[Inhoud]

Naar den feitelijken toestand zou dit anders niet onvoorwaardelijk noodig behoeven te zijn. Toen de tapir ontstond, leefden, zooals wij gezien hebben, vospaardjes zoo goed in Europa als in Amerika. En in een analoog geval weten wij tamelijk zeker, dat het ontstaan van een dergelijken weelderigen tak aan den oudsten equiden-stamboom in die dagen feitelijk ook in Europa heeft plaats gegrepen. Juist in diezelfde eocene periode, toen de stam der tapirs zich, in het begin trouwens zeer zacht, afboog van het station der vospaardjes, moet daar nog een loot zijn voortgebracht, die leidde tot een groep van halfpaardachtigen, die men op hun korte hoogtepunt Palaeotheriën of „oude dieren” heeft genoemd.

Cuvier doopte ze zoo, toen hij hun beenderen in groote hoeveelheden te voorschijn haalde uit de gipslagen van den Montmartre te Parijs. Het was toenmaals het eerste uitgestorven zoogdier, dat uit ver vervlogen tijden—de gips daar was een afzetting uit een groot meer uit de eocene periode—in nog al groote gedeelten van zijn skelet te voorschijn kwam. Cuvier ontwierp zijn geheelen omtrek en zelfs het met vleesch bedekte lichaam, dat hij in hoofdzaken het type gaf van den grooten tapir. Later heeft een tot in bijzonderheden volkomen bewaard gebleven geraamte de geniale juistheid van die teekening schitterend bevestigd. Men had hier echter bij dien reeds lang weer verdwenen bewoner van den ouden Parijschen zeeoever, zooals Cuvier ook reeds zag, volstrekt niet te doen [105]met een echten tapir. Wij weten thans, dat het ook geen echt vospaard was.

Het Palaeotherium, dat door Cuvier langen tijd zóó populair bleef als geen tweede uitgestorven dier, was in dien duidelijk uitgesproken vorm zoo groot en nog grooter dan een tapir, het naderde bij enkele soorten in grootte tot den neushoorn. Daarbij had het op dien trap, die tevens bijna reeds zijn laatste was (nog in de eocene periode is het in tegenstelling met den taaien tapir weer uitgestorven), aan ieder der drie voeten eigenlijk slechts drie hoeven in gebruik, waarbij nog maar alleen aan de voorvoeten een griffelbeen kwam van den pink. Hier waren dus vospaard en tapir eigenlijk reeds voorbij gestreefd tot in den eerstvolgenden hoogeren trap der equiden. En merkwaardiger wijze hadden die Palaeotheriën ook reeds tanden, die veel meer op die van paarden geleken. Op hun hoogsten trap hadden zij in de kiezen reeds een begin van cementvulsel, terwijl die kiezen goed uitgegroeid waren, en tevens naderden hier de voeten bijna reeds tot het stadium der kwasthoevigen. Maar toch is er geen sprake van echte, voorwaarts schrijdende equiden van den hoofdstam, en Cuvier had in ieder geval nog meer gelijk, als hij ten minste den uitwendigen totalen omtrek in verband bracht met groote tapirachtige dieren, die zeer licht van voet waren. Men zou met een zekere onrust een antwoord kunnen wachten op de vraag, waar en hoe zich dan die merkwaardige uitloopers moeten hebben afgescheiden van den hoofdstam.

De plaats is, zooals wij reeds mededeelden, volgens alle tot nu toe gedane vondsten, alleen Europa; uit Amerika is geen enkel overblijfsel onzer musea afkomstig, terwijl de beenderen in Frankrijk, Engeland, Zwitserland, en in groote hoeveelheden op de Zwabische en Frankische Alpen liggen. [106]De oplossing van het geheele raadsel is zeker wel, dat de eigenlijke plaats der vertakking, evenals bij den tapir, gelegen was bij de vospaardjes, en wel zeker bij de Europeesche uit die dagen. De kleine, weelderig bloeiende tak heeft zich dan echter blijkbaar een heel stuk ver werkelijk zelfstandig naar boven opgewerkt—hooger nog dan de tapir in weerwil van zijn taai voortleven ooit is gekomen. De trap van het griffelbeen naar den pink, die bij den tapir nog kwast is, en het cement in de kiezen zijn naar alle waarschijnlijkheid zelfstandig door die Palaeotheriën verworven.

Dit is nu weer interessant in verband met het vroeger meegedeelde. Als ooit een zijtak den aanleg had gehad, in den zin van die hypothese van de evenwijdige dubbele ontwikkeling een „Europeesch paard” onafhankelijk voort te brengen, dan zouden het die Palaeotheriën hebben kunnen doen. Wat is echter te voorschijn gekomen? Wij kunnen dit in dit bijzondere geval nauwkeurig nagaan. Een groote tapirvariant met zeer groote tapirtanden met eenig cementvulsel en met tapirpooten met een rudimentairen pink van voren en eenige neiging een kwastjestapir te worden. Maar dat was dan ook alles. Van verdere ontwikkeling in de richting van het echte paard anders geen spoor. Het laatste Palaeotherium sterft, zooals wij reeds hebben gezegd, reeds met de oude, eocene periode uit.

Het is echter volstrekt niet te ontkennen, dat het jammer is, dat die Palaeotheriën in ieder geval op hun ontwikkelingstrap niet zoo taai geweest zijn als de tapir. Terwijl de tapir, hoewel dan ook als zijtak, ons in menig opzicht thans nog het vospaardje doet zien, het Palaeotherium had ons eenigszins het voorwereldlijke paardachtige dier doen zien (al is het dan ook niet volkomen getrouw), zooals het [107]er uitzag op het station van het zuiver driehoevige dier.

Gelukkig toeval! Die Europeesche lijn is verdwenen tot op de beenderen, evenals de driehoevige paarden zelf. In Noordamerika echter was in die onverwoestbaar productieve eocene periode toen ter tijde nog een derde uitlooper ontkiemd, die zich eenerzijds even stevig, ja zelfs nog wat krachtiger, op dien trap der driehoevige dieren plaatste, maar anderzijds, toen hij eenmaal daar was gekomen, dezelfde taaiheid van leven heeft geopenbaard als de tapir, zoodat wij in allen ernst ook nog heden zijn nakomelingen in onze dierentuinen vinden. De neushoorn, de reusachtige rhinoceros met zijn hoogst karakteristieke gestalte, dien ieder kind kent, is niets meer of minder dan eveneens een zoodanige overoude, afgedwaalde driehoevige equide uit die dagen.

Toen Albrecht Dürer de schets gezien had van een ouden Indischen neushoorn, gaf hij daarnaar een uitgewerkte teekening, die in Gesners „dierenboek” is medegedeeld. Het kolossale dier is op een gedeeltelijk overdreven, gedeeltelijk karakteriseerende wijze omgestileerd tot een schepsel, dat een kunstig pantser draagt als voor een tornooi. Onwillekeurig denkt men aan de ridderpaarden van vroeger, die een metalen harnas als een ijzeren huid om zich heen hadden. De hoorn van het monster maakt den indruk van de scherpe punt van een dolk op een dergelijk paardenharnas. Die teekening van Dürer, waarbij een overmoedige luim de teekenstift schijnt te hebben geleid (het was juist Dürer, die als hij de dieren zag, ze tot in het huiveringwekkende toe natuurgetrouw kon weergeven), heeft onbewust de waarheid gevoeld. De neushoorn is een verpantserd paard. Hierin is uitgedrukt, wat die twee met elkander verbindt en wat ze scheidt. [108]

Men stelle zich een kwaden ouden hengst voor van meer dan gewone, Herculische krachten. Door het ééne of andere toeval, nemen wij aan door een huidziekte, is zijn huid hard geworden als die van Siegfried uit de Sage. Deze is daarbij zwaar, ruw, vol vouwen geworden als een groot veld van litteekens, en tevens bijna geheel van haren beroofd. Maar zij is van nu af aan zóó hard, dat menige vroegere aanvaller hem al niets meer kan maken. Op verschillende plekken is die Siegfriedhuid met tamelijk dikke eeltknobbels bezet. Een dergelijke knobbel is ook op den rug van zijn neus gekomen. Oorspronkelijk heeft het dier zich daarmede gewreven, toevallig daarmede gestooten. Daarna is het, als een aanvaller kwam, er toe overgegaan den knobbel met opzet als stootblok te gebruiken. Daardoor is de verharding langzamerhand dikker en dikker geworden, totdat zij eindelijk een wapen vormde, zooals het paard het nooit heeft bezeten, en wel een wapen dat te gelijker tijd op den geheelen kop drukte. Nu had de leelijke klant het gezelschap van andere paarden niet meer noodig, hij kon nu alleen wel den strijd om het bestaan voeren. Zoo vermeed hij de kudde en werd hij kluizenaar. De razende vlucht voor den vijand was nu voor hem niet langer noodzakelijk. Zoo werd hij in het gewone leven logger, als een dier, dat niet meer zoo vlug behoefde te zijn. Terwijl vroeger zijn geheele kracht zich concentreerde op het onrustige, vluchtige voortjagen, zoekt hij die nu op toenemende afmetingen. Hij wordt een reus naast zijn soortgenooten. Maar toch sluimert in hem nog altijd de oude renner. Als het noodig is, vliegt ook hij nog voort als een stormwind, wat haast ongeloofelijk schijnt bij die stijve huid, dien zwaren kop en die grootte. De levendigheid, het impulsieve van den angst in het vluchtende [109]paard is bij hem, die thans de aanvaller is, tot bijna zinnelooze woede geworden. Al is zijn oog opmerkelijk klein onder den schaduwwerpenden toren van den grooten neusknobbel, toch zijn de oude paardenzintuigen niet uitgedoofd. Als het ware als een vergoeding voor de stijve huid, die bijna geheel gevoelloos is, is zijn reukvermogen nog scherper geworden. Die huid is zóózeer versteend, dat vogels zich daarop neerzetten als op een rots. Maar wanneer die plotseling opvliegen, weet het dier dat signaal te verklaren, en stelt het zich in postuur tegen het naderende gevaar. Zoo ontstond de neushoorn.

