Dat ons huispaard en de schoon geverfde zebra nauw bij elkander behooren, weet iedere leek. Ook de enge verwantschap van paard en ezel is van oudsher algemeen bekend. De dierentuin pleegt daaraan reeds uitdrukking te geven, en wel hierdoor, dat hij die typen een plaats naast elkander inruimt, wanneer dit gaat zelfs in een bepaald „paardenhuis”. Maar er is daar nog een bijzonder pronkstuk, dat de plaats niet met hen deelt, maar dat door den bezoeker daar eveneens gezocht wordt in verband met zijn naam: het nijlpaard of de hippopotamus. Die kolos, onvergetelijk voor een ieder, die hem eenmaal heeft gezien, heeft intusschen in weerwil van den naam direct absoluut niets te maken met onze echte paarden en evenmin met de oude equiden der voorwereldlijke tijden. Zijn naaste verwanten zijn de zwijnen, dus dieren, zeer ver van het paard verwijderd. De leek wordt weer eens door een woord op een dwaalspoor geleid; de Grieksche dierenschilders hebben daartoe het eerst aanleiding gegeven.
Die oude Grieken hadden het nijlpaard in Afrika gevonden, dat wonderland van de grootste en meest merkwaardige zoogdieren. Toen vele eeuwen later de Europeesche cultuur het tropische Amerika ontdekte, dat reeds van het begin af de verrassende beelden van een volkomen nieuwen menschenstam en een nooit gezienen weelderigen plantengroei vertoonde, kwam er een korte periode, waarin men geloofde, dat die „nieuwe wereld” ook dergelijke ongehoorde typen [91]van reuzendieren moest opleveren. Het bleek echter zeer spoedig, dat dit onjuist was. Amerika was toen arm (verarmd is eigenlijk het juistere woord) aan groote zoogdieren.
Toch ontdekte men langzamerhand in kleinere afmetingen menigen vorm, die, ten minste wat de groep betreft, waartoe zij behoorden, verwant scheen aan de Afrikaansche reuzen. En de eerste berichten uit Zuidamerika omtrent dieren kondigden hier nu ook een nijlpaard aan uit de nieuwe wereld, al was het dan ook een miniatuur-nijlpaard. In de moerassige bosschen der onmetelijke stroomgebieden aan den Orinoco en de Amazonenrivier moest het wonen, evenals zijn reusachtige broeder aan den Boven-Nijl. Het dier, dat men hier op het spoor was, leefde werkelijk, en tegenwoordig vindt men het in iederen zoölogischen tuin. Maar het is geen Amerikaansch nijlpaard. Het heeft niets met het nijlpaard te maken. Het was de tapir, dien men op die wijze onverhoopt had ontdekt. In de achttiende eeuw, in den tijd van den grooten Buffon, werd men er zich ook uit een dierkundig oogpunt van bewust, dat men hier een eigenaardig, individueel dier voor oogen had. Men beschouwde het nu als een typischen vertegenwoordiger van een zuiver Amerikaansche dierengroep, die in de oude wereld in het geheel niet vertegenwoordigd was, en rekende den tapir naast luiaard en gordeldier tot de zoölogische wonderen van Amerika.
