid? [132]
—Wel neen, in ’t geheel niet. Juist het tegendeel! Ik ben nu eerst recht overtuigd, dat alles goed zal afloopen. Een ervaren mensch weet echter, dat uit den braafsten knaap later een schelm kan groeien en zoo gaat het ook met andere dingen, men kan ’t nooit weten, niet waar? en het een of ander toeval kan ons den boel nog bederven.
—Zou dit mogelijk zijn?
—Ik ben vrij gerust, na alles wat ik gehoord heb.
—Wat hebt gij dan gehoord? Vertel dan toch wat!
—Kalm, mijn jongeman, alles op zijn tijd, wat ik gehoord heb kan ik nu nog niet zeggen, want gij moet eerst weten, wat er aan is vooraf gegaan. Ik ging midden onder de regenbui weg; ik behoefde het einde niet af te wachten, want zelfs de dichtste regen dringt niet door mijn jasje, hihihihi!—lachte hij hartelijk.—Ik liep bijna tot aan de plek waar wij legerden, toen de beide Apachen bij ons kwamen; toen evenwel moest ik mij verbergen, want ik zag drie roodhuiden, die daar rondsnuffelden. Dat zijn verkenners der Apachen, zeide ik bij mij zelf, zij zullen niet verder gaan. Zoo was het. Zij zochten den omtrek af, zonder mijn spoor te vinden en gingen toen onder de boomen zitten, omdat het in het gras te nat was. Daar bleven zij wel bijna twee uur lang zitten. Ik zat eveneens onder een boom en wachtte geduldig af, ik moest toch weten, wat dit beteekende. Eindelijk zag ik een troep ruiters naderen, met de oorlogskleuren beschilderd; ik herkende onder hen dadelijk Intschu Tschuna en Winnetou.
—Met hoevelen waren zij?
—Ik heb ongeveer vijftig man geteld. De verkenners waren opgestaan en deelden hun ervaringen aan de opperhoofden mee. Daarop gingen zij wederom vooruit en de anderen volgden langzaam. Gij kunt begrijpen, heeren, dat Sam Hawkins achter hen aansloop. De regen had de gewone sporen uitgewischt, maar uw palen in den grond geslagen, dienden als wegwijzers. De Apachen kwamen echter langzaam vooruit, zij moesten zeer voorzichtig zijn, want bij iederen hoek en bij ieder boschje konden zij immers onverwachts op ons stuiten. Ik heb mij verbaasd over hun overleg en ben meer dan ooit tot de overtuiging gekomen, dat de Apachen ver boven de andere roode stammen staan.
Intschu Tschuna is een flinke kerel en Winnetou eveneens. Elke beweging was berekend, en er werd geen woord gesproken, men wisselde slechts blikken van verstandhouding. Toen de avond aanbrak, stegen allen af en verdwenen met hun paarden in het bosch, om daar den ochtend af te wachten.
—En hebt ge hen daar beluisterd?—vroeg ik. [133]
—Ja. Als verstandige lieden maakten zij geen vuur aan, maar aangezien Sam Hawkins even verstandig is als zij, begreep ik ook dat zij mij daardoor minder gemakkelijk zouden ontdekken. Daarom kroop ik eveneens onder de boomen en schoof op mijn buik vooruit, tot ik zoo dicht in hun nabijheid was, dat ik alles kon hooren wat zij spraken.
—Verstondt gij alles?
—Wat een vraag! Ik kon toch hooren wat er gezegd werd?
—Ja, maar ik bedoel of zij hun eigenaardig Engelsch-Indiaansch gebruikten?
—Zij spraken in het dialect der Mescalero’s, dat ik tamelijk goed ken. De beide opperhoofden zeiden weinig, maar wat zij zeiden was kernachtig. Ik weet wat wij te wachten hebben.
—Vertel ons dat dan,—verzocht ik, toen hij een oogenblik wachtte.
—Welnu, zij hebben het op ons gemunt, zij willen ons levend vangen.
—En niet dooden?
—O ja, dooden willen zij ons ook, maar niet zoo dadelijk. Zij willen ons eerst gevangennemen en ons naar de dorpen der Mescalero’s aan den Rio Pecos brengen, waar wij aan den martelpaal gebonden en levend gebraden zullen worden. ’t Zal mij eens verwonderen wat lekker hapje Sam Hawkins zal opleveren, vooral wanneer men verzuimt mij mijn jachtrok uit te trekken, hihihihi!
Hij lachte op zijn eigenaardige wijze en ging toen voort:
—Zij hebben het vooral op Mr. Rattler begrepen, die daar nu zoo stil in ons midden zit en mij aanziet, alsof hij zoo naar den hemel zal varen. Ja, Mr. Rattler, gij hebt u zelf wat op den hals gehaald, ik zou niet graag in uw schoenen willen staan. Gij wordt gebraden, vergiftigd, doodgeschoten, geradbraakt en opgehangen, alles achter elkaar en van alles een beetje, zoodat ge in ’t leven blijft. En als gij dan dit alles hebt doorstaan, wordt gij met Kleki-Petra, dien gij doodgeschoten hebt, in één kuil gelegd en levend begraven.
—Mijn hemel! zeiden zij dat?—vroeg Rattler, wiens gezicht doodsbleek was geworden.
