[Inhoud]

Ik heb medegedeeld, dat versteende beenderen van op paarden gelijkende dieren uit Fransche vindplaatsen het eerst door Cuvier zijn beschreven, lang voordat Amerika die bewonderenswaardige keten leverde, en dat ook in het vervolg Europeesch bewijsmateriaal niet ontbrak. Toen Darwins denkbeelden zich eerst aanhangers verwierven en Haeckel de eerste „stamboomen” van diergroepen ontwierp, kende men nog niets anders dan die Europeesche resultaten. Het scheen echter reeds met deze eenigszins mogelijk, een [68]dergelijken „stamboom” van het paard te construeeren. Men had ook daar reeds onmiskenbare kwasthoevige dieren uit de latere tertiaire periode, en daarna driehoevige equiden uit oudere lagen (juist deze had Cuvier reeds herkend); later zijn er zelfs nog overblijfselen van vospaardjes en ook enkele zeldzame overblijfselen van het oorspronkelijke hoefdier Phenacodus gevonden. Al was het op verre na niet zoo nauwkeurig, toch schemerde de juiste grondlijn in ieder geval zóó door, dat men haar werkelijk kon vaststellen, en de eerste specialiteiten waren er niet weinig trotsch op, dat hun dit scheen te gelukken. Bij de zekerheid van het feit, dat toch het voortgekomen product, namelijk het tegenwoordige paard, als wild paard en wilde ezel, zij het niet meer tegenwoordig in Europa, dan toch in Afrika en Azië, dus in de oude wereld nog, in groote massa’s voortbestond, kon in dat eerste aanstormen der dingen eerst ook geen twijfel bestaan, of die stamboom liep alleen over vormen uit de oude wereld. Toen men hoorde van voormalige Amerikaansche paarden, scheen het even natuurlijk, dat men hier moest hebben te doen gehad met verstrooide landverhuizers uit Oud-Azië of Oud-Europa.

Maar daar kwamen slag op slag de Noordamerikaansche vondsten voor den dag met de geheele daar verkregen keten. De zaak werd moeilijk. En wel des te moeilijker, toen het volgende scheen voor den dag te komen. De Amerikaansche keten van de oorspronkelijke hoefdieren tot aan het echte, daar ten minste zeer laat nog aanwezige wilde paard was onberispelijk trap voor trap in zich zelf gesloten. In de meer algemeene grondtrekken: dat zij ten slotte wees op voorvaderen met vijf teenen, dat zij leidde langs een trap van driehoevige dieren, en een tusschentrap omvatte van de [69]kwasthoevigen, kwam zij volkomen overeen met de reeds bekende Europeesche keten. Maar in bijzonderheden bleken er ongetwijfeld afwijkingen te zijn.

De Amerikaansche en de Europeesche vertegenwoordigers der driehoevige equiden wilden in de bijzonderheden volstrekt niet bij elkander passen. Voor de kwasthoevigen daar en hier werd dit ten minste bestreden. Daar op het oogenblik noch de Europeesche noch de Amerikaansche geleerden hun stamboom wilden prijsgeven, doch beide stamboomen verschillend waren, maar van den anderen kant het resultaat voor beide hetzelfde was, scheen er slechts één logische uitweg te zijn. Het paard moest zich als zoodanig twee maal hebben ontwikkeld in een overigens identieken eindvorm: bij ons in de oude wereld uit oorspronkelijke hoefdieren met vijf teenen langs de keten, die in Europa uit een geologisch oogpunt ten minste nog eenigszins is te volgen, daar ginds in Amerika uit de misschien nog gelijke oorspronkelijke hoefdieren langs de keten, die daar nog nauwkeurig is na te gaan. Beide ketens hadden verwante logische trekken, werden echter in bijzonderheden door tamelijk veel van elkander verschillende equidenvormen vertegenwoordigd. Enkele Duitsche onderzoekers, bij voorbeeld de oude Kämpe, die even handig in het debat en in zijn polemiek even zelfbewust als vreeselijk grof was, en de dikke Vogt traden op de meest fanatieke wijze voor die oplossing in het strijdperk, alsof het wel en het wee der geheele ontwikkelingsleer daarvan afhing. Doch het gold slechts een bepaalde opvatting van de inwendige wegen eener zoodanige ontwikkeling, maar in een in ieder geval interessanten vorm.

De vraag was opgeworpen, of een diersoort op onze aarde door natuurlijke ontwikkeling tweemaal in volkomen denzelfden [70]vorm kan onstaan, en dat wel langs vormen van voorouders, die wel is waar in wezen niet volkomen ongelijk waren, maar toch ook volstrekt niet in zoölogischen zin gelijk waren. De bevestiging dier vraag moest natuurlijk van bijzonder groote draagwijdte zijn. Passen wij dit bij voorbeeld toe op den mensch, dan kan in een dergelijk geval dus de mensch op verschillende plaatsen van onze planeet zich hebben ontwikkeld uit diervormen, die van verschillende soort waren, al kwamen zij dan ook in bepaalde trekken overeen, een feit, dat op de splitsing der rassen van het begin af aan een ander licht zou werpen en den stamboom van den mensch oneindig veel gecompliceerder zou maken.