Doch in het begin der negentiende eeuw moest men hier weer iets anders leeren. In de dagen van Buffon was de sage onder de dierkundigen verspreid, dat het echte nijlpaard, al is het dan ook niet in Amerika, dan toch in de oude wereld, dus ook in Indië huisde. In dien vorm was dat weer onjuist geweest. Maar ook hier wierp de ontdekking van een merkwaardig [92]zoogdier der Indische tropen haar schaduw voorop. In de Chineesche werken over natuurlijke historie was dat schepsel reeds lang beschreven. Ook Europeanen, die echter toevallig niet allen natuuronderzoekers waren, die aan het gilde waren aangesloten, hadden het langzamerhand herhaaldelijk gezien. Het hoogtepunt werd bereikt, toen een exemplaar, dat nog steeds niet beschreven en nog niet benoemd was, in een kleinen zoölogischen tuin te Calcutta kwam. Daar werd nu dan toch in 1816 iemand er opmerkzaam op. Het was reeds de bloeitijd van den grooten Cuvier. Cuvier had juist de uiterst vermetele stelling verkondigd, dat er nu wel geen enkel groot en in het oog vallend zoogdier op aarde was, dat nog zou kunnen worden ontdekt. De straf volgde op den voet, voor zoover dit voor een zoo opgewekten ontdekker een straf kon zijn. Cuvier zelf moest in het jaar 1819 de eerste diagnose van dat dier uit Calcutta publiceeren. Het gold, zooals ontwijfelbaar bleek, een Indischen tapir. Al vertegenwoordigde de Amerikaansche tapir daarginds niet het nijlpaard, toch vertegenwoordigde hij dus een echt in de oude wereld aanwezig dier. Maar toch geen Afrikaansch dier. Behalve uit het Indische en Amerikaansche gebied is sedert dien tijd geen levende tapir meer bekend geworden. Wat voor een „bloedverwant” had men echter in die beiden vóór zich?
Indien de tapir werkelijk een verkapt miniatuur-nijlpaard geweest was, dan had hem dat, zooals gezegd is, van geen hoefdier verder verwijderd dan van het paard. Ook toen men reeds lang dat verband had over boord geworpen, was men het volstrekt nog niet onmiddellijk eens over zijn ware plaats in het stelsel. Nog in het jaar 1877 kon een man met zulk een scherpen blik voor dierentypen als Brehm den [93]tapir als overgangsvorm aansluiten aan den olifant—een gelijkenis, die ten minste bij de levende vertegenwoordigers nauwelijks ergens anders op berust, dan op het feit, dat de olifant het meest in het oog vallende „slurfdier” is onder de zoogdieren, en dat ook de tapir ten minste een korte slurf bezit. De slurf alleen is echter voor de zaak niet beslissend, want er zijn buitendien nog slurfdragers in verschillende zeer ver van elkander gelegen orden van zoogdieren. De waterspitsmuis Woechoechol hebben wij reeds met een slurf leeren kennen, de Afrikaansche „olifantspitsmuizen” worden reeds voldoende door haar naam gekarakteriseerd, en eveneens de rob uit de zuidpoolstreken, de „zeeolifant”. De vreemdsoortige gezichtsgevel der neusapen is ook beslist een echte slurf, en, hoe vreemd het ook moge klinken, zelfs onze menschenneus, al heeft die ook den meest idealen Griekschen vorm, is een even onmiskenbaar op een slurf aangelegd orgaan. Speciaal onder de hoefdieren, waartoe in ieder geval de tapir behoort, is echter een slurf een zeldzaamheid. Maar reeds Cuvier had in zijn tijd, toen hij de eerste voorwereldlijke equiden uit fossiele beenderen in het skelet weer samenstelde en de vleeschomtrekken daar omheen trachtte te teekenen, uit allerlei aanwijzingen de gevolgtrekking gemaakt, dat juist bij die oude bloedverwanten der paarden ten minste eertijds nog slurven aanwezig geweest waren. Een paard in zijn tegenwoordigen bouw met een slurf, is, om het zoo uit te drukken, een spookachtige verschijning. Juist zoo iets uitwendig „vleeschachtigs” als een slurf in ieder geval is, nog af te lezen van den naakten beenigen schedel, blijft steeds een uiterst moeilijke zaak. Maar men heeft werkelijk alleen maar die aansporing noodig om tapir en paard met elkander te vergelijken, opdat hij, die eenmaal [94]het beenderenalfabet heeft geleerd, om geheel andere redenen tevens geleid worde tot de meest merkwaardige betrekking tusschen die beide dieren.