Zoo eenvoudig als ik het in die enkele zinnen heb verhaald, zijn de natuurlijke wegen, die het dier in zijn ontwikkeling heeft gevolgd, natuurlijk niet geweest. Maar er ligt toch een allegorische waarheid aan ten grondslag. De neushoorn, die met zijn indrukwekkend, men zou wel kunnen zeggen van potsierlijkheid stijlvolle gestalte weer eenzaam in den zoölogischen tuin schijnt te staan als nauwelijks een tweede dier, is in beginsel alleen te begrijpen, als men de trekken van het paard daarin tracht te vinden en die begrijpt. Maar men moet die dan weder van een historisch oogpunt opvatten. Ook de neushoorn is niet eerst later uit ons reeds gevormde paard ontstaan, evenmin als de tapir. In hem steekt een oude trap der equiden, en het heeft dien trap dan nog individueel zóó vervormd, dat men dien als het ware nog eerst in hem moet uitgraven.

Van alle levende hoefdieren is de neushoorn het eenige, dat op alle vier pooten op drie teenen, drie hoeven loopt; de middelste voetteen is daarbij de stevigste. Wie hem in den dierentuin met die pooten achter de tralies ziet staan, kan met het oog op dat getal zeggen, dat hij hier werkelijk [110]nog één der driehoevige paardachtige dieren in levenden lijve vóór zich ziet. Die driehoevige dieren van den echten stam daarginds in Amerika van de grootte van een schaap, zoowel als het grootere Anchitherium, dat tot zelfs naar Europa rondzwerft, die verloren zoon van den stam op dien trap,—liepen indertijd, met die drie hoeven, zooals de neushoorn het thans nog doet.

En met een zoo vroegen trap van paardachtige dieren zijn ook weer een geheele reeks andere karakteristieke dingen in overeenstemming. Indien de neushoorn op dat station gedurende millioenen jaren als het ware levend versteend is, zooals dit bij den tapir op het daaraan voorafgaande station het geval is geweest, dan moeten scheenbeen en kuitbeen, ellepijp en spaakbeen aan die vier onderbeenen nog gescheiden en tevens volkomen ontwikkeld zijn; en dit is ook inderdaad het geval. Bij zijn kiezen zouden de verbindende dwarsjukken der oorspronkelijke bergtoppen reeds meer versterkt zijn dan bij den tapir, en de eerste vullingen met cement zouden moeten begonnen zijn, terwijl te gelijker tijd de korte tand zich als het ware op de wijze der paarden ten koste van den wortel zou moeten beginnen naar boven uit te strekken; dit alles kan men zelfs binnen de verschillende nog levende soorten van neusdieren op meerdere overgangstrappen volgen, totdat het op den bovensten trap volkomen vervuld is.

Daarbij komen trouwens nu ook spoedig de trekken, die ons even onmiskenbaar wijzen op den uitlooper, het afdwalende, ver afwijkende paardachtige dier uit die dagen. In de eerste plaats de kolossale grootte. Reeds vroeger is gezegd, hoe juist zulke uitloopers een neiging hadden grooter te worden dan de vertegenwoordigers der echte reeks, die [111]naar het paard leidt. De tapir was ook grooter dan de vospaardjes. Maar hier is het verschil zelfs met het echte paard als grootste eindstation nog geweldig groot. De lichaamslengte van den neushoorn kan vier meters overtreffen. Indien enkele horens der Afrikaansche soorten in de musea nog een heel eind langer zijn dan een meter, dan weet men nauwelijks, hoe ontzettend groot men zich het oude exemplaar moet denken, dat een dergelijk wapen op den neus kon dragen.

Die horens, waarvan de levende soorten gedeeltelijk slechts één, gedeeltelijk ook twee dragen (enkele abnormale individuen bezitten er volgens Schillings zelfs tot vijf toe) zijn dan zelf bijna het allermerkwaardigste aan die reuzen; geen enkel paard of paardachtig dier toch heeft ooit voorheen iets dergelijks bezeten of bezit het nog. Doch men meene niet, dat die horens de dieren zoo bijzonder ver uit de reeks wegleiden, als het oppervlakkig schijnt. Als zij eenmaal aanwezig zijn, „drukken” die hoorns in ieder geval sterk op den vorm van den kop van den rhinoceros. Zij bepalen in zekeren zin dien vorm. Maar het is volstrekt niet waar, wat de leek steeds geneigd is aan te nemen, dat een dergelijke hoorn zelf een stuk schedel is. Hoe vreemd het ook moge klinken, die hoorn is een stuk huid. Ik heb dien zooeven afgeleid van een soort eeltknobbel. Als men het nog pakkender zou willen uitdrukken, zou men werkelijk kunnen zeggen, dat hij een ontzaglijk groote eksteroog is. Naar zijn inwendigen bouw is het een ontzaglijke woekering der epidermis, de opperhuid, waarin zich een soort van haarvormige hoornvezels tot een bijzonder stevige massa vereenigen. Daarom kan die onder bepaalde omstandigheden worden afgeworpen en weer vervangen worden zooals een eksteroog, die wordt [112]afgesneden en toch weer aangroeit. Als men direct aan onze eigen handen waarneemt, hoe hard werk met een bepaalde plek der handen, steeds weer eeltknobbels veroorzaakt, en men tevens hoort, hoe de wilde neushoorns hun hoorn behalve voor den aanval ook vlijtig gebruiken om zich een weg te banen, takken te breken en wortels uit te trekken, dan kan men moeilijk de meening van zich afzetten, dat een steeds hernieuwd gebruik van dat gedeelte van den neus gedurende een aantal geslachten dien grooten eeltknobbel eindelijk moet hebben gekweekt; dat gebruik moet dan oorspronkelijk gegrond geweest zijn op de gewoonten en de noodzakelijkheid bij de ontstaande neushoorns, om zoo takken en wortels te breken.

In ieder geval echter moet een zoo ontzaglijke eeltvorming volkomen zonder beendereninhoud wel niet anders denkbaar geweest zijn dan bij een dier, waarvan de huid om andere redenen reeds in het algemeen zoo ongeloofelijk ruw en hard geweest was, en in vergelijking bij voorbeeld met de echte huid van een paard inderdaad reeds een soort van eeltmassa. Hoe de neushoorn aan een dergelijke „rhinoceroshuid” is gekomen, is een vraagstuk op zich zelf. Bij de boven gegeven allegorische voorstelling zeide ik, dat zij van een huidziekte afkomstig kon zijn. Laat ons liever zeggen: van een vervorming der huid. Naar analogie van dien specialen hoornknobbel moest men eigenlijk naar een prikkel zoeken, die tot op zekeren graad op dergelijke wijze reeds vroeger op de geheele huid van het lichaam zou hebben gewerkt. Men zou weer kunnen denken aan de rol van het water, die bij voorbeeld de met caoutchouc overeenkomende gladde dikke huid van het nijlpaard heeft geschapen. Ook de neushoorns zijn groote liefhebbers van het water, zooals men in iederen [113]zoölogischen tuin kan waarnemen. Bepaalde voorwereldlijke geslachten van neushoorns, de zoogenaamde teloceraten, schijnen diezelfde eigenschap in het overdrevene te hebben bezeten, en hun algemeene vorm met hun bijzonder korte beenen en uitgespreide teenen moet inderdaad onmiddellijk aan het nijlpaard hebben herinnerd. Maar in den hoofdstam van hun in het leven gebleven vormen ontbreekt aan de neushoorns het eigenlijk „los geraakte”, het onder den invloed van het water vervloeide der gestalte bijna in even sterke mate als bij den olifant; bij al zijn logheid, die bepaald wordt door de algemeene lichaamszwaarte en vooral door de eenzijdige belasting van den kop, bewaart de rhinoceros nog iets straks, veel meer dan wij dat bij den tapir waarnamen. Op zijn weeke zolen is hij toch in het wezen der zaak een slenterende voetganger, dien men zich het liefst denkt in een open steppe met kreupelhout, zooals hij die in tropisch Afrika voor zich beschikbaar vindt. Beenderen van voorwereldlijke neushoorns liggen steeds weer vereenigd met die van echte paardachtige dieren uit de steppen. In de diluviale periode, toen Europa nog zijn laatste inheemsche neushoorns levend bezat, behoorden zij nog tot de stoffeering van de steppe en voedden zij zich met steppengras zooals de wilde paarden uit die dagen en de Saïga’s of steppenantilopen. Doch een andere eigenschap geeft te denken.

