Als wij van dien tijd der oudste holenbeschaving nog een eind verder teruggaan, dan hebben wij, zooals wij reeds meermalen hebben opgemerkt, van de zoogdieren van den toen beginnenden voortijd meest alleen beenderen en skeletten over. Er is nu niet gemakkelijk een betere weg te vinden, om ons te brengen tot de oorspronkelijke natuurlijke eigenaardigheid van het paard in het algemeene beeld van het zoogdier, dan de vergelijking van het skelet van een paard met dat van een mensch. Skeletten maken op den leek een weerzinwekkenden indruk, door het ongelukkige denkbeeld den dood als geraamte voor te stellen. Goethe, die alle grove en ruwe vermaningen aan den dood gaarne uit den weg ging, heeft onophoudelijk het skelet geprezen als een ware openbaring, als één der schoonste werken der natuur, zooals deze de geestelijke eigenschappen vast in zich bewaart. Inderdaad is er nauwelijks een tweede plaats op aarde, waar de zuiver wiskundige logica der ontwikkeling zóó wonderduidelijk en prachtig helder voor oogen treedt als bij een skelet. Het moest de taak zijn bij het onderwijs in de natuurlijke historie, de kinderen reeds in de allereerste jeugd zóó op te voeden, dat zij evenzeer den onwaardigen angst voor een geraamte verliezen als de dwaze vrees voor spinnen en padden.
Als men een leek zet voor een skelet van een mensch of een paard, dan kan men hem dadelijk met een grappige vraag overbluffen. Gij hebt allen wel gehoord van den duivel in het volkssprookje: aan zijn menschelijk lichaam draagt [12]hij een paardevoet. Teeken nu eens een dergelijk mensch met een paardevoet. Gij teekent hem netjes zooals ook alle groote schilders vóór u hebben gedaan: aan de menschelijke knie hecht gij namelijk eenvoudig een onderbeen van een paard vast met den hoef als voet. Kom nu voor het skelet en wijs mij bij mensch en paard de beenderen, die daarin zouden moeten steken.
Hier hebt gij bij het geraamte van den mensch het bovenbeen, het eenvoudige, lange dijbeen, dat van het bekken afdaalt. Daaraan sluit zich het benedenbeen aan, dat eigenlijk bestaat uit twee beweeglijke beenderen, het scheenbeen en het kuitbeen, maar dat in beginsel toch overeenkomt met één enkel hoofdbeen, dat van de knie naar den voet loopt. En hier eindelijk is de voet zelf. Dus drie hoofdgedeelten met twee buigplaatsen, twee gewrichtsplaatsen. Haak nu het skelet van den voet en dat van het onderbeen los, en hang daarvoor in de plaats het stuk onderbeen van het paardenskelet met het skelet van den hoef,—dan hebt gij het skelet van uw Mephistobeen. Haak echter die stukken weer aan het paard vast, en tel na, van onderen naar boven. Daar hebt gij den hoefvoet, het zooeven gebruikte onderbeen, daarboven het bovenbeen en dan—zou het bekken moeten komen. In plaats daarvan hebt gij nog één been te veel. Een boven-bovenbeen. Het paard heeft, naar het schijnt, een heel been meer in de reeks dan de mensch! De grap kan echter zeer wel verklaard worden. Feitelijk heeft ook het paard slechts drie groote beenderstukken in zijn been. Het zoogenaamde boven-bovenbeen komt overeen met het werkelijke menschelijke bovenbeen. Het zoogenaamde bovenbeen is in werkelijkheid reeds het onderbeen. Het stuk echter, dat nu volgt, en dat wij beschouwden als het onderbeen [13]van Mephisto, is reeds „paardevoet”, dat wil zeggen: het is reeds een echte voet, en komt overeen met onzen voet van den enkel tot aan het begin der teenen. Het eenige verschil is, dat het zoo reusachtig lang is uitgerekt, en ons zoo als één geheel tegemoet komt, waardoor het dwaalbegrip zou kunnen ontstaan, dat het nog in het geheel niet een voet, maar een onderbeen is. En die vergissing was nog des te gemakkelijker te verklaren, daar er bij het paard, dat nog met zijn vleesch bedekt is, voor het uiterlijk nog een zeer merkwaardig verstoppertjesspel bijkomt. Het ware bovenbeen van het paard stak zoo te zeggen in den romp. Waar van buiten het been eerst begint, daar loopt het al over het kniegewricht heen. Dan komt reeds het feitelijke onderbeen als een bovenbeen te voorschijn en het buigt weer af tegen het reusachtige voetstuk (voetbeen zou men wel kunnen zeggen), zoodat men zou meenen, dat eerst hier de knie zit. Om dus uw menschenbeen een echten paardepoot te geven, zou werkelijk het volgende noodig zijn. Gij zoudt van het menschelijke skelet niet het onderbeen moeten loshaken, maar alleen den voet. Dan zoudt gij echter het menschelijke bovenbeen zóó naar boven moeten schuiven, dat het, als het met vleesch bedekt was, gewoon weg in het lichaam naar boven verdween en zijdelings zich plaatste naast het bekken. Daardoor zou natuurlijk nu het onderbeen ook zóó ver naar boven gaan, dat zijn bovenste hoek, de knie, onmiddellijk in de heupen kwam te liggen, terwijl zijn gewricht bij den voet nu daar hing, waar vroeger de knie was. Om nu echter van die valsche knie de leege tusschenruimte tot op den bodem te overbruggen, moest gij hier dan echter het ontzaglijk steile voetbeen van den paardepoot er tusschen voegen, dat geheel van onderen bij den hoef als [14]de schoen van den laatsten teentop nog weer eens eenigszins omgebogen is. Nu eerst zou het skelet een echten „paardepoot” hebben,—en tevens is op die manier ook de tegenstelling van mensch en paard in dit geheele steunorgaan volkomen duidelijk.
