Hiermede zouden wij nu ongeveer gekomen zijn op het einde van datgene, wat de levende paardepoot van tegenwoordig ons kan leeren. Maar nu komen er juist op die plek een aantal werkelijk historische documenten bij, waarover, sedert zij bekend zijn geworden, bij de zoölogische theoretici van alle partijen twist en vreugde over de overwinning met elkander hebben afgewisseld—waarvan echter in ieder geval zóóveel vaststaat, dat zij bijzonder merkwaardig zijn.
Cuvier, met wien de wetenschappelijke kennis der uitgestorven dieren uit vroegere perioden van de geschiedenis der aarde haar eerste triomfen vierde,—Cuvier, die als theoreticus niet geloofde aan ontwikkeling, maar aan telkens zich herhalende moeilijk te begrijpen nieuwe scheppingen in den loop van de geschiedenis der aarde, wist nog niet, waar hij in het stelsel der levende dieren aan het levende paard zijn vaststaande plaats moest aanwijzen. Het moest voor hem natuurlijk buiten twijfel zijn, dat het een „hoefdier” was. Het was immers juist het grondtype van een hoefdier. Maar het ontging Cuvier niet, dat het begrip „hoefdier” bij de zoogdieren niet maar zoo onder een hoed kon worden gevangen. Een groote groep van die hoefdieren, de runderen, geiten, schapen, herten, kameelen, giraffen, hadden, behalve hun hoeven, nog de karakteristieke gewoonte van het herkauwen. Van daar dat hij die dieren, die inderdaad allen merkwaardig met elkander overeen kwamen, als orde der herkauwende dieren samenvatte. Nu bleven voor hem echter [33]als rest der hoefdieren over: de olifanten, (juist door hem tot verbazing van alle vakgenooten hieronder gerangschikt) klipdassen, die de grootte hadden van konijnen, de zwijnen, de nijlpaarden, de neushoorns, de tapirs en eindelijk de paarden zelf. Het was zeker wel het ongelukkigste oogenblik bij de geheele systematiek der zoogdieren van Cuvier, toen hij voor die bonte reeks den titel „Pachydermen”, dikhuidigen uitvond. Dat woord spookt nog steeds in de hoofden, en in de natuurlijke geschiedenis van het volk is het een zóó gewone uitdrukking geworden, als geen tweede kunstmatige uitdrukking van het nieuwere stelsel. Ieder meende, dat hij daarbij iets kon denken, en toch kan men zich feitelijk bij een juiste systematiek wetenschappelijk niets daarbij voorstellen. Onder die groote onheilsrubriek maakt Cuvier ook nog een paar onderrubrieken, die niet veel gelukkiger waren. De olifanten en de klipdassen nam hij bij elkander, wat nog de beste zet was, de zwijnen echter bracht hij samen met tapir en neushoorn tot een werkelijken anatomischen Minotaurus, en de paarden liet hij weer als eenhoevige dieren geheel op zich zelf staan. Om het maar dadelijk te vermelden: bij de volgende poging tot systematiek is ten minste getracht, de paarden uit dien warwinkel weer uit te visschen, maar voorloopig wist men nog niet goed, waar ze heen te brengen. Als een mozaïek van zwijn, tapir, neushoorn, nijlpaard, klipdas en olifant heeft een afgesloten orde van hoefdieren nog voortgeleefd in de eerste drukken van Brehms „Leven der Dieren”, door welk werk de ongelukkige zaak nog wel het meest onder het volk is verspreid. Tegenwoordig is zij wetenschappelijk voor goed dood, en er kan niet genoeg op gewezen worden, dat het wenschelijk is, dat het woord „dikhuidigen” ook weer uit het spraakgebruik wordt uitgeroeid. [34]
Dezelfde Cuvier (aan wiens onvergankelijke grootheid dergelijke dwalingen in de bijzonderheden volstrekt geen afbreuk doen) ontdekte aan het paard ten minste één geheel nieuwe zaak. Hij stelde uit versteende beenderen vast, dat er reeds in een tamelijk ver verleden van de geschiedenis der aarde dieren bestonden, die op paarden geleken. Reeds in de oudere tertiaire periode hadden dergelijke paarddieren, zooals men het Latijnsche woord „Equida” zou kunnen vertalen, in kudden rondgesprongen op den bodem van het tegenwoordige Frankrijk. Het moest reeds toen, onmiddellijk na zijn ontdekking, den indruk maken, dat over de paardenbeenderen uit de voorwereld een bijzonder gunstig gesternte had geschenen. Hetzij het een gevolg was van de groote hoeveelheid individuen bij die dieren, hetzij van hun samenblijven binnen een eng begrensd gebied, dat op dezelfde plek bij gelegenheid eener catastrofe geheele catacomben bijeen lagen, hetzij dat paardebeenderen een groot weerstandsvermogen bezaten—zeker is het, dat de oude aarde, die ons in haar eigenzinnigheid zooveel heeft onthouden, in dat geval bijzonder verkwistend was en bleef. Reeds in de eerste tientallen jaren na Cuvier werd het waarschijnlijk, dat wij meer zouden vernemen over het voorwereldlijke paard dan misschien over eenig ander zoogdier der oude tijden. Toen de ontzaglijke vindplaats van beenderen van tertiaire zoogdieren bij de pachthoeve Pikermi dicht bij Marathon—een in dubbele beteekenis classieke plek—ontbloot werd, kwamen daar zóó volledige overblijfselen van geheele exemplaren van tertiaire voorwereldlijke paarden voor den dag, dat in het museum te München het skelet van een zoodanig voorwereldlijk dier even gemakkelijk kan worden opgericht als van een tegenwoordig bestaand paard. De kroon werd daarop [35]echter in lateren en zelfs in den laatsten tijd gezet in Amerika.
Theoretisch zou er niet gemakkelijk een plek op aarde kunnen gevonden worden, waar men minder naar overblijfselen van paarden zou moeten zoeken dan Amerika. Toen Columbus Amerika voor ons had ontdekt, en de Spaansche goudzoekers in een vreeselijk bloedbad de inheemsche Indiaansche beschaving van Mexico en Peru uitroeiden, waren de van Europa medegebrachte paarden een belangrijke factor voor het succes van hun ruw optreden. Geen bewoner van Mexico of Peru had tot nu toe een ruiter te paard gezien, evenmin als een vuurwapen. Het paard was, ten minste in symbiose met den cultuurmensch, in geheel Amerika in die dagen onbekend. Of het in wilden staat nog in enkele troepen daar ergens bestaan heeft in de dagen van Columbus en Cortez, is eerst in den laatsten tijd tot een onderwerp van debat geworden; wij zullen daarover nog spreken. Maar in ieder geval is dit punt eerst ter sprake gekomen, nadat men op het einde der negentiende eeuw het verwonderlijke feit had geconstateerd, dat geen land, van het hoogste noorden tot het laagste zuiden, zóó opgepropt vol lag met fossiele beenderen der meest verschillende soorten van paarden en paardachtige dieren, als Amerika.
In Amerika hebben twee dingen elkander voor de palaeontologie, de leer der voorwereldlijke schepselen, in de laatste tijden in de hand gewerkt. In de eerste plaats de omstandigheid, dat daar geheel aan de oppervlakte, dikwijls werkelijk voor het grijpen, voorwereldlijke dierenbeenderen in bijna ongeloofelijke massa bij elkander rusten. Maar bovendien de wijze van exploiteeren. Daar ginds wachten die schatten der wetenschap niet, totdat een industrieel, die voornemens is een steengroeve of een mijn te exploiteeren met het doel, daaruit [36]winst te behalen, toevallig terloops daarop stoot. De palaeontologie is daar een sport. Millionairs, die reeds lang hun zaken aan kant hebben gedaan, werpen zich op dat vak, zooals zij zich op renpaarden of zeilwedstrijden werpen. Dit heeft een ontzaglijk materiaal geleverd. Al loopt er van tijd tot tijd wat reclame onder, om toch maar het record te slaan in het vinden van den „langsten sauriër”, of om alle voorgangers te overtreffen met een paar meters brontosaurus of diplodokus: toch blijft het waar en is het feitelijk van belang, dat de palaeontologie door die Amerikaansche millioenen een sprong vooruit heeft gedaan verder dan men tot nu toe had vermoed. De groote afgietsels van het kolossale skelet van den diplodokus, die tegenwoordig herhaaldelijk ook in onze Europeesche musea als geschenk van de overzijde worden opgenomen, steken uit als een uitwendig symbool. De beslissende en voornaamste beteekenis ligt echter in den detailarbeid, die er bij komt, nadat geschoolde geleerden het materiaal zorgvuldig hebben onderzocht. Onder dat soliede werk, dat als zoodanig niets meer te doen heeft met het sportvermaak, en dat dus niet deel neemt aan zijn stemmingen en goedmoedige overdrijvingen, staat nu de arbeid omtrent het paardengeheim bovenaan. En zoo is een eenvoudige keten van vaststaande gegevens voor den dag gekomen, die als zoodanig buiten elke theorie staan en door iedere partij bepaald moeten worden toegegeven.
