Wij hebben reeds medegedeeld, dat in het uiteinde der tertiaire periode de oude wereld, dus Azië, Europa, Afrika, overal gevuld was met wilde paarden van het voltooide type. Dus paarden, die den laatsten voorbereidenden trap van de pinkpaardachtigen reeds voor goed achter zich hadden gelaten, en in voet, tand en geheelen bouw „paard” waren. Overblijfselen van beenderen van dergelijke tertiaire volkomen paarden, die tot de oude wereld behoorden, zijn wat Azië betreft in Oost-Indië, wat Europa betreft in Frankrijk en Italië, wat Afrika betreft in Algiers aangetoond. Men kan ze [144]samenvatten onder den naam, die oorspronkelijk geschapen is voor de Oostindische paarden, en wel die van Sivapaarden. Siva is een Indische godheid, waarnaar een beroemde vindplaats van voorwereldlijke beenderen aan den zuidelijken voet van den Himalaya heet. In die tertiaire Sivapaarden moet in die dagen alles bij elkander gestoken hebben, wat tegenwoordig van paarden in de oude wereld over is. Alle tegenwoordig gesplitste rassen van ons cultuurpaard. Alle overblijfselen van wilde paarden van tegenwoordig. En ook nog wel de tegenstelling van paard en ezel.
Paard en ezel zijn voor ons immers tegenwoordig, vooral in hun typische gestalte als huisdieren, bijzonder van elkander verschillende schepsels. Niet gemakkelijk kunnen twee dieren, die anatomisch zoo nauw met elkander verwant zijn, sterkere tegenstellingen in hun physionomie bieden. Zij zijn zóó nauw met elkander verwant, dat men ze reeds sedert langen tijd met elkander pleegt te kruisen, en uit ezel en merrie het „muildier”, uit hengst en ezelin den „muilezel” voortbrengt; echter juist bij die kunstmatige combinaties vertoonen zich misschien de eigenzinnige afzonderlijke kenteekenen zoo duidelijk mogelijk. Toch blijft het bij dit alles onomstootelijk waar, dat ook ezel en paard niet anders dan twee varianten zijn binnen het grondtype „paard”. In die vroeger besproken kenmerken van het skelet, die het voltooide paard uit een geschiedkundig oogpunt karakteriseeren, zijn beide absoluut identiek. Als de ontwikkeling van het paard tot een organische eenheid zich tot het laatst toe ook hierin is trouw gebleven, dat het echte paardentype als eerste oorspronkelijke vorm slechts eenmaal is ontstaan, dan moeten in dien eersten vertegenwoordiger ook ezel en paard nog beide aanwezig zijn geweest als toekomstige mogelijkheid tot varieering. Uit [145]de overblijfselen der beenderen is er niets tegen in te brengen, dat niet het tertiaire Sivapaard der oude wereld nog dat eenheidstype is geweest; maar uit de beenderen alleen kan het noch middellijk, noch onmiddellijk worden bewezen.
Overlevende onveranderde nakomelingen van dat Sivapaard hebben wij in ieder geval tegenwoordig op aarde niet. Een in geraamte met het paardentype overeenkomend dier, dat physionomisch in zijn uitwendigen aanblik niet als een latere kruising of een gelijkenis, maar in de beteekenis van een oorspronkelijke eenheidssoort in uiterlijk nog zóó duidelijk toonde, dat geen der bestanddeelen overheerschte, bestaat in levenden toestand niet. Met die gaping begint dus ons beslissend hoofdstuk van het paard in ieder geval. Binnen de nog aanwezige overblijfselen der wilde paarden bezitten wij reeds duidelijk de splitsing voorbij die plaats. Wij hebben daarbij echter wilde ezels en echte wilde paarden in engeren zin. En de tegenstelling kan ook historisch nog tot in den diluvialen tijd, dus tot voorbij het begin der cultuursymbiose van beide vormen worden gevolgd. Eerst daarmede wordt voor ons de gordijn weggetrokken.
Maken wij in het kort den inventaris op van de levende overblijfselen,—om te zien wat deze ons nog verder kan leeren. Europa is hierbij geheel buiten het spel. Het heeft geen spoor meer van een echt oorspronkelijk wild paard of wilden ezel. De gordel der reliquieën begint in het zuidelijke gedeelte van Siberië, in westelijk China, loopt in een breede strook over Perzië en Noordindië tot den noordoosthoek van Afrika en dan over geheel tropisch Afrika. Oorspronkelijk ook nog tot aan Kaapland, doch daar heeft tegenwoordig reeds het genoemde vernielingsproces gewoed. Op die breede strook der aarde wonen nog vier verschillende groepen van [146]overblijfselen, en wel, van het noordoosten naar het zuidwesten gerekend, ten eerste op den Chineeschen hoek echte wilde paarden, dan, in het begin nog met die wilde paarden te zamen, maar verder over het geheele overige deel van Azië alleen echte wilde ezels, in Noordoostafrika een andere groep van dergelijke wilde ezels en daar tot aan het einde weer een andere groep van wilde paarden.