Nu is in de eerste plaats niet goed te loochenen, dat de mogelijkheid van twee onafhankelijke ontwikkelingen, die toch tot volkomen hetzelfde resultaat leiden, zuiver theoretisch moet worden toegegeven. Iedere ontwikkeling berust in den zin der moderne evolutieleer op natuurlijke oorzaken, en wat die oorzaken voorschrijven, moet zich daarin onveranderlijk voltrekken. Gelijke oorzaken hebben echter gelijke gevolgen,—dat is ook een onveranderlijke wereldwet. Indien dus tweemaal volkomen dezelfde oorzaken van ontwikkeling, waar ook op de wereld, zijn opgetreden, moeten er ook dezelfde resultaten uit zijn voortgevloeid.

Legt men het zwaartepunt bij het resultaat niet op volkomen „gelijkheid”, maar alleen op „overeenstemming”, dan zijn er voor dat beginsel voorbeelden in overvloed. Het vliegen is door de meest verschillende dierengroepen zeker volkomen onafhankelijk van elkander aangeleerd, en daarbij zijn op de meest verwijderde plaatsen zeer met elkander overeenkomende vliegorganen ontwikkeld; zoo hebben wij in het „Dierenboek” reeds medegedeeld, hoe zoowel de uitgestorven [71]vliegende hagedissen alsook de (daarvan ver verwijderde en onafhankelijke) vleermuizen den vinger hebben gebruikt om de vlieghuid uit te spannen. De vermindering der hoefteenen ter wille van een gemakkelijker beweging, het steile opheffen van den middenvoet, de „verbeening” van dien voet, dus karakteristieke feiten uit het proces der paardwording, zijn in vormen, die in ieder geval met elkander overeenkomen, ook door andere hoefdieren: runderen, schapen, herten enz. volbracht. Bij een bijzonder merkwaardig uitgestorven hoefdier van Zuidamerika, dat behoorde tot een groep van hoefdieren, die zich daar in oude dagen hadden nedergezet, en dat zich daar volkomen had vervormd, het Thoatherium, is dat proces zelfs zóóver gevorderd, dat evenals bij het paard ook ten slotte alleen de middenteen is overgebleven; dat dier en zijn verwanten hadden daarbij anders volstrekt geen gelijkenis en geen betrekking tot het paard en den stamboom van het paard, zij waren alleen in dat ééne opzicht bij volkomen verschillende ontwikkeling onder den invloed van de werking van „gelijke oorzaken” gekomen. Nu was alleen de vraag, hoe ver dat woordje „gelijkenis” tot het begrip „gelijkheid” naderde. De gegeven voorbeelden zijn immers feitelijk alle nog ver daarvan verwijderd; de vliegende hagedis is geen vleermuis, het rund en zelfs het genoemde Thoatherium zijn geen paarden geworden. Zijn er meerdere van zulke complexen van gelijke voorwaarden, zoodat een geheele ontwikkeling zich zou kunnen herhalen totdat het geheele complex van een volkomen identieke diersoort zich zou kunnen herhalen?

Men kan beginnen met ook die vraag te beantwoorden door een analoog voorbeeld aan het oneindige heelal ontleend. Als wij ons een tweede wereldlichaam denken ergens [72]in het heelal gelegen, dat bij eenzelfden stand ten opzichte van de zon uit dezelfde grondstoffen bestond als de aarde en dezelfde verhoudingen in grootte had, dan is het zeker, dat dit wereldlichaam, door gelijke oorzaken als onze aarde gebracht tot ontwikkeling van organisch leven, volkomen dezelfde planten- en diersoorten zou moeten voortbrengen en eindelijk ook door intelligente menschen moest worden bewoond. In dichtstukken is daarvan dikwijls gebruik gemaakt, maar het berust (bij de in het oogvallende overeenkomst van veel kosmische scheppingen, bij voorbeeld van veel vaste sterren met onze zon) op een veel strengeren grondslag dan de meeste menschen meenen. Eveneens is het volkomen zeker, dat indien heden onze aarde door de ééne of andere gewelddadige gebeurtenis weer in den toestand van een chaotische nevelvlek zou terugkeeren, zonder dat er anders iets veranderde aan haar stoffelijke samenstelling of haar astronomische betrekkingen, na een periode van zoo en zooveel millioenen jaren alles bij haar weer bij het oude zou zijn, dezelfde planten-, dieren- en menschenwereld in al haar individuen en hun lotgevallen weer aanwezig zou zijn, zóódanig, dat alle handelingen bij voorbeeld bij ons menschen, die na de catastrofe aanwezig zijn, zich, als ware er niets geschied, moesten aansluiten aan hetgeen vóór de catastrofe gebeurd was op het oogenblik, dat de aarde in denzelfden ontwikkelingstoestand verkeerde als thans.

Dit alles zijn dingen, die uit de ernstig opgevatte consequentie der levensontwikkeling noodzakelijk voortvloeien. De zaak wordt echter iets anders, wanneer wij een dergelijk geval nu op één en dezelfde planeet in eenzelfde periode van de geschiedenis der aarde moeten construeeren. Opdat het paard tweemaal, in Europa en Amerika, zou ontstaan, [73]zouden in het verloop der tertiaire periode de omstandigheden in de grassteppen van dat Europa en Amerika absoluut gelijk moeten geweest zijn. Rijkdom en wijze van plantengroei, verhoudingen te land en te water, klimaat en aanvallende dieren, oorspronkelijk aantal individuen enz., dat alles moest gedurende millioenen jaren een absolute identiteit hebben gehandhaafd. Het is moeilijk zich dit te denken.