Trouwens betrekkingen—en dat is tevens het eigenlijk interessante—niet met het thans levende paard, maar met het paard, toen het nog stond op één der meest karakteristieke trappen der voormalige paardachtige dieren. Men vergelijke slechts beider voetskeletten: en op eens nadert de tapir zeer dicht tot die jongere vospaardjes, die van achteren zoowel als van voren nog stevig liepen op drie hoefteenen, maar die tevens van voren ook nog een vierden teen (den „pink”) als kwastteen of als reserveteen voor sommige gelegenheden bezaten. Het is niet te loochenen, dat bij alle vier voeten van onzen tapir de belangrijkste zwaarteas reeds door den middensten teen (den „middenvinger”) gaat; in dit opzicht zou men hem met recht een wordend paard kunnen noemen. Maar er is nog geen sprake van een concentreeren op den eenigen onvertakten stam van dien voornaamsten teen. Van voren is de voetboom nog duidelijk in vier takken gesplitst, waarvan ieder de hoefvrucht draagt, en van achteren in minstens drie takken. En daarenboven is nu verder, volkomen als bij de oude vospaardjes, de middenvoet veel korter en plomper dan bij ons paard; de zuil van het benedenbeen en den benedenarm is nog niet, zooals bij het bovenbeen, één geheel geworden, maar duidelijk gesplitst in ellepijp en spaakbeen, in scheenbeen en kuitbeen; in het gebit is nog steeds de hoektand zoowel beneden als boven aanwezig; de eerste voorkies is zoowel boven als onder in wankelbaren toestand; de voorste kiezen naderen in vorm reeds meer of minder sterk tot de echte kiezen, die kiezen zelf zijn echter nog kort en van krachtige wortels [95]voorzien, zonder cement in de kroon; op die kroon vindt men nog ongeveer het „oorspronkelijke gebergte” van den equidenstam, namelijk de eenvoudige bergkegels, vier in getal, juist voor het eerst door bergjukken zwak met elkander verbonden. Waren er overigens niet een aantal dingen in den bouw geheel anders, dan zou men geneigd zijn, dien tapir naar zijn skelet eenvoudig te beschouwen als een nog levend, zeer groot vospaard der eocene periode.
En daarbij komen dan nog directe geologische feiten, die zelf van een verrassende harmonie en overeenstemming zijn. Reeds in den tijd der latere vospaardjes zelf leefde, zooals uit onloochenbare vondsten van beenderen blijkt, in Noordamerika zoowel als bij ons in Europa in grooten getale een dier, zoo groot als een tapir, de Lophiodon, in het Hollandsch de heuveltand, een dier, dat den tapir nog nauwer verbond met de oudste equiden. Cuvier zelf heeft het reeds beschreven. Reeds in de oligocene periode kwam ook nevens de echte equiden een afzonderlijk schepsel voor den dag, dat reeds in zoodanige mate den specialen bouw van onzen tapir had, dat het Protapirus, in het Hollandsch „voortapir” moest genoemd worden. Ja zelfs ook in de miocene periode, dus eerst in het midden van het tertiaire tijdperk, komt zoowel ginds in Amerika als bij ons reeds de volkomen echte tapir voor den dag, zooals hij nog in de levende soort „Tapirus” bestaat. Hij is reeds zóó vroeg aanwezig, dat bijna aan den egel, als vroeger vermelden stamvader der soort, als oudste overlevend zoogdier, dat tot nu toe zelfs niet de soort heeft gewijzigd, zijn rang wordt betwist. Een echt voorwereldlijk wezen is dus in levenden lijve nog in onze zoölogische tuinen terecht gekomen, en tevens een dier, dat nog treffend aan de vospaardjes herinnert. [96]