Ieder dier groepen geeft aanleiding tot afzonderlijke problemen. Het van oudsher gemakkelijkste en meest doorzichtige ligt echter aan den Noordoostafrikaanschen hoek, dus ongeveer in het midden van het gebied.
Wat het paard op zijn ontwikkelingsgang in den loop der wereldgeschiedenis hoe langer hoe beslissender is geworden, dat is het als wild paard ook nog tegenwoordig: een steppendier. Die geheele verbreidingsgordel is, wat de plaats betreft, tevens een steppengordel. In het hart van Azië het onmetelijke steppengebied, dat zich van de woestijn Gobi tot in Tibet en eveneens westelijk eindeloos ver uitstrekt, het land, dat door Sven Hedin zoo meesterlijk is geschetst. De steppengedeelten van Indië. De met kreupelhout bedekte steppen van Afrika, zooals wij die reeds hebben leeren kennen als de woonplaats van den neushoorn. Die steppe strekt zich ook daar uit aan den noordoosthoek van Afrika van de Somalilanden aan den Indischen oceaan tot ver in het binnenland naar den Nijl in een oneindige vlakte, van Kaap Gardafui tot naar Nubië. Door die steppe echter trekken nu kleine troepen vlugge, schuwe, eenhoevige dieren, wie men op het eerste gezicht kan aanzien, dat het wilde ezels zijn. Op dat uitgestrekte veld kan men twee ondersoorten herkennen, een kleinere (indien ten minste de scherpe verdeeling juist is), meer grauw van kleur met een zwart [147]schouderkruis zonder strepen over de pooten, dieper landwaarts naar Nubië; en een grootere, meer roodachtige, meestal of altijd zonder schouderkruis, maar wel altijd met een paar duidelijke donkere dwarsstrepen aan de pooten, in de steppe aan de kust.
Die Afrikaansche ezels zijn, wat hun levenswijze betreft, wild; in hun uiterlijk zijn zij zóó ontwijfelbaar echte ezels in de beteekenis van onzen tammen ezel, dat geen kind zelfs een oogenblik kan aarzelen. Vooral de kleinere vorm zonder strepen over de pooten is in alle karakteristieke trekken eenvoudig onze „ezel”, alleen maar vrij en frank in de open steppe geplaatst. De andere is trotscher, zwaarder, rooder, meer gestreept, alsof die vrijheid ook reeds haar invloed op den vorm van het lichaam heeft doen gevoelen; maar ook ten opzichte van dien vorm vindt men, als men slechts goed zoekt, in de tamme rasvormen van den ezel nog de duidelijkste analogie. Hij die in de omheining van den dierentuin die Afrikaansche dieren terugvindt, ziet, dat zich hier eigenlijk volstrekt geen probleem verder voor hem voordoet, maar eenvoudig een gewone consequentie. In dat dier staat de oorspronkelijke wilde stamvorm van onzen getemden ezel zelf ons nog voor oogen!
Alles is daarmede in overeenstemming. Die wilde ezels wonen nog tegenwoordig in het Egyptische achterland. De vroegste sporen echter van den reeds getemden ezel vindt men in de Egyptische cultuur. In Opper-Egypte gaat hij daar terug tot voorbij de eerste dynastie, juist tot in de eerste tijden der Egyptische cultuurperiode. Op de oudste afbeeldingen ziet men hem reeds met absolute duidelijkheid als huisezel, overal met het zwarte kruis op den schouder, het erfdeel van den Arabischen wilden ezel. In die tijden en [148]langen tijd daarna ontbrak het tamme paard in dat Egypte, naar het schijnt, nog volkomen; zijn beeld komt eerst voor den dag op gedenkteekenen der achttiende dynastie, dus omstreeks 1500 jaar vóór Christus. De ezel daarentegen liep reeds gedurende het bestaan van het geheele oude rijk op den dorschvloer om te dorschen, en droeg het zadel van den reiziger.