De zaak zou trouwens gemakkelijker verklaard kunnen worden, als men een keuze deed tusschen bepaalde theorieën van de noodzakelijkheid der ontwikkeling, en dan de meest geschikte uitzocht. De groote massa van hen, die aan de ontwikkeling gelooven, nemen tegenwoordig aan, dat iedere ontwikkeling in het bereik van het leven hoofdzakelijk tot stand komt door den dwang der uitwendige omstandigheden, die de soorten dwingt, zich te wijzigen in de lijn van bepaalde aanpassingen; voor hen is het paard in iedere vezel een prachtig bewijs van een dergelijke tot het hoogste punt opgevoerde aanpassing. De methode, waarop levende wezens het tot stand brengen, werkelijk op een dergelijken dwang te reageeren, zich op een voor het doel geschikte wijze tegenover de eischen te vervormen, zich „aan te passen”,—is dan weer een zaak van engere theorieën. Darwin denkt aan een voortdurend blind voortbrengen van varianten, waarbij de uitwendige eischen steeds de meest bruikbare varianten in stand doen houden. Over den aard en de kracht van die varianten wijken de meeningen van Hugo de Vries en van andere leerlingen van Darwin tegenwoordig van elkander af. Omgekeerd houden de voorstanders van Lamarck meer rekening met een meer actieve en directe geschiktheid tot aanpassing van de levende individuen, die dat proces der blinde teeltkeus met zijn ontzettende decimeeringen [74]in meerdere of mindere mate onnoodig maakt. Bij beide wegen blijft echter de beslissende macht der uitvoerige eischen bestaan. Om tweemaal het paard op dezelfde wijze voort te brengen, zou zoowel voor de theorie van Darwin als voor die van Lamarck die absolute identiteit der uitwendige omstandigheden, van het Europeesche en het Amerikaansche milieu, gedurende een onmetelijke tijdsruimte noodig geweest zijn, dus iets wat niet gemakkelijk is te denken.

Om aan dien eisch tegemoet te komen, zou alleen een theorie dienst kunnen doen, die de beteekenis van dien dwang van het milieu op den achtergrond stelde ten gunste van een dwang tot ontwikkeling, die geheel van binnen uit en zelfstandig werkt in de levende wezens zelf. Ook dat denkbeeld heeft aanhangers, al heeft het tegenwoordig geen enkelen op den voorgrond tredenden vertegenwoordiger. Volgens dat denkbeeld moet de vaste ontwikkelingslijn van alle dieren en planten in hoofdzaak in hen zelf liggen. De buitenwereld zou zich tegenover die ontwikkeling slechts zóó gedragen als de broedwarmte tegenover het kippenei. Dit denkbeeld put al zijn kracht voor de stamgeschiedenis der soorten werkelijk uit de analogie met hetgeen in de kiem, in het ei of in de pop geschiedt. Een pop van een vlinder, behoorlijk rustig en warm gehouden, brengt denzelfden vlinder voort op grond van een inwendige, als een uurwerk loopende regelmatigheid, even goed ginds in Amerika, als, naar ons overgebracht, in Europa. Zoo zou het dan ook ongeveer met de oorspronkelijke hoefdieren geweest zijn. In de Amerikaansche, evenzeer als in de Europeesche prairie, zou, als maar voldoende tijd en rust gewaarborgd was, het inwendige, opgewonden uurwerk der ontwikkeling in een [75]bepaald aantal generaties het paard moeten te voorschijn brengen, en wel het volkomen identieke paard. Die theorie is niet, zooals wel wordt beweerd, een onwetenschappelijke theorie zonder meer, want zij berust in ieder geval op een analogie, namelijk op het op zich zelf volkomen natuurlijke verloop der ontwikkeling in ei of pop. Alleen blijft zij volkomen het antwoord schuldig op twee vragen, die de zooeven genoemde andere vorm der ontwikkelingsidee spelend oplost. En wel in de eerste plaats, wie het uurwerk heeft opgewonden. In de geschiedenis der kiem, in het ei, is het naar de tegenwoordig gangbare opvatting juist de stamgeschiedenis zelf geweest. Voor de stamgeschiedenis bleef er dan een onbekende onderstelling open. Ten tweede, hoe het komt tot de duidelijk zichtbare „vooruit vaststaande” harmonie tusschen de resultaten van dat inwendige uurwerk en de eischen van aanpassing der buitenwereld. Waarom tikt het inwendige uurwerk het paard juist als een zoo voortreffelijke aanpassing aan de steppen naar buiten?

Het is niet de taak van dit boek, in het groote spel en tegenspel van dergelijke theorieën tegenwoordig scherpe beslissingen te nemen. Ik wilde den lezer daarop alleen wijzen, als de stof daaraan noodzakelijk raakt. Het geldt daarbij, zooals gezegd is, interessante vraagpunten binnen het kader der groote ontwikkelingsidee zelf, vraagpunten, die de inspanning van de besten en de edelsten ten volle waard zijn. Maar voor ons vraagstuk over het paard is er gelukkig een oplossing, waarbij wij die vraagstukken kunnen ter zijde laten ook zonder de noodzakelijkheid van een beslissende oplossing.

