[Inhoud]

Reeds in dien Noordafrikaanschen hoek in Somaliland komt de oude oorspronkelijke ezel samen met vertegenwoordigers van den stam der eenhoevigen, die zonder eenigen twijfel behooren tot een geheel ander overblijfsel van den ouden bloeienden stam van dat geslacht. Ook zij hebben zeker trekken van den ezel. In tegenstelling met ons cultuurpaard en in overeenstemming met alle ezels ontbreken bij hen aan den achterpoot de vroeger reeds genoemde eeltplekken of zwilwratten. Hun staart heeft (ten minste meestal) alleen den staartkwast, zooals die bij de ezels voorkomt, over het grootste deel van hun lengte kort en alleen bij de spits lang behaard, in plaats van, zooals bij de paarden, over hun geheele lengte met lange haren begroeid. Juist bij dien Somalivorm zijn de ooren nog zeer verdacht gerekt. En toch beslist een enkele blik op het geheel, waarbij de aandacht voornamelijk gevestigd wordt op de physionomie van het dier, een blik die voor den dierenkenner in hoogste instantie even belangrijk moet zijn als alle atomistische beschrijving der details, in dit geval zonder tegenspraak voor het paard. Het zijn voor een deel kleine, het zijn ineengedrongen, langbuikige, kortpootige dieren, met zachte hoeven, in een reeks [156]kenmerken echt ezelachtige paarden,—maar paarden. En dat volkje is nu weer in een aantal soorten verspreid over een kolossaal district,—zooals wij zeiden oorspronkelijk over het geheele oostelijke, zuidelijke en zuidwestelijke tropische Afrika tot aan het Kaapland, onder den gemeenschappelijken naam van „Zebra.”

Het woord is voor ons niets anders dan een soort aanduiding van de kleur, en beteekent zooveel als zwart-wit gestreept. En hier hebben wij onmiddellijk weer een bijzonder punt, waarin die Afrikaansche wilde paarden zoo eigenaardig zijn en dat zij allen gemeen hebben. Zij hebben een neiging tot kleuring van hun huid, die geen enkele wilde ezel, tamme ezel of geen enkel tam paard bezit: de neiging, dwars over een helderen dikwijls volkomen sneeuwwitten ondergrond een prachtige teekening te hebben van koolzwarte strepen. Die teekening, de karakteristieke „zebrateekening” heeft den zebra beroemd gemaakt als pronkstuk, zoolang men hem kent. Het dier is, voor zoover geschiedkundige getuigenissen mededeelen, het eerst bewonderd in de arena ten tijde van den Romeinschen keizertijd, onder keizer Caracalla (211 na Christus); die zebrateekening wekt ook thans nog in iederen zoölogischen tuin de verbazing op van iederen eenvoudigen boer.

Het gebeurt zelden, dat zoogdieren door hun kleur alleen de belangstelling wekken. Het haar is in tegenstelling met de schubben van de hagedis en de veeren van den vogel meestal te weerbarstig, te onrustig voor zuiver bonte kleuren. Een onbeslist bruine, grauwe, grauw-zwarte, grauw-gele kleur hult geheele groepen in een eenvormig arbeiderskleed zonder eenige sierlijkheid. En als eens de bontheid van kleur ook bij het zoogdierenvolk een enkelen keer duidelijk toeneemt, zooals bij de apen, dan eindigt het spoedig hiermede, dat [157]zij zich toch weer van het haar losmaakt en als een schelle kleur van de onbehaarde huid optreedt, zooals bij het cobaltblauw en het steenrood van de mandril; het is in zekeren zin reeds de ontwikkelingslijn naar den mensch, die bijna geheel naakt is, maar nu die naakte huid kunstmatig tatoueert of met gekleurde kleeren omkleedt. De zebra is daarentegen een uitzondering, waar de eigenaardigheid der kleur uitsluitend in de haren zetelt. Met schitterend wit en schitterend zwart in de sterkste tegenstelling, maakt hij een ontzaglijken indruk op het oog. Bij de schoonste variëteiten is er bijna geen plekje meer op de geheele huid, dat niet bijdraagt tot den eigenaardigen indruk van die strepen. De strepen worden gevonden aan de neusgaten, op de korte, stijve manen, de ooren, tot den staart toe, het geheele gelaat is daardoor met een traliewerk bedekt. En als men nu den eersten indruk van de tegenstelling van wit en zwart ten volle genoten heeft, blijft er voor het nauwkeurig onderzoekende oog nog de prachtigste verrassing over door het feit, dat de strepen niet meer ruw over de onderdeelen van het paardenlichaam heen loopen, maar dat lichaam in zijn meest intieme lijnen volgen. Wilhelm Busch heeft in een grappige teekening eens een zebra eenvoudig schematisch schuin gelinieerd als de wand van een Pruisisch schilderhuisje, zonder eenigszins rekening te houden met het leven van het gelinieerde lichaam zelf. Ongetwijfeld was die teekening in overeenstemming met den indruk van tallooze bezoekers van den zoölogischen tuin, die slechts oppervlakkig hebben toegekeken; dit is werkelijk de indruk, dien zij er in hun herinnering van hebben behouden. Maar het eigenlijk interessante is, dat de zebra feitelijk daarmede niet in overeenstemming is. [158]