Over den eenhoornigen neushoorn, wiens huid het sterkst geplooid en het meest met wratten is voorzien, kan men somtijds in den zoölogischen tuin de vergelijking hooren, dat hij er uitziet als ware hij overtrokken met een korst van slib, die, na gedroogd te zijn, tot kussentjes is opgestapeld. Nu is de wilde neushoorn boven zijn eigen met plooien bedekte huid werkelijk ook nog overtrokken met [114]een laag stof of slib. De grootste Afrikaansche soort, die tegenwoordig naar alle waarschijnlijkheid reeds bezig is uit te sterven, draagt in de jachtverhalen gewoonlijk den naam van den „witten neushoorn”, hoewel er geen witte rhinocerossen als soort bestaan. De hier blijkbaar bijzonder typische gewoonte, zich rond te wentelen in poelen met slijk, en dan als het ware met een heldere „kalklaag” rond te loopen, heeft aanleiding gegeven tot dien naam. Een dergelijke deklaag heeft ten doel, te beschermen tegen insecten. Men weet, hoe vreeselijk juist de paarden door muskieten geplaagd worden. Dat is nu van oudsher tot aan de oorspronkelijke paardachtige dieren uit het begin der tertiaire periode zeker eveneens het geval geweest. De strijd met de insecten moet van oudsher één der moeilijkste factoren geweest zijn uit den strijd om het bestaan van alle hoefdieren. Het is dus in ieder geval denkbaar, dat een groep van oude equiden juist dit middel gemaakt heeft tot een vaste gewoonte, om zich vóór iederen tocht met een korst van slijk te overtrekken. Hierin kon dan de prikkel of de factor der teeltkeus gelegen hebben, die de huid zelf langzamerhand wijzigde. Het haar zou dan bijna geheel verdwenen zijn, de huid daarentegen zich bros en knobbelachtig verdikt hebben. Men zou kunnen zeggen, dat het proces tot heden toe bij de neushoorns niet geheel is voleindigd. In weerwil van hun dikke huid hebben zij nog steeds van insecten te lijden en blijven zij zich met slijk bedekken, evenals de olifant zich immers ook (hier met de practische hulp der slurf) gaarne stof over zijn huid strooit. Het kan ook zijn, dat de insecten in de verfijnde wijze van hun aanvallen zelf door eigen aanpassing dat sluwe middel hebben weten te verijdelen, immers tegenwoordig wordt de neushoorn vooral geplaagd [115]door teken (woudluizen) waarvan ééne soort, de Dermacentor rhinozerotis, als plaaggeest in het bijzonder alleen aangepast schijnt aan den neushoorn, en alle andere groote dieren der Oostafrikaansche steppe versmaadt. Een zekere hulp tegen die onaangenaamheid schijnen tegenwoordig weer de ossenpikkers te bieden, een soort van spreeuwen, die gewoon zijn over den reusachtigen rug van den neushoorn te loopen en die de parasieten weghalen, om die te verteren. Doch ook dit heeft weer zijn bezwaren, daar de vogels met hun spitsen snavel de dikke huid op verschillende plaatsen erg kunnen verwonden. Maar ook dit bezwaar wordt weer geneutraliseerd door het nut, dat die gevederde „huisdieren” aan den anderen kant weer opleveren: immers de vogels vliegen, zoodra een vijand maar eenigszins in de nabijheid komt, krijschend op, en maken zoo den neushoorn opmerkzaam, die wel is waar, als een oud paardachtig dier, voortreffelijk speurt, maar slecht ziet, en overal daar door zijn zintuigen in den steek wordt gelaten, waar het speuren niet helpt, terwijl de vogels (die in het steppengras hoog op zijn bult balanceeren) omgekeerd voortreffelijk zien.

Neemt men aan, dat dergelijke gewoonten, overgenomen van het ééne of andere oorspronkelijke paardachtige dier, het pantserachtige zware geplooide hemd en in zijn gevolg ook (als uiterste resultaat van een neusknobbel in die huid) den hoorn hebben geschapen, dan is het overige geschiedkundige verloop werkelijk tamelijk doorzichtig. De dikke huid en de hoorn maakten van het schuwe vluchtende dier langzamerhand een bijna niet aan te tasten weerbaar en aanvallend dier. De rhinoceros is tegenwoordig zelfs tegenover den mensch één der vreeselijkste aanvallers, die er [116]in onze hedendaagsche dierenwereld zijn. Daarmede echter werd het van minder belang, of hij zoo goed kon rennen en of het dier zich verder ontwikkelde in de richting der beweeglijkheid (hoewel de neushoorn tegenwoordig nog in geval van nood een flinke renner is) terwijl te gelijker tijd pantser en neuswapen door hun toenemend gewicht er toe leidden, dat de geheele machine in dien zin geremd werd en er een oeconomische besparing in de beweging plaats had. Zoo blijkt het onvermijdelijk geweest te zijn, dat de neushoorn niet is overgegaan tot het steil opbouwen van zijn werkelijken paardenhoef en het tot één geheel maken der teenen, maar dat hij in al de taaiheid van zijn leven bij het stadium van driehoevig dier is blijven staan. Het vrije kloppen van het vlakke veld met slechts één veerkrachtigen hoef en daarbij in de eerste plaats de volharding van het paard is hem vreemd gebleven. Zelfs zijn drie hoeven heeft hij niet verder ontwikkeld in de richting van lichte kloppers van den grond, maar hij is meer overgegaan tot een stempelgang; het deel der pooten onder het polsgewricht en het spronggewricht gelegen, verbreedt zich gelijkmatig, totdat het den bodem bereikt, waarop het rust met de eivormige zool; de middelste van elk drietal hoeven is ongeveer tweemaal zoo breed als ieder der beide zijdelingsche. Het dier draagt daardoor zijn ontzaglijk gewicht op zijn manier nog al gemakkelijk, ja zelfs bijna sierlijk, terwijl hij bovendien dreigend snel kan loopen als op zachte pantoffels; wij leggen den nadruk op „nog al” gemakkelijk, en dat nog wel alleen binnen beperkte ruimten. Van dieren, die verder trekken, zijn de neushoorns dieren geworden, die blijven op een bepaalde plaats, en van gezellige dieren, zijn zij in verhouding tot hun bloedverwanten, [117]de paarden, kluizenaars geworden. De eenhoornige neusdieren leven, naar men meent, in zeer bijzondere strenge monogamie. De jonge tweehoornige neushoorn uit Oostafrika, die niet lang geleden door Schillings gebracht was in den zoölogischen tuin in Berlijn, vertoonde een zeer in het oog vallende, in haar soort werkelijk aandoenlijke liefde voor een paar kleine geiten, welke liefde, in Afrika begonnen, zich in Berlijn voortzette tot groot vermaak van alle bezoekers—wat toch een bewijs is van de ten minste beperkt voortdurende behoefte naar gezelligheid van dat dier, dat eertijds in kudden leefde.

Het is niet gemakkelijk, om nu dezen theoretischen weg met werkelijke historische feiten te illustreeren. Wel behoort de neushoorn tot de weinige dieren, die ons niet alleen tot heden levende nakomelingen achterlaten, maar die ons in bijzondere omstandigheden ook lijken uit de voorwereldlijke dagen zelf hebben overgeleverd met huid en vleesch. Nog in de diluviale periode, te midden van de groote verandering in klimaat der zoogenaamde ijsperiode, leefden, zooals wij reeds opmerkten, ook in Duitschland talrijke steppenneushoorns. Vooral in Taubach bij Weimar is er door praehistorische menschen in groote hoeveelheden op gejaagd en zijn zij neergeveld, zooals uit de uitgegraven overblijfselen van die beroemde vindplaatsen der oorspronkelijke menschelijke beschaving duidelijk wordt aangetoond. Evenals van de mammouths, zoo zijn nu ook van dien diluvialen neushoorn enkele ijsmummies in de plooien van sedert dien tijd niet ontdooide Noord-Siberische gletschers tot heden toe bewaard gebleven. Men kan daaraan nog een dichten rood en wit gevlekten pels op de harde huid herkennen, evenals op den mammouth uit die dagen, die ook dik behaard was [118]in tegenstelling met onze tropische olifanten van tegenwoordig. Het ligt voor de hand, dat neushoorns, die op gletschers gingen wandelen, zich in ieder geval een verwarmenden haarpels hadden aangeschaft, ook al waren hun voorvaderen reeds wie weet hoe lang te voren bijna zuiver naakthuidige dieren geweest. Men moet denken aan den ijsbeer, bij wien zelfs onder dergelijke omstandigheden de voetzolen een pelsbedekking hadden. Hoe interessant die geheele zaak met die in stand gebleven Siberische mummies ook moge zijn, leidt zij ons toch slechts naar een uitzonderingsgeval op een betrekkelijk zeer laat geologisch tijdstip. Uit de oudere lagen, waarop het eigenlijk aankomt, hebben wij daarentegen weer alleen beenderen, en kunnen wij zelfs over de horens alleen gevolgtrekkingen maken uit den schedel, die daaraan toch in meerdere of mindere mate eenigszins is aangepast.

Toch zijn de overgeleverde geologische bijzonderheden op zich zelf interessant genoeg. Wat zij ons in de eerste plaats onweerlegbaar aantoonen, is, dat ook de neushoorn niet maar een eenvoudige nevenvorm is op den reeds veroverden trap van het paardachtige dier met drie hoeven, maar dat het, evenals die vroeger genoemde „oude dieren” of Palaeotheriën, een zij het dan ook ten slotte onvruchtbaren aanloop van eigen ontwikkeling een eind ver ten minste in zich zelf heeft gehandhaafd.