Bij die geheele zaak was er iets, wat ontwijfelbaar de verbazing moet opwekken. Indien op de ééne of andere van de verschillende theoretisch denkbare wegen ten slotte het [76]paard twee maal als volkomen identieke vorm hier en ginds kon ontstaan: waarom waren dan de schakels der ontwikkelingsketen, die tot het paard leidden, niet eveneens in Europa en in Amerika volkomen identiek? Ik heb persoonlijk dit punt (juist dat punt, waardoor oorspronkelijk het geheele debat is aangekomen), nooit kunnen begrijpen. Als de ontwikkeling in beide gevallen bij voorbeeld bij den tienden trap der keten op hetzelfde paard kwam, waarom dan niet bij voorbeeld bij den zevenden trap op hetzelfde driehoevige dier? Als dat driehoevige dier in Europa wel op dat van Amerika geleek, maar er toch duidelijk van verschilde, dan eischte de eenvoudige logica, dat ook de „paarden” van hier en ginds, dat wil zeggen de eindelijk langs twee parallelle wegen veroverde eenhoevige dieren, wel op elkander geleken, maar toch ook verschillend bleven. Waarom de identiteit op het gedeelte tusschen driehoevig dier en paard plotseling in beide ketens moet binnen komen, is volstrekt niet in overeenstemming met het beginsel: gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen. Juist die verscheidenheid der oudere vormen heeft echter feitelijk den hefboom geleverd, om de zaak geheel en al omver te werpen en dat wel van het volgende, geheel verschillende standpunt uit.

Die beroemde Amerikaansche keten, waarvan wij de schakels als oorspronkelijke hoefdieren, vospaardjes, driehoevigen, kwasthoevigen, vingerdieren, zoo goed als het ging in Hollandsche namen hebben weergegeven, heeft natuurlijk ook haar vasten Latijnschen vaknaam. Gewoonlijk zijn zij voorbij de oorspronkelijke hoefdieren Euprotogonia en Phenacodus zelf reeds samengesteld met het Grieksche woord voor paard „hippos”. Van onderen naar boven vindt men daar tusschen den Phenacodus en den werkelijken hippos, het Amerikaansche [77]wilde paard, na een Hyrakotherium (waarbij men een oogenblik zou kunnen denken aan den Hyrax, den klipdas) een equide Protorohippos (nog in de vospaardjes), een Epihippos, (Mesohippos, Miohippos, waarbij men de driehoevigen voorbijkomt), een Merychippos als typische trap van de kwasthoevigen, en eindelijk een Hippidion voor onze pinkhoevigen. Voor een deel zijn het moeilijk te vertalen namen, die op zich zelf weinig beteekenen, en die de zoöloog dan ook alleen gebruikt als een soort gildeteekens. Het belangrijkste is, dat men van al die stevig aan elkander sluitende schakels der keten duidelijke skeletten bezit, die juist hier den zoo goed als onbetwistbaren stamboom leveren. Nu zijn echter met die vaste aansluitingen de massa’s der Amerikaansche paardebeenderen uit de tertiaire periode nog volstrekt niet alle uitgeput. Men heeft daar uit dien overvloed aan rijkdom nog een groote hoeveelheid equiden weder kunnen samenstellen, die als het ware uitloopers, bijloopers der hoofdlijn, voorstellen. Dieren, die niet behoorden in de lijn, die consequent opsteeg naar het echte paard, maar van de verschillende stations van dien stam als zijtakken of wilde loten afweken.

Zij speelden als het ware met de voortbrengselen van dat station, dreven die in de breedte, deden allerlei varianten op die voortbrengselen ontstaan, maar stierven gewoonlijk zelf weer uit, als de hoofdstam een trap hooger steeg, zonder dat zij zelf het tot den één of anderen eigen nieuwen top brachten. Iedere dierlijke stamboom, dien wij, waar ook, een stuk ver kunnen vervolgen, laat dergelijke wilde loten zien, dit moet diep in het wezen van iedere organische ontwikkeling liggen, en vooral in de opvatting van Darwin, als de voortdurende schifting uit een groot aantal verschillende [78]varianten, zou dit ook volkomen verklaarbaar zijn. Het latere duidelijke inzicht in het werkelijke verloop van den stam zelf wordt ons echter helaas zeer dikwijls moeilijk gemaakt door die voortdurend weer opborrelende massa van daarnaast loopende wilde takken en bijkomend kreupelhout. Het is als bij een werkelijken boom, waarbij men van verre alleen bladeren en takken ziet en niet den hoofdstam. Dergelijke bijvormen plegen in den tijd, die hun vergund is, een zeer buitengewone rol te spelen. Niet meer deelhebbend aan den eigenlijken vooruitgang, breiden zij zich oeverloos in de breedte uit. Zij beproeven alle mogelijke voordeelen van een veroverd station, alsof dat station hun definitieve ankerplaats was, zonder zich er over te bekommeren (overdrachtelijk gesproken) in wat voor uitersten en wat voor sloppen zij bij dat zich al te huiselijk inrichten mogen komen. Door de aanwezigheid van een ontzaglijk aantal individuen op een gunstig terrein kon een op een bepaald oogenblik bijzonder gelukkige variant zich zóó op den voorgrond dringen, dat in de versteende overblijfselen, waarin steeds toch gapingen voorkomen, later het echte type van dat station, dat tot verdere ontwikkeling is gekomen, gemakkelijk geheel voor den blik verloren gaat. Het groote aantal individuen dwingt dan dikwijls juist die ééne bijloot, zich verder uit te strekken als een rijk van knoppen voorziene tak; dat wil zeggen: de zich ophoopende individuen worden gedwongen het land te verlaten, zij verspreiden zich over wijde uitgestrektheden der aarde, en komen plotseling te voorschijn in geheel andere landen, waarheen juist de geologische verhoudingen van dien tijd een begaanbare brug hadden geslagen. Dit kan nu echter onder bepaalde omstandigheden veroorzaken, dat zij op plaatsen ver van de plaats van ontstaan en vervorming van [79]hun oorspronkelijke stamlijn, toevluchtsoorden vinden, waar zij veel langer kunnen blijven bestaan dan in de oorspronkelijke woning zelf, schuilhoeken waar geen zeis hun al te weelderigen groei afmaait en het noodlot van het station waar zij ontstaan zijn, ze op de oude plek schijnt te hebben vergeten. Dan blijft zulk een verstrooide troep millioenen jaren voortduren, hoopt voortdurend nieuwe catacomben op van zijn beenderen en maakt daardoor de juiste waardeering hunner beteekenis moeilijk.