In het diluviale tijdperk (dus ongeveer in de dagen der noordelijke groote glaciaire periode met haar warmere tusschenperioden, haar verbinding met steppenperioden en haar vervanging in zuidelijke streken door groote regenperioden en allerlei andere beroeringen op onze planeet) leefde in Noordamerika en (door landverhuizing) ook in Zuidamerika in [37]groote hoeveelheden ons thans nog bestaand paard. Natuurlijk als wild paard, zooals het tegenwoordig nog in Centraalazië bestaat en eenigszins anders, als zebra, in het heete Afrika. Maar in het skelet reeds typisch de als paard aangeduide soort, dus met slechts één teenwortel en teen aan den voet en twee zwakke rudimentaire griffelbeenderen daarnaast.
Dat dit echte Amerikaansche wilde paard reeds vóór de ontdekking van Amerika weer geheel is te gronde gegaan, terwijl zijn makkers in Azië en Afrika tot heden toe in stand gebleven zijn, moge merkwaardig schijnen, maar het feit staat als zoodanig niet op zich zelf. Ook de mastodonten en mammouths, die in die dagen Noordamerika bevolkten, zijn eveneens absoluut verdwenen. Dezelfde redenen, hoewel die ons tot heden toe niet volkomen duidelijk zijn, zouden even goed de wilde paarden in Amerika kunnen uitgeroeid hebben als de mastodonten en mammouths. Als een aanwijzing, hoe een talrijk verbreid groot wild ook zonder verandering van klimaat of van voedingsplanten en zonder menschenhand somtijds tot op de grens van totale vernietiging kan worden gedecimeerd, kunnen beschrijvingen dienen van het verdwijnen der reusachtige wilde buffels in Duitsch- en Britsch-Oostafrika in de laatste vijf en twintig jaar. In het jaar 1887 schoot (zooals Schillings bericht) Graaf Teleki aan den Nguaso-Niyuki in drie maanden nog vijf en twintig buffels neer. Richard Böhm ontmoette kudden van honderden van die buffels, zoodat men herinnerd werd aan de bisons van Noordamerika. Die bisons zijn door de vuurwapenen verdelgd. De Amerikaansche buffel werd daarentegen in 1890 overvallen door de runderpest, die door het tamme vee werd overgebracht. Een Engelsch ambtenaar vond op één dag ongeveer honderd besmette, stervende dieren. Tegenwoordig [38]ligt de steppe vol met gebleekte schedels. De buffels zijn bijna geheel uitgeroeid. Wie kan dus na zooveel tijd nog raden, wat voor toevallige processen en vermeerderingen in het rijk der protozoën, die leidden tot het ontzettend toenemen van den een of anderen doodelijken ziekteverwekker, in de dagen vóór Columbus ook over Noordamerika kunnen zijn heengetrokken? In dergelijke gevallen heeft er een natuurlijke schifting plaats, die niemand in de verste verte kan berekenen. De ééne diersoort blijkt minder vatbaar te zijn voor een epidemische ziekte, als deze verwoestend over het land heentrekt, de andere diersoort is daarentegen vatbaarder. Het zou kunnen zijn, dat de Amerikaansche wilde paarden het slachtoffer zijn geworden van een Tsetse-vlieg, die de smetstof in hen inentte, zooals sommige muggen ons de malaria inenten, terwijl de bison en de gaffelantilope derzelfde prairie toen bleven voortbestaan, om veel later echter weer even onverbiddellijk in de vizierlijn van het schietgeweer van den cultuurmensch te vallen, waartegen ook het immuun zijn tegen epidemische ziekten niets meer helpt. Zooals gezegd is, is zelfs de juistheid van het feit zelf tegenwoordig in twijfel getrokken. Het paard zou wel is waar in Mexico en Peru onbekend geweest zijn, maar niet absoluut over het geheele werelddeel uitgeroeid, en het zou eerst werkelijk verdwenen zijn, toen het zich vreedzaam vermengde met de snel verwilderde, door onze cultuur ingevoerde paarden, waarbij het versche bloed der laatsten in enkele geslachten de kleine eigenaardigheden der wilde paarden spoorloos zou hebben doen verdwijnen. Een interessant nog open vraagstuk, dat echter nog niet met vaststaande feiten kan worden opgelost.
Laat ons thans den wijzer van het geologische uurwerk iets [39]achteruit zetten. Tot voorbij de schommelende grens van de diluviale periode tot aan de geologisch zoo bekende tertiaire periode. Wij herhalen nog eens, dat die tertiaire periode een tijdsruimte van minstens verscheidene millioenen jaren omvat. Zij vormt het stuk aardgeschiedenis, dat den overgang vormt tusschen de periode der groote sauriërs en den diluvialen en nieuwen tijd. In die periode wordt de hooge vlucht der hoogere zoogdieren voltooid aan gene zijde van die groep van Cernays,1 waarvan zij uitgingen. In overeenstemming met de groote spanne tijds, die ook nog die periode omvat, wisselen daarin nog herhaaldelijk de grenzen van land en water af, geweldige gebergten, zooals de Alpen, het Himalayagebergte, de Cordillera’s rijzen eerst binnen den duur dier periode op door plooiingen in de aardkorst, een wisseling van het klimaat heeft in haar tweede helft plaats, een wisseling, die Europa en Noordamerika slechts zeer geleidelijk uit een bijna tropisch klimaat voert; die periode is het schouwtooneel ook van verwoestende locale catastrofes, zooals kolossale uitstroomingen van bazalt, die als gloeiende lava uitgestrekte streken op aarde bedekken. Naar oud gebruik, dat echter slechts in ruwe trekken natuurlijke hoofdstukken in de geschiedenis der aarde kan begrenzen, verdeelt men die periode in drie of, nog later, in vier afdeelingen in onze geologische tabellen: van beneden naar boven de eocene, oligocene, miocene en pliocene periode. Aan gene zijde der diluviale periode komen wij dus het eerst op het laatste gedeelte der tertiaire periode, dat het dichtst bij onzen tijd gelegen is: de pliocene periode. Uit die pliocene periode zijn ons in Noord- en Zuidamerika niet te miskennen duidelijke [40]afzettingen overgeleverd, waarin na dien tijd niets meer van beteekenis is veranderd of later bijgevoegd is, en waarvan de ingesloten beenderen dus afkomstig moeten zijn van een niet meer diluviale, maar iets oudere, een pliocene dierenwereld. De verschillende afzettingen verschillen weder onderling iets in leeftijd, terwijl enkele uit het oudere, andere uit het jongere gedeelte der pliocene periode afkomstig zijn. Ook dit kan nog zeer goed worden gedetermineerd.
In beide lagen liggen nu weer ondubbelzinnig beenderen van paardachtige dieren zoowel weer in Noord- als in Zuidamerika. Zij leveren het volgende beeld.