Hij is echter in dien tijd niet met de echte equiden vooruit gegaan. Als één van die „uitloopers” naast de groote lijn zou hij moeten beschouwd worden, als een wezen trouwens, dat het wonder heeft klaar gespeeld, tot heden toe zoowel in de oude als in de nieuwe wereld stil in een uithoek voort te leven. Dat laatste zou inderdaad een sterk stuk zijn. Het veel jongere Hipparion is in weerwil van zijn voorbeeldelooze verbreiding en ontzaglijk aantal nog niet zoover gekomen. Men zal dan hier nog wel een bepaalde bijzonderheid moeten op den voorgrond stellen. Zulke uit- en bijloopers van den grooten paardenstam, zooals dit Hipparion of vroeger het Anchitherium, vormden een onvruchtbaar voortwoekerend kreupelhout op de ééne of andere plaats, het zonderde zich als soort af, bracht allerhanden soorten voort als klein bladerwerk, en stierf ten slotte af zonder zelfstandig naar boven op te schieten. In de lijn, die zich in den Lophiodon het eerst had losgemaakt van de vospaardjes en reeds zeer vroeg gekomen is tot den tapir zelf, zullen wij daarentegen eer een zoodanige soort van een uitlooper moeten constateeren, die van onderen heel in de diepte uit den gemeenschappelijken stam der oorspronkelijke equiden een kort bijstammetje deed rijpen. Een korten tijd groeide het weelderig op, als wilde het evenwijdig met den hoofdstam omhoog. Het bleef niet bij die ééne soort of familie, maar het had in die oorspronkelijke dagen, nog zoo zeer in de nabijheid van de groote groeikracht van den wortelstok, kracht genoeg, het tot een geheele reeks van families te brengen, waarvan de top uit den tapir bestond. Maar met dezen was dan ook de heerlijkheid geëindigd in den zin van een werkelijke verdere ontwikkeling. De zaak bleef stilstaan. Maar het was, alsof de groeikracht van den stam [97]dezen keer ten minste onuitputtelijk behouden was gebleven in de taaiheid, waarmede individuen werden voortgebracht en in stand bleven, zoodat de tapir tot heden toe als het ware levend versteend in den ouden vorm behouden bleef.
De zaak is naar twee kanten van belang voor den grooten samenhang der paardensoorten. Aan den éénen kant toch bevat zij eigenlijk nog een nieuw argument tegen die theorie, volgens welke de oudere stamboom der equiden zich langs twee van elkander onafhankelijke wegen heeft opgewerkt tot het echte paard, bij voorbeeld van het vospaardje af. Hier hebben wij een voorbeeld van een dergelijken parallellen gang juist op den kruisweg, waar het vospaard staat. Er is echter, zooals blijkt, dezen keer geen echt paard ontstaan in de zijwaarts loopende lijn, maar alleen een tapir, die bij alle taaiheid van zijn in leven blijven tot heden toch nog in den bouw zijner tanden en pooten niets anders is dan een zeer groote en dikke gewijzigde soort van een vospaard.
Aan den anderen kant echter bezitten wij juist daarom nu werkelijk nog in onzen dierentuin in vleesch en huid een dier, dat van alle dieren op aarde het eenige is, dat ons ongeveer een beeld kan voor oogen stellen, hoe ook de echte lijn der paarden op het station der vospaarden leefde en er uitzag. Hier wordt de tapir, bijna volkomen eenzaam in het stelsel als hij tegenwoordig is, plotseling één der meest interessante schepselen van den geheelen zoölogischen tuin. Hij is een overlevend oorspronkelijk paard uit de eocene periode.
Als men hem zoo beschouwt, dan wordt thans ook juist zijn verschil in uiterlijk met ons voltooid paard bijzonder leerrijk. Zoo uiterst verschillend zagen die voorvaderlijke paarden, die van voren nog drie hoeven en een kwasthoef droegen, [98]er dus toen nog uit, als men ze niet alleen in het doode, stijve skelet, maar als werkelijke vette, snuivende dravers in het vochtige oerwoud van die dagen had kunnen waarnemen. Inderdaad kan onze tapir tegenwoordig met een goed geweten met geen tweede, levend zoogdier worden vergeleken. Hij is eenig in zijn soort, en alleen in de oorspronkelijke paardenwereld der oudheid zouden wij iets kunnen vinden, dat met hem overeenkomt. Zoo moet hij ons als alleenstaand dier van die oorspronkelijke wereld verhalen.