De werkelijke strepen sluiten nauwkeurig aan het levende lichaam aan met zijn verschillende in elkander ingrijpende onderdeelen. In de eerste plaats doet zij een hals en een rompgedeelte op zich zelf uitkomen, die in het skelet en in de aanhechting der spieren van boven naar beneden loopen, daar zij als het ware van de stijve wervelkolom neerhangen, die alleen een sterke buiging maakt in den nek. In overeenstemming daarmede hangen in dit gedeelte ook de zwarte strepen alle ten minste in beginsel recht naar beneden van de kruin naar beneden over de flanken van rug en hals, eveneens met een duidelijke aanwijzing van de buiging van den nek. Een tweede stelsel zijn dan de strepen op den staart, die, volkomen de werkelijke staartwervels volgend, van achteren hooger op den rug opstijgen dan de leek zou verwachten, die het skelet en de spierstelsels onder de huid niet kent. Reeds hier begint, wat ik de „doorzichtigheid” zou willen noemen in die zebrateekening. Zij doet ons een dieperen blik slaan in het inwendige van het dier, daar zij den samenhang van het inwendige mechanisme, die anders onder de huid verloren gaat, op een zoodanige wijze naar buiten doet komen, alsof men door een doorzichtig omhulsel een laag dieper kon naar binnen zien in het levende dier zelf. En dit alles viert zijn triomf in de pooten. Elk der pooten heeft zijn strepen als stelsel op zich zelf. Daar echter de stijve as van het been loodrecht staat op het horizontale rugstuk, loopen ook dezen keer de strepen loodrecht op die van den rug. Dat verschil in richting volgt echter het been naar boven ver over de plaats heen, waar het in den gewonen omtrek van het paard zich in de massa van den romp verliest. Wij herinneren ons, dat bij het skelet van het paard feitelijk eerst op die plaats de echte knie gelegen [159]is, terwijl het been zelf zich nog een heel eind verder van binnen voortzet in de schijnbare borst- en buikmassa. En nu is het merkwaardig, hoe juist de strepen dien toestand zoo schitterend doen uitkomen. De strepen op de pooten loopen in een richting, die loodrecht staat op die van den rug, nog in een hoogen driehoek zoowel van voren als van achteren voort naar de flanken van het lichaam. Zoo ontstaat het prachtigste gedeelte van de geheele zebrateekening; die aan weerszijden in de neerhangende strepen van den rug ingrijpende driehoeken, bestaande uit fladderende wimpels, een verrukkelijk gezicht voor ieder kunstenaarsoog, en dat aan den zebra eerst zijn groote schoonheid geeft voor hem, die aan dat dier grootere opmerkzaamheid wijdt.