Er is geen enkel bekend feit, dat in strijd is met de opvatting, dat de geheele verspreiding van den tammen ezel over de landen aan de Middellandsche zee oorspronkelijk van Egypte zou zijn uitgegaan. Tot op onze dagen is de oostelijke uithoek daar de eigenlijke wereld, waar de ezel gedijt en zich in zijn element gevoelt. Daar is hij groot, krachtig, en nog steeds een werkelijke concurrent van het paard. Verder op naar het noorden in Europa neemt zijn rijk daarentegen zóó sterk af, dat men terecht heeft gezegd, dat hij nog alleen maar als caricatuur voortleeft. Zoo klein, ellendig en armzalig, koppig en afgeranseld de ezel in onze streken is, zoo statig, trotsch, betrouwbaar en dapper wordt hij in de richting van Palestina en Egypte, waar hij den bodem van zijn oude cultuur aanraakt. Voor onze noordelijke fantasie past hij volkomen als humoristisch rijdier voor den intocht van Sancho Panza als stadhouder; maar wij hadden nooit de onderstelling durven uiten, dat de Heiland hem op het beslissende oogenblik zou berijden; en juist dit is de meening in het oosten omtrent de komst van den verwachten Messias, dat hij zijn intocht zal doen op een witten ezel.
Zoo past dan in dit geval alles zoo goed mogelijk in elkander. Nauwelijks koesteren wij nog het verlangen, hier werkelijke overgangsschakels tusschen den wilden en den getemden toestand te zoeken. Uitwendige trekken der beide [149]Afrikaansche witte ezels komen immers nog steeds zichtbaar in onze ezels voor den dag; behalve dat kruis op den rug ook telkens bij gelegenheid weer die donkere strepen over de pooten. De kleur gaat ook nog steeds van tijd tot tijd over in het roodgeel der steppen. En zelfs de als het ware psychische handeling van het temmen kan niet al te moeilijk juist hier weer in gedachten worden gereconstrueerd. Die wilde ezels zijn gezellig levende dieren, waarvan de kudde uit merries en jonge veulens onder de leiding staat van een mannelijk dier als aanvoerder. Een zoodanige merrie of een dergelijk veulen, plotseling uit het verband weggerukt en in de macht van den mensch gebracht, zou in zekeren zin al een schepsel zijn, dat aan leiding gewoon was. De menschelijke temmer neemt nu de rol van den vroegeren aanvoerder over. Hij behoefde de instincten der gehoorzaamheid en van het begrijpen der signalen niet eerst voort te brengen, hij vond die reeds voorhanden. Ik stel mij voor, dat misschien langen tijd uitsluitend merries gebruikt zijn, die men van tijd tot tijd steeds weer door wilde hengsten liet dekken. Dat proces zal bij elke temming van wilde, in kudde levende dieren, ook bij de echte paarden, op die wijze voltrokken zijn. De symbiose met den mensch was slechts een voortzetting, een bekroning der reeds aanwezige symbiose in de kudde. De manbare hengst is overal het langst nog het halfwilde dier gebleven, dat eigenlijk nooit volkomen is getemd geworden. Hoe kleiner, handiger echter de soort in het begin geweest is in verband met de grootte van den mensch, des te gemakkelijker moest in het algemeen de zaak gelukken. Hier bood de ezel de meest gunstige kansen. Het is duidelijk in te zien, dat men het eerst zijn krachten heeft beproefd op de kleinste soort. Op [150]de oudere Egyptische afbeeldingen ziet men nooit een mensch op een ezel rijden, maar steeds ziet men een draagstoel tusschen twee ezels opgehangen. Eerst toen het temmen een bepaalde hoogte had bereikt, zal men het getemde ras ook wat steviger en grooter gefokt hebben, waardoor het weer meer overeenkomst gekregen heeft met den anderen wilden vorm; ook is het mogelijk, dat ook kruisingen met die aan de kust levende soort een rol hebben medegespeeld.
Afrika heeft anders geen wilde ezels. In alle landen van Afrika naar het zuiden toe met hun zebra’s, ontbreken zij geheel. Het is als het ware een goede luim der wereldgeschiedenis, dat zij in het geheele onmetelijke werelddeel zich als op een beperkt eiland alleen daar hebben kunnen handhaven, waar de loop der gebeurtenissen de eenige zeer oude en op zich zelf staande hooge cultuur van het werelddeel in hun nabijheid zou brengen. Een merkwaardig diereneiland en een merkwaardig cultuureiland, die beide iets geïsoleerds hebben, als het ware als een verloren post, zijn hier met hun inventaris samengekomen.