In de bovenste, nieuwe laag, de pliocene periode, die het dichtst ligt bij het diluvium, wemelde het over het geheele werelddeel aan de overzijde reeds van talrijke echte wilde paarden der diluviale soort. Doch daartusschen vertoonden zich groote hoeveelheden eener diersoort, die ieder volgens haar geheelen bouw reeds van verre zou hebben gehouden voor een dergelijk wild paard, alleen wat korter van pooten, wat kleiner en plomper. Men moet zich in het algemeen die echte diluviale wilde paarden niet denken als trotsche Arabische renpaarden, maar men houdt zich voor den gedachtengang het best aan de bekende omtrekken der kleinere zebra’s of nog juister der Aziatische Przewalski-wilde paarden, zooals zij in den laatsten tijd in onze dierentuinen gevonden worden. Tusschen deze forsche, lage en grootkoppige dieren, die de grootte hadden van stevige ponie’s, waren dus nog iets steviger en meer ineen gedrongen wezens gemengd als van een ras, waarbij die kenmerken sterker op den voorgrond traden. Maar één blik op het eigenaardige kenmerk van het paardenlichaam zou voldoende geweest zijn, om onze verbazing op te wekken. De kortheid der pooten ontstond bij die eigenaardige [41]wezens hoofdzakelijk door iets meerdere kortheid van dat beenachtige bot in hun vier middenvoeten. Daarentegen waren echter de griffelbeenderen, dus dat stuk, dat tegenwoordig zoo weinig beteekent, in verhouding een heel stuk langer dan bij de echte wilde paarden. En nu het vreemdste: aan den buitenkant der voorpooten zat zelfs nog naast het griffelbeen aan dien kant een heel klein stompje van een derde griffelbeen. Die kleine stompjes hadden hier nog een spoor van een rudiment van den aangrenzenden vinger aan dien kant. Als de groote algemeene paardenvinger de middenvinger was en dus het binnenste griffelbeen het overblijfsel van den wortel van den wijsvinger, en het buitenste griffelbeen in overeenstemming daarmede dat van den ringvinger, dan hadden die zonderlinge dieren hier ten minste aan den voorpoot, menschelijk gesproken aan hun hand, ook nog een wortelstompje van den pink. En wel bezaten zij die abnormale beentjes niet als individueele, slechts een enkelen keer voorkomende misvormingen, zooals bij ons de zoo even besproken paarden, die wel eens individueel een afwijking vertoonen, maar stuk voor stuk vertoonden zij alle diezelfde verandering.
Dat zou nu niet meer beschouwd worden als een klein rassen- of soortkenmerk, immers zóózeer wijkt tegenwoordig geen tam of wild paard, geen zebra, zelfs geen egel van het normale type af. Die pliocene Amerikanen met een paardenvorm, maar toch niet meer met volkomen nauwkeurige paardepooten moesten gerekend worden tot een nieuwe soort van paardachtige dieren. Toch bleven het, zooals de vakuitdrukking luidt, echte equiden, of vertaald „paardachtigen”.
Evenals de echte diluviale wilde paarden reeds overal voorkomen in het allerlaatste gedeelte der tertiaire periode, [42]zoo is het overigens wel mogelijk, dat ook die equiden met hun merkwaardige overblijfselen van een pink, op enkele plaatsen in Amerika zelf ook nog geleefd hebben tot in de diluviale periode. In dat vroeger beschreven wonderbare Patagonische hol, dat ons nog met haren voorziene stukken huid van reuzenluiaards heeft geleverd, is ook een paardepoot voor den dag gekomen, die nog hierbij schijnt te behooren. Ook hij draagt nog een ring van verbleekt geel rood vel. Ouder als diluviaal kan hij werkelijk niet goed zijn. De verdedigers der meening echter, dat het geheim van dit hol eigenlijk hierin bestaat, dat de overblijfselen, die daarin gevonden zijn, afkomstig waren van dieren, die tegenwoordig nog in het binnenland een onbekend en tot nu toe niet onderzocht leven leidden, zouden zelfs van oordeel moeten zijn, dat ook allerlaatste achteraankomers van die pliocene dikpooten nog tot in onze dagen rondzwierven in het donkerste Patagonië; waarschijnlijk is dit echter helaas al te boud gesproken, hoewel het natuurlijk nog interessanter was dan alleen het voortleven van echte Amerikaansche wilde paarden tot in den historischen tijd of in mengsels van rassen, tot zelfs in onze dagen.
Doch hoe dit ook moge zijn: het zuiver historische onderzoek der oude echt-tertiaire beender-voorraadschuren leert ons, als wij nog verder terugzoeken, iets nieuws kennen.
In de oudere afzettingen der pliocene periode zijn er in Amerika geen beenderen meer van echte wilde paarden. Die wilde paarden bestonden toen nog niet. „Nog niet” in de historische rij van beneden naar boven. Wel daarentegen waren er die merkwaardige wezens met dat veel beteekenende verlengstukje van den pink en die lange griffelbeenderen, ja zelfs zij beheerschten tegen dien tijd volkomen [43]alleen den toestand over het geheele onmetelijke werelddeel.
Nu komt de miocene periode. In het laatste gedeelte dier periode leven reeds diezelfde „pinkdieren”. Maar daartusschen is thans nog in de overgangsperiode van plioceen een nogmaals nieuwe soort van equiden gemengd. Dieren, die naar hun vorm volmaakte paarden zijn, al zijn zij ook in het oog vallend klein, meestal niet grooter dan onze kleinere ezels. Dieren echter, die weer een anderen paardepoot vertoonen. Wel hebben zij eveneens het overblijfsel van den pink, zoodat zij in dit opzicht dus in zekeren zin de „pinkdieren” omvatten. Maar de beide zijdelingsche griffelbeenderen zijn van voren en van achteren niet meer alleen bijna even lang als de middenstam, maar aan ieder van die zijtakjes hangt nog iets vast. Wel niet iets, dat evenals het hoefstuk van den voetstam nog tot op den bodem reikt. Maar een verlengstuk, dat aan weerszijden slechts als een kleine kwast of een vrucht daaraan heen en weer bungelt. Het steeltje van die vrucht is echter, nauwkeurig bezien, niets anders dan een echte miniatuurteen of een miniatuurvinger, een teen met drie leden juist zooals de grootste middenste paardeteen. En de vrucht zelf is aan weerszijden een echte kleine hoef, die op het onderste lid van den teen zit als een hoedje. Als ons dier liep, dan liep het feitelijk ook zoo nog altijd op den grooten hoef van den middenteen of den middenvinger als een echt paard, want, zooals gezegd is, die was de eenige, die op den bodem kwam; maar te gelijker tijd hingen ongebruikt rechts en links als echte kwasten die voor de sierlijkheid waren aangebracht, de beide luxevingertjes met hun hoefjes naar beneden, de wijsvinger en de ringvinger, die er wel waren, maar die niets te doen hadden. [44]
Zonder dat eenige twijfel mogelijk is, was hier in blijvenden toestand bij een geheel, in ontelbare hoeveelheden over de uitgestrekte steppen der nieuwe wereld rennend equidenvolk, datgene aanwezig, wat die enkele misgeboorten bij onze levende paarden vertoonden. Al die „kwasthoevigen” geleken (en zelfs aan beide zijden) op het paard van Alexander den Grooten en op het paard, zooals Goethe het zich als het oorspronkelijke type voorstelde.
Hoe dieper wij afdalen in de miocene lagen en wij haar equiden-kerkhoven bloot leggen (de beenderen dier equiden zijn als het ware de fossielen, die de richting en het karakter van die geheele geologische laag bepalen, die overal naar voren dringt), des te duidelijker wordt de eigenlijke heerschappij van die kwasthoevige dieren voor die geheele lange periode der aardgeschiedenis. De pinkdieren treden geleidelijk ook volkomen terug, hun tijd schijnt, zoodra men een stuk naar beneden gaat in de miocene periode, nog in het geheel niet te zijn aangebroken. De kwasthoevigen daarentegen beheerschen in allerlei bijzondere vormen ten slotte het geheele terrein—gedurende een tijdsruimte, die men zeker niet te kort taxeert op een millioen jaar.
Nu nog eens de gordijn naar beneden gehaald, en een stuk wereldgeschiedenis terug. De miocene periode wordt voorafgegaan door de oligocene, een soort van overgang of tusschenbedrijf tusschen de beide innerlijk meest van elkander verschillende afdeelingen der groote tertiaire periode. De profeet echter verzamelt weer zijn beenderen in het museum en laat een dierenwereld verrijzen.
Verdwenen is de geheele heerlijkheid der kwasthoevigen. Over het land wemelt het vóór en na van equiden. Maar zij zijn nog maar zoo groot als schapen. Hoezeer zij in hun [45]geheele houding nog steeds „paard” zijn, het is toch nauwelijks meer mogelijk van een paardepoot bij hen te spreken. De kwastteenen met hun in de lucht zwevende hoeven hebben zich namelijk te gelijk vergroot en uitgerekt. Met de uiterste hoeken raken zij dus reeds onmiddellijk den grond. Men heeft één der meest zeldzame vormen van voet voor oogen, die denkbaar is: een voet, die als het ware voor tweeërlei gebruik afwisselt. Op een volkomen hard, vlak terrein kan een dergelijk paardje alleen met den middenhoef nog maar den grond stampen en galoppeeren als een paard uit onze dagen, dat aan iederen poot slechts één hoef heeft. Op een week terrein, op den drassen bodem van het woud of op een moerasgrond daarentegen zal de poot zóó diep inzinken, dat hij reeds op alle drie hoefvlakken, die in grootte volstrekt niet meer zooveel van elkander verschillen, stevig aandrukt en dus daarmede in uitgespreiden toestand het lichaam draagt. Een dergelijke dubbele functie vindt men in enkele zeldzame gevallen ook bij andere zoogdieren. Onze zwijnen bij voorbeeld hebben iets van dien aard. Hun voet is trouwens reeds in beginsel anders gebouwd, maar in het gebruik bezit hij ook die mogelijkheid: op den vasten bodem drukt hij slechts met een stam, die uit twee hoefteenen bestaat, in het moeras daarentegen kan hij er nog twee hulpteenen bij achteraan trekken. Naar gelang van de omstandigheden mag men in verband met het gebruik ook onzen oligocenen equide nog een éénhoevig of reeds een driehoevig dier noemen. Uit een zuiver anatomisch oogpunt zal echter de naam „driehoevig” dier als de eenig juiste moeten worden gekenschetst.
