[170]
Hoewel ook de zebra komt tot in Somaliland, dus in het stamgebied van den ezel, is toch, even zeker als het feit, dat de ezel over Egypte in de beschaafde wereld is binnengetreden, het andere feit, dat het paard niet langs dien weg is binnengekomen. Egypte zelf heeft het paard eerst veel later gekregen, en als alle teekenen ons niet bedriegen, van het noorden uit. Zelfs echter indien er op den niet-Egyptischen noordelijken rand van Afrika van oudsher een zelfstandig uitgangspunt zou geweest zijn voor het fokken van tamme paarden (wat volstrekt niet bewezen is), dan zouden niet de tropische zebra’s daarvoor in aanmerking moeten komen, maar achterblijvers der diluviale Europeesche wilde paarden, waarvan men de beenderoverblijfselen in Algiers heeft gevonden.
Over die punten is men het dan ook vroeg tamelijk wel eens geweest. De vraag, die zich dan echter met kracht naar voren drong, was deze: waar dan ons tamme paard van afstamde.
Het eerste aannemelijke vermoeden wees op Azië. Men moet zich hierbij een oogenblik terugdenken in de andere voorstelling van de negentiende eeuw omtrent den geheelen gang der beschaving in het algemeen. In Azië wortelde, naar men meende, alle cultuur. Van hier uit hadden zich van oudsher cultuurvolken met golfbewegingen in westelijke richting voortbewogen. Een dergelijke golf was in de gedaante der „Kelten” over geheel Europa heengeslagen. Daarop volgde, de vorige gedeeltelijk overstroomend, van het oosten naar het westen een Germaansche golf, en daarop een Slawische. Bij een dergelijke voorstelling kwam een oorspronkelijk zelfstandige cultuur voor Europa zoo goed als niet in aanmerking. Europa rekende evenmin mede voor de oude cultuurdieren en dus [171]evenmin voor het paard. Zoo bleef dan Azië alleen over. In de periode, waarin de geschiedenis van het huisdier op zuiver philologische grondslagen was gegrondvest en berustte op bewijzen, aan taal en literatuur ontleend, in de tweede helft der negentiende eeuw, toen de even geestige als op taalkundig gebied zaakkundige studiën over huisdieren en cultuurplanten van den energieken, in zijn bijzonder gebied zich absoluut souverein voelenden Viktor Hehn de opvattingen beheerschte, zonder dat men dadelijk haar eenzijdigheid bemerkte,—scheen het eenvoudig van zelf sprekend, dat men uitsluitend in Azië kon zoeken naar de voorouders van het paard.
Men hoorde nu in het eerst van „wilde paarden” uit de zuidoostelijke Russische steppe, dus ten minste nog in het naar Azië openstaande grensgebied. Zij werden beroemd onder den naam van „Tarpans” en hebben tot een uitgebreide literatuur aanleiding gegeven. Tegenwoordig mag men wel als vaststaand aannemen, dat de Russische Tarpan, die in zuiveren vorm niet meer is op te sporen, ook vroeger nooit „zuiver” is geweest in den zin van een oorspronkelijk wild paard, maar gerecruteerd is uit verwilderde afstammelingen van een aantal oude cultuurrassen, die onderling gekruist hebben; uit de kruising van die rassen zou hij als het ware proefondervindelijk nog tegenwoordig te maken zijn in zijn typischen vorm. In die dagen beschouwde men den Tarpan niet alleen als een werkelijk wild paard, maar men beschouwde hem gewoon weg als volkomen Aziatisch. Duistere geruchten over wilde paarden in de meer of minder geheimzinnige steppen van Centraal-Azië werden zóó gecombineerd, dat het Tarpanpaard als oorspronkelijk wild paard van steeds nog te herkennen gelijkenis met het cultuurpaard, [172]maar toch „wild”, zich ten slotte nog tot in de woestijn Gobi op Chineesch gebied uitstrekte. Toen het eenmaal gevangen was in den binnen-Aziatischen ketel, was de gevolgtrekking ten opzichte van den Tarpan niet zoo moeilijk, dat de ééne of andere der oude culturen aan den rand van dien ketel het dier in het grijze verleden uit dien ketel heeft opgevischt.
De reactie bleef echter al spoedig niet uit. Reeds vroeg werd de Tarpan een problematiek dier. Het bleek, dat die zoogenaamde Tarpans van Perzië tot de woestijn Gobi, goed in het licht gezien, eenvoudig dezelfde waren als de vroeger besproken Onagers en Dziggetais, dus als wilde ezels. Ten einde raad nam Brehm, die één der weinige kenners uit eigen aanschouwing van de Aziatische steppe was, zijn toevlucht tot den uitweg, dat hij in een dergelijken wilden ezel zelf den Trans-Caspischen Koelan, dien hij gelijkstelde met den werkelijken Chineeschen Dziggetai der woestijn Gobi, den stamvader zag van ons cultuurpaard. De trotsche pracht dier wilde Aziatische dieren, die hij voor het eerst volkomen had leeren kennen, hield hem gekluisterd en gevangen. Maar toch was aan die opgedrongen oplossing op den duur niet ernstig te denken.