Ons paard behoort niet alleen tot die dieren, die (op de vroeger geschetste wijze) hun teentop met een harden schoen, een „hoef” hebben omkleed. Maar het behoort ook tot die dieren, die zoowel teen als voet zóó steil hebben opgetrokken, dat het lichaam alleen nog maar op den teentop en den hoef balanceert. Maar ten slotte is het paard ook de vertegenwoordiger van dat uiterste type, waarbij aan ieder been nog slechts één enkele zoodanige hoef zit, zoodat feitelijk slechts vier teenen het geheele viervoetige lichaam hebben te belemmeren, in plaats dat, zooals bij ons menschen, als wij op vier voeten op de teenen zouden willen loopen, in de toppen van onze vingers en teenen twintig dergelijke steunpunten zouden aanwezig zijn. Slechts één enkele teen aan iederen voet: dan ligt het echter voor de hand, dat met dien éénen teen slechts één enkele wortel als voornaamste steun in het middendeel van den voet overeenkomt. Bij iederen druk van de hand kan men in onze menschenhand het volgende waarnemen (en bij onzen voet is het volkomen hetzelfde): achter onze vijf vingers komt in het gezamenlijke middendeel onzer hand met ieder dier vingers onder de huid en het vleesch der spieren telkens één enkel wortelbeen overeen. Men kan die vijf wortels zelf onder de huid van den rug der hand één voor één tellen en ze gemakkelijk voelen. Eerst vlak bij het polsgewricht hangen die wortels zelf weer als in een enkel wortelbed in een mozaïek van kleinere beentjes, den eigenlijken gemeenschappelijken [15]handwortel. Vijf vrije vingers of teenen bij ons: en in overeenstemming daarmede vijf verschillende wortels. Één teen slechts bij het paard: daarom zal daar slechts één wortel aanwezig zijn. En met uitzondering van een onbeduidend feit, dat voorloopig nog geheel bijzaak is, en waarop ik eerst later nog terug kom, is dit ook zoo. Dat ééne uitsluitende wortelbeen van den teen bij den eenigen nog bestaanden teen van het paard vormt juist dat gewaande onderbeen of „voetbeen”, dat ons zooveel hoofdbrekens heeft gekost. Hij vormt dit, door uit te groeien tot een betrekkelijk kolossalen beenen staak, die nu als zoodanig in zijn afmetingen volstrekt geen overeenkomst heeft met onze vingerwortels of wortels der teenen. Terwijl de teen, die tot den hoef loopt, zelf zeer matige afmetingen blijft behouden, schuift door die ontzaglijke tusschenstang van den voet het eigenlijke been daarnaast. Dit moet zoo zijn, daar anders het lichaam van het paard op stelten van een onmogelijke lengte zou komen te staan. Van daar het naar boven drukken van het geheele bovenbeen tot in den romp, waarvan het gevolg is, dat het blijvende vrije been feitelijk alleen uit onderbeen en voet bestaat, en het op de gewone plaats van de knie niet meer de werkelijke knie, maar reeds het voetgewricht heeft, terwijl daar, waar men het voetgewricht zou verwachten, reeds het engere gewricht van den teen binnen in den voet, de buigplaats tusschen teenwortel (middenvoet) en teen gelegen is.
Als men nu die geheele tegenstelling van paard en mensch overziet, dan moet één zaak ondubbelzinnig duidelijk worden. In dien bouw van het paard heerscht in tegenstelling met den mensch een dubbele strekking. In de eerste plaats de strekking, om aan het geheele lichaamsdeel, tot aan de [16]uiterste spits den bouw te geven van een in één enkele lijn uitgestrekt been, een stelt. Van daar ook de merkwaardige beperking van den geheelen voet tot één enkelen middenwortel in plaats van splitsing van den hoofdstam in vijf takken, zooals bij onzen menschenvoet of onze menschenhand. En van daar dan ook het bijna volkomen optillen van dien voet van dien stam in den rechten steltstand van het been. In de tweede plaats echter een even duidelijke strekking, om dien op een been gelijkenden voet nu ook naar boven toe, zoover als maar eenigszins mogelijk is, tot een werkelijk vrij been te maken, dat vrije been, zooveel mogelijk te vervangen door den voet.