De oudste schedels, die ontegenzeggelijk iets bezitten van den lateren rhinoceros, zijn reeds afkomstig van de grens der vospaardjes. De dieren, tot wie die schedels behoorden, waren klein en hadden oorspronkelijk aan den voorpoot nog de vier vingers, die de tapir tot heden nog heeft behouden. Het bezit van zuivere drie hoeven is daarna blijkbaar [119]eerst zelfstandig verkregen binnen den zijtak aan gene zijde van de vertakking uit den paardenstam. Het is ook mogelijk, dat die vertakking, die dus zeker ook reeds bij de vospaardjes volgde, eerst recht over den Lophiodon ging, die in een andere richting veel conservatiever den Protapirus en den tapir heeft voortgebracht. In ieder geval is die zijtak daarna nog een heel stuk op zich zelf verder geloopen. De plaats was oorspronkelijk naar alle waarschijnlijkheid ook Amerika. Daar wendde zich een zeer oude groep in weerwil van haar reeds merkbaar neushoorntype nog eens met kracht naar de richting van het loopen der echte paardachtige dieren. In die groep ontwikkelden zich lange halzen en hoe langer hoe slankere onderbeenen met een bepaalde voorkeur voor den middenteen. Hier zou het dus in Amerika zelf bijna tot een evenwijdigen tak zijn gekomen, die onafhankelijk pooten en een gang als van paarden had voortgebracht. Maar ook dit kan niet verklaard worden in de beteekenis der vroeger besproken theorie der verschillende wegen bij ons paard, immers zelfs als die poging was gelukt, zouden daarbij toch slechts dieren voor den dag zijn gekomen met pooten als van paarden, maar met een kop als van een neushoorn, dat ziet men reeds bij het eerste begin; maar die geheele soort van hardloopende neushoorns is trouwens vroeg weer uitgestorven.

Een andere oude groep ontwikkelde haar hoektanden tot groote slagtanden. Misschien was dat een uiterste groep van wortelgravers, die echter nog geen hoorn bezaten. Maar daaruit is ook verder niets geworden.

Bij de echte neushoorns in den engeren zin, dus bij dat gedeelte van den zijtak, dat nog tot op onze dagen voortleeft, is betrekkelijk het duidelijkst, wat wij nog wankelend en als [120]het ware heen en weer schommelend kunnen volgen, de hoorn. Een aantal vertegenwoordigers maken onmiddellijk den vasten indruk, dat zij nog geen horens droegen, ten minste in ieder geval geen neushoorn. Men heeft ze dan ook de aceratheriën, de „hoornlooze neushoorns” genoemd, een woord, dat volkomen juist uitdrukt, dat een bepaald type van neushoorns in ieder geval historisch reeds bestond, ook voordat het werkelijke neuswapen nog behoefde te bestaan. Zoodanige hoornlooze dieren hebben in het midden der tertiaire periode blijkbaar reeds in groote hoeveelheden in Noordamerika geleefd, maar ook in Duitschland hebben zij nog wat later in het Rijndal voortgeleefd. Ook zij hadden nog steeds stevige onderste hoektanden, die als het ware geschikt waren om te graven, en aan den voorpoot nog een heel klein vierde kwastteentje.

Die kleine kortbeenige langgerekte nijlpaardneushoorns, waarover wij reeds gesproken hebben, dragen daarentegen hun hoorn ver aan de voorzijde op de uiterste spits der neusbeenderen. Een gelijktijdig voorkomende tweede soort heeft reeds den naam van tweehoornigen neushoorn, doch dit beteekent hier, dat op ieder neusbeen een afzonderlijke hoorn zat, zoodat de beide horens niet achter, maar naast elkander uitstaken, iets wat een uiterst vreemden indruk moet hebben gemaakt. De merkwaardigste proefneming was echter de keus tusschen een hoorn gewoon op den neus en een op het voorhoofd.

Bij onze levende tweehoornige rhinocerossen moet reeds eenvoudig uit gebrek aan plaatsruimte de tweede hoorn, als deze achter elkander gelegen zijn, in plaats van op de echte neusbeenderen, op het voorhoofdsbeen boven de oogen komen. Nu bestond echter een tijd lang blijkbaar ook de mogelijkheid, dat slechts één hoorn werd ontwikkeld, maar dat ook [121]deze op het voorhoofd werd geplaatst. Het type, dat hier ontstond, moest, zooals wel onmiddellijk duidelijk wordt, tot een dier leiden, dat thans behoort tot de „mythen der zoölogie: een nog meer of minder op een paard gelijkend groot wezen met een langen, spitsen hoorn op het voorhoofd—in het kort tot den éénhoorn”. Onze wapens vertoonen ons dat legendarische, overal beroemde dier als een heuschelijk paard met een langen, gedraaiden hoorn, die scheef op het voorhoofd naar boven loopt. De mythe, dat die „éénhoorn” een nog levend schepsel is, is uit het oosten afkomstig. Wat men als het wapen van den zoogenaamden eenhoorn in vorstelijke variëteitenmusea als een hoogst merkwaardig en kostbaar iets bewaarde en men in kleine hoeveelheden zelfs als allervoortreffelijkst geneesmiddel aan vorstelijke patiënten ingaf, is gebleken iets geheel anders te zijn: die gedraaide spitse stangen zijn niets anders dan een echte tandmassa, en wel zijn zij als geheel ieder een kolossale hoektand, die afkomstig is van een zeezoogdier, den narwal, dus van een walvisch. Aan wat voor een dier echter de mythe van den éénhoorn zich vastknoopt, is tot op den huidigen dag niet met zekerheid opgelost; mogelijk is intusschen het volgende.

In die oude tijden schommelde het tongetje van de weegschaal, in welke richting bij bepaalde rhinocerossen de hoorn zou gaan, zooals gezegd is, heen en weer; het was niet uitgemaakt, of hij op den neus, dan wel, zooals dat bij de eenhoorns zou moeten zijn, op het voorhoofd zou komen. Bij die aceratheriën waren de neusbeenderen inderdaad zóó zwak, dat zij zeker geen hoorn konden dragen. Daarentegen vermoedt men, dat toen reeds vormen, met een hoorn op het voorhoofd, voorkwamen. En dat is dan het beginsel en tevens [122]de uiterste consequentie geworden bij een in zijn soort werkelijk afgrijselijken neushoorn, die nog in de diluviale periode in de Rijnprovinciën en in Siberië heeft geleefd,—het Elasmotherium. Zijn gereconstrueerd beeld hebben wij reeds in ons „Dierenboek” weergegeven. Het was de grootste neushoorn, die ooit heeft bestaan. De schedel alleen was ongeveer een meter groot. In zijn hoektanden liet hij de grootste buitensporigheid zien, die ooit bij tanden van neushoorns waren waargenomen: in hun prismatischen vorm met zwakke wortels zijn het formeele paardentanden geworden, als wilde hier nog eens voor het allerlaatst een neushoorn als uitlooper ten minste in dat ééne punt den paardenstam trachten in te halen. Te gelijker tijd zijn echter de glazuurplooien zóózeer in arabesken gewonden, dat men herinnerd wordt aan den echten bijlooper der paardachtige dieren, het Hipparion, het dier, dat onder dezen de meest buitensporige windingen der tandplooien doet zien. Blijkbaar dus in ieder opzicht een groote zonderling. Dat Elasmotherium heeft nu op het voorhoofdsbeen boven de oogen (en alleen hier, niet ook op den neus) een zóódanigen halfbolvormigen beenknobbel, dat er werkelijk geen andere verklaring mogelijk is, dan dat daarop een ontzaglijk groote hoorn heeft gezeten. Voor dien reus met de kracht en de woede van een neushoorn ongetwijfeld een ontzettend wapen. Een beter geologisch model voor den eveneens als een vreeselijk dier geschetsten eenhoorn der mythe is niet goed denkbaar. Nu is het echter met die diluviale dieren een eigenaardige zaak. In hun tijd zijn zij zeker wel allen nog door menschen gezien en gejaagd, in ieder geval door praehistorische menschen. Vele soorten zijn toen volkomen verdwenen, zoo bij voorbeeld die roodgevlekte neushoorns [123]van Weimar, die groote overeenkomst hadden met onzen tegenwoordigen tweehoornigen Afrikaanschen neushoorn, de mammouths en nog andere. Andere zijn echter tot heden in stand gebleven. De muskusos leeft nog binnen den poolcirkel, de Saiga-antilope in Zuidrusland, het wilde paard in Centraalazië—allen makkers uit dien voormaligen tijd. Beenderen van het Elasmotherium liggen in Siberië. In dat Siberië verhalen nu Mongoolsche jagerstammen, de Toengoezen, van ontzaglijke zwarte stieren, die eens bij hen het land onveilig zouden hebben gemaakt; op het voorhoofd zouden zij één enkelen hoorn hebben gedragen, zóó groot, dat een geheele slede nauwelijks groot genoeg was, om dien als jachtbuit te vervoeren. Is dat nog een gerucht van het Elasmotherium, dat nog voor het laatst weerklinkt? En heeft de mythe van den éénhoorn daar zijn aanknoopingspunt gevonden? Het zijn alles open vragen, maar merkwaardig genoeg, waarvoor wij misschien later nog eens aanwijzingen zullen vinden.