Het juiste bijvoegelijke naamwoord ter karakteriseering van den tapir is „rond”. Hij heeft iets van een groot, blinkend achterdeel. Eenigszins keert ook bij hem dat karakteristieke slecht gestopte, het te stevig naar achteren toe gestopt zijn terug, dat zoo in het oog vallend gevonden wordt bij buideldieren, en waarin op de ééne of andere wijze een ouderwetsch kenteeken moet steken; het is het grootste dier, dat ik ken, dat daarbij die merkwaardigheid vertegenwoordigt; het korte staartstompje vermeerdert nog den indruk. Het eigenlijk rondachtig-vette, spekachtige in de geheele gestalte wijst echter reeds op de levenswijze. Wilde dieren, die hun levensonderhoud moeten verdienen, zijn gewoonlijk gespierd, maar niet vet. Het vette zwijn is niets anders dan een cultuurproduct, in wilden toestand is het zwijn juist een magere klant. Er is slechts één uitzondering, die den indruk mogelijk maakt van een gezwollen hangbuik: aanpassing aan het water. Zij brengt, zooals reeds Goethe opmerkt, het lichaam van het zoogdier in het stadium van smelten. Het hoogtepunt bereikt dit bij de walrussen en groote walvisschen, waarbij de werkelijke oplossing van vet tevens nog dienstbaar is aan de verwarming in de poolzee. Maar ook het nijlpaard verschaft ons reeds een goed voorbeeld. Zijn vormen [99]zijn inderdaad aan het vervloeien, alsof een wasmodel smolt, waarbij de voeten reeds gaan meegeven en de buik zich naar den grond beweegt. De tapir nu heeft evenzeer iets daarvan, hoewel nog steeds binnen de grenzen gehouden door het paardentype. Hij is onmiskenbaar een dier, waarbij het water de vormen begint los te maken. In die beteekenis is hij, met zijn echte verwantschap met het paard, in den waren zin het eigenlijke „rivierpaard”.
Wat wij werkelijk weten van de levenswijze der tapirs, is daarmede volkomen in overeenstemming. Zij gaan gaarne te water, zwemmen voortreffelijk, leven grootendeels blijvend in tropische wouden bij de groote rivieren, met hun mengelmoes van takken, slingerplanten en struiken. Doch meer dan het eigenlijke water om te zwemmen is het moeras, de weeke, drassige bodem, de wereld van den oneindigen humus onder den door den regen vochtigen tropischen plantengroei hun domein. Als men den tapir ijverig ziet heen en weer waggelen op de harde planken van zijn verwarmde cel in den dierentuin, dan is er geen tweede soort hoefdier, dat zoo weinig op harde hoeven, en zoozeer op weeke, fluweelen zolen loopt. Het groene fluweel van het moeras is het, dat eigenlijk in die voeten van den tapir voor ons elastisch op en neer beweegt. En het geheele dier waggelt evenzeer als de bodem van zijn vaderland. Hoe ver was eens nog de weg van zoodanige vormen tot den trotschen, gespierden, stevigen wilden ezel of het wilde paard in hun niets meegevende grassteppe.