Intusschen hadden en hebben zich echter wilde ezels in ontelbare troepen nog op een ander terrein gehandhaafd, dat door zee en land van het andere gescheiden is, namelijk juist op den ouden stambodem, waarop reeds in grijze, geologische tijden de eerste inval en verspreiding van den geheelen echten wilden paardentroep had plaats gegrepen: en wel in de steppen van westelijk en centraal Azië. Daar, over veel grootere uitgestrektheden land verspreid, streken, die hoewel steppenland, toch van oudsher bijna van alle kanten aan groote, overoude cultuurrijken grensden—zijn die Aziatische wilde ezels toch tot in onze dagen voor een groot deel fabelachtige dieren gebleven. De jeugdige gymnasiast [151]hoort over hen spreken in de anabasis van Xenophon: „Onagers” zwerven daar rond in de „dierentuinen”, de groote omheinde jachtterreinen der oude Perzische koningen; het woordenboek vertaalt het merkwaardige woord met „wilde ezel”. In een schoolboek voor natuurlijke historie met bont gekleurde teekeningen heb ik voor het eerst het woord „Dziggetai” gelezen, ook weer een dierennaam, die zich als een bijzonderheid in mijn geest inprentte. In het Mongoolsch is dit ons woord „langoor.” De teekening deed een reuzenezel zien ter grootte van een paard en citroengeel van kleur. Het was reeds lang mijn wensch, een dergelijk wonderdier te zien, doch de zoölogische tuin vervulde dien wensch niet.
Feitelijk wist voor dertig jaar ook de echte zoöloog nog niet al te veel af van hem en zijns gelijken. Die Aziatische steppen, waar omheen eertijds de oude beschavingen waren opgegroeid als aan de oevers van een onafzienbare binnenzee, lagen, wat haar dierenwereld betrof, voor onze Europeesche wetenschap als onder een nevelsluier. Men wist, dat zwermen dieren ongestadig daardoor heentrokken, en daaronder waren ook de wilde ezels. Indien hier of daar, aan de Chineesche, Turksche, Engelsch-Indische, Russische grens dergelijke zwervers van tijd tot tijd door reizigers werden gezien, wist men niet, of het plaatselijk scherp begrensde soorten waren dan wel één en hetzelfde vrije geslacht, dat van Mongolië tot Perzië of Indië rusteloos heen en weer trok. Hier hebben eerst in de laatste tijden werkelijk onze zoölogische tuinen eenigszins licht ontstoken, vooral de Berlijnsche dierentuin, die zoo systematisch zijn verzameling aanlegt. Hij heeft ons de Aziatische wilde ezels van de rij af in verschillende plaatselijke typen in vleesch en bloed voor [152]oogen gevoerd, zoodat men zich daarvan een physionomisch beeld kon maken.
Als het ooit de moeite waard was een diervorm te beschouwen, dan was het wel deze. Het ezeltype ongetwijfeld nog gehandhaafd in de lange ooren en andere kenteekenen, maar tevens toch dat type tot een hoogeren vorm veredeld. Steile, hoog op de pooten staande, slanke, pezige dieren, met krachtige zenuwen, dieren met prachtige koppen en dunne halzen, met een trek van de fijne gazelle, en den Guanaco met zijn dunnen, schralen hals; het laatste spoor van den caricatuurvorm van den ezel is uitgewischt, het zijn in ieder opzicht prachtige schepsels, wier dartele sprongen men met ongestoord genoegen steeds weder gadeslaat. De kleur is in overeenstemming met het zwevende van den gang: van de pooten in bovenwaartsche richting als witte melk, waarin een meer of minder groote scheut bruine koffie gegoten is, zoodat deze er als een wolk doorheen loopt, en eerst geheel op het laatst, aan de bovenzijde van den rug boven de ruggegraat, een fijne donkere streep, die de silhouet, die van onderen verloren gaat, ten minste van boven nog afbakent, een donkere streep van de donkere manen tot den donkeren staartkwast. En dit alles bij de grootste soort tot de volle grootte van een flink paard, maar met nog langer pooten. In die afmetingen en met verschillen in de sterkte van de koffiekleur op de huid vindt men tamelijk duidelijk een aantal verschillende plaatselijke vormen. Zoo heeft men een fijnen Perzischen ezel met een fijnen, kleinen kop, met een fraai witte kleur met een zilverachtigen glans, welke kleur aan de bovenzijde van den kop, aan de