Intusschen moeten wij ons hiermede tevreden stellen, dat van al die merkwaardige bijloopers der paardachtige dieren, de neushoorns, nog een paar pronkstukken levend tot ons gekomen zijn. In Noordamerika zijn zij reeds vroeg geheel verdwenen. Naar Zuidamerika schijnt reeds geen enkele soort meer gekomen te zijn, toen de verbinding daarmede weer hersteld was. Daarentegen heeft de oude wereld voor hen reeds van een bepaalden voorwereldlijken tijd af als hun natuurlijke woonplaats gediend, waar zij zich langen tijd zoo weelderig mogelijk hebben kunnen ontplooien. Met heel wat meer energie dan de tapir hebben zij aan de invallende koude daar in het noorden nog weerstand geboden, maar eindelijk zijn ook zij alleen tot de tropen beperkt geworden. [124]Op het hoogland van Tibet, waar de sneeuwluipaard op roof uitgaat en op de hellingen van het Himalayagebergte de merkwaardige Gnoe klimt, hebben ten slotte nog neushoorns geleefd, die aan die gebergten waren aangepast,—tegenwoordig vinden wij ook van deze nog slechts beenderen. Toch zijn nog drie scherp van elkander gescheiden soorten levend tot ons gekomen, een nieuw bewijs, hoe dat oude geslacht zich op verschillende wijzen heeft ontwikkeld.

De ongetwijfeld meest oorspronkelijke en in zijn soort meest op zich zelf staande vorm, is die, welke in onze zoölogische tuinen het zeldzaamst is. De bezoeker dier tuinen pleegt zich in te prenten, dat de Aziatische neushoorn de eenhoornige, de Afrikaansche daarentegen de tweehoornige is. Hier moet hij echter er nog bij leeren, dat er feitelijk ook een Aziatische tweehoornige neushoorn bestaat, die er echter geheel anders dan de beide anderen uitziet. Naar de plek, waar hij het eerst ontdekt werd, is men gewoon hem Sumatraanschen neushoorn te noemen, maar hij komt in een vastelandsvorm ook wel in Achterindië voor. Ongetwijfeld is hij ontsproten uit een oorspronkelijker tak van den stamboom en leidt nog het diepst in de reeks der nog tertiaire rhinocerossen. Zijn kiezen komen het minst met die van paarden overeen, zij blijven kort en zonder cement, zijn huid is betrekkelijk dun (en hoewel hij niets te maken heeft met die noordelijke pelsvormen) nog in het oog loopend sterk behaard. Daarenboven is hij kleiner dan alle andere en hij draagt den achtersten hoorn zóóver terug, dat deze nog den echten stand heeft van den eenhoorn.

Een exemplaar, dat Mützel (in Hecks „Dierenrijk”) meesterlijk heeft geteekend, vertoont beide horens bijna alleen in den vorm van groote knobbels, en het geheele dier herinnert [125]bijna aan een grooten, zeer haveloozen en geplooiden tapir. Met dit uiterlijk kwam volkomen een Sumatraansche neushoorn overeen, dien ik lange jaren geleden in den „Jardin des Plantes” te Parijs levend heb gezien; deze was alleen dichter behaard. Volkomen dergelijke knobbelig korte horens heeft een opgezet paartje uit Malakka in het Londensche museum van natuurlijke historie; de dragers van die horens zijn twee in het oog vallend leelijke dieren, wier lange en verdroogde koppen bijna overeenkomen met krokodillenmuilen, die men heeft vastgemaakt aan het harige lichaam van een zoogdier. Des te interessanter was voor mij echter een levend dier van den zoölogischen tuin, dat den Achterindischen vastelandsvorm in een prachtexemplaar deed zien. Het leefde daar reeds sedert geruimen tijd, en een (in het jaar 1900 gestorven) wijfje van diezelfde soort had het daar zelfs twee en dertig jaar in de gevangenschap uitgehouden. Dezen keer was de voorste hoorn een ontzettend groot en lomp wapen in vergelijking met het kleine lichaam; de achterste vormde ook hier slechts een breeden heuvel. Aan het lichaam kwam de plooiing zeer sterk voor den dag. Buik en pooten waren zeer dicht, wollig en bruinzwart behaard. De rug was op enkele plaatsen slechts met korte haarborstels bezet en overigens als het ware glad afgeschuurd, de ooren daarentegen hadden een dikken pikzwarten rand, waaraan de naam „ruwoorneushoorn” zijn oorsprong ontleent. De geheele kleur neigde tot het roode. De pooten leken bijna sierlijk in verhouding tot den grooten kop. Terwijl ik naar hem keek, nam hij de hurkende zithouding der honden op het achterdeel aan, die zoo dikwijls beschreven en afgebeeld is bij den Afrikaanschen neushoorn.

De grootste tegenstelling met dezen kleinen harigen neushoorn [126]levert de sedert de oudste tijden bekende Indische neushoorn op. Vroeger over geheel Vóórindië verspreid, leeft hij tegenwoordig nog alleen in de zuidelijke voorgebergten van den Himalaya en is hij blijkbaar op het punt van uit te sterven. Met hem verdwijnt één der meest ornamenteele dieren der aarde. Hij ziet er uit, als uit steen gehouwen, een prachtig beeldhouwwerk der natuur, dat alleen leelijk kan gevonden worden door iemand, die geen oog heeft voor stijl. Ook hem bekomt de gevangenschap zóó goed, dat hij daarin stokoud wordt, en dat hij ook hem, die niet zelf in de tropen kan rondreizen, ten minste een blik doet slaan op een volwassen en volkomen ontwikkelden neushoorn.

De levensuitingen, die men aan een dergelijken steenen kolos daar kan waarnemen, zijn trouwens zoo spaarzaam mogelijk. Een op en neer wippen der oogen, als hij lui in de zon ligt, en plotseling een ruk als van een vliegenklap. De gang is katachtig zacht op zijn veerkrachtige zoolkussens, die voor mij bij de ontzaglijke grootte steeds iets beangstigends, iets spookachtigs heeft—men meent, dat hij achter iemand kan komen staan met zijn kop met potsierlijke ooren, zonder dat men hem hoort aankomen. De papegaaienbek, die open staat als om te bedelen, stelt in de gelegenheid de verregaande verkwijning van het voorgebit gemakkelijk te bestudeeren. En ten slotte het oog, dat onvergelijkelijke oog van den rhinoceros, dat iets zoo eigenaardig boos heeft als geen ander oog van een zoogdier. De neushoorn kan in den waren zin dol van woede worden, hij handhaaft dan, zooals ik reeds vroeger heb gezegd, het onweerstaanbaar impulsieve van het schuw wordende paard, maar niet zooals deze als verdediger, maar als aanvaller. Maar dit is wel niet van toepassing op den bedelaar, die [127]zich daar aan het getraliede hek door kinderen laat voederen, en van wien wij weten, dat hij als echtgenoot en vriend ook zijn teedere gevoelens heeft. Het oog van den rhinoceros heeft veeleer in zijn uiterlijk iets, dat aan een zoogenaamd „boos oog” doet denken.

Men zoekt het in het gelaat op een andere plaats, namelijk open en rond onder de diepe inzinking van het voorhoofd. Maar dan ziet men het plotseling heel ergens anders, veel lager, bijna eerst daar, waar men de neusgaten verwacht, en het komt juist bij den hoorn voor den dag, zoodat men het niet kon zien, zonder te gelijker tijd de bedreiging van het vreeselijke wapen te ondervinden. De booze indruk wordt in den oogappel nog hierdoor versterkt, dat onder de donkere pupil bij iedere beweging zooveel wit voor den dag komt. Als men den neushoorn zoo boosaardig ziet dreigen met blik en hoorn, zou men werkelijk meenen, dat hij in staat was onder het lichaam te hollen van den olifant op hooge pooten en hem een doodelijken stoot van beneden naar boven toe te brengen, zooals dit in het zoölogische sprookjesboek der strijdlustige oudheid, bij den ouden Plinius, zoo aardig geschetst is, maar in de werkelijkheid toch niet voorkomt. Het paard heeft immers in de mythe altijd reeds een groote rol gespeeld met zijn merkwaardigen kop en blik. Hoe zou dit nu niet het geval zijn met dit gepantserde paard, dat zijn wapen op een zóódanige plaats heeft, alsof het inderdaad met zijn oogen den stoot toebracht!

Van alle levende soorten der neushoorns heeft deze echte Indische neushoorn het meest zijn huid werkelijk in een pantser veranderd. De groote leeren platen hangen in de plooien juist zooals op zich zelf onbeweeglijke platen in verschuifbare geledingen. Daar echter ook die platen door [128]een uitgebreide knobbelvorming iets van een wegnevelend mozaiekbeeld hebben, een trek, die bij een nauw verwante soort overgaat in een werkelijke sierlijke uitwendige begrenzing der veelhoekige lederen schilden, — dringt de overeenkomst met een wezenlijken drager van een hard pantser onder de zoogdieren krachtig naar voren, en wel die met het gordeldier. Men zou een oogenblik het denkbeeld kunnen koesteren, dat wij hier alleen te doen hebben met een ineenvloeien van echte mozaiekplaten, zooals bij die Glyptodonten van Zuidamerika, waarover wij hebben gesproken. Aan het embryo van den neushoorn komt met iedere wrat of ieder knobbeltje of met ieder schildje inderdaad een duidelijke op zich zelf staande harde huidpapil overeen. Zouden er achter die Indische vormen reeds vroeger eens neushoorns geweest zijn, die mozaiekpantsers droegen, welke volmaakt overeenkwamen met die der gordeldieren, in ieder geval uit een zóó leerachtige massa bestonden, dat daarvan niets versteend werd en dus de geologie ons geen uitsluitsel kon geven?