Een moeilijk te begrijpen zaak: een driehoevig paard. Men zou kunnen vragen, wat aan dat dier dan nog eigenlijk [46]paard is. Maar aan het overige gedeelte van het skelet is er geen enkele reden te ontdekken, waarom het dier op een andere plaats in het stelsel zou thuis behooren, dan onder de „equiden”, de echte paardachtige dieren. Om de merkwaardigheid echter volledig te maken, nemen wij ook bij die driehoevige paardjes ter grootte van een schaap een verschil waar tusschen voorpoot (hand) en achterpoot. De handpoot heeft ook hier, behalve zijn drie van hoeven voorziene volledige vingers, nog dat worteloverblijfsel van den pink, dat wij nu reeds bij de beide het eerst besproken equiden vonden. Maar dezen keer begint ook deze zich werkelijk met ernst in te voegen in het totale beeld. Hij is langer geworden,—hij begint een echt griffelbeen te vormen. Drie hoefvingers (de wijsvinger, de middenvinger en de pink) zijn voltooid, en een vierde vinger, de kleine, ten minste als griffelbeen in aanleg,—hoe lang zal dat zoo voortgaan, eer wij hoe langer hoe kleinere paardjes hebben met hoe langer hoe meer op menschenhanden gelijkende handen! Maar tevens zijn de vingerwortels voortdurend korter geworden, terwijl zij onderling ongeveer even lang werden, het steile optrekken van hand en voet en arm en been, dat zoo karakteristiek was voor ons paard, schijnt zich eveneens heel zacht te vervluchtigen.
Wij komen nu in de eocene lagen, de eerste en oudste afdeeling der tertiaire periode. Het morgenrood van den nieuwen tijd, zoo heb ik vroeger al eens het woord vertaald. Maar zeker is het, dat dit morgenrood heel ver van ons verwijderd straalde. Maar nog steeds werpen die lagen paardenbeenderen naar ons toe. Bijna reeds paardebotjes.
De problematische driehoevige paarden zijn uit geheel Amerika verdwenen. In hun plaats: equiden nog slechts ter [47]grootte van een vos. De eerste blik doet zien, dat die vospaardjes nu consequent zoowel van achteren als van voren steeds op drie hoefteenen moeten loopen, waarvan de zijdelingsche alleen nog maar in de dikte van de middelste verschillen. Maar tevens is aan den voorpoot dat griffelbeen van den pink even duidelijk in het stadium van den kwasthoef gekomen. Het heeft den hoef en alle drie leden van den vinger ontwikkeld, maar hangt, daar het nog niet voldoende gerekt is, nu nog evenzeer terug tegenover de drie voornaamste hoefvingers, als bij de kwasthoevige dieren de beide zijdelingsche voornaamste vingers dat deden tegenover den middenstam.
De eocene periode op zich zelf is echter weer geweldig lang. Ontelbare geslachten van dergelijke vospaardjes volgen elkander daarin op. In het begin (van boven af gerekend) zijn zij uitsluitend driehoevigen met kwastjes. Dan, verder in die periode, zijn er vospaardjes onder gemengd met nog eenigszins andere pooten. Van achteren, aan den eigenlijken voet, komt plotseling een in wording zijnd griffelbeentje thans ook van den kleinen teen te voorschijn. Wat van voren reeds kwastje is, vertoont zich daar voor het eerst in het stadium van griffelbeentje. Een tijd lang beheerschen die griffelvosjes den toestand. Maar dan vindt men bij geslachten, die nog een stuk ouder zijn, weer een kleine, maar toch uiterst karakteristieke nieuwigheid.
Aan den voorpoot, dus aan de hand van die vosjes, groeit tegenover het pinkkwastje ook een griffelbeentje in eerst juist merkbaren aanleg. Er is geen twijfel aan: hier zien wij den duim in het stadium van griffelbeen. Wij hebben dus aan de hand, van nu af aan in aanleg, overgang en voltooiing, als griffelaanleg, kwastgriffelbeentje of voltooiden hoefvinger, [48]alle vijf vingers van onze hand aangeduid; en van achteren, aan den voet, op dezelfde wijze minstens vier teenen. Te gelijker tijd is bij die vospaardjes hoe langer hoe meer de totale lengte en de steilte der hand- en voetbeenderen verminderd. De „verbeening” der pooten in de uiteinden is verlaten, de stam van den voet van ons paard heeft zich hoe langer hoe duidelijker vertakt. Hadden de vospaardjes niet voor en na in hun geheele skelet de ondubbelzinnigste karaktertrekken van het paard, dan zou men aan hun poot het paardenkarakter ten slotte nog maar alleen van de blijvende dikte en zwaarte van stap van den middelsten teen kunnen aflezen.
Doch ook onder de paardenkenmerken in het overige lichaam hebben zich reeds allerlei afwijkingen en bijzonderheden vermengd, die reeds openlijk beginnen af te buigen van het paard. Men heeft het zekere gevoel, dat als dat nog een enkelen trap zoo verder ging, men ook bij het geheele skelet niet meer van echte equiden zou kunnen spreken.
De gordijn valt voor den laatsten keer. Wij staan in de oudste eocene laag van Noordamerika. Er is nog geen enkel vospaardje. Maar op dezelfde plek dolen door de grasvlakte bij het kreupelbosch die schepsels, waarvan een vertegenwoordiger, Phenacodus genaamd, op de laatste plaat van het vroeger genoemde „Dierenboek” in zijn gecompleteerden ruwen omtrek is weergegeven. Die weergave kon zonder veel bijmengselen der fantasie gelukken, daar juist van dat dier de volledigste skeletten zijn overgeleverd.
De vier pooten van die diersoort hebben, eerst op zich zelf beschouwd, daar wij tot nu toe nog altijd op het onderzoek der voeten uit zijn, nog een onmiskenbare overeenkomst met die van onze vospaardjes der volgende periode. [49]Ook hier rust het lichaam zoowel bij de hand als bij den echten voet met zijn grootste zwaarte op drie stevige hoefteenen, waarvan de middelste nog steeds, volgens het model der paarden, de stevigste en langste is. In de deelen, die bij onze vospaardjes als kwastjes en griffelbeenaanzetsels optraden, is trouwens één gedeelte weer wat meer ontwikkeld in dien zin, dat het meer nadert tot onze menschenhand en onzen menschenvoet. Van voren, aan de eigenlijke handen, is de pink zóó ver voorbij zijn stadium van kwastje, dat hij op ieder eenigszins week terrein in elk geval nog goed meewerkt, zoodat op zulke oogenblikken de hand hier zonder twijfel op vier vingers steunt. Doch te gelijker tijd is ook de duim het stadium van griffelbeen voorbij, en is bij het loopende dier in het stadium van kwastje. En in overeenstemming daarmede is aan den achtervoet de kleine teen volkomen als hulpsteun voor bijzondere omstandigheden, de groote teen, die bij de vospaardjes nog in iederen vorm ontbrak, als kwastje ontwikkeld. Men zou kunnen zeggen, dat er bij dien voet een kleine sprong vooruit is in vergelijking met het vospaardje: men zou zich een tusschenvorm kunnen denken, die daar eerst den kleinen teen als volkomen griffelbeen of kwastje vertoonde, den grooten als begin van het griffelbeen. Het lijkt alsof er een tusschenvorm was als nauwere verbindingsterm, welke vorm hier echter verloren is gegaan. Intusschen is die sprong in beginsel toch weinig belangrijk. De voor oogen liggende haltplaats is nog steeds onmiskenbaar in de hoofdlijn gelegen. Evenzeer kan het nauwelijks verbazen, dat de vinger- en teenwortels nu reeds in het geheel niet langer meer zijn dan de vingers en teenen zelf, wanneer men zag, hoe reeds bij de oudere equiden de oorspronkelijke tegenstelling van het paard hier voortdurend meer verloren [50]ging, totdat volkomen de afmetingen der hand bereikt werden.