—Zeker, dat zeiden zij. Gij hebt dit alles verdiend en niemand kan u helpen. ’k Wil maar hopen, dat gij, wanneer gij uw straf hebt ondergaan, nooit weer zoo’n slechte daad zult doen. Maar dat zult ge ook wel laten. Het lijk van Kleki-Petra is door een medicijnman naar huis gebracht. Gij moet weten, dat de roodhuiden hun dooden zoo weten te behandelen, dat zij nog lang goed blijven; ik heb mummiën gezien, die na honderd jaar er zoo frisch uitzagen, [134]alsof zij gisteren nog geleefd hadden. Als wij allen gevangen worden genomen, zal men ons het genoegen gunnen te zien, hoe zij Mr. Rattler in zulk een mummie veranderen.
—Ik wil hier niet blijven!—riep Rattler uit.—Ik ga weg, zij krijgen mij niet.
Hij wilde opspringen, maar Sam hield hem terug en waarschuwde:
—Doe dat niet, als uw leven u lief is. Ik verzeker u, dat de Apachen reeds den ganschen omtrek hebben bezet, gij zoudt onmiddellijk in hun handen vallen.
—Denkt ge dat werkelijk, Sam?—vroeg ik.
—Ja, het is geen valsche bedreiging, maar ik heb werkelijk reden om dit te veronderstellen. Ook in een ander opzicht heb ik mij niet vergist. De Apachen zijn werkelijk ook reeds tegen de Kiowa’s opgetrokken, en wel met een groot leger, waarbij de beide opperhoofden zich willen aansluiten, zoodra zij hier met ons hebben afgerekend. Alleen daardoor was het mogelijk, dat zij zoo spoedig weer tot ons terug konden keeren. Zij behoefden om krijgslieden te halen, niet geheel naar hun dorpen te rijden, maar zij ontmoetten de tegen de Kiowa’s opgetrokken scharen onderweg, gaven het lijk van Kleki-Petra aan den medicijnman en zochten vijftig ruiters uit om ons te overvallen.
—Waar zijn de troepen, die tegen de Kiowa’s optrekken?
—Dat weet ik niet, er is geen woord over gesproken, en dat kan ons ook tamelijk onverschillig zijn.
Ditmaal had de kleine Sam toch ongelijk. Het was ons lang niet onverschillig, waar deze talrijke schare zich bevond; dat werden wij eenige dagen later gewaar. Sam ging voort:
—Toen ik genoeg had gehoord, had ik wel dadelijk naar u terug kunnen gaan, maar het is moeielijk ’s nachts het spoor te verbergen. Ik bleef dus tot aan den morgen in het bosch en ging eerst heen, nadat ook zij opgebroken waren. Ik volgde hen tot op ongeveer zes mijlen van hier, toen maakte ik een omweg om ongemerkt hier bij u te komen. Dat is alles, wat ik u zeggen kan.
—Zij hebben u dus niet gezien?
—Neen.
—En ook uw spoor niet ontdekt?
—Neen.
—Maar gij zeidet toch, dat gij u wildet laten zien en.…
—Ja, ja, dat weet ik wel, ik zou het ook hebben gedaan, maar ’t was niet meer noodig, want.… halt, hebt gij dat gehoord?
Duidelijk hoorde men driemaal het krijschen van een adelaar.
—Dat zijn de spionnen der Kiowa’s,—zeide Sam,—zij zitten daarboven [135]in de boomen. Ik heb met hen afgesproken, dit teeken te geven, wanneer ze Apachen zagen aankomen. Volg mij, sir, wij zullen zien of gij goede oogen hebt!
Dit laatste was tot mij gericht. Hij stond op om heen te gaan en ik nam mijn geweer, en wilde hem volgen.
—Halt,—zeide hij,—laat dat geweer hier. De prairiejager moet zich wel is waar nooit van zijn geweer scheiden, maar elke regel heeft een uitzondering. Wij moeten doen alsof wij aan geen gevaar denken, en kalmpjes wat hout willen gaan zoeken. Daaruit zullen de Apachen opmaken, dat wij hier ons nachtverblijf willen opslaan.
Wij slenterden, schijnbaar geheel zonder eenig kwaad te vermoeden, tusschen de boomen en struiken door, naar de grasvlakte, welke op de savanna uitliep. Daar verzamelden wij de dorre takjes, welke op den grond lagen, terwijl wij onder de hand heimelijk om ons heen zagen, of wij ook den een of anderen Apache konden ontdekken. Waren zij in de nabijheid, dan moesten zij verborgen zijn tusschen de struiken en boomgroepen, welke min of meer van ons verwijderd, over de savanna verspreid stonden.
—Ziet ge er een? vroeg ik aan Sam.
—Neen,—antwoordde hij.
—Ik ook niet.
Wij spanden nogmaals onze oogen in, maar konden niets ontdekken. En toch hoorde ik later van Winnetou zelf, dat hij hoogstens vijftig pas van ons af, in een kreupelboschje had gelegen en ons had gadegeslagen. Het is niet genoeg, dat men goede oogen heeft, maar zij moeten ook geoefend zijn en dat waren de mijne destijds nog niet. Thans echter zou ik Winnetou dadelijk kunnen ontdekken, al zou mijn eenige aanwijzing zijn de muggen, die, door zijn persoon aangetrokken, dichter boven het boschje zwermden, dan ergens anders.