Ook naast dezen grooten gepantserden Indischen neushoorn bestaat er een eilandvorm, de zoogenaamde Wara, of Javaansche neushoorn, die echter eveneens verbreid is over het vasteland van Achterindië, zooals de Sumatraansche neushoorn. Deze heeft die fijnere mozaiekbedekking, waarvan wij reeds gesproken hebben. Het merkwaardigst is echter, dat eertijds ook de Afrikaansche tweehoornige neushoorns, die tegenwoordig zoo scherp van de andere zijn afgescheiden, onmiddellijk naast die Indische voorkwamen: hun beenderen liggen nog in het diluvium van Madras. Dit was dus in dezelfde periode, waarin die roodgevlekte neushoorns van Weimar in Duitschland leefden, en ook die Duitsche, later Siberische pelsrhinocerossen waren immers, [129]zooals wij gezegd hebben, niet anders dan met een pels voorziene dubbelhoornige neushoorns van de familie der tegenwoordige Afrikaansche neushoorns. Die stam moet dus in een nog volstrekt niet ver afgelegen tijd de meest zegevierende en meest verspreide geweest zijn van alle overlevenden. Wat kan nu de reden zijn, dat zij zoo plotseling uitsluitend beperkt zijn geworden tot het aequatoriale Afrika? Een vraag, waarop geen antwoord kan worden gegeven.

In ieder geval was echter dat Afrika op het oogenblik, dat de Europeanen der cultuurperiode met hun vuurwapenen in dat land aankwamen, het meest met neushoorns gezegende land der geheele wereld, als men het aantal kolossen rekent, en ook tegenwoordig wemelt het in Duitsch en Britsch Oostafrika nog van hen, ten minste in het gebied van den Kilimandsjaro. Het is de plek, waar Schillings zijn meesterlijke momentopnamen heeft gemaakt. Aan hem zijn wij ook de tot nu toe beste beschrijvingen van den wilden steppenneushoorn verschuldigd.

Wij zien hem in zijn natuurlijke omgeving, de met gras en struiken begroeide steppe, die naar gelang het de regentijd of de droge tijd is, daar ligt in den groenen weerschijn van den nieuw ontstanen grastooi, over een uitgestrektheid van mijlen ook met water bedekt, door enkele stroombeddingen door den regen met zilver doorstroomd,—of ook dor en kaal, vaal en bruin met uitgestorven plantengroei, waar de plaatsen van „inzinking” het oog slechts hier en daar een rustpunt gunnen, „waar acacia’s, terminalia of andere boomen en struiken zooveel grondwater vinden, dat zij gedurende langen tijd hun bladerentooi konden behouden”. „Wij hebben hier te doen met dorre, uitgestrekte, vrije vlakten, die, in den regentijd overstroomd, [130]als zij opdrogen, witachtige met zout doortrokken vlakten vormen, die slechts aan spaarzame grasstruiken het leven schenken, nu weer met onafzienbare groene of vaal verbrande grasvlakten, en dan weer met acaciaboschjes in onafzienbare uitgestrektheid of met hagedoornen bedekt zijn, die voor het leekenoog overeenkomst hebben met vruchtboomen en daarom ook zeer treffend boomgaardsteppen worden genoemd. Daar waar de steppe met blijvende acacia’s dicht begroeid is, kunnen deze natuurlijk hoog van stam zijn of, in jongere exemplaren, meer struikachtig. Ook kan de steppe bedekt zijn met heesters en struiken van verschillenden aard, waartusschen in den regentijd gras tot manshoogte opgroeit en planten van verschillende soort, met stekels en doornen bedekt, tusschen de boomen en struiken gevonden worden. Een aantal soorten Euphorbia’s, ook voor het leekenoog goed kenbaar, drukken op het geheel een typischen stempel”. Van tijd tot tijd onderbreekt een termietenheuvel van verscheidene meters hoog de vlakte of steekt een kolossale apenbroodboom uit; „vreemd en zonderling van vorm bereikt deze dikwijls, gehuld in een schitterend grijsglinsterenden bast, een omvang van vele meters, door zijn verschijning wekt hij den indruk van den voorwereldlijken tijd; de reiziger leert hem echter spoedig waardeeren; immers menigmaal bergt hij in zijn hollen stam rijkelijke hoeveelheden water, die uit den regentijd afkomstig zijn en dikwijls het eenige water uitmaken, dat over een omtrek van een aantal dagreizen gevonden wordt”. Op die steppe zien van verre hooge vulkanische bergen neer, die in weerwil van hun ligging in de tropen op hun toppen met overgebleven sneeuw en gletscherijs zijn bedekt, terwijl aan hun voet de steppenstruiken overgaan in een [131]echt oerwoud. Ontelbare groote, voor een deel reusachtige zoogdieren bewegen zich vóór dat landschap als achtergrond. „Als stroohalmen geknakt liggen boomen van aanzienlijke dikte rechts en links van ons pad, daar waar een kudde olifanten haar weg heeft genomen, en de in den regentijd ontstane olifantensporen gelijken merkwaardig veel op diepe groeven, die een jaar en langer zichtbaar blijven, en waarin het volstrekt niet zonder gevaar is te struikelen. Behalve de olifantenkudden, die reeds maanden geleden hun weg door de steppe hebben genomen, zijn de sporen en kenteekenen van een ander groot dikhuidig dier, den neushoorn, duidelijk en op karakteristieke wijze uitgedrukt. Naar de verschillende waterplaatsen voeren over een lengte van verscheidene kilometers uitgeloopen, elkander kruisende wildpaden, die, zeer duidelijk merkbaar in de nabijheid van het water, zich in de uitgestrekte steppe geleidelijk verliezen. Evenals de olifanten hebben de neushoorns op verschillende plaatsen aan de stammen van heesters en aan de doornstruiken hun schatting geheven, en enkele struiken vinden wij meer of minder volledig van hun takken beroofd”.

Het is de moeite waard, bij die schildering stil te staan, en dat wel niet alleen ter wille van den neushoorn. Zij geeft ons tevens nog een beeld van het oorspronkelijke milieu, waarin de hoofdmassa der wereld van onze tegenwoordige zoogdieren in het algemeen is ontstaan. Dat landschap moet in de tertiaire periode onmetelijke gedeelten der aarde hebben beheerscht, begunstigd door een heel wat warmer klimaat tot op hooge noordelijke breedten. Met die verhoudingen zijn de kolossale verzamelplaatsen van beenderen in Noordamerika, Europa en Azië in overeenstemming. Zoo moet het er uitgezien hebben te Pikermi bij Marathon, aan den Sivalikheuvel [132]in Indië, in het Rijndal bij Eppelsheim, in de zuidelijke staten van Noordamerika, toen daar een ontzettend gewemel van groote en zelfs van de allergrootste voorwereldlijke zoogdieren en in de eerste plaats hoefdieren te zamen leefde. In een zoodanig milieu heeft zich de geheele middelste geschiedenis van het paard eens afgespeeld, tot wier uiterste speelruimte ook de driehoevige neushoorn nog behoort. Het is het beeld van het landschap, dat ons steeds weer voor oogen zal komen, als wij misschien later zullen hooren van het ontstaan der groote groepen van herkauwende dieren, de wieg der buffels, antilopen, giraffen, zooals zij tegenwoordig of voor een gedeelte nog voor korten tijd behooren of behoord hebben tot de karakteristieke dieren der Afrikaansche steppen.

Hoewel tegenover de Aziatische neushoorns tegenwoordig een type, dat een organisch geheel vormt, vervallen toch de Afrikaansche neushoorns klaarblijkelijk in onderling zeer verschillende vormen, waarvan mij de systematiek nog niet voldoende uitgewerkt voorkomt. De grootste soort, juist die, welke bekend staat onder den naam van den „witten neushoorn”, werd voor een tijd als uitgeroeid beschouwd, maar is in de laatste jaren weer teruggevonden en naar versch geschoten stukken gephotografeerd. Uit onze dierentuinen waren de dubbelhoornige neushoorns voor eenigen tijd geheel verdwenen. Sedert Schillings ook hier de betoovering heeft verbroken, komen ten minste jonge dieren weer naar Europa. De Berlijnsche tuin kon een tijdlang bij dergelijke jonge dieren, die reeds schoone horens hadden, twee zeer van elkander afwijkende grondtypen voor oogen voeren. Heck heeft in het algemeen gelijk met zijn bewering, dat de Afrikaansche neushoorn leelijk is in vergelijking met den éénhoornigen Indischen neushoorn. De oorzaak ligt echter [133]eigenlijk juist hierin, dat de meer beweeglijke, meer dunbeenige tweehoornige neushoorn meer gelijkt op zijn schoonen dubbelganger, het paard; maar daar hij, niettegenstaande die gelijkenis, toch een neushoorn blijft, lijkt hij een lompe en houterige, onhandig in elkander gespijkerde caricatuur van het paard, terwijl de Indische neushoorn geheel zijn eigen weg volgt. De Indische neushoorn is een prachtig etalage-voorwerp, dat geen ornamenteeler indruk maakt dan wanneer het dicht voor den beschouwer zoo rustig mogelijk stilstaat als om te worden gephotografeerd. Om den Afrikaanschen neushoorn recht te doen wedervaren, moet men hem over een uitgestrekte vlakte zien razen en voorthollen, moet men zien, hoe hij in weerwil van zijn lompe horens, die dikwijls de dikte hebben van komkommers, spelend gemakkelijk den kop omhoog werpt als een heuschelijk paard en de beenen naar voren werpt uit de leelijke heupen. Dan begrijpt men heel wat van den neushoorn uit het woord „getraind”, dat Schillings op hem toepast, en wanneer een deel der aesthetica van het dier toch altijd samenhangt met het volmaakt oplossen van een technisch bewegingsvraagstuk, zóó dat die beweging sierlijk en zonder eenige inspanning is, dan zal men juist van den tweehoornigen neushoorn moeten erkennen, dat hij in zijn soort in weerwil van ontzettend veel ongunstige factoren (die in de zwaarte, dikhuidigheid en bovenal de rol van het voorgedeelte van den kop als zetel van zijn wapen gelegen zijn), toch werkelijk nog al het mogelijke volbrengt tot aan de grens van een sierlijke lijn. Staat hij in een nauwe, afgeperkte ruimte, dan is hij zeker een verdraaid monster, dit kan ik niet ontkennen; het paard daarentegen blijft ook dan nog een prachtig dier.