Slechts één enkele omstandigheid schijnt werkelijk anders te zijn en voorbij al het vroegere te wijzen op een absoluut nieuwe richting. De eindleden der half- of volkomen ongebruikte gebleven zijvingers en zijteenen zijn zóó eigenaardig samengedrukt, dat men daarin in het geheel geen breeden hoef meer ziet. Zij schijnen veel meer overeen te komen met een spitsen, op een scheede gelijkenden klauw. En heffen wij nu in eens onzen blik op tot het geheele skelet, dan wordt het ons plotseling duidelijk: bij die vier equidenpooten, die reeds op de uiterste grens staan, maar die wij toch nog in hun belangrijkste kenmerken daarvoor moesten houden, behoort een lichaam, dat in de meeste van zijn kenmerken nu niet meer aan een echten equide behoort.
Een dier is te voorschijn getreden, dat met kenmerken van hoefdieren, paarden, op de meest in het oog vallende wijze ook kenmerken vereenigt van oorspronkelijke roofdieren, zelfs halfapen,—een zoogdier, dat in ieder geval nog een zeer primitieve mengvorm is op den drempel der hoogere zoogdieren.
Waartoe veel woorden?… Wij zijn zóó diep afgedaald in de reeks der hoe langer hoe oudere tertiaire lagen van Amerika, dat wij thans in de nabijheid der oudste eocene lagen, eenvoudig midden in die dierenwereld gekomen zijn, die bij ons in Europa hoofdzakelijk in Cernays bij Reims, maar buiten Europa in de eerste plaats in Nieuw-Mexico haar karakteristieke beenderen heeft achtergelaten—beenderen van een menggroep aan den drempel der ontwikkeling van alle hoogste groepen der zoogdieren, waartoe ons onze beschouwing vroeger steeds weer gebracht heeft, van beneden opklimmend.2 [51]
Als de onmiddellijk overlevenden uit die groep hadden wij de insecteneters (egel, mol en consorten) begroet. Onder hun uitgestorven vormen hadden wij zóódanige waargenomen, die reeds iets naar boven wezen naar de halfapen en latere apen tot aan den mensch; andere, die het levende type van het roofdier reeds juist begonnen aan te wijzen; en ten slotte zoodanige, die reeds blijkbaar losstuurden op het hoefdier. Die laatste deelgenooten van die merkwaardige oorspronkelijke en gemengde troep noemden wij met een in de nieuwere systematiek ingeburgerden weinig handelbaren naam: Condylarthren; in plaats van een onmogelijke, werkelijke vertaling van dat anatomische speciale woord zullen wij ze oorspronkelijke hoefdieren noemen.
Met alle vertegenwoordigers der groep van Cernays vertoonden die oorspronkelijke hoefdieren nog de oorspronkelijke vijfvingerige hand en den oorspronkelijken voet met vijf teenen van de oudste zoogdieren. Dit is alles vroeger uitvoerig verhaald. Uit den bouw dier groep van Cernays hebben de apen en met hen wij menschen tot op den huidigen dag onze vijf vingers en vijf teenen behouden. Maar in dien ouden tijd zelf bezaten ook die oorspronkelijke hoefdieren in de groep hetzelfde aantal aan hand en voet. Dit maakt duidelijk, waarom, toen wij bij ons zoeken naar het paard met onze het laatst geschetste schepsels onverwacht in die groep binnenkwamen, hand en voet op eens zoo ontzettend veel overeenkomst hadden met die van den mensch, met uitzondering alleen van de ook hier nog aanwezige hoeven.
Intusschen hebben wij vroeger medegedeeld, hoe ook de hoef zelf bij deze oorspronkelijke hoefdieren als het ware begint weg te nevelen. Die hoef is historisch een product, [52]een ontwikkelingstoestand van den klauw. Het is dus niet te verwonderen, dat in de reeks dier oorspronkelijke hoefdieren nog allerlei overgangsvormen, waarbij klauw en hoef en ook de derde vorm, de nagel, die toen eerst langzaam als uit de moederloog uit kristalliseerde, en die aap en mensch zoo stevig hebben bewaard, nog meer of minder in elkander overgaan. En dit is het nu weer, wat wij ook bij ons oorspronkelijk hoefdier bij zijn paardachtigen poot opmerkten, dat zijn zijvingers en zijteenen, die bij het loopen minder gedrukt waren, plotseling een neiging vertoonden tot klauwachtige of nagelachtige scheppingen. En juist dien trek kunnen wij zelfs binnen verschillende soorten van die oorspronkelijke hoefdieren met op paarden gelijkende voeten nog een eind vervolgen.
De op de laatste plaat van het „Dierenboek” gereconstrueerde vertegenwoordiger, dien de Amerikaansche geoloog Cope zijn geestelijke tweede vader, op grond der vondst van de beenderen „Phenacodus” heeft gedoopt, had historisch in Amerika op die plek nog een voorganger, die door dienzelfden Cope „Euprotogonia” genoemd werd. In zijn geheelen bouw reeds bijna geheel gelijk aan den Phenacodus, had hij toch aan den voorvoet zoowel als aan den achtervoet: duim en pink, grooten en kleinen teen, die nog alle volkomen buiten het stadium van het half of geheel ongebruikte kwastje lagen,—al die toppen van vingers en teenen raakten evenzeer reeds met hun uiteinden bij het loopen den bodem, als de drie oorspronkelijke, van voren en van achteren, in het midden. Maar tevens waren bij die van nu af aan ondubbelzinnig vijfvingerige dieren,—wier middenvinger en middenteen zelfs niet dikker meer waren dan hun naastliggende makkers en nog slechts zóó weinig [53]langer als in onze menschenhand de middelste vinger,—alle tien toppen van alle tien vingers en teenen nog slechts bekleed met de besproken mengvormen van klauw en hoef—zoodat van nu af aan, evenals de laatste flauwe weerschijn van den equidenaard, zoo ook in het algemeen het echt karakeristieke der hoefdieren scheen te verduisteren en te verdwijnen als afzonderlijke soort, die het stelsel bepaalde.
Onder de verdere makkers der Euprotogonia waren er te gelijker tijd gestalten van dergelijke „verdwijnende hoefdieren” (verdwijnend in de beteekenis van een oplossing in een volkomen gegeneraliseerden oorspronkelijken grondstam), die hun voet met vijf teenen en hun daarmede overeenstemmende hand niet meer alleen met de toppen van teenen en vingers neerzetten, maar die zich bij het loopen evenals een beer of een loopend mensch geheel en al op de platte zool lieten vallen, met de hak te beginnen,—zoodat zij daardoor ook in dit punt het laatste doel en de laatste beteekenis van het hoefdier aflegden ter wille van die oudste en meest oorspronkelijke methode van loopen bij de zoogdieren, waarvan wij vroeger reeds bij de algemeene beschouwing van den hoef in het „Dierenboek” uitvoerig gesproken hebben.
En eindelijk moet hier nog aan worden toegevoegd, dat, evenals de echte equiden ten slotte reeds samenschrompelden tot schepsels van de grootte van vossen, onder die alleroorspronkelijkste eocene wezens nu werkelijk vormen voor den dag komen, die in hun grootte zelfs afdaalden tot die maten, die wij van een „hoefdier” nooit zouden mogelijk achten, als ons niet nog tegenwoordig in dien in het „Dierenboek” geschetsten klipdas feitelijk een echte, zij het dan ook een ouderwetsche hoevendrager voor oogen stond, die nog slechts [54]de grootte heeft van een konijn. De beschreven en in beeld weergegeven Phenacodus had nog vertegenwoordigers van zijn soort, die het tot de afmetingen van een tapir brachten, naast andere, die, trouwens volkomen in overeenstemming met de vospaardjes, niet grooter waren dan honden en vossen. Andere soorten van dat gilde daalden echter ook toen reeds af tot de maat der klipdassen, en daarmede bevestigden zij het beginsel, dat die merkwaardige achteraanblijver uit onze dagen, ons zoo al niet de onmiddellijke physionomie der oorspronkelijke hoefdieren in alles voor oogen tooverde, toch in zijn grootte van een konijn nog een stuk der alleroudste geschiedenis der hoogere zoogdieren in het algemeen, en van de hoefdieren in het bijzonder, levend vertoonde.