Zoo ook is het met de paardachtige dieren van Amerika. Overal, waar een groot keerpunt in hun ontwikkeling gelegen is, waar men, menschelijker wijze gesproken, den indruk heeft van een tijdelijken stilstand in den ontwikkelingsstroom, van een tot adem komen, een verzamelen van krachten, begint telkens ook het schieten van ranken in de breedte,—de uitloopers treden op naast de equiden, die het doel der ontwikkeling waren.

Dit begint reeds op den trap der vospaardjes. Een eerste hoogtepunt wordt bereikt op den trap der driehoevige equiden, dus daar waar de wetenschappelijke taal spreekt van Miohippos en Mesohippos. In die dagen vertakte zich een zeer eigenaardige variant in Noordamerika van den hoofdstam af in den vorm van een equide: het Anchitherium. De naam beteekent het „nauw verwante dier”. Wij vatten het hier op als nauw verwant aan het reeds meest volkomene van die driehoevige dieren van Amerika, die behooren tot de echte paardenreeks. Nauw verwant, maar niet gelijk, want het is een op zijde afwijkende, in den zin der hoofdontwikkeling onvruchtbare variant, die zich heeft vertakt, nadat de typische driehoevige equiden reeds als zoodanig volkomen voltooid waren.

Een tweede hoogtepunt lag vervolgens bij de kwasthoevigen, [80]dus daar, waar de beide zijteenen met hun hoeven nooit meer den grond aanraakten, maar alleen nog slechts als groote overblijfsels aan weerszijden naast den steeds meer de overhand hebbenden middenteen en het „voetbeen” hingen. Hier heeft zich een in zijn soort zeer fraaie, sierlijke equide als variant in Amerika vertakt, gemiddeld van de grootte der kleine zebrasoorten van onze dagen. Deze nam de leelijke kwastvoeten mede, zonder daaraan iets te veranderen tot aan het einde van zijn geslacht. Voor het overige modelleerde hij in kleinigheden voortdurend aan het type van zijn station, zooals dit bij al dergelijke varianten gebruikelijk is. In zijn bovenkiezen gelukte het hem nog niet, het laatste titteltje op de i te plaatsen, dat noodig was, om een echt paard te zijn, namelijk den laatsten binnenbult geheel te laten invloeien in het arabeskenwerk der kraters en kammen. Daarentegen plooide hij aan de emailwanden der middelste kraters in het relief van de gebergten van die tandkronen zóó overdreven weelderig voort, dat die tanden nog veel meer dan bij het beeld van het echte paard er spoedig uitzagen als doorgesneden kroppen salade in het klein. Die „saladetandigen” heeft men in tegenstelling met de echte stamgetrouwe kwasthoevigen, die wetenschappelijk Merychippos heeten, Hipparion genoemd. Het woord heeft geen andere beteekenis dan „klein paard”. Men moet, zooals zoo dikwijls, een dergelijken Latijnschen naam niet opvatten alsof daarin een geconcentreerde beschrijving bevat is, maar als een etiquette, een soort van nummer ter onderscheiding. Dikwijls gebeurt het, dat dergelijke etiquettes in den loop der zich verbeterende systematiek van dier verwisselen; de naam kan dan onmogelijk meer met het dier in overeenstemming zijn. Een dier kan bij voorbeeld „viridis” heeten en toch [81]niet groen zijn, en zoo kon er ook bij ons „paardje” Hipparion van daag of morgen een variant gevonden worden, die zoo groot was als een rhinoceros, en die toch onder het merk „Hipparion” moest ingeschreven blijven.

Dikwijls toch hebben juist zulke uitloopers een neiging, ook te varieeren tot buitengewone grootten, wat trouwens in dit bijzondere geval tot nu toe niet is vastgesteld. Als een dier stevig op drie hoeven kon staan, kon met dien drievoet ook een zwaarder soort lichaam worden bewogen. Zoo heeft er bij dien trap der driehoevigen van die geheele dierengroep steeds een neiging bestaan, op te treden in forsche varianten; wij spreken daar nog nader over. De overgang tot het eigenlijk verfijnde experiment van het evenwicht op één enkelen hoef moest zich daarentegen, zoolang dat proces in wording was en zich nog niet volkomen had gelouterd tot zijn volmaking en technische voltooiing, uit den aard der zaak beperken tot vormen van gemiddelde grootte. Zoo is dan hier ons paard als slotproduct ook tevens de technische overmeestering van het zwaarste dier, en zijn omgekeerd op den trap der kwasthoevigen ook de varianten nog bescheiden van grootte.