Schillings heeft menig aardig staaltje medegedeeld van [134]het verstand der tweehoornige neushoorns. Zoo bij voorbeeld, hoe bijzonder ontwikkeld hun plaatszin is in de steppe, die toch zoo weinig afwisseling biedt. Vier uur lang kon hij eens het spoor van een neushoorn volgen, dat oostwaarts rechtuit naar een kleinen waterpoel in de woestenij leidde; toen de dorstige reus dien had bereikt, bleek het, dat ook deze verdroogd was; nu boog dat spoor weer in een even rechte lijn westelijk af, om na drie uur bij een tweeden poel werkelijk naar water te voeren. Wat een ontzaglijke topografische kennis moet die neushoorn, die zoo rechtuit er op afging, in zijn kop hebben gehad, een kennis, die ongetwijfeld op persoonlijk verkregen ervaring berustte. Dat is de trap van verstandelijke ontwikkeling, van waar wij ons moeten voorstellen, dat het paard is uitgegaan.

Ook aan Schillings is de sterke individueele verscheidenheid niet ontgaan. Daarin is misschien wel het meest beteekenisvolle verschijnsel gelegen van het geheele hoogere dierenleven, maar hoe weinig is dat nog onderzocht. Hoeveel bronnen van meeningsverschil tusschen dierenschilders berusten daarop. Individueele trekken worden bij het teekenen der karaktertrekken onwillekeurig onbetwist tot soortkenmerken verheven, later neemt dan een tweede onderzoeker een individu waar, dat geheel anders handelt, en meent dan het recht te hebben tot de scherpste critiek; en toch hebben individueel beiden gelijk. Niet zelden leidt dit tot geringschatting van het intellectsleven der dieren, welke geringschatting tegenwoordig bij critisch aangelegde personen zoo geliefd is als tegengif tegen het oude „jagerslatijn”, maar even dikwijls weer niet minder „critisch onjuist” is. Iemand rilt van het denkbeeld, dat het ééne of andere bijzonder stompzinnige, onervaren en onpractische menschenexemplaar [135]als voorbeeld zou genomen worden voor het verstand van het geheele menschdom; maar ook de meest sceptische dierenpsychologie is bij het geringe en aan zoo groote toevallen onderhevige materiaal steeds aan die mogelijkheid prijs gegeven. Het is volkomen dezelfde quaestie als bij het bang geworden, in een paniek medegesleepte dier. Het handelt dan steeds naar de meest blinde, oogenblikkelijke aandrift van zijn instinct, dikwijls zelfs zóó, dat dit instinct het dier juist het tegengestelde laat doen van wat noodig is, en dus in dat speciale geval zoo onnoozel mogelijk. Hoe gemakkelijk kan men nu uit een zoodanig gedrag de gevolgtrekking afleiden, dat in de hersenen van een dergelijk dier zoo goed als geen verstand in het spel is. Nu moet men echter eens een vergelijking maken, hoe menschen zich bij een paniek gedragen, en welken indruk dat gedrag zou maken op een kalmen waarnemer, die overal die handeling verwacht, die in dat individueele geval zoo practisch mogelijk is, als hij dat gedrag bij voorbeeld in vogelperspectief kon overzien, zooals hij het werk der mieren beschouwt. Aan den anderen kant moet men bij voorbeeld eens letten op een muis, hoe zij zich zinneloos gedraagt in den eersten panischen schrik, hoe zij de eenvoudigste mogelijkheid om te vluchten over het hoofd ziet—en hoe zij handelt, als (misschien eerst na eenige uren) die razernij overwonnen is en het verstand weer begint individueele mogelijkheden tot vlucht te beproeven, om op de ééne of andere wijze toch nog van den toestand zooveel mogelijk partij te trekken en met overleg en volharding de redding door te zetten; men zou meenen, twee geheel verschillende wezens vóór zich te hebben, waartusschen de geheele weg nog gelegen was naar het werkelijke verstand. [136]

Nog van een ander voorwereldlijk schepsel moet hier een woord tot slot worden gezegd, om den kring der bijloopers bij het oorspronkelijke paard nog vol te maken. Het is vroeg weer op aarde verdwenen, maar dank zij de groote Amerikaansche vindplaatsen zien wij zijn goed bewaard gebleven geraamte tegenwoordig, in het oorspronkelijke of in gips afgegoten, dikwijls in onze musea voor palaeontologie.

In zijn meest volkomen vorm heet hij het „Titanotherium”. Het is over dien vorm in zijn tijd nooit heengekomen.

In zekeren zin kan het Titanotherium, dat niet langer bestaan heeft dan tot in de miocene periode, juist het best aan de neushoorns worden aangeknoopt. Zonder eenigen twijfel is ook zijn stam een korte zijloot van den paardenstamboom, maar die toch een eind ver voor ontwikkeling vatbaar is, en die zich evenals de tapir en de neushoorn in de nabijheid der jongere vospaardjes afscheidde. Wij kunnen in Noordamerika nog overgangsvormen herkennen, die in die richting liepen zonder nog den lateren eindtoestand te bezitten. Ook het echte Titanotherium heeft nog aan de voorpooten de vier teenen van den tapir en de oudste neushoorns. Maar zijn gestalte overtrof spoedig in grootte verre de afmetingen van den tapir. Reeds in dit opzicht vertoonden die vreemde bijloten der paardachtige dieren de eigenaardigheid van den neushoorn. Zelfs hebben zij eindelijk den neushoorn nog ver achter zich gelaten. Zwaarder in bouw, maar in hun geheel hooger dan de grootste rhinoceros, zijn zij geëindigd met de grootte van olifanten. Hun merkwaardigste lichaamsdeel was echter hun schedel. Hij doet denken aan den neushoorn, maar loopt in de merkwaardigste speling weer ontzaglijk ver daarvan af.

Wij hebben gezegd, dat de hoorn op den neus van den [137]rhinoceros een reusachtige verharding is van de huid, waarin echter geen echte beenige haak zit. Toch heeft zich de schedel van den neushoorn eenigszins aan het bestaan dier horens als draagbalken aangepast. Waar zij de neusbeenderen belasten, ziet men ook aan den schedel de daarmede samenhangende verhoogde stevigheid om dien last te dragen. Met den hoorn op het voorhoofd van het elasmotherium was zelfs een opgeblazen en dik beenkussen op dat voorhoofd in overeenstemming. Stellen wij ons nu een dergelijk kussen nog een eind hooger van den schedel uit naar voren gedreven, dan moest dat toch langzamerhand den horen ontlasten, daar het dien voor een deel verving. Langzamerhand was een hoornscheede op de beenwoekering van den schedel voldoende, zooals onze ossen die hebben. Doch ten slotte kon ook dat zelfs wegvallen. De beenderenvoorsprong zou kunnen omkleed worden met een eeltachtige huid, en dan zou deze nog altijd een van verre zichtbare hoornversiering vormen,—het zou echter een open vraag zijn, of deze hoorn zoo veerkrachtig zou zijn voor het stooten, en de hersens, die in den schedel gelegen zijn, zou bevrijden van al te sterke schokken. Intusschen moest echter de beenige hoorn ook van het voorhoofd naar den neus verhuizen. En evenals bij die voorwereldlijke neushoorns, die naast elkander twee neuswapens droegen, op ieder der beide neusbeenderen één, rechts en links, zoo moest ook de beenwoekering zich in tweeën splitsen, opdat op ieder neusbeen een afzonderlijke voorsprong kwam. Wij hadden dan uit een neushoorn een zoo eenvoudig mogelijk, echt Titanotherium gemaakt.

Van zijn neus, maar wel te verstaan, nu niet van de eeltvormig verharde neushuid, maar van het been zelf, stegen twee korte, dikke komkommers evenwijdig naar boven. Met [138]een eeltvormige huid oppervlakkig bedekt, moeten zij van verre in ieder geval eenigszins geleken hebben op een stompen dubbelen hoorn, zooals die bij den neushoorn voorkomt, alleen moet bij een stoot de eigenlijke schedel zelf opspringen. Ik geloof nu niet, dat die beenige horens van het Titanotherium werkelijk gestooten hebben, in de beteekenis, waarin de tegenwoordige rhinoceros dat doet. Zij maken op mij den indruk niet van een sabel maar van een vreedzaam werktuig, alsof zij oorspronkelijk als hefboom bestemd waren. Ik zeide vroeger, dat de eelthoorn van den neushoorn misschien in het allereerste begin ook een breek- en hefwerktuig is geweest in de doornstruiken en het dichte oerwoud, en eerst later de rol van wapen er bij heeft gekregen. De peenvormige beenderen op den neus van het Titanotherium zien er volkomen zoo uit, als waren zij nooit over dat oorspronkelijke doel heengekomen. Wij hebben een ander geslacht van hoog op de pooten staande reuzen in de oudste tijden en tegenwoordig, dat, van de oudste tijden af blijkbaar een zeer karakteristieke woudbewoner, breekijzers en hefboomen, om de boomen in het woud te ontwortelen, met een ander deel van zijn schedel heeft ontwikkeld, en wel met de snijtanden; ik bedoel de olifanten met hun ontzaglijke slagtanden. Niet zonder reden gelijken de Titanotheriën in lichaamshoogte juist op die olifanten. Ik houd ook deze op een bepaalde trap hunner ontwikkeling voor een uiterste aanpassing van den equidenstam aan het woud. Hun bijlen, breekijzers en hefboomen, hun „slagtanden” werden daar gevormd door het dubbele peenvormige been op den neus. In dat oorspronkelijke dikke woud zullen er wel geen aanvallers geweest zijn, die voor die kolossen gevaarlijk waren, zoodat het wel nooit gekomen is tot echte, [139]spitse aan die hefboomen geplaatste horens met het doel zich te verdedigen. En in deze opvatting word ik versterkt door een zeer leerrijke analogie bij een verdere ontwikkeling van die Titanotheriën nog juist voordat hun bestaan was afgesloten, met een eigenaardige ontwikkeling, die een zekere soort van olifant, namelijk de mammouth, kort vóór zijn ondergang heeft doorloopen.