Ik heb die geheele keten van opvolgende beelden, te beginnen met de Amerikaansche wilde paarden tot aan de eocene Euprotogonia tot nu toe opzettelijk doen voorbijgaan in de beteekenis van een zuiver historische reeks, waar telkens het ééne beeld op het andere volgt, zonder veel commentaren er aan toe te voegen. Hij die buitengewoon voorzichtig zou willen onderrichten, zou hier het boek sluiten en zeggen: verder geeft de wetenschap er niets meer bij, en wat gij er u nog zoudt willen bijdenken, is een subjectieve geloofsbelijdenis en bespiegelende natuurfilosofie, die den exacten natuuronderzoeker niets aangaan.
De eenvoudige logica, die toch ten slotte de grondslag van alle juiste natuuronderzoek is en moet blijven, laat zich echter niet zoo afschepen. Van het oogenblik af, dat het denkbeeld bestaat in de wereld der gedachte, dat er een voortdurende ontwikkeling in de dierenwereld kon zijn, een ontwikkeling, die reeds gedurende millioenen jaren van de ontwikkeling der aarde voortduurt, die reeds ontelbare rijen [55]van geslachten omvat en binnen die samenhangende keten van geslachten in langzame omvorming groote en in het oog vallende veranderingen te voorschijn brengt,—van dat oogenblik af moet zich ook een logische waarschijnlijkheid aan ons opdringen, dat in die geschiedenis van den paardepoot een bijzonder aanschouwelijk voorbeeld van een dergelijke ontwikkeling voor oogen wordt gevoerd.
Wij zijn met onze beschouwing die ontwikkelingslijn in tegengestelden zin te gemoet gegaan. Doch als werkelijk historisch proces moet de lijn van beneden naar boven gestegen zijn. De beteekenis dier lijn was de omzetting, vervorming van een voet, die oorspronkelijk vijf teenen had en van een hand met vijf vingers, in vorm overeenkomende met onze tegenwoordig nog bestaande menschelijke hand bij een klein zoogdier, zooltreder en op klauwen loopend, en van zeer ouderwetsche vorming—, welke vervorming door een aantal langzaam zich wijzigende overgangsvormen voortging tot het merkwaardige eenteenige, steile en in het been opgetrokken, van een hoef voorziene bewegingsapparaat der vier paardepooten aan het lichaam van een groot, geweldig zwaar dier, dat echter, wat de wijze van zijn voortbewegen betreft, is geholpen op een wijze, die onder zijn omstandigheden als het ware een ideaal is. Van station tot station zien wij, doch nu van beneden naar boven, de keten nog eens overziende, hoe de hoeven en de steile stand zich van handen en voeten meester maken, zien wij, hoe het lichaam, dat door die ledematen gedragen wordt, hoe langer hoe grooter en zwaarder wordt, zien wij, hoe de overtollige vingers en teenen stuk voor stuk eerst dienst doen als reservestutten, daarna tot kwastjes, die al geen [56]waarde meer hebben, eindelijk tot griffelbeenderen en griffelaanhechtsels overgaan, totdat zij eindelijk ten minste voor een deel absoluut verdwijnen, terwijl de ééne middenteen van den paardepoot, die in volle stevigheid overblijft, ten slotte de geheele kracht van het geheel in zich vereenigt en alleen handhaaft.
Hoe wij ons ook de drijvende krachten, de wegen, waarlangs dergelijke omvorming en ontwikkeling heeft plaats gegrepen, mogen denken—en er zijn werkelijk binnen de ontwikkelingsidee ongetwijfeld verschillende logische mogelijkheden, die ruimte laten tot discussie en bespreking (Darwin toch had in de bijzonderheden niet dezelfde meeningen hierover als Cope, de man, die met het gunstigste resultaat de zuiver geologische feiten juist op dit gebied heeft ontraadseld, en nog anderen hebben daarover weer andere meeningen),—toch zullen hierin toch alle partijen binnen de ontwikkelingsidee eenstemmig denken, dat hier een ontwikkeling voor oogen wordt gesteld, waarvan de engere beteekenis nog gelegen is in de vervorming van een orgaan door een zeer bepaalde behoefte voor het gebruik.
De levenswijze van het tegenwoordige paard is in beginsel nog altijd de verklaring van het eerste begin. Op een uitgestrekte, harde vlakte, waar het lichaam niet inzakt, en het dus zijn teenen niet behoeft uit te spreiden, om niet in het moeras te blijven steken, wordt het beginsel in de hand gewerkt, den vierteenigen voet op het middenstuk te concentreeren, en met één enkelen stoot der elastische middenhoeven den harden grond te stampen. In het begin helpt dit kleine dieren op de vlucht, bij het trekken over de stevig dragende grasvlakte beter voort, zoodat het zich op de ééne of andere wijze in hare organisatie als „aanpassing” afdrukt. Als dit [57]kenmerk er eenmaal is, maakt het ook aan grootere, zwaardere vormen die levenswijze mogelijk, maakt het mogelijk, dat het dier zwaarder wordt zonder dat zijn beweeglijkheid daarbij vermindert, en daarbij dat de kracht veel meer wordt geconcentreerd. Maar voortdurend, hoe zwaarder het dier wordt binnen de perken van de eischen aan de beweging gesteld, moet het bewegingsapparaat in de eenmaal ingeslagen richting verder verbeterd en verfijnd worden. De middenteen wordt ten slotte alles. Wat nog een tijd lang als reserve wordt meegevoerd, zooals de kwastteenen, dat wordt eindelijk als ballast ook over boord geworpen, opdat het groote schip zal kunnen zeilen. Totdat ten slotte na zooveel duizenden jaren, na zooveel ontwikkelingstrappen, de eischen der functie zich een toestel hebben geschapen van een zóó bewonderenswaardige sierlijkheid, en zóó tot in het uiterste verfijnd, als wij dien tegenwoordig in den paardepoot vóór ons hebben.
Dit ongeveer is het, wat naar mijn meening door iedere engere ontwikkelingstheorie in onze dagen als de „grondbeteekenis” van het geheele proces zal worden toegegeven. Van den eersten dag af dat, oorspronkelijk nog zeer onvolkomen, die geologie van den paardepoot in Amerika te voorschijn kwam, is er dan ook voor de aanhangers eener ontwikkelingsidee in alle legerkampen geen twijfel geweest, dat er niet licht een duidelijker voorbeeld kon worden gegeven van de werkelijke wijze, waarop een ontwikkeling plaats had, en van het doel dier ontwikkeling, dan bij het hier gegeven voorbeeld van het paard.
Men moet hierbij echter in het oog houden,—en dit is ook van toepassing voor hen, die twijfelen,—dat ook bij dit voorbeeld moet gelden: men kan niemand dwingen tot het aannemen van [58]het ontwikkelingsdenkbeeld op zichzelf. Hij die haar eenvoudige grondgedachten niet ontleent aan de gevolgtrekkingen, de logica en de wetten van het meest alledaagsche leven en gebeuren, zooals wij die bij ons zelf beleven en ervaren, zooals wij die in iedere courant lezen, zooals zij ons geheele openbare en particuliere leven onafgebroken beheerschen,—hij die niet van daaruit de groote logische analogie en denkmogelijkheid medebrengt tot in het leven der dieren en planten van thans en eertijds,—hij die niet bij dat leven van planten en dieren de eenvoudige fundamenteele opvattingen meebrengt, die bij voorbeeld iedere rechter ten grondslag legt bij ieder menschelijk proces, dat namelijk de dingen zich naar hun logische juistheid en natuurlijke consequentie hebben ontwikkeld en de loop van het misdrijf of van de onschuld niet plotseling wordt gekruist door een bovennatuurlijk wonder,— —hij, die, zeg ik, van die beteekenis niet reeds de grondgedachte in zich omdraagt om ze nog maar alleen te toetsen aan de mogelijkheid, dat zij verder doorwerkt en vruchten draagt: die kan niet overtuigd worden, en vooral niet door de meest voortreffelijke geologische bewijzen. Hij die de grondidee der ontwikkeling als zoodanig niet wil erkennen en alle middelen der fantasie laat medespelen, om daarnaast een anderen uitweg te zoeken voor zijn gedachten, kan ook tusschen twee logische stations van een dergelijke ontwikkeling van den paardepoot, hoe mooi die ook mogen wezen, een bovennatuurlijk ingrijpen aannemen, het wandelen van een geest, die geen geologische voetstappen achterliet. Hij heeft daar tijd genoeg voor, en niemand heeft werkelijk het veranderingsproces direct gezien, zooals steeds het geval is bij alle geologische dingen, die steeds voor ons berusten op louter aanwijzingen, [59]hoe het tijdens het leven geweest is. Ten slotte zou zelfs dat met eigen oogen zien nog niet voldoende zijn, immers het bovennatuurlijke tusschen twee processen zou zóó snel kunnen gaan, zóó in het verborgen kunnen geschieden, dat iedere controle van onze grove zintuigen ophield. Hij die aanneemt, dat in de geschiedenis der menschelijke kiem in den moederschoot alles zóó toegaat in een trapsgewijze ontwikkelingsreeks, als onze embryologen het ons leeren, maar dat toch op de ééne of andere bepaalde plek door een bliksemsnelle en niet te controleeren daad de individueele ziel met haar erfzonde en mogelijkheid van verlossing er ingeblazen wordt, in plaats dat de enkel langs natuurlijken weg ontwikkelde zielswerkzaamheid voortschrijdt, die kan rustig ook al die feiten der geologische beeldenreeks van den paardepoot toegeven, en toch er bij kunnen blijven volharden, dat tusschen twee opvolgende beelden telkens één, misschien wel honderden bovennatuurlijke scheppingsdaden liggen.