Met de vochtigheid van het moeras hangt ook het eigenaardig korte, blanke, afgeschuurde haar van die vette lichamen der tapirs samen. In verband met de merkwaardige met witte vlekken voorziene kleur van den rug bij de Indische [100]soorten, is bij mij voortdurend weer onwillekeurig de herinnering ingeprent, alsof de tapir volkomen naakt was als het nijlpaard, wat feitelijk echter volstrekt niet het geval is; het is slechts alsof hij met een machine zoo kort mogelijk was geschoren. Maar volkomen in het kader past bij het als een worst opgestopte lichaam op de korte pooten de vreemde vorm van den kop met de korte slurf. Bij den Indischen tapir, die trouwens al het typische in het overdrevene vertoont als een caricatuur, hangt de slurf werkelijk als een vooraan slingerende worst aan het geheel vast. Terwijl zij aan den wortel met haar last het geheele bovenprofiel beheerscht, schijnt zij het oog merkwaardig diep naar beneden te hebben gedrongen. Bij den rhinoceros is iets dergelijks geschied door den zwaren hoorn, maar daar is juist in dat bovenste gedeelte het profiel bijzonder treffend uitgebeeld tot een arabeske der meest woeste kracht. Het gezicht van den tapir verkrijgt,—daar zijn oog alleen door een vleeschkussen verschoven wordt en tevens iedere plooi in het voorhoofd door dat kussen wordt gladgetrokken tot een eenvoudigen boog van de kruin tot aan de spits van den neus—iets beschroomds en onnoozel goedmoedigs. Men kan den tapir niet aanzien, zonder hem voor een stompzinnigen, ongevaarlijken klant te houden, waarschijnlijk veel meer dan hij dat werkelijk is. Wat een groote stap is het ook van hier tot het voorname profiel van het paard! Ik stel mij voor, dat de echte voorvaders der paarden, hoezeer zij ook met den tapir overeenkwamen, toch niet zulk een worstslurf hebben gehad, en juist hierin was een voordeel gelegen voor hun hoogere ontwikkeling, terwijl die slurf de oorzaak was van het doodloopen in den tapir. Doch dit is niet te bewijzen.
In onze dierentuinen kan men tegenwoordig beide soorten [101]zeer voldoende bestudeeren: den donkeren Amerikaanschen tapir en den Indischen, die de zoo bijzonder treffende benaming van Schabrak-tapir heeft gekregen. Als men dat laatste vette dier, dat evenals alle halve waterdieren gaarne lui ligt en zich over den grond wentelt, met zijn eigenaardige merkwaardige kleuren ziet: achter op den rug van het anders eentonig chocoladezwart gekleurde lichaam eenvoudig niets dan een groote witte vlek en daarbij nog de zwarte duivelsooren blinkend wit gezoomd—dan zal de leek steeds weer tot het vermoeden komen, dat het dikke dier tegen een meelvat heeft gestooten of in het gips heeft gewenteld. Als wij hooren, dat het schildhuisachtige zwart-wit van den zebra in de vrije natuur een schitterend verdedigingsmiddel is, dat de gestalte van het dier van verre laat vervloeien, dan kan men dat kleed van den tapir beschouwen als een dergelijke mimicry in zijn woud, waar de tijger op de loer ligt; de witte kalkvlek is als het ware een op zich zelf staand licht tusschen kop en staart, dat op een dwaalspoor leidt. En ook voor de verwantschap met het paard is het interessant, dat juist dit voorwereldlijke wezen reeds als het ware het palet draagt, om een zebra te maken met zwarte en witte strepen over het geheele lichaam. Feitelijk echter vertoonen de jongen van den Schabrak-tapir en zeker ook van ten minste één der Amerikaansche soorten, zelf reeds een teekening van witte vlekken en streepjes op een donkeren achtergrond. Niet, zooals bij den zebra, loodrecht op den rug, maar in de lengte, evenwijdig met den rug. Volgens de wet, dat jonge dieren dikwijls nog kenmerken der voorvaderen herhalen, zou men dus tot de gevolgtrekking kunnen komen, dat de huidteekening van den Protapirus en van de oude vospaardjes en oorspronkelijke hoefdieren oorspronkelijk [102]ook uit zulke strepen in de lengte bestaan heeft, waaruit dan de Schabrak van den tapir te voorschijn kwam. Bij het gereconstrueerde beeld van den Phenacodus op de plaat in het „Dierenboek” zijn niet willekeurig, maar uitsluitend op grond juist van dien gedachtengang, dergelijke strepen voor de huid van dat oorspronkelijke hoefdier gekozen, hoewel geen menschenoog die ooit heeft gezien.