Het eigenaardige nu van al die varianten onder de equiden is echter dit, dat zij, zooals men met den meesten grond mag aannemen, onmiddellijk aanleiding hebben gegeven tot het denkbeeld van een zelfstandigen paardenstamboom ook bij ons in Europa. Terwijl de eigenlijke stam in Amerika aangroeide tot het paard en alleen daar, hebben zich in herhaalde voorwaartsche bewegingen troepen van die varianten ver over de engere grenzen van Amerika heen verspreid. Zij zijn ook in Europa, in de oude wereld, opgedoken, hebben hier nieuwe en karakteristieke soorten gevormd, zijn [82]hier in een ontzaglijk groot aantal individuen gedurende lange tijdsruimten binnen de groote tertiaire periode in stand gebleven, maar zijn ten slotte iederen keer in het algemeen hier evenzeer onvruchtbaar ondergegaan als daar. Hoe meer men naast de paarden in Amerika, die aan de bedoeling der evolutie beantwoordden, ook de varianten daar leerde kennen, des te verrassender is het feit voor den dag gekomen, dat de belangrijksten onder die Amerikaansche varianten, zooals het Anchitherium en het Hipparion, in de soort volkomen identiek waren met de equiden, die men in Europa had beschouwd als de vertegenwoordigers van den daar aanwezigen, naar men meende, afzonderlijken paardenstamboom. Geen wonder dus, dat zij (die immers varianten waren van verschillende echte trappen van den stamboom, maar van den Amerikaanschen), ook aanknoopingspunten vertoonden aan een dergelijken stamboom, vooral als men ze eenvoudig achter elkander plaatste, en opvatte als een doorloopende keten van geslachten, waar bij voorbeeld het Anchitherium het Hipparion zou hebben voortgebracht. Geen wonder ook, dat zij, daar zij toch varianten waren, afweken van de echte Amerikaansche stamreeks. Juist die onmiddellijke werkelijke verdere ontwikkeling der Europeesche equiden van den éénen vorm tot den anderen, die eerst voor Europa een beeld zou leveren van een echten stamboom, is echter absoluut niet aan te toonen. Nooit zijn er tot nu toe werkelijke aanvullende vormen gevonden tusschen de oudste Europeesche equiden en het Europeesche Anchitherium, nooit tusschen dat Anchitherium en het Europeesche Hipparion, nooit ook tusschen dat Hipparion en ons paard. Alles spreekt er, zoodra men eenmaal weet, dat Anchitherium en Hipparion ook in Amerika voorkwamen en wel daar als [83]uitloopers, die buitengewoon taai en rijk aan individuen waren—alles spreekt er, zeggen wij absoluut voor, dat wij, hier bij ons, eenvoudig alleen te doen hebben met een Amerikaansch importartikel.

Om een dergelijken import te begrijpen, moet men zich echter de geografische mogelijkheden van dien tijd eenigszins voor den geest halen. Het denkbeeld, dat de Europeesche grassteppe der tertiaire periode geheel zelfstandig het paard uit de oorspronkelijke hoefdieren zou hebben ontwikkeld, en eveneens dat geheel zelfstandig ook de Noordamerikaansche steppe dit zou gedaan hebben, houdt rekening met moderne verhoudingen, niet met die uit vroegeren tijd. Voor ons liggen er tusschen Europa en Amerika zoo en zooveel dagreizen zeereis met het gezicht op de zee van horizon tot horizon. Dat was het gedeelte waterbrug, dat Columbus eerst voor ons moest overbruggen op een onbegrijpelijk vermetele vaart. Op een kunstig door menschenhanden gebouwd schip kon het eerste Spaansche paard eerst na een aantal dagen van zulk een vaart levend naar de overzijde komen. De oorspronkelijke feitelijke toestand, waarmede de tertiaire toestand begon, was daarentegen een geheel andere.

Europa was toenmaals een archipel, een eilandenland, ongeveer zooals tegenwoordig de Soenda-eilanden. Die Europeesche eilanden waren echter niet, zooals men ten minste zou verwachten, de voorposten van de Aziatische vastelandsmassa. Daar, oostwaarts, lag overal weer de zee. Het meest nabijzijnde, daartoe behoorende blok land, een overoud vastelandsstuk, strekte zich van het noorden van Scandinavië uit, zooals bij voorbeeld Achterindië tegenwoordig zich uitstrekt tot de Soenda-eilanden. Tegen dat landblok kwam, van het westen uit, Noordamerika te liggen. In verband met [84]de grootte van dat werelddeel en zijn oostelijke uitbreiding van toenmaals is het gerechtvaardigd te zeggen, dat Europa nog in het begin der tertiaire periode een groote archipel is geweest, die in oostelijke richting de voorpost was van Noordamerika. Die eigenaardige toestand bleef wel niet in zoo bijzondere mate gedurende de geheele tertiaire periode bestaan, maar toch is de weg van Amerika naar Europa in het midden dier tertiaire periode nog steeds verreweg korter geweest. Nog tegenwoordig vertoonen de insnijdingen van de verlengsels der groote Noordamerikaansche stroomen in den bodem der zee duidelijk aan, hoeveel verder de kust zich nog lang in de tertiaire periode daar in oostelijke richting heeft uitgestrekt tot in streken, die tegenwoordig diepe, scheidende zeeën zijn. En evenzoo wijzen de nog merkbare oude beddingen en delta’s aan gene zijde der Europeesche westkust op den tegenwoordigen bodem van den Atlantischen oceaan er op, hoeveel verder ook dat Europa, toen het zich langzaam uit een eilandenwereld tot een zelfstandig vastland ontwikkeld had, zijn landgrenzen nog lang in de richting van Amerika uitstrekte. Wanneer men hoort van het telkens heen en weer slingeren van grootere massa’s water en dan weer van grootere blootleggingen van land op het geheele noordelijke halfrond binnen de oudste en middelste tertiaire periode, moet het werkelijk onvermijdelijk schijnen, dat bij een dergelijke nabijheid der beide vaste landen van tijd tot tijd weer een aansluiting langs den drogen weg tusschen beide werelddeelen ontstond aan de uiterste voorposten, bij voorbeeld ongeveer zóó, als men tegenwoordig vindt tusschen Amerika en Azië, die bij de Behringstraat op een enkele plaats geen negentig kilometers van elkander verwijderd zijn,—een toestand, waarop dan gedurende langere tusschenperioden [85]weer een sterkere afscheiding door een breedere tusschenzee volgde. Toen ook die mogelijkheid eindelijk ophield, toen de tertiaire periode langer voortduurde, en de Atlantische oceaan zich als een steeds minder verbreekbare grendel tot op de breedten der poolstreken uitstrekte, toen was eindelijk de aansluiting van Europa ook aan het Aziatische vasteland voltooid, welke aansluiting wel is waar langs een ontzaglijke uitgestrektheid, maar toch ten slotte werkelijk een drogen weg aanbood tot diezelfde Behringstraat, waardoor Amerika van die zijde voor Europa was geopend.