De teekening wordt tevens op die wijze een belangrijke factor in het totale beeld ook van den bouw van den zebra; terwijl zij namelijk het anders in het lichaam van het paard verborgen bovenbeen van achteren en van voren voor den uitwendigen blik duidelijk doet uitkomen, verlengt zij schijnbaar daardoor de pooten in het algemeen: de zebra lijkt ook hem, die zich volstrekt niet bewust is, wat de reden daarvan is, feitelijk veel hooger op de pooten te staan dan werkelijk het geval is, en ten gevolge daarvan maakt ook het geheel een veel fraaieren indruk.

Een eigenaardig stelsel van strepen vindt men ten slotte op den kop. De manen zijn wel is waar geheel opgenomen in het strepenstelsel van den hals, daar hier de neerhangende strepen eenvoudig doorgetrokken zijn tot in het haar, een omstandigheid, die voor den totalen indruk hier weer het voorste gedeelte van de kruin, waarmede die zwart-witte haren samenvallen, aanzienlijk hooger en statiger maakt. Aan het voorhoofd en de wangen daarentegen ontwikkelt [160]zich de meest geraffineerde speling van fijne strepen, als moest duidelijk uitgedrukt worden, dat daar de meest zenuwrijke, meest gevoelige plaats van het geheel gelegen is. Om de oogen worden de streepjes gewone hanepooten. Men meent te zien doorschemeren, hoe het oog door de spieren wordt vastgehouden, horizontale plooien van het voorhoofd met tegen elkander in loopende hanepooten geven aan het oog iets ingespannens en dreigends, dat anders nooit voorkomt bij een vluchtend hoefdier zonder kopverdediging. En lager bij den bek duiden de halvemaans-strepen onmiskenbaar de krachtige kauwbeweging aan.

Hij die een zebra, ook als hij stilstaat, gedurende langen tijd nauwkeurig beschouwt met het oog op dat stelsel van strepen, moet noodzakelijkerwijze geleid worden tot de waarneming van zuiver optische verschijnselen. Door de verscheidenheid en talrijkheid der schelle, nauwe, dikwijls elkander kruisende contraststrepen lijkt de zebra niet alleen grooter, maar het oog van den waarnemer wordt onrustig van de beschouwing; het beeld begint te verschuiven, loopt in elkander en vloeit ten slotte formeel in elkander. Men kan die ervaring reeds opdoen, als men zeer natuurgetrouwe afbeeldingen beschouwt, zooals bij voorbeeld de voortreffelijke momentopnamen met magnesiumlicht, die Schillings heeft gemaakt van wilde zebra’s des nachts aan de drenkplaats. Juist Schillings, die reeds zuiver physisch een zeer scherp ziende waarnemer is, heeft er met bijzonderen nadruk ook op gewezen, hoe de zoo in het oog vallend zwart-wit gestreepte teekening der zebra’s de dragers dier teekening volstrekt niet doet uitkomen tegen het hen omgevende landschap. Naar gelang van de verlichting zien er zebra’s heel verschillend van kleur uit, tot zelfs het eenkleurige grijs; [161]maar zelfs daar waar hun zwart-witte kleur van dichtbij zou kunnen uitkomen, vervloeien de dieren op de meest merkwaardige wijze met de kleur der steppe. Maar ook dan wordt ons een hoogst merkwaardig voorbeeld van mimicry vertoond, als zebra’s tegen het middaguur rust nemen onder boomen en struiken, die schaduw afwerpen; de trillende strepen der schaduwen, die door de takken der boomen worden veroorzaakt, vermengen zich dan op de meest verrassende wijze met de strepen der zebra’s. Dit citaat uit Schillings is uit den aard der zaak zeer merkwaardig. Het strepenstelsel, dat zich in den zoölogischen tuin zoo aan ons opdringt en naar voren treedt, schijnt in de vrije Afrikaansche steppe met haar kreupelhout omgekeerd juist tot de schutkleuren te behooren. De vraag zou slechts zijn, of de door Busch geleverde caricatuur der schilderhuisstrepen of een hoogst verward door elkander loopende zigzagversiering niet nog betere, in ieder geval even goede diensten zou kunnen bewijzen. Maar dat merkwaardige en verwonderlijke naar buiten doen treden van het inwendige lichaam met al zijn fijnheden en de geheele ornamenteele individualiseering binnen het rhythmische grondbeginsel schijnen mij in ieder geval er op te wijzen, dat ook nog inwendige factoren aan den bouw van het lichaam hebben medegewerkt, die met de uitwendige beschermende aanpassing hier uitsluitend door teeltkeus volstrekt niet kunnen worden verklaard.