zijden van den hals en van de romp en aan de heupen in een bleeke isabellakleur overgaat. Over de [153]schouderstreek loopt een witte streep, een hand breed naar beneden, een breede streep loopt aan weerszijden langs het midden van den rug en dicht ter zijde der dijen; tusschen de beide overlangsche strepen ligt de koffiebruine rugstreep. Dit is de reeds bij Xenophon vermelde Onager. Dan een hoogpootige, betrekkelijk kleine Indiër, die in het oogloopend koffiebruin is gekleurd, en uit het achterland afkomstig is, die door de bewoners van Beloetsjistan Gorkhar genoemd wordt, dan nog de Koelan der Kirgiezen, een bijzonder mooi dier, van het Balkasjmeer, met den edelsten kop bij betrekkelijk korte ooren, met vurig zwarte oogen, donkerbruine manen, met een bruinachtigen streep over den rug tot op den staartkwast, met donkere oorspitsen, maar overigens bijna alles effen gekleurd met een isabellakleur. Men ziet duidelijk, hoe de steeds kalere, steeds geler woestijn zich uitbreidt en haar kleur geeft aan die dieren. De echte Dziggetai uit de Chineesche woestijn Gobi heeft die stofgele kleur wel in de sterkste mate. Omgekeerd gaat de reus van het geslacht, de geweldige „Kiang” van de hoogsteppen van Tibet, weer meer naar het bruin over, dat zelfs tot het schitterendste goudkleurige hoogrood overgaat.
Zonder twijfel zijn die luchthartige klanten geen van allen paarden. Maar als men van onzen getemden ezel het begrip ezel wegneemt, dan doen zij mij, wat hun physionomie betreft, steeds weer denken aan een derden vorm van wilde eenhoevige dieren, die noch het aanzijn heeft geschonken aan het paard, noch ook aan den ezel, maar die een geheel op zich zelf staande zijtak is, een bijlooper der ezellinie, zooals eertijds de Anchitheriën en Hipparions bijloopers waren van de oude groote paardenlinie. En ik geloof, dat die bijzondere aard zich ook hierin heeft gehandhaafd, dat [154]zij in weerwil van de nabijheid van zooveel oude cultuurrijken nooit werkelijk getemd zijn. Een op een gazelle gelijkend, licht, slank huisdier met fijnen kop en op hooge pooten, dat in de beteekenis van die Aziatische wilde ezels noch paard noch echte ezel is, bezitten wij niet, het moet eenvoudig niet gelukt zijn, het in Perzië of in China of in Indië of in de steppen der Kirgiezen blijvend te fokken. Daarmede is natuurlijk niet gezegd, dat niet van tijd tot tijd vruchtbare kruisingen hebben plaats gehad op het aanrakingsgebied van den geïmporteerden Egyptischen ezel en de Aziatische in vrijheid levende ezels. Als paard en ezel zich gekruist hebben en dat wel blijvend veel vruchtbaarder dan men gewoonlijk meent, waarom dan niet die beiden? In den Berlijnschen zoölogischen tuin heeft een kruising van een Koelan met een ezelin van den beschreven vorm der Afrikaansche wilde ezels aan de kust van Somaliland het aanzijn geschonken aan een jong dier zonder echt schouderkruis, hoog op de pooten, van den bouw van een Koelan met de strepen op de pooten, die de Somalimoeder had en zelfs met een duidelijk zichtbaar kruis op den rug. Een bijzonder schoon ras van een huisezel in het oosten, uit fokkerijen in Centraal-Arabië, maakt met zijn witte huid bijna den indruk, alsof daarin van oudsher ook Onagerbloed aanwezig is. Maar zelfs daaruit is blijkbaar geen vaste regel ontstaan. Evenals het hooge schelle suizende gefluit in het geschreeuw van den wilden Aziatischen steppenezel noch past bij het hinniken van ons paard, noch bij het half komieke i-a, i-a van onzen getemden ezel, zoo staan wij ook over het algemeen bij hem tegenover een overblijfsel van vrije eenhoevige dieren, welk overblijfsel in geen enkel opzicht iets heeft te maken gehad met de symbiose in de [155]dagen der werkelijke cultuur. En wij vinden nu als duidelijke parallel bij dien oorspronkelijk geheel onafhankelijken zijtak van het ezeltype nog een dergelijken volkomen onveranderd gebleven zijtak van het echte paardentype in den zebra. Evenals Azië den ezel heeft, die in den loop der cultuurgeschiedenis nooit blijvend getemd is, zoo heeft Afrika een paard, dat nooit tot symbiose is opgevoed.