Die geologisch-geografische opvolging van tooneelen komt nu niet alleen in hoofdtrekken, maar werkelijk punt voor punt overeen met het zoölogische beeld van een Amerikaansch-Europeesche immigratie der paardachtige dieren.

In die dagen, toen Europa nog als het ware een oostelijke archipel was van Noordamerika, waren zoowel vasteland als eilanden bevolkt met die oorspronkelijke groep der hoogere zoogdieren, waartoe ook de Condylarthren, de oorspronkelijke hoefdieren, behoorden. Wij vinden hun gelijksoortige overblijfselen op het vasteland, in Nieuw-Mexico, en in den uithoek van één der eilanden van den Europeeschen toenmaligen archipel, dien wij nog konden doorsnuffelen: bij Cernays in het tegenwoordige Frankrijk. Men had toen die eenheid in de dierenwereld, die vergeleken kan worden met den toestand van thans, waar Ceylon den olifant, Sumatra en Java den tijger en de één- en tweehoornige rhinocerossen gemeen hebben met het Indische vasteland. In ieder geval is het misschien reeds voor dien ouden tijd geen zuiver toeval, dat wij veel talrijker en vollediger overblijfselen van dergelijke oorspronkelijke hoefdieren (bij voorbeeld goed bewaard gebleven geheele skeletten van den beroemden Phenacodus) [86]uit het westelijke vasteland, dus uit Noordamerika, bezitten. De periode dier dierenwereld, die een organisch geheel vormt, schijnt dan ook nog de vorming en eerste ontplooiing der vospaardjes te omvatten. Dergelijke oorspronkelijke paardachtige dieren, behoorende tot de wetenschappelijke soorten Hyrakotherium en Pachynolophus, leefden te gelijker tijd in Noordamerika en in Frankrijk en Engeland. In ieder geval kon men ook bij dezen nog in twijfel verkeeren, waar zij als eerste paardachtige dieren begonnen zijn. Het ligt voor de hand, te beslissen ten voordeele van Amerika, daar men alleen voor Amerika kan aantoonen, dat zij als echte voorouders der paarden verder gingen. Immers van den bovensten eocenen trap tot aan den miocenen driehoevigen equide Miohippos volgen de verschillende deelen van den stamboom tegenwoordig uitsluitend in Amerika op elkander. Tusschen Europa en Amerika moet hier één dier „geografische scheuren geweest zijn, die de dierenwereld gescheiden hield. Indien de echte paardenstamboom ook in Europa in dien tijd evenwijdig met Amerika verder was voortgeloopen van het daar afgesneden deel der vospaardjes, dan zouden wij toch wel het ééne of andere spoor daarvan in de rijke Europeesche overblijfselen van beenderen hebben behouden gezien; maar niets daarvan is waar te nemen. Daarentegen verschijnt in Europa volkomen onafhankelijk later het Anchitherium, een Amerikaansche variant van dien Miohippos. Tijdelijk was er een landbrug ontstaan, een inval van dergelijke zwervende kudden van varianten is daarvan het gevolg geweest!

Maar daarna is in Europa een tijdlang de toegang gesloten geweest. Het Anchitherium is zonder nakroost op het vreemde gebied weer verdwenen—ook zonder een nieuwen toevoer, daar de miocene zee tijdelijk weer de Amerikaansche brug [87]onder water had bedolven. Toen kwam er plotseling weer een nieuwe toevloed van ginds. In ontzaglijke massa’s trekken nu weer over een hernieuwde brug die sierlijke, op zebra’s gelijkende Amerikaansche kwasthoevige varianten, de Hipparions. In weerwil van hun kwastbeenen moeten zij in hun zucht tot verbreiding, zeker begunstigd door een langdurige periode van groote steppen met kreupelhout zooals in het tegenwoordige Afrika, absoluut geen grenzen gevonden hebben. Zij bewogen zich in het Rijndal bij Worms, evenals in Pikermi bij Marathon, maar trokken nog ver voorbij Europa voort tot naar Algiers, Indië en China. Zóó reusachtig is hun verbreidingsgebied op een bepaald tijdperk, waarop het noordelijke halfrond blijkbaar bijzonder rijk aan land was, dat hun uiterste voorposten aan de Behringstraat oostwaarts weer Amerika moeten hebben bereikt, dus de reis om de geheele wereld moeten hebben volbracht. Men zou er bijna aan twijfelen, of niet ten slotte de geheele inval der Hipparions heeft plaats gehad over het uiterste Oostazië, in de nabijheid van Amerika. Maar in een dergelijke periode van land en steppen spreekt te veel ook voor een tijdelijk weder tot stand komen van den zooveel dichter bijgelegen Engelsch-Amerikaanschen doortocht.