In vroegere jaren was die Schabrak-tapir een hooge zeldzaamheid in onze dierentuinen. In den dierentuin te Keulen, waarin ik als jongen als het ware ben opgegroeid, was zijn waarneming voor mij steeds een onvervulde wensch, die steeds gevoed werd door teekeningen van het fantastische dier. Tegenwoordig is hij een gewoon pronkstuk geworden, en in Keulen zelf heb ik niet lang geleden het schoonste paar aangetroffen. Vooral als hij van achteren neerhurkt als een reusachtig knaagdier (een houding, die ook door den tweehoornigen neushoorn gaarne wordt aangenomen, en hier en daar zelfs door paard en ezel), heeft hij voor mij altijd iets van Chineesche, stijve, bontverlakte kunst. Zooals de Indiërs hunne schrikverwekkende goden voorzagen van gestileerde olifantsslurven, zoo hebben ook de oude Indiaansche kunstenaars der verwoeste culturen in Centraalamerika hun tapir gaarne als ornament gebruikt, met zóó overdreven gedraaide slurf, dat de mythe kon ontstaan, dat men daar nog mastodonten of mammouths als levende modellen had gehad.
Zooals de grootere en vettere Indische tapirs, zoo zijn ook die Amerikaansche tapirs, die in volwassen toestand bijna effen donker zijn, dieren der tropen. De meeste van die oude diervormen hebben het niet meer verstaan, toen het tropische klimaat, dat in het oligocene en miocene tijdperk over geheel Europa en Noordamerika bestond, plaats had gemaakt [103]voor een gewijzigd klimaat, zich aan die gewijzigde omstandigheden aan te passen; in het noorden zijn zij te gronde gegaan, en hebben het alleen daar uitgehouden, waar het klimaat tropisch bleef. Zoo verklaart zich zonder moeite, dat het tapirvolk, dat eertijds van tropisch Amerika af tot aan tropisch Azië leefde over geheel Noordamerika, Europa en de tusschenliggende landbruggen, tegenwoordig, nadat in het noorden zooveel wisselingen van het klimaat hebben plaats gegrepen, alleen nog slechts aan de twee uiterste hoeken der tropen blijft voortleven. En het is mij daarbij alleen onbegrijpelijk, waarom hij ook uit het aequatoriale Afrika is verdwenen. De eenige kleine aanpassing, die hij nog op het Zuidamerikaansche vasteland heeft kunnen volbrengen, was het opstijgen in het gebergte, in de Cordillera’s, die zich zelf eerst in de tertiaire periode, toen de tapir reeds bestond, langzaam uit het vlakke oerwoud hebben omhoog gewerkt, en den tapir evenals een groot deel van den plantengroei uit het oerwoud heel onmerkbaar hebben medegevoerd. Iets meer wollig behaard en met een kleine neiging, om aan wangen en randen der ooren weer lichter te worden, gaat de bergtapir daar nog tegenwoordig langs de beken der gebergten tot op een hoogte van twee duizend meters.
Merkwaardig is daarbij, dat twee van die, wat hun woonplaats betreft, zuiver Amerikaansche tapirsoorten zonder schabrak, in een anatomisch kenmerk (den bouw van het neustusschenschot) dichter staan bij den Indischen tapir dan de beide andere Amerikanen. Het is, alsof in vroegere tijden hier twee oorspronkelijke varianten naast elkander geïmmigreerd zijn, die beide bijna donker bleven, terwijl alleen de ééne van hen ook naar Indië kwam en daar het zwart-witte kleed ontwikkelde. Men zou daaruit de gevolgtrekking kunnen [104]maken, alsof ook die ver afdwalende spruit der oorspronkelijke equiden van huis uit een zoon van Noordamerika is geweest, zeker wat den rijkdom betreft.