Een lichte neiging tot het vormen van dwarsstrepen schijnt in alle levende wilde paarden aanwezig te zijn, wij herinneren slechts aan de strepen boven op den rug, de schouderkruisen en de strepen op de pooten der ezels; ook bij de tamme paarden komen een enkelen keer strepen op de [162]pooten voor. Het zou in hooge mate interessant zijn, de huiden der oude paardachtige dieren, van het Sivapaard af teruggaande, in dit opzicht te kunnen vergelijken, om na te gaan in hoeverre hierin een oud erfstuk en een oude ontwikkeling steekt. Maar hier is de draad onzer kennis helaas volkomen afgebroken, aan de fossiele beenderen is niets te ontleenen. Misschien waren de Hipparions, die in menig opzicht aan de zebra’s herinneren, reeds even mooi gestreept. Maar wie kan het zeker zeggen! Voor zoover de zaken tegenwoordig staan, geeft juist dat bijzondere van de „zebrakleur” aan het overblijfsel van onze Afrikaansche wilde paarden nog in sterkere mate het karakter van iets eigenaardigs, dat afwijkt van de lijn, die naar het cultuurpaard leidt.

In engeren zin is ook bij die zebra’s de zwart-witte zebrakleur overigens aan heel wat schommelingen onderworpen. De hierboven gegeven beschrijving komt overeen met het meest in het oog vallende type. Maar van daar uit is er een tamelijk groote speelruimte, waar de strepen zich nu eens hier, dan weer daar als het ware van geheele groepen van lichaamsdeelen terugtrekken, zonder dat daar, waar zij behouden zijn gebleven, het karakter op zich zelf is gewijzigd. En juist hier kunnen de verschillende locale vormen ingeschakeld worden (die op zich zelf ook niet zoo gemakkelijk te verklaren zijn uit het beginsel van beschermende aanpassing), die voor de zebra’s karakteristiek zijn op hun uitgestrekt Afrikaansch verbreidingsgebied.

Toen ik mijn eerste studies maakte in den zoölogischen tuin, was de natuurlijke geschiedenis der zebra’s in haar systematisch gedeelte spoedig aangeleerd. Er waren in die dagen drie verschillende typen van zebra’s: de echte zebra met strepen tot over de geheele pooten; Burchell’s tijgerpaard [163](de dauw) met strepen alleen op het lichaam en met volkomen witte pooten; en de Quagga, die alleen maar over het halve lichaam gestreept was. Het tijgerpaard was in den dierentuin de gewone vorm, hoewel hij tegenover den echten zebra, zooals die bij Brehm beschreven stond, niet voor volkomen vol werd aangezien. Brehm had trouwens ook alleen maar drie soorten genoemd. Na dien tijd zijn, naarmate de nadere ontsluiting der merkwaardige Afrikaansche dierenwereld heeft plaats gegrepen, zooveel speciale soorten van zebra’s bekend geworden, dat men een geheele lijst van buiten moet leeren. Maar te gelijker tijd is de onzekerheid over de werkelijke grenzen en het aantal der onafgebroken op elkander volgende verbeteringen, twijfelingen en nieuwe rangschikkingen zóó groot geworden, dat men de neiging krijgt, weder tot dat oude drietal terug te keeren, dat in zekeren zin nog steeds zeer goed iets uitdrukt, wat op zich zelf onbetwistbaar is. Doch ook hier doet zich een moeilijkheid voor ten gevolge van een intusschen onverwacht plaats gegrepen sterfgeval.

De derde vorm, de Quagga, heet namelijk tegenwoordig volkomen uitgeroeid. Wij hebben hier te doen met een zeer eigenaardig geval, niet alleen voor de geschiedenis der dieren in het algemeen, maar ook voor de meer beperkte geschiedenis van onze dierentuinen.