Ik geloof, dat men daarover niet kan disputeeren. Maar het is niet te dulden, dat nu de vertegenwoordigers van die opvattingen tegenwoordig gaarne de meening verkondigen, dat ook voor hem, die principieel een ontwikkelingsidee, die een organisch geheel vormt, niet afgebroken door wonderen, erkent als de „meest waarschijnlijke denkmogelijkheid” ook voor dergelijke geologische processen, een keten van feiten als die wij hier zoo objectief mogelijk omtrent den paardepoot hebben medegedeeld, geen wezenlijken zin en geen bewijskracht zou hebben. Hier komt thans niet meer, zooals daar, de fundamenteele meening, maar de eerlijkheid van iedere logische gevolgtrekking in aanmerking, nadat men zijn geloof heeft uitgedrukt aan het onbeperkt heerschen van een [60]zoodanige logica. Hij die aan de geologie logica toekent, moet naar mijne meening hier het hoofd buigen.
Voor den leek is de groote moeilijkheid, dat die draden tegenwoordig alle door elkander heen loopen. Vertegenwoordigers van die wereldopvatting buiten alle doorloopende natuurlogica (die, zooals gezegd is, aan niemand kan worden opgedrongen maar ook niet kan worden ontnomen bij de vrijheid van het subjectieve denken, die een zoo groote verovering is van onze cultuur), treden de kampplaats der ontwikkelingsgeschiedenis binnen en spelen daar hun sceptische opvattingen tegen de feiten uit. Om tot steun dier twijfelzucht te dienen, wordt een grenzelooze fantasie ontplooid, hoe de dingen anders zouden kunnen zijn—terwijl toch het eenvoudige schrift der natuur hier zóó ondubbelzinnig is, dat er niets ondubbelzinnigers bij mogelijkheid kan gedacht worden. Het zal echter gaan als altijd. Ten slotte zal het eenvoudigste toch wel zijn weg vinden, en dan zal men eindelijk ook inzien, dat het zelf innerlijk rijker en dieper is dan al de praal der fantasie, die daartegen is verzonnen. Hij die onder den logischen eenvoud van de ontwikkelingsgedachte banaliteit en oppervlakkigheid verstaat, heeft trouwens zelf het echte vaandel verlaten.
De geheele prachtige keten is ons nu niet uitsluitend in de pooten van het paard overgeleverd. Als proef op de som dient, dat men die keten naar verkiezing in vooruit- of achteruitgaande richting ook kan doorloopen bij andere deelen van het skelet, om even aanschouwelijke beelden eener volkomen consequente ontwikkeling te verkrijgen.
Aan het been zelf is nog het been van het onderbeen of den benedenarm bijzonder leerrijk. Zooals wij reeds eenmaal hebben medegedeeld, is het bij ons paard niet meer [61]in dien zin een dubbelbeen als bij ons (ellebeen en spaakbeen in den arm, scheenbeen en kuitbeen in het been). Daar het onderbeen van het paard, wat plaats en functie betreft, eigenlijk tot bovenbeen bevorderd is, maar het bovenbeen (en ook de bovenarm) naar het oorspronkelijke type van alle dieren, die van armen en beenen voorzien zijn, steeds uitsluitend bestaat uit één enkelen, op zich zelf één geheel vormenden, solieden en onbeweeglijken beenen stam, lag het uit een werktuigkundig oogpunt weer voor de hand, dit onderbeen van het paard ook zelf stevig te maken op de wijze van het bovenbeen. Dit is nu ook zóó geschied, dat aan den voorpoot van het paard de ellepijp in verkwijnden toestand met het spaakbeen stevig vergroeit, maar dat aan den achterpoot van het paard van het geheele kuitbeen, uitwendig zichtbaar alleen een fragment van het bovenste stuk als griffelbeen behouden blijft. In beginsel en voor het gebruik valt dus het tweede been daar zoowel als hier eenvoudig weg, en het onderbeen vormt een enkelen stam in de beteekenis van een werkelijk bovenbeen.
Dat tot bovenbeen worden van het onderbeen kan nu in de keten volkomen evenwijdig met het tot onderbeen worden van den voet eveneens historisch worden gevolgd als iets dat langzamerhand „geworden” is. De oorspronkelijke hoefdieren, Euprotogonia en Phenacodus, bezitten nog ellepijp en kuitbeen als even lange, vrij beweeglijke beenderen naast spaakbeen en scheenbeen, volkomen op dezelfde wijze als wij menschen, die ook hier trouwer gebleven zijn aan het oorspronkelijke type. Ook bij de vospaardjes, dus reeds bij de oudste echte equiden, is de zaak nog eveneens. Op de volgende geschetste equidentrappen ziet men dan absoluut duidelijk, hoe van voren de ellepijp zich hoe langer hoe meer vastlegt tegen het spaakbeen, [62]zich eerst wat de plaats betreft daarmede vereenzelvigt, zooals twee menschen, die elkander stevig omarmen, maar hoe zij daarna werkelijk vergroeit; terwijl tevens van achteren het kuitbeen dun wordt, zich eindelijk van onder op de dunste plek losrukt en in het blijvende boveneinde tot een hoe langer hoe korter griffelbeen wordt. De kwasthoevige dieren van de grootte van een egel hadden reeds ellepijp en spaakbeen vast aaneen verbonden en hadden als kuitbeen reeds een dun spits griffelbeen.
Een andere proef op de som leveren de tanden.
Ons paard heeft een zeer eigenaardig gebit. De snijtanden zijn voltallig en stevig, de kiezen bepaald kolossaal. Doch verkwijnd is het gebit op de plaats, waar de roofdieren de krachtige tanden hebben, om die in te slaan in het vleesch en dat te verscheuren, dat is bij de hoektanden en de voorste kiezen. De hoektanden zijn bij het vrouwelijke paard reeds geheel verdwenen, en eveneens bij beide geslachten de voorste kies zelf. In den gapenden muil vindt men hier een groote leege ruimte. Daarentegen hebben de echte kiezen als het ware het geheele overgebleven gedeelte der voorste kiezen voor zich veroverd, en de grootte en den vorm daarvan overgenomen. Die vorm der kiezen is dan zeer karakteristiek; het zijn lange en hooge vierhoekige prisma’s op verkwijnende wortels, met sterk gekronkelde emailplooien op de kroonvlakte van die beenderige stof, die anders bij de tanden der zoogdieren de verborgen deelen bedekt, het zoogenaamde tandcement. Die gedeeltelijk gecemente kroonvlakte vertoont een zeer wonderlijk, geplooid, moeilijk te beschrijven bergrelief. Bij dit alles is dit gebit in zijn „roeping” gemakkelijker te doorgronden dan eenig ander gebit. De snijtanden met hun eigenaardige ligging zijn sterke afplukkers, ja zelfs [63]op hun manier reeds kauwers; de geheele, één geheel uitmakende kiezenmolen, aan weerszijden zes boven en zes beneden, is dan een uitstekend maal- druk- en verbrijzeltoestel, een kauwmolen van den eersten rang. Dit gebit behoort aan een reus, die zijn zwaar lichaam met buitengewone hoeveelheden voedsel moet voederen. Hij is echter geen wezen, dat bij den aanval bijt, en op vleeschkost uitgaat, maar een vluchtige draver, wien de steppe met haar eindelooze plantenkoloniën een onuitputtelijke stof biedt. Niet eens heeft hij een afwisselende voeding noodig als noodhulp, zooals een kleiner dier, dat aan een bepaalde plek gebonden is. Zijn schitterend bewegingsmechanisme is tegen zijn gewicht toch in ieder opzicht ruimschoots opgewassen. Dit maakt hem tot vrijen meester van alle gezellig levende steppenplanten van horizon tot horizon. De eentonigheid dier grassteppe spiegelt zich af in het eenvoudige en eenzijdige pluk- en kauwapparaat van zijn gebit. Zooals overal, vertoont het paard ook in zijn tandenbouw een zeer geprononceerde, maar groote en in zijn voltooiing toch weer eenvoudige lijn. Het is alles bijzonder eenzijdig ontwikkeld, maar het beheerscht dan ook zijn gebied als een koning met volkomen meesterschap.