Beide strekkingen worden echter in haar samenhang zoowel als in haar beteekenis onmiddellijk duidelijk, als men nagaat, waarvoor het paard zijn uiterste ledematen gebruikt. De dichter van het „Boek Job” spreekt reeds van de stoutheid, waarmede het opspringt, en vergelijkt dat met het wegvliegen van den sprinkhaan. Het paard in zijn zoowel meest natuurlijken als ook meest edelen gang is geen karrepaard of vigelantepaard. Het is een renpaard, dat vrij voortholt over de uitgestrekte, vlakke baan. Het is hier geen schepsel, dat den bodem drukt, dat zich in de eerste plaats op een breed steunvlak tracht op te houden. Het slaat den grond in zijn loop. Het beheerscht dien grond in die mate, dat het schijnt daarover heen te zweven, zoodat slechts de scherpste blik de enkele oogenblikken kan waarnemen, waarop die Antaeus de aarde nog juist even aanraakt om zijn kracht te vernieuwen. Die gave van de suizende vlucht over de vlakte geeft aan het paard zijn karakteristieke eigenschappen, waar het ons nog in zijn meest oorspronkelijke vrijheid in de vrije natuur te gemoet komt als wild of weer verwilderd galoppeerend [17]dier der eindelooze grassteppe; maar tevens is daardoor ook zijn hoogste waarde bepaald als zuiver sportdier binnen de grenzen onzer cultuur.
Het meer eigenaardige geheim van dit schitterende bezit is echter, dat het in dit geval juist verbonden is aan een zeer groot, en in zijn meest edelen aard kolossaal dier. Een zoogdier van die grootte moet noodzakelijker wijze een kracht bezitten, die daarmede in overeenstemming is. De keerzijde echter van alle reuzengestalten is hunne zwaarte. Een reus zijn kracht te laten en hem toch even licht beweeglijk te maken als een dwerg, dat zou eerst eene gelukkige oplossing zijn. Bij het paard is die oplossing bijna bereikt. Zij is bereikt, in zooverre wel niet de zwaarte op zich zelf is opgeheven, maar deze is geneutraliseerd door een schitterend bewegingsapparaat. Hoe zwaar trouwens het paard is in zijn beste ras (dat juist zoo streng zijn grootte handhaaft), wordt oogenblikkelijk duidelijk, als men het paard ziet, als het op den grond is gevallen, uitsluitend overwonnen door de zwaartekracht, onmachtig om zijn ontzettenden last weer op de dunne stelten van zijn bewegingsmechanisme op te richten, ja zelfs ernstig in gevaar, dat een verkeerd aangewende poging om op te staan het fijne mechanisme door de geringste scheeve belasting breekt als glas, juist omdat het zoo ontzettend fijn is. En toch is bij het paard, als het rechtop loopt, die zwaarte niet alleen zóó overwonnen, dat een voortreffelijk, onder bepaalde omstandigheden bijna ongeloofelijk harddraven mogelijk wordt, maar dat de lichaamskracht van den reus nog een belangrijke overmaat beschikbaar heeft. Die kracht gaat niet verloren door de beweging alleen: zij weet zich te sparen, zoodat het paard nog meer kan volbrengen. Hier openbaren zich juist zoo duidelijk die twee voortreffelijke hoedanigheden, [18]die aan het paard in de symbiose met den mensch zijn zoo bijzonderen roep hebben verschaft. Aan den éénen kant zijn volharding, die het niet alleen maakt tot een dier, dat gedurende een kort oogenblik flink draven kan, maar tot een dier, dat bij een niet te onregelmatig tempo een onschatbare draver over groote afstanden is. Aan den anderen kant zijn overmaat van kracht, waardoor het zelfs bij een snelle en langdurige beweging niet alleen zijn eigen reuzengewicht spelend overmeestert, maar door dat eigen gewicht volstrekt niet wordt uitgeput, en zelfs een aanzienlijke van buiten aangebrachte belasting nog rustig kan verdragen.
Het bewegingsmechanisme is feitelijk zóó practisch ingericht, dat het nog voldoende is voor een aanzienlijk grootere massa, het werkt met een groot overschot en een groote speelruimte. Dit geeft aan het vrije wilde paard een groote souvereiniteit van macht, het heeft steeds kracht in overvloed bij de hand, zijn bewegingen krijgen iets overmoedigs, vermetels, iets trotseerend-zekers, dat zich op een wijze, zooals dit bij geen ander schepsel gevonden wordt, combineert met het nog steeds daarachter doorschemerende type van het zware, in den grond der zaak logge dier. Het tamme paard maakt echter met dit middel in de symbiose der cultuur het rijden onder den man en het trekken mogelijk. Binnen die speelruimte van de overmaat van kracht van den natuurreus, die niet ten volle is in beslag genomen, kan hij het volle gewicht van den ruiter op den koop toenemen bijna zonder dat dit eenigen invloed heeft op zijn vermogen, zich gemakkelijk te bewegen. Het kan een wagen voorttrekken, terwijl het slechts weinig, en als het niet te erg is, zeker niet te veel van zijn snelheid en volhardingsvermogen opoffert. [19]
Dit wonderlijke bewegingsmechanisme, dat een reus zóódanig ontlast, dat hij zijn kracht kan gebruiken als een dwerg, die nauwelijks eenigen overlast ondervindt van zijn zwaarte, is nu in het geheele skelet van het paard tot zelfs in ieder beentje weergegeven, als goed ingebeitelde letters, die nooit verloren gaan. Natuurlijk niet alleen in het skelet. Ook alle andere deelen en stelsels van het lichaam staan duidelijk merkbaar in dien dienst, in de eerste plaats ook de hersenen van het paard.