De Quagga was sedert de dagen van Buffon één der meest bekende soorten van zebra’s, die zich door de plaats, waar zij gevonden werden, het gemakkelijkst aan ons aanbood, daar hij in talrijke kudden juist over het noordelijke deel van het Kaapland en den Oranjevrijstaat trok. Toen de eerste dierentuinen in Parijs, Schönbrunn en later, in de negentiende eeuw, in Londen geopend werden, was het zoo [164]natuurlijk mogelijk, dat ook de Quagga, die zoo gemakkelijk te bereiken was en zoo veel voorkwam, daarin werd gezien, vooral daar het op zich zelf geen bijzondere moeite kostte, Afrikaansche wilde paarden levend te importeeren. En dat bleef nog zoo tot omstreeks de laatste twintig jaren der vorige eeuw. In den Londenschen dierentuin is de Quagga sedert 1831 niet minder dan driemaal aanwezig geweest, en hij heeft het daar jaren lang uitgehouden. Van daar zijn de huiden afkomstig, die men opgezet vindt in het museum van Rothschild en in het museum voor natuurlijke historie te Londen. Dergelijke huiden zijn tegenwoordig kostbare zeldzaamheden, en waar zij zijn, moeten zij zorgvuldig bewaard blijven, want zij zijn niet te vervangen; behalve Londen bezitten Berlijn, Weenen, München, Parijs en Amsterdam nog een enkel exemplaar. Immers op een goeden dag kwamen geen nieuwe Quagga’s meer in den dierenhandel voor. Na eenigen tijd waren de laatste paar exemplaren der Europeesche tuinen allen gestorven. Korten tijd daarna begon zich het gerucht te verspreiden, dat er geen Quagga’s meer in den dierenhandel voorkwamen—nooit meer—daar er in Afrika zelf geen Quagga’s meer waren. Het laatste exemplaar is, naar men zegt, reeds in het jaar 1880 geschoten. Een feit is het, dat men tegenwoordig geen enkele plek meer kent in de geheele oude woonplaats der Quagga’s, waar in de latere jaren nog een levende Quagga is gezien. En in andere deelen van Afrika is juist die soort nooit bekend geweest.

Het lot van die dieren schijnt dus bezegeld te zijn. En het betreft hier speciaal die soort van zebra’s, die het meest verschilden van alle andere, dus in zekeren zin de meest op zich zelf staande, al is het dan niet de allermooiste. [165]Ik heb in der tijd verzuimd op den Quagga in den zoölogischen tuin te letten, en kan dus alleen oordeelen naar aanleiding van opgezette dieren in musea, van welke dieren ik het Amsterdamsche exemplaar nauwkeurig heb beschouwd. Dat exemplaar, een wijfje, had in het oog vallend korte en krachtige pooten. De Quagga heeft absoluut niets meer van het zwart-wit der andere zebra’s. Het is een bijna volkomen bruin paardje met een lichte aanduiding van strepen, gerangschikt als bij een zebra, maar het blijft meer een lichte nuanceering. Alleen aan den kop, aan het voorhoofd en de oogen heeft men op den bruinen achtergrond nog werkelijke donkere zebrastrepen. Op den hals, het eenige lichaamsdeel, dat van het geheele lichaam nog duidelijke strepen vertoont, ziet men daarentegen reeds geen echte zwarte banden meer op een helderden achtergrond. Maar door een donkeren, reeds sepiabruinen grondtoon loopen een paar heel zachte, golvende, lichte banden, die op de Amsterdamsche huid zelfs witachtig zijn, zoodat in het geheel een indruk wordt teweeg gebracht, dien ik niet beter zou kunnen vergelijken dan met het meer of minder fijn genuanceerde bruin op de vleugels van een aantal vlinders. Bij het Londensche exemplaar kon men iets wat op strepen geleek weg nevelend nog waarnemen tot op het gebied der achterdijbeenderen. Merkwaardigerwijze is de lichte staart een echte paardestaart, wat den indruk verhoogt, dat men met een gewonen pony te doen heeft, een indruk, die misschien nog veel sterker zou kunnen zijn bij minder willekeurig opgezette dieren.