Evenals de andere olifanten, had ook die mammouth zijn stootwerktuigen medegekregen als wapen onmisbaar voor den pionier bij het „ontginnen van de bosschen”, dat wil zeggen voor het maken van paden in het oerwoud en het afbreken van takken (wij spreken later nog over de bijzondere methode bij dat werk der olifanten). In de diluviale periode bewoner geworden der mossteppen in het hooge noorden, waar geen boomen gevonden werden, had het geen bestemming meer voor die breekwerktuigen. Zoo kwamen zij in een stadium van „hypertrophie”, zij groeiden uit tot kromme arabesken zonder zin, die zonder eenig nut den drager langen tijd hebben bezwaard en gehinderd en eindelijk waarschijnlijk een oorzaak zijn geweest van zijn ondergang. Dit is ten minste het zeer voor de hand liggende en logische vermoeden, door Brandes, den voortreffelijken leider van den zoölogischen tuin te Halle, geuit, een vermoeden, dat werkelijk aansluit aan de in ieder geval volkomen onbruikbaar gekromde, krulvormige slagtanden der mammouths uit het diluviale tijdperk. Het slotbedrijf in het leven der Titanotheriën levert nu daarmede een zóó treffende analogie, dat men die werkelijk mag mede tellen onder de bewijsmiddelen voor de verklaring bij den mammouth gegeven.

Kort voordat zij weer voor goed van de aarde verdwijnen, vermeerderen zij tot in het onmetelijke. Geheele lagen, afgezet [140]in het Noordamerikaansche gesteente, dragen haar naam naar de ontzaglijke ophooping van hunne beenderen. Die lagen zijn afkomstig uit den tijd, toen daarginds de reeds genoemde Protapirus, en van den echten paardenstam de driehoevige paardachtige dieren van de grootte van een schaap, leefden. Het is, alsof een uitwendige verandering in het landschap in die dagen aan het Titanotherium plotseling een tijdlang de allergunstigste levensvoorwaarden had geboden. Te gelijk echter begint in de geraamten van die zoo ontelbaar toegenomen schepselen een, zoo te zeggen, woest en wild varieeren. Allerlei vervloeien, allerlei spelingen, allerlei goochelen en heen en weer schommelen in de kenmerken begint. En dit geldt in de eerste plaats de breekijzers van den neus. Juist zooals die mammouthtanden groeien zij ten slotte uit tot ware vermommingen. Men staat er versteld van, hoe een dier met een dergelijken beenderigen snavel nog behoorlijk kon eten, zoolang hem het voedsel niet gewoon weg in den bek groeide. Als werktuig kon de dunne vork in ieder geval onmogelijk meer worden gebruikt. Noodzakelijk moet men denken aan de belemmerende kromme klauwen, waarin de hoeven der wilde ossen in de zoölogische tuinen veranderen, als zij niet meer gebruikt worden, en aan de potsierlijke woekertanden bij hazen, als de daarmede overeenkomstige andere snijtand, die anders zijn vis à vis door afslijting wist te regelen, toevallig is uitgevallen: woekertanden, die zich als spiralen oprollen. Wat hier van tijd tot tijd het individu wedervaart, schijnt daar de geheele soort te hebben getroffen. Bij de weelderigste voeding varieerde ook hier een orgaan, dat niet meer werd gebruikt, zonder eenige regelmatigheid, tot in het zinnelooze. Naar alle waarschijnlijkheid waren die Titanotheriën uit het dichte woud in de vrije, weelderige [141]grassteppen gekomen. Hun neushefboomen waren daar niets anders meer dan een stuk speelgoed, zij ontsnapten volkomen aan de controle van het nuttige in den arbeid. Maar toen dat nu zijn toppunt had bereikt, was het, als veegde een storm plotseling het geheele geslacht weg. En men begrijpt volkomen, dat een plotseling hernieuwde eisch van den strijd om het bestaan korte metten moest maken met die gehypertropheerde gemaskerde neuzen, nadat zij vroeger (overdrachtelijk gesproken), steeds zeer behagelijk hadden kunnen blijven voortleven. De minste aanvaller, die opnieuw ten tooneele verscheen, en in eenigerlei opzicht gevaar kon opleveren, moest wel onmiddellijk met dien reus kunnen klaar komen, die door zijn ontzaglijke beenderwoekeringen niet werd beschermd, maar juist weerloos gemaakt. Zij moesten in eenigszins anderen vorm het lot ondergaan van die lompe Dodo’s of Dronte’s van het eiland Mauritius, die, daar zij langen tijd zonder eenigen vijand hadden geleefd, hun vleugels hadden afgeschaft en hun lichamen in vettonnen hadden veranderd; tot op het laatste exemplaar vielen zij als slachtoffers der eerste menschelijke bezoekers. In de beteekenis van de theorie van Darwin geloof ik er wel is waar niet aan, dat een diersoort zich zelf door hypertrophie van organen onmiddellijk te gronde kan richten, als het ware door eigen groei een zelfmoord kan plegen. Varianten, die onmiddellijk op innerlijke evenwichtsgronden van den lichaamsbouw tot een bankroet zouden leiden, zouden zich binnen de soort niet hebben gehandhaafd, en de toestand zou zich zelf weer van zelf hebben moeten regelen. Bij dergelijke woekerende beenige verzweringen betrof het echter buitensporigheden, die langen tijd volmaakt onverschillig waren, en die bij gelijkmatige uitwendige omstandigheden [142]nog maar wat meeliepen zonder nut maar ook zonder eenig bezwaar. Het doodvonnis werd eerst over hen uitgesproken, toen van buiten wijzigingen optraden in den strijd om het bestaan, waarin zij plotseling ongunstige kansen aanboden. Hier werd de buitensporigheid hun tot verderf. Voordat in zoo en zooveel geslachten die buitensporigheid weer kon worden uitgeroeid, had deze de soort in haar geheel reeds vernietigd als gevolg van de nieuw gestelde eischen.

Heeft ons dus de zoölogische tuin in tapir en neushoorn toch nog minstens twee stations der oudere geschiedenis van het paard gered, in den vorm van een beeld, dat zeer duidelijk is voor hem, die in de zaak is ingewijd, er bestaat bovendien nog een derde middel tot onmiddellijke aanschouwing. De zoölogische tuin laat ons ook het voltooide paard zien nog op zijn trap als wild paard, voordat het in symbiose met den mensch heeft geleefd.

Er kan in ieder geval hieromtrent geen twijfel bestaan: ook die trap heeft tegenwoordig reeds een historisch karakter, het karakter eener overlevende reliquie. De groote bloeitijd der ongetemde wilde paarden is op onze planeet eveneens reeds lang voorbij. In onze periode van het leven op aarde zijn het in verval gerakende, uitstervende dieren. Juist in de meest karakteristieke dingen, die ons hier belang inboezemen, komt ons onderzoek hier weer eens erg laat, meestal te laat.

Uit die groote bloeiperiode der wilde paarden moet onze menschelijke cultuur haar tam paard hebben te voorschijn gehaald. Dit beginsel staat absoluut vast. Daar dit cultuurpaard ten slotte toch het uitgangspunt is geweest voor onze belangrijkste deelneming aan het geheel, moet hier de spanning tot het hoogst klimmen. Maar de storm heeft weer onverbiddellijk er over heen geveegd. De lange ketens van [143]overgangen van oude wilde paarden tot aan de rassen onzer cultuur ontbreken ons geheel en al. Aan den éénen kant staan die rassen steil tegenover ons als voltooid werk, aan de andere zijde als een paar toevallige reliquieën van den stam. Zal er iets voor den dag komen, dan moeten ook hier de fijne wegen der bewijzen door aanwijzingen worden betreden.

Daarbij komt nog de omstandigheid, dat onze cultuur tegenwoordig tegenover die paar levende fossielen van het overoude materiaal niet meer assimileerend, maar vernielend staat. Terwijl het onderzoek met vliegende stift het weinige, dat toevallig is behouden gebleven, zou willen fixeeren, decimeert het materiaal onder onze handen. De inventaris aan wilde paarden is in het oog vallend verminderd, sedert deze door de wetenschap ontdekt is geworden. Terwijl wij tegenover huiden en schedels twisten over systematiek en nomenclatuur, hebben onwetende jagers ons in bijzondere gevallen daar buiten reeds de levende dieren tot op het laatste exemplaar neergeschoten. Een wedstrijd tusschen redden en vernielen!