Over hetgeen die hersenen kunnen praesteeren vindt men meeningen, die elkander in velerlei opzichten tegenspreken, en dat zelfs bij de beste kenners. Nu eens wordt dit overschat, dan weer niet op de juiste waarde gesteld. Naar mijne meening moet men het verstand van het paard voornamelijk in die richting zoeken, waarin het bewegingsmechanisme van het paard ter sprake komt.
Het paard is dom, blind, schrikachtig, het is „schuw” en dwaas in zijn handelingen, naar gelang men bij hem stoot op een bepaalden oorspronkelijken aanleg en zijn instincten afmeet met den maatstaf van ons menschenverstand. Men moet daar geen rozen van een doornbosch willen oogsten. Het paard is nooit een loerend roofdier geweest, dat een aanval met overleg voorbereidt, en evenmin ooit een voorzichtig klein dier, dat zich verstopt. Zijn verdediging, de verdediging van den sociaal levenden graseter in de steppe, was van den eersten oorsprong af een wild wegrennen, een razende vlucht. Daartoe diende juist zijn ontzaglijk ontwikkelde beweeglijkheid met zijn volhardingsvermogen. Het instinct van die vlucht, die reeds begon bij het zien van een slechts half begrepen beeld, na het signaal van den aanvoerder der kudde of iets dergelijks, is nog heden gelegen [20]in het „schrikken” van het paard, dat alleen dikwijls verkeerd verklaard wordt, zooals zooveel instincten van dieren, en dat dikwijls tot zijn verderf leidt, daar het eigenaardige onzer cultuur medebrengt, dat wegen worden afgesloten en worden versperd en gebarricadeerd in tegenstelling met de open steppe, waarop het instinct van het onnadenkend er op los razen oorspronkelijk was ingericht. Als een kazerne verbrandt, (waarvan ik mij nu juist een geval herinner) en de paarden, na zich te hebben losgerukt, in een zinnelooze vaart op een open schipbrug naar buiten razen en over de leuning heen onmiddellijk in den stroom rennen, dan is dat geen domheid van de dieren, maar het is hetzelfde oude instinct der steppen, waarbij zij bij een prairiebrand eenvoudig onwillekeurig over de vlakte rennen, omdat zij daar zeker zijn van een terrein, dat zich zonder letsel en gevaar uitstrekt tot aan den horizon.
Een erfenis van dat veelbewogen steppenleven is ook de zoo ongelijke ontwikkeling der zintuigen, die door den ongeoefenden en oppervlakkigen waarnemer eveneens gemakkelijk wordt beschouwd als een criterium van de werkelijke verstandelijke eigenschappen. Het paard is geen dier met een scherp ontwikkeld gezicht, dat zijn handelingen nauwkeurig afweegt naar bepaalde voorwerpen, die het met de oogen waarneemt. In de eentonige grasvlakte is er trouwens niet veel te zien. Indien er hier plotseling het ééne of andere nieuwe voorwerp van de verte uit binnen zijn gezichtskring binnenkomt, dan is het meestal raadzaam, dat hij dit in plaats van het te naderen ter betere aanschouwing, liever uit den weg gaat, wat trouwens ook voor het paard verreweg het gemakkelijkst is. Van daar dus de snelle instinctieve angst ook van het tamme paard, nog niet zoozeer voor het werkelijk [21]vijandelijke, maar ook reeds voor het eenvoudig vreemdsoortige, merkwaardige, wat in zijn gewone bestaan afwisseling brengt, iets wat op den oppervlakkigen beschouwer weer den indruk maakt van buitengewone kortzichtigheid en onnoozelheid; men denkt: kan dan het paard niet zien, dat een wilgenbosch geen beer is! Daarenboven zijn de paarden oorspronkelijk ook sociale dieren, waarvan een aantal in een kudde medeloopen, op den aanvoerder vertrouwen en wat het uitkijken betreft zich in de bescherming der kudde veilig wanen als een tam paard tusschen de oogkleppen. Daarentegen kan een paard met den neus over de vrije vlakte uitstekend speuren, niet te vergeefs heeft het paard dien reusachtigen „neusschedel”, die hem zijn karakteristiek gelaat geeft; niet te vergeefs heeft hij zijn neusgaten, die zoo wonderbaarlijk veel uitdrukking hebben, al heeft de cultuur juist op het neuszintuig bij het paard niet meer zooveel gewicht gelegd. Maar in de eerste plaats is het, een in een kudde levend dier, van het allereerste begin af reeds een natuurlijk signaaldier, gewoon op het geringste signaal van het aanvoerende dier even nauwgezet te reageeren als een soldaat. Die eigenschap is omgekeerd één der belangrijkste eigenschappen geworden bij ons cultuurpaard,—zonder deze zouden wij nooit met het paard iets ernstigs hebben kunnen beginnen; zij komt zelfs reeds duidelijk uit bij het armoedigste vigelantepaard, dat onmiddellijk gehoorzaamt aan de zwakste aanraking van den teugel, en het is zeker, dat het paard in dit opzicht bewezen heeft, geschikt te zijn tot verdere opvoeding en ontwikkeling. De geschiktheid, om op een zeer fijn teeken op de ééne of andere wijze te reageeren—zooals het scheen zelfs een teeken, door een mensch onbewust en ongewild gegeven—is het laatste gebleven, wat het in der [22]tijd beroemde paard: „de Slimme Hans” werkelijk van andere paarden onderscheidde; in ieder geval was het een paard, dat buitengewoon gevoelig reageerde, en dat bij willekeurige rekenkunstige vragen zóó lang met den hoef stampte, totdat het uit het ééne of andere teeken van den vrager in de buurt van het getal, dat het juiste antwoord aanwees, het bevel afleidde van op te houden. Dergelijke bewegingsteekens leiden echter werkelijk reeds tot het gebied, waar men het „verstand” van het paard in het algemeen niet hoog genoeg kan waardeeren,—en wel overal, waar het juist ook om de hulp der hersenen bij het bewegingsmechanisme te doen is.