Maar een dergelijk indringen over Azië is tamelijk zeker voor de daarop volgende laatste invasie. In Amerika had de ware paardenstamboom, zooals men zich zal herinneren, niet over het Hipparion zelf, maar over den echten kwasthoevigen Merychippos geloopen. Uit den Merychippos vormde zich het Hippidion (pinkpaardje), en uit het Hippidion kwam eindelijk het echte wilde paard voort. Het Hippidion heeft zich wel is waar, zooals wij meedeelden, ver uitgebreid tot naar Zuidamerika, maar het is, voor zoover men kan nagaan, evenals de latere echte paardenvoorouders, zelf niet in de [88]oude wereld gekomen. Daarentegen volgde nu daar in het laatste deel der tertiaire periode, in het Pliocene tijdperk, een binnenstroomen van de nu eindelijk vermoede echte wilde paarden, dat geleek op dien inval der Hipparions.

Voor het eerst sedert zoo langen tijd kwam met hen niet een zijvariante, maar als het ware het origineel der keten, en wel dezen keer de spits zelf, uit Amerika over. Daaruit wordt bijzonder eenvoudig verklaard, dat dezen keer de inval in de oude wereld niet een zóódanige was, die tot heden voortduurde, maar dat hij ook in de oude wereld in een groote zelfstandige verdere ontwikkeling geleid heeft tot de vele en verschillende gedeeltelijk thans nog levende paardenvormen, tot onze Aziatische wilde paarden, de Afrikaansche zebra’s, de Aziatisch-Afrikaansche wilde ezels en ten slotte, met behulp van de symbiose met de menschen, tot de cultuurrassen. Alles doet echter vermoeden, dat die invasie van wilde paarden dezen keer uitsluitend gebruik maakte van den Aziatischen weg. Een Amerikaansch-Europeesche brug heeft er in deze betrekkelijk late periode tamelijk zeker niet meer bestaan. De oudste beenderen van wilde paarden uit de oude wereld liggen in Azië aan het Himalayagebergte. Het maakt den indruk, als ware de immigratie niet in snelle vaart, maar in verschillende etapes zeer geleidelijk geschied. Zelfs in Noordamerika zelf is het te zien, hoe het zwaartepunt der verspreiding van de echte wilde paarden in het westen, dus ook aan de Aziatische zijde ligt. De laatste achterblijvers daar ginds hebben later nog in Californië en Alaska geleefd. En evenzoo is nog tegenwoordig de steppe van Centraalazië de laatste schuilplaats van het oudste wilde paard, dat er nog op aarde is, het merkwaardige Przewalskipaard. [89]

Dit is naar alle waarschijnlijkheid de oplossing van den ingewikkelden roman der geschiedenis van de paardachtigen en de paarden. Met minder paradoxale eigenaardigheid, maar toch nog met genoeg in spanning houdende afwisseling! Wie zou die lange keten van overgangsvormen en van natuurspelingen niet nog weer eens in levenden lijve in den zoölogischen tuin willen zien herleven! Daar zelfs het meest volkomen skelet de meeste menschen geen helder fantasiebeeld voor oogen voert, zou men zoo gaarne alle kunstmiddelen te hulp roepen, om een aanschouwelijke voorstelling te verkrijgen.

Voor de kwasthoevigen zou er een kleine kans bestaan, als het bij toeval eens gelukte een paartje van de vroeger besproken misgeboorten uit onzen tijd, bij wie nog een kwastteen bij wijze van atavisme gevonden werd, in één onzer dierentuinen verder te fokken. De beelden, die ik van dergelijke vertraagde „Hipparionpaarden” tot nu toe heb gezien, maken trouwens met hun vreeselijke logheid van den geheelen voet steeds op mij een slechten indruk van een ziekelijken, veel te weligen groei, die ten minste geen beeld zou kunnen geven van een in het algemeen zoo sierlijken kwant als het Hipparion. Omgekeerd kan de in het „Dierenboek” beschreven klipdas, die tegenwoordig bijna in iederen zoölogischen tuin wordt gevonden, een denkbeeld geven van den benedensten hoek bij het station der oorspronkelijke hoefdieren; hij geeft ons het begrip van een kleinen voorganger van het paard uit een ver van ons afgelegen oorspronkelijke wereld, een dier van de grootte van een konijn, met een dikken pels en met platte voeten met verschillende teenen. Daarmede zou nu het materiaal zijn afgesloten, als niet de oneindige rijkdom der natuur aan spelingen ons niet nog een onverwachten uitweg had geboden, die voor ons een [90]volkomen nieuwen en uiterst leerrijken en tevens aanschouwelijken hoek van den zoölogischen tuin plotseling weder vruchtbaar weet te maken.