Zoolang ik een dergelijken Quagga in het museum bestudeerde, heb ik de gedachte niet van mij kunnen afzetten, dat hij er uitzag als het resultaat van een kruising van een bruin tam paard met een Burchell’s tijgerpaard-zebra, die [166]toch reeds onder het kniegewricht de strepen mist. In den Berlijnschen dierentuin leeft een „zebroïde”, dat wil zeggen een dergelijke werkelijke mengvorm van een hengst van een gelen Shetland-pony en een zebra-merrie, een dier, dat reeds eenigszins dergelijke fijn genuanceerde sepiakleuren doet zien. Maar in aanmerking genomen het feit, dat de eerste kolonisten in Zuidafrika den Quagga reeds aantroffen in talrijke kudden, is die losse gedachte natuurlijk niet vol te houden; met wat voor geïmporteerde paarden zou die kruising in onbekende dagen zijn geschied? In weerwil van dit alles blijft er voor mij toch nog altijd iets geheimzinnigs over in den Quagga. Des te meer is het te betreuren, dat die merkwaardigste soort onder de zebra’s niet meer bestaat.

Voor de overige dier harlekijnachtige wilde paarden zou ik als echte tijgerpaarden die soorten willen nemen, die tusschen de echte donkere strepen nog een soort schaduwspel van meer of minder duidelijke bijstrepen vertoonen; als echte zebra’s daarentegen alle dieren met het typische, zuiverzwarte traliewerk. Of de grondkleur daarbij meer geel of meer wit is, schijnt af te wisselen met leeftijd en geslacht binnen rassen uit dezelfde streken.

Ook in de beteekenis van die ruwe oudste definitie is het in ieder geval zeker, dat de tijgerpaarden een duidelijk uitkomende neiging vertoonen tot pooten, die bijna geheel vrij zijn van strepen. Bij de soort, die oorspronkelijk in alle zoölogische tuinen onder den naam van Burchell’s tijgerpaard bekend was en in die dagen dikwijls was ingevoerd, schijnen de strepen zelfs reeds op het bovenbeen te verbleeken; men is meestal van meening, dat die soort ook reeds in vrijheid volkomen is uitgeroeid, terwijl onze tuinen [167]nog echt gefokt materiaal bezitten. Door de verflauwde tusschenstrepen en den algemeenen meer in het bruin loopenden grondtoon moet dat Burchell’s tijgerpaard op de kolonisten in den Oranjevrijstaat in ieder geval zóó sterk den indruk hebben gemaakt van een Quagga, dat zij het „de bonte Quagga” hebben genoemd. Maar veel sterker en donkerder gestreept over de achterpooten is het schoone tijgerpaard, dat in Duitsch Zuid-westafrika nog tegenwoordig bestaat, de zoogenaamde Damara-zebra. Uit een geografisch oogpunt zijn in ieder geval die tijgerpaarden de eenige Zuid-Afrikaansche wilde paarden, die van het zuiden uit ook nog een eind ver opklimmen naar de westkust.

De uit een geografisch oogpunt „echte zebra’s” gaan daarentegen van het uiterste deel van het Kaapland tot aan het gebied der ezels in Somaliland consequent door Oost-Afrika heen. De beide zebra’s, die in hun strepen het schoonste zijn en die merkwaardiger wijze aan hun lange ooren en andere kenmerken het meest op ezels gelijken, geven als het ware de hoekpijlers aan en wel: de reeds het langst bekende echte zebra of het bergpaard in het Kaapland en de zebra, die in den laatsten tijd hoe langer hoe veelvuldiger in de zoölogische tuinen wordt gevonden, de Grevy-zebra in Somaliland zelf. Van de daar tusschen gelegen overgangsvormen noem ik als den meest bekenden den „Böhms-zebra” uit het gebied van den Kilimandsjaro. Met zijn „gestreepte kousen”, die zich uitstrekken tot op den hoef komt hij bijzonder goed uit op de voortreffelijke met magnesiumlicht genomen photografieën van Schillings.