Een paard, dat niet verschrikt is, en dat individueel acht geeft op den weg, is steeds een prachtig gezicht. Alle voortreffelijke individueele eigenschappen komen hier tot haar recht. Het individueele leeren viert hier zijn triomfen. Men moet in het Reuzengebergte het gedrag der paarden waarnemen, die met den zwaren vrachtwagen met volle biervaten de zwaarste wegen opklimmen naar de hoogliggende hutten in het gebergte, men moet zich eens laten verhalen, hoe op IJsland de rijpaarden met hun last op het gevoel af de natuurlijke steenen trappen der verkoelde stroomen lava afdalen. Hier ligt de echte zijde van het verstand van het paard, die sedert duizenden en duizenden jaren eenzijdig is gekweekt en waardoor het paard in de hand van den mensch ook ongetwijfeld werkelijk nog een heel eind verder is gekomen. Men moet in de eerste plaats hieraan denken, hoe de mensch hier het paard (ik neem het woord in zijn meest uitgebreide beteekenis, waaronder dus ook bij voorbeeld het muildier moet gerekend worden) tot een echt dier van het gebergte voor zich heeft weten te vervormen. Het is steeds wel is waar gaarne een dier der steppen van het hoogland geweest (zooals [23]in Centraal-Azië, waar ontzaglijke steppen, feitelijk van de hoogte van den Mont-Blanc, zich van horizon tot horizon uitstrekken), dus wat het klimaat betreft hier van oudsher goed aangepast. Maar hoe het muildier tegenwoordig verstandig en zeker over de hooge Alpenpassen trekt, dat is toch (niettegenstaande de bouw van hoeven en pooten onveranderd is gebleven) ongetwijfeld een belangrijke vooruitgang in zijn verstand. En in die richting liggen ook alle resultaten der dressuur van paarden in een circus, een eigenaardige reeks van bravourstukjes van zijn verstand, waar dit op beweging berust. Die eigenaardige richting van het verstand is, wat zijn hersenen betreft, de kracht van het paard, doch tevens zijn eenzijdigheid. Wat het paard leert, moet het als het ware met de pooten leeren. Daarom was het dan ook reeds van te voren zoo onwaarschijnlijk, dat de „Slimme Hans” ingewikkelde abstracte rekenkunstjes zou hebben geleerd, terwijl het opletten op nog zoo fijne bewegingsteekens (op zich zelf trouwens merkwaardig genoeg) toch in ieder geval bleef in de lijn van het van ouds bestaande.
Het hoogtepunt vertoont echter de constructie van het been zelf. Hier worden voor ons werkelijk al die geschetste eigenaardigheden onmiddellijk duidelijk, en blijken deze even zoovele machinale kunstgrepen te zijn uit dien geheelen samenhang. Het been is ontlast tot op de grens der uiterste mogelijkheid—zooals een boom, waarvan men alle takken heeft afgeslagen. Dat begint reeds bij de beenderen van het eigenlijke been, waarvan de onderbeenen, de evenwijdige dubbele beenderen, die wij menschen aan het onderbeen en den onderarm dragen (elleboogspijp en spaakbeen, scheenbeen en kuitbeen) tot een enkele stang beginnen samen te groeien, terwijl het toppunt bereikt wordt in dien beenachtigen steltvorm [24]der voeten. Te gelijker tijd worden echter die rechte stelten, waarop het lichaam is geplaatst, tot op het uiterste bewegelijk gemaakt en in haar onderdeelen verschuifbaar. En juist daarvoor dient de kunstgreep met het naar boven schuiven van den voet hoog in de constructie van het been. Terwijl een beenachtig verlengd steil voetstuk zoowel wat plaats als wat wezen betreft in de plaats treedt van het onderbeen—het voetstuk tusschen het voornaamste teengewricht en het enkelgewricht—wordt dit teengewricht feitelijk enkelgewricht en het enkelgewricht kniegewricht. Vooral de streek van dat nieuwe enkelgewricht wordt daarbij de plaats van de meest volkomen beweeglijkheid. Zoo wordt voor dat geheele lichaamsdeel als het ware een gewricht gewonnen, en wel het oude kniegewricht. Terwijl het been op die plek reeds lang genoeg van afmetingen is, kan het daarboven liggende oorspronkelijke bovenbeen als het ware nog aan den romp verwerkt worden, het kan nog een zoowel stevig als beweeglijk been tot aanzetstuk van de spier tusschen het vrije lichaamsdeel en het stijve bekken en het stijve borstbeen schuiven als een door het lichaam stevig vastgepakten en bestuurden steel van het steile beenwerktuig daaronder.