Dit gebit van het paard uit onze dagen is nu echter niet het oorspronkelijke gebit der hoogere zoogdieren, dit is ook onmiddellijk duidelijk. Het is een gebit, zooals het bij dien uiterst ontwikkelden paardevoet en dat paardebeen van tegenwoordig behoort, die eveneens reeds lang niet meer in overeenstemming zijn met die der oorspronkelijke hoefdieren. En wij zouden ons ook zijn geleidelijke ontwikkeling niet schooner kunnen voorstellen dan de werkelijke geologische keten, die ons de ontwikkeling van dat bewegingapparaat heeft onthuld, en dat wel hier in werkelijk bestaande beelden heeft onthuld. [64]
De Euprotogonia en Phenacodus aan het begin der keten, oorspronkelijke hoefdieren zooals zij werkelijk nog zijn, vertoonen dan ook werkelijk nog dit oorspronkelijke zoogdierengebit in den schoonsten vorm, waarover wij vroeger zoo dikwijls hebben gesproken, en zooals het weer ten minste tot op een bepaalde hoogte ook bij ons menschen tot heden toe prachtig is bewaard gebleven ten aanschouwe van iedereen. Alle soorten van tanden zijn daar voorhanden, en dat wel zeer goed te onderscheiden. Hun rij is van boven en beneden tot één geheel aaneengesloten, ten minste zonder groote tusschenruimten. De hoektanden zijn nog volkomen duidelijk ontwikkeld, hoewel niet overdreven vooruitstekend. Alle vier voorkiezen zijn aanwezig, maar zij handhaven tevens hun verschil met de drie echte kiezen, daar zij in de eerste plaats aanzienlijk kleiner zijn. En die kiezen zijn aan hun werkzaam bovengedeelte kort, maar in de kaak vast ingeslagen met groote spitse wortels. Zij missen nog volledig het cementplombeersel in de diepten van hun kauwvlakte. Die hoogten en laagten in het vlak zelf verschillen in hun eenvoud nog ontzettend veel van het werkelijk angstwekkend geplooide profiel der hooge prisma’s aan de kiezen van ons levend paard. Wel ziet men, dat het ook hier reeds geldt den meer specialen tak der dieren van Cernays, die op de hoefdieren wijst, die dus geen punten op de kiezen draagt zooals de roofdieren, maar de echte kiezen reeds op gemengd voedsel heeft ingericht. In hun breedte is de tandkroon daarachter alleen met een paar eenvoudige vlakke bulten voorzien. Van onderen zijn het slechts vier, van boven, door twee tusschenbultjes, zijn er zes. Wil men den toestand werkelijk eens geografisch beschrijven als tegenover een gebergte, dat men uit vogelperspectief ziet, dan heeft men [65]bij een dergelijke kies uit de bovenkaak een mooie kleine hoogvlakte vóór zich met zes goed geproportionneerde en duidelijk gescheiden bergkegels. Dat is de typische kies van den omnivoor (allesetend), die trouwens in hoofdzaak toch reeds de voorkeur geeft aan plantenkost, maar dan ook in groote afwisseling. De zwijnen hebben ook een dergelijke kies. In tegenstelling daarmede ziet het berglandschap van de paardekies er uit als een gedeelte van de oppervlakte der maan met de meest grillige lijnen van gekartelde kraterwallen, met ingesloten bekkens en allerlei daardoor heen loopende verweeringen.
En nu heeft men ook hier de schoonste geleidelijke overgangen. Evenals bij het onderbeen, zoo hebben ook bij de tanden op zeer karakteristieke wijze de vospaardjes, dus de oudste echte equiden, eveneens nog bijna geheel den toestand der oorspronkelijke hoefdieren. Nog zijn alle tanden voltallig. Wel wordt de gaping, die reeds uiterst gering bij den Phenacodus begon, zichtbaar, maar nog is het alleen maar een enkel wijken der tanden, niet een ontbreken: de later verdwijnende eerste voorkies is nog duidelijk van boven zoowel als beneden aanwezig. Nog verschillen die voorkiezen van de gewone kiezen, nog hebben de kiezen geen cementplombeersel, nog dragen de ouderen onder die vospaardjes op ieder dier kiezen de zuiver gescheiden bulten. En dat alles toch, wel te verstaan, nog bij een typisch echten equide! Bij de jongere vospaardjes (die, welke aan den achterpoot reeds geen pinkaanhechtsel meedragen), beginnen er eerst bergjukken tusschen de bulttoppen te komen, en die toppen beginnen zich om te vormen tot eigenaardig haakvormig gebogen kammen. Dit gaat dan op de volgende trappen verder, als volgde men in een gebergte werkelijk wilde geologische [66]verschuivingen en plooiingsprocessen. Bij de vroeger genoemde kwasthoevigen zijn de kiezen nog klein en van stevige wortels voorzien. Maar reeds begint de karakteristieke prismavorm van het echte paard door te breken. Terwijl in het relief van boven de middelste dier haakvormig gebogen kammen zich aanschuiven tegen de uiterste, ver tot aan den rand zich uitstrekkend, wordt de tusschenruimte, die vroeger open dal was tusschen bergtoppen, tot een rondom omsloten kraterholte, en in die holten zooals anders in de plooien begint zich plotseling cementmassa af te zetten. Te gelijker tijd merkt men ook, dat de voorste der voorste kiezen veranderlijk wordt, en de overige gaan hoe langer hoe meer op de kiezen gelijken. Bij onze pinkdieren groeit de kies echt tot een hooge zuil uit, waarbij de wortels verdwijnen. In een diepe inzinking liggen daar thans de kraterholten absoluut ingesloten, en steeds rijkelijker dringt overal als een taaie afgezette massa het cement in de bergplooien. De kammen om de kraters kronkelen zich als overoude verweeringsarabesken, de laatste nog uitstekende binnenste toppen beginnen in dien warwinkel van plooien in te vloeien. Van daar is het nog slechts een korte schrede tot het echte wilde paard. Niet gemakkelijk kunnen er twee dingen zijn, die meer van elkander verschillen dan de reusachtige prismatische kies van dat paard met haar verkwijnende wortels en haar cementlabyrint, en de fijne cementlooze gebulte tand met fijne, spitse wortels van den Phenacodus—en toch is er in de geheele lijn tusschen die beide geen enkele sprong, waar men zich verbazen zou over den plotselingen overgang, en de laatste overgang is nauwelijks meer dan het invloeien van een laatste overblijfsel van een inwendigen bult in de golvingen der plooien. Als een dergelijke tandvlakte, reusachtig [67]vergroot, werkelijk een plek op onze aardkorst was met een krachtige bergformatie, waarop wij gedurende millioenen jaren steeds van tijd tot tijd weer neerzagen,—dan zou geen enkele geograaf de geleidelijke vervorming van dat gebergte, de omvorming van zijn oorspronkelijke kegelspitsen in een labyrint van bergjukken in de lengte en in de breedte en van gebarsten pieken, de uitdieping zijner zeeën, anders verklaren dan in de beteekenis van een consequent voortgezet formatieproces in de natuurlijke volgorde zonder eenig hiaat. En als wij nu telkens na even groote tusschenperioden neerzien op den tand in de kaak van een levende diersoort,—waarom zou dan het proces een geheel ander zijn?
Over het „hoe” van dergelijke vervormingen zijn er, zooals ik zeide, (en zullen er ook nog lang zijn) zeer van elkander afwijkende meeningen ook binnen de partij, die onfeilbaar gelooft aan natuurlijke ontwikkeling in het algemeen. Zoo is dan ook die geschiedenis van het paard een tijd lang de aanleiding geweest tot een zeer interessant debat, waarbij tegengestelde opvattingen omtrent het „hoe” scherp tot uitdrukking kwamen.