De Grevy-zebra was voor mij, toen ik hem voor het eerst in Londen zag, een ware verrassing. Een zoo kolossale zebra, waarbij de bergpaarden en andere kleine soorten tot [168]ponys inkrompen, had ik absoluut niet voor mogelijk gehouden. De wonderen van de teekening, zoo fijn als de graten van een visch, en van het contrast tusschen wit en zwart hebben daar hun hoogtepunt bereikt. Geen enkele zebra maakt in zoo hooge mate den indruk, als ware hij met zwart lak op een melkwitten achtergrond kunstmatig geschilderd, en lijkt zoo volmaakt onmogelijk als natuurproduct. Daarbij schijnt er voor gezorgd te zijn, dat die allernieuwste indruk ons nog het meest getrouw blijft in de zoölogische tuinen, terwijl het echte bergpaard uit het Kaapland noodzakelijker wijze daar moet ondergaan onder den invloed der onverbiddelijke cultuur.

Gedurende langen tijd was die veel kleinere, maar wonderlijk rijk over het geheele lichaam, ook over de pooten, gestreepte vorm uit het Kaapland de eigenlijke schat in onze afgesloten zebraparken. In Berlijn heeft een oude merrie, die het meer dan een kwart eeuw flink heeft uitgehouden, mij het eerst van het tijgerpaard geleid tot het type van den echten zebra, en mij de liefde voor den zebra in het algemeen ingeboezemd, die ik, zij het ook van verre, nog tot den huidigen dag heb behouden; in de nabijheid als „vriend” is de zebra een valsche, bijtachtige kwant, waaraan men nog steeds bemerkt, wat toch altijd in het wezen der zaak het meest interessante aan hem is: het wilde paard. Ik heb mij daarom dan ook nooit zoo warm kunnen maken voor het debat, dat in den laatsten tijd zoo levendig is gevoerd over de mogelijkheid den zebra blijvend te temmen, en over zijn bruikbaarheid voor de cultuur. Voor mij is in de eerste plaats een werkelijk actueel vraagstuk, hoe de zebra als wilde vorm kan worden gered door alle mogelijke middelen der moderne bescherming tegen de jacht. Dat het mogelijk is, [169]een zebra oppervlakkig, individueel te temmen, is tegenwoordig absoluut zeker, in weerwil van allen vroegeren twijfel. Tegenover de hoop om den zebra snel op den duur te temmen tot een echt cultuurdier, zooals ons cultuurpaard dit is, sta ik desniettemin even sceptisch als tegenover alle andere pogingen, om uit wilde dieren in een paar geslachten huisdieren te willen fokken. Wij menschen zijn tegenwoordig ten gevolge van bepaalde werkelijk kolossale gevolgen in den vooruitgang der cultuur allen eenigszins in het stadium der geestelijke koortshitte. Wij willen overal loopen met zevenmijls laarzen. Maar tegenover dergelijke karakterwijzigingen in het levende wezen zullen wij nog wat bemerken van de taaiheid der natuur, van de rotsgevaarten, die niet met geweld kunnen worden verbrijzeld, maar die alleen door een duizenden jaren voortgezet druppelen kunnen worden uitgehold.

Uit een historisch oogpunt mag men wel met zekerheid uitspreken, dat de zebra met het werkelijke oorspronkelijke temmingsproces van ons paard in niet den minsten samenhang staat. Geen enkel ras onzer getemde paarden vertoont het geringste spoor van de physionomie van den zebra. Alle zebra’s staan zóó geïsoleerd naast ons paard, dat men, wat de uiterlijke gedaante betreft, geen oogenblik verwonderd zou zijn, als de zebra in het skelet nog ergens een overtolligen teen of één dier oudere kenmerken aanwees, die hem zou doen kennen als een overlevend overblijfsel van één dier oudere groepen van paardachtige dieren. Doch zóó ver staan zij zuiver systematisch niet van elkander. Maar des te duidelijker ontbreekt iedere historische aanwijzing van een nauweren samenhang met onze cultuurgeschiedenis.