Men zou wel is waar kunnen zeggen: in beginsel zou dit ook kunnen bereikt zijn zonder optrekken en verlengen van den voet, eenvoudig door een nieuw gewricht in te voegen bij voorbeeld midden in het been van het onderbeen en door het rekken der zoo gewonnen deelen van dat onderbeen. Maar het is nu eenmaal een karakteristieke trek bij de vorming van ieder skelet, dergelijke radikale vernieuwingen te vermijden, en tot aan het uiterste toe te komen binnen de grenzen van de algemeene grondschets van wat voorhanden is. Dit beginsel is reeds ongeveer zeventig jaar [25]vóór het optreden van Darwin door Goethe uitgesproken in zijn voortreffelijke anatomische studies. Hij noemde dit de grondwet van het type. Een bepaald type van skelet was voor een dierengroep, bij voorbeeld die der zoogdieren, als grondvorm gegeven. Bij voorbeeld aan de onderste ledematen de verdeeling: bovenbeen, onderbeen, voetwortel, middenvoet, teenen, en dat alles aan elkander vastgeschakeld met beweeglijke gewrichten. Dat type trachtte zich steeds weer in ieder bijzonder geval te handhaven. Maar daar binnen had men dan de noodige speelruimte. De lengte der beenderen kan bij de verschillende diersoorten verschillend zijn. Het aantal teenen kan naar beneden toe afwisselen. En zoo voort. Goethe zelf verklaarde reeds die verschillen binnen de gegeven speelruimte volkomen juist als een aanpassing aan de telkens bestaande bijzondere wijze van leven der afzonderlijke diersoorten. Voor de ééne diersoort waren lange beenderen voor de pooten beter geschikt, voor de andere korte. Die aanpassing zette zich dus voort door de ééne of andere macht der natuur. Doch het type kan daardoor niet worden omgezet. Wij zouden tegenwoordig die wet Darwinistisch iets minder abstract opvatten, haar daarentegen echter scherper willen definieeren in de wijze van zijn tot stand komen. In het steeds weer doordringen van het „type” zien wij de erfelijkheid, die telkens op nieuw een oorspronkelijken gemeenschappelijken stamvorm van elke groote dierengroep ook nog in de verste nakomelingschap tracht voort te zetten, zoo ver het maar mogelijk is. In de aanpassing zoeken wij een werkelijke historische verandering van die nakomelingschap onder den aanhoudend gedurende groote tijdsruimten daarop inwerkenden dwang van zijn milieu, waarvoor Darwin in zijn leer der teeltkeus ook den korteren weg meent gevonden te [26]hebben. Doch nog geen enkele theorie geeft een in ieder opzicht bevredigende verklaring. Er zijn daar nog uiterst raadselachtige zetten op het schaakbord der organisatie. Zoo sleepen bij voorbeeld optredende veranderingen, ook zonder het type op zich zelf in de war te brengen, dikwijls zeer bepaalde, blijkbaar aan vaste wetten gebonden veranderingen aan andere, volkomen daarvan onafhankelijke, lichaamsdeelen na zich, die niet in het minste verband staan met het nut dier wijziging. Darwin noemde dat de „wet der correlatie”, zonder die zelf verder te kunnen verklaren. Het maakt den indruk, als ware er nog een derde macht en een derde instantie behalve type en aanpassing. Overal zijn wij nog steeds omgeven door geheimen. Maar onafhankelijk van iedere theorie: in die wet der typen op zich zelf ligt een waarheid, dat is zeker. Als in den paardepoot een nieuw gewricht gebracht was, zonder dat dit aansloot aan het officieele type van het skelet, dan zou dit een schaakzet tegen het type hebben beteekend, en wij zien, dat dit steeds wordt vermeden. Daarom moet de voet zich weten te helpen met zijn gewone gewrichten, en moet hij hoog in het been passen.
Misschien dat nu menig lezer het paard uit dit oogpunt nog eens op nieuw beschouwt—en wel in verband met zijn merkwaardige eigenschap als sterk geprononceerd „voetdier”; men zou ook kunnen zeggen „handdier”, als men het uiteinde der voorste ledematen als hand beschouwt; in dat geval krijgt de zaak een nog veel dieper zin. Wij hebben in een ander werk1 reeds een zoogdier besproken, dat met de handen door de lucht vloog: de vleermuis. Hier zien wij het dier (en het paard is slechts een enkel voorbeeld [27]in dien zin voor een geheele reeks andere dieren, die dergelijke wegen hebben ingeslagen), dat in de ware beteekenis van het woord met de hand loopt, een schrale, dezen keer tot één enkelen vinger teruggebrachte hand, die tot den elleboog reikt, en een even schralen voet, die tot aan de knie reikt.
De gedachte, ontleend aan de ontwikkelingsgeschiedenis, zooals die ons half bij toeval weer in den zin kwam, bezit echter in dat prachtige bewegingsapparaat van ons paard uit den tegenwoordigen tijd nu nog een soort van classieke plaats, waaruit zij zich in weerwil van allen twijfel en alle aanvallen tot nu toe met geen middelen heeft laten verjagen. De paardepoot heeft, zooals ik zeide, slechts één teen, en omdat hij slechts één enkelen teen heeft, heeft hij ook slechts één enkelen teenwortel—zooals de anatoom het uitdrukt, slechts één enkel middelvoetsbeen, al is het dan ook zóó lang en zóó dik, dat het bevorderd is tot den rang van een werkelijk onderbeen. Die wijze van uitdrukking vereischt nu, zooals wij bij wijze van voorzorg reeds eenmaal hebben vermeld, een kleine verbetering—een wel is waar kleine, maar toch hoogst belangrijke.
Volkomen zonder beteekenis sluiten zich aan genoemde beenderen nog twee kleine beensplintertjes aan, die aan weerszijden van boven komen en die achterwaarts in een fijne punt eindigen, van geen belang in het gebruik, als gold het slechts werkelijk twee afgesplinterde woekeringen, die door het ééne of andere toeval vereeuwigd zijn. Naar hun vorm noemt men ze griffels of griffelbeenderen. Bij al hun onbeduidendheid is de plaats, waar zij gevonden worden, niet van zóó weinig beteekenis, dat zij ons niet noopt tot een bepaalde verklaring.
Ik vergeleek dien paardepoot met een stam, waar men alle takken heeft afgehouwen, namelijk alle andere teenen en [28]teenwortels. Op een goed gladgemaakten boomstam zoude men echter de snoeiplaatsen nog als overblijfselen van stompjes herkennen. De griffelbeenderen van den paardepoot zitten nu juist daar, waar een zoodanig afgekapt overblijfsel van een „teentak” in stand zou hebben moeten blijven, als aan weerszijden naast den overgebleven „stamteen” een dergelijke tak zou zijn afgeknot. Zij bestaan uit één enkel lang stuk stift en vergezellen alleen den teenwortel, nu die behouden is gebleven: het zullen dus wel zelf ook alleen maar zulke overblijfselen van teenwortels zijn, geen teenstompjes zelf. Maar dat is reeds voldoende, om de zaak belangrijk te maken. Indien men nauwkeurig onderzoekt, hoe dat griffelbeen aan die onderlaag van den voetwortel zelf verbonden is, en iedere bijzonderheid overdenkt, dan wordt de zaak letterlijk absoluut zeker. Men heeft te doen met een geval van zoogenaamde „rudimentaire organen”, organen van een levend dier, die bij dat dier geen direct doel meer hebben voor het gebruik, maar die door de natuur nog steeds, hoewel in verkwijnden miniatuurvorm, in de groote inventaris van het lichaam worden medegevoerd, hetzij, omdat het de ontwikkeling nog niet is gelukt, ze geheel af te stroopen, hetzij (wat mij waarschijnlijker voorkomt), omdat zij (overdrachtelijk gesproken) als een soort van reserve worden medegesleept, om als het noodig mocht zijn desnoods weer snel te kunnen worden hersteld. Ons eigen menschelijk lichaam is vol van zoodanige overblijfselen, ik herinner slechts aan het beruchte wormvormige verlengstuk van onzen blinden darm, den zetel der ontsteking van den blinden darm, een gedeelte van de buik, die bij sommige zoogdieren een belangrijke afdeeling vormde van het darmkanaal, terwijl het bij ons niets anders is dan een verloren plekje, dat hoogstens somtijds de eigenschap [29]heeft verwarring te stichten; de meeste rudimentaire organen hebben niet eens die eigenschap, zij blijven volharden in hun onverschillige rust.
Zoo dikwijls ergens een zoodanig verkwijnd orgaan wordt gevonden, heeft het, zooals reeds vroeger is medegedeeld, maar hier nog eens herhaald moge worden, voor ons begrip een gewichtige beteekenis. Het wijst namelijk op veranderingen in het verledene, op het opduiken van nieuwe organen van een andere soort en het op zijde treden van die organen, welke vroeger niet konden worden gemist, in één woord het wijst op ontwikkelingen, die hebben plaats gegrepen, op voorouders van het bedoelde schepsel, die een anderen bouw hadden. Zoo besluit men terecht uit de rudimentaire organen van ons menschelijk lichaam tot dierlijke voorouders van den mensch, daar die organen, die bij hem tegenwoordig buiten dienst zijn gesteld in afwachting dat zij misschien later weer in hun rol worden hersteld, en die alleen in rudimentairen toestand aanwezig zijn, bij bepaalde dieren nog in volle grootte en kracht worden aangetroffen.
Heeft ons paard dus in zijn beide griffelbeenderen aan iederen voet nog twee rudimentaire teenwortelbeenderen, dan zou dit bij hem moeten beteekenen, dat het oorspronkelijk moet zijn afgestamd van dieren, die, in plaats van één enkelen, drie zulke teenwortels bezaten. En daar bij drie teenwortels gemakkelijk drie teenen te denken zijn, moeten wij naar een stamvorm van het paard zoeken, die een voet bezat met drie teenen. En ook die laatste zaak wordt hierdoor zeker, dat af en toe wel eens onder het groote aantal onzer paarden abnormale gevallen voorkomen, waarbij aan zulke paardepooten niet alleen de griffelbeenderen ontwikkeld zijn, maar waarbij aan de ééne of andere griffel feitelijk ook [30]nog werkelijk een overblijfsel van den teen hangt. Dit komt dan ook overeen met het somtijds waargenomen geval, dat een mensch een spitsoor of een uitwendig zichtbaren staart bezit, en dus enkele organen abnormaal nog eens in voltooiden toestand vertoont, die anders alleen nog maar in rudimentaire, verborgen aanwijzing bij het tegenwoordige menschengeslacht voortbestaan. Ja zelfs, er zijn gevallen bekend geworden, waar een dergelijke paardepoot zelfs een zóó volledig ontwikkelden bijteen droeg, dat ook nog de hoef daaraan zat, en dat ons dus een paard met twee echte hoeven (de abnormale was trouwens iets kleiner) aan denzelfden poot voor oogen werd geplaatst. Dergelijke merkwaardige paarden zijn reeds in vroegere tijden waargenomen. Men zegt, dat het beroemde rijpaard van Alexander den Grooten die eigenschap heeft bezeten. Ook Goethe kende dit feit en verklaarde het als een van tijd tot tijd naar voren treden van het type, dat oorspronkelijk aan alle zoogdieren meerdere teenen toekende, en dat ook daar, waar het zich tot één enkelen teen had laten terugbrengen, zijn ideëel voortbestaan gaarne nog eens in den vorm eener schijnbare abnormaliteit wilde aantoonen. Hebben wij hier ook werkelijk te doen met een ontwikkeling van één der beide normale griffelbeenderen en niet met een misgeboorte van den zich verdubbelenden hoofdteen (waartegen behalve andere redenen ook nog de ongelijkheid in grootte kan worden aangevoerd; tweelingen zijn gewoonlijk even groot), dan kan die geschiedenis werkelijk niet gemakkelijk duidelijker worden aangetoond. Daar in een dergelijk geval behalve dien ontwikkelden teen aan den bijhoef bovendien ook nog een griffelbeen bestond, wordt men hier verwezen naar een stamvorm met oorspronkelijk vier teenen. [31]
Tusschen haakjes zij hierbij vermeld, dat meermalen vermoed is, dat ons paard zelfs in normalen toestand nog een laatste klein rudimentje vereeuwigd heeft van een voormaligen zijhoef in de bekende haarlooze en hoornachtige plekken in de nabijheid der vier voetwortels, die men de zwilwratten van den paardepoot noemt; de hoef van een verloren voortzetting van het griffelbeen zou dan hier, naar een eenigszins vreemde plek verdwaald, nog als een eeltplek oppervlakkig op de huid zijn gekleefd. Tegen deze meening is eigenlijk alles te zeggen, maar vooral ook dit, dat bij de zebra’s zoowel als bij de ezels, dus ook ongetwijfeld paarden en verwanten van paarden uit onze dagen, die zwilwratten aan de achterpooten eenvoudig ontbreken; als het hier een zoo belangrijk overoud rudiment der voorvaderen gold, dan zou het ongeloofelijk zijn, dat de taaiheid, waarmede het rudiment voortduurde, bij zóó verwante makkers zou schommelen tot aan een verdwijnen op bepaalde plekken. En inderdaad is men ook slechts op dat denkbeeld gekomen, omdat men tot op heden niet weet, wat die zwilwratten eigenlijk als actieve organen beteekenen. Misschien zijn het rudimenten van oude klieren. Wij hebben ze in ieder geval verder bij onze beschouwing niet noodig.
Voor onze beschouwing is alleen nog van belang, dat de ligging van den behouden gebleven paardeteen van onze dagen tusschen de beide evenwijdige griffelbeenderen aan weerszijden, zonder eenigen twijfel bewijst, dat die teen geen buitenste teen (dus in de beteekenis van onzen voet geen groote of kleine teen, in de beteekenis van onze hand geen duim of pink is), maar moet behoord hebben tot het middenstuk van den voormaligen waaier met de verschillende stralen als teenen. En de geheele anatomische toestand [32]wijst er nog in meer beperkten zin op, dat die teen in de beteekenis van onze hand zelfs juist de middenstraal, de middenvinger is.