De twijfel aan het denkbeeld van Brehm vertegenwoordigde dan ook een zeker keerpunt. Ondertusschen was er een geheele reeks van nieuwe feiten bekend geworden over het ten minste eertijds voorkomen van wilde paarden midden in de voornaamste cultuurlanden van Europa. Uit de diluviale periode kwamen tallooze overblijfselen van paarden in Frankrijk en Duitschland, en zelfs tot in Zweden voor den dag. Ongetwijfeld had men hier te doen met inheemsche wilde paarden. Zij liepen reeds parallel met een eveneens [173]inheemsche Europeesche cultuur, een praehistorische cultuur. Maar die cultuur bezat in het begin nog geen huisdieren. Op het paard werd jacht gemaakt als op een wild dier der steppe. In Westeregeln bij Maagdenburg liggen zijn beenderen midden tusschen die van andere wilde steppendieren, bij wie nooit sprake geweest kan zijn van temming. In een Zweedschen schedel, die afkomstig is van een jong paard, steekt nog een vuursteenwapen der steenperiode. Op een vindplaats onder een hoogen rotswand bij Solutré in Frankrijk liggen overblijfselen van vele duizenden paarden op een zóó karakteristieke wijze bij elkander, dat men bepaald moet aannemen, dat de praehistorische mensch hier langen tijd gewoon was vluchtige wilde paarden over den kling te jagen en zóó tot een zekeren buit te maken. Eindelijk werden als bewijsstukken, die voor goed den doorslag gaven, op ivoor gesneden figuren en verrassend goed uitgevoerde teekeningen, voor een deel groote muurteekeningen in holen ontdekt van de hand van praehistorische kunstenaars op de overoude Fransche cultuurplaatsen van een niet bij name bekend, maar blijkbaar zeer begaafd volk, waarop een diluviale dierenwereld, nog volkomen duidelijk te herkennen, was voorgesteld. Naast teekeningen van den mammouth vindt men daar ook teekeningen van een paard van een steeds terugkeerend, hoogst karakteristiek type. Bepaalde trekken daarin, bij voorbeeld een dichte baard aan de kin, schenen nog duidelijk te wijzen op de dik behaarde dieren van den rand der gletschers uit de ijsperiode, waartoe ook de roodbonte neushoorn en de mammouth met zijn geelbruin wollen kleed en zijn manen hebben behoord. Maar aan den anderen kant leek de vorm ook reeds in het oog vallend op bepaalde zware oud-Europeesche cultuurrassen met een langen, zwaren, [174]in het dik gewelfde neusgedeelte ver vooruitstekenden, kop en met dikke pooten.
Dit praehistorische bewijsmateriaal is na dien tijd hoe langer hoe zekerder en klemmender geworden. Maar als de dingen zoo waren, dan moest men zich toch de vraag stellen, of niet, naarmate de Europeesche cultuur verder voortschreed, het paard juist in Europa werkelijk voor het eerst is getemd geworden. Hier werd nu ook het materiaal van gewicht, dat scheen te bewijzen, dat het Europeesche wilde paard volstrekt niet ongeveer op het allerlaatst der diluviale periode evenals de mammouth en de roodbonte neushoorn in het land was uitgestorven, maar dat het ten minste op enkele plaatsen feitelijk als zoodanig tot zelfs ver in de historische tijden heeft voortgeleefd. Inderdaad kunnen uit de oudere literatuur een groot aantal mededeelingen over „wilde paarden” in het Duitsche woud worden bijeengebracht. Dat het Duitsche wilde paard, oorspronkelijk een steppendier, zich in het overgebleven gedeelte van het Duitsche oerwoud, waar het nog bestond, voor de toenemende cultuur zou hebben teruggetrokken, zou niet zoo bijzonder te verwonderen zijn. Dat aan den anderen kant een bosch, dat nog langen tijd wisents, oerossen, elanden geherbergd heeft, ook een goede schuilplaats kon aanbieden aan wilde paarden, is ook duidelijk. De verschillende opgaven uit de literatuur zijn merkwaardig eenstemmig. In de „Benedictiones ad mensas Ekkehardi”, de zegeningen over de spijzen, door Ekkehard IV, den magister scholarum in het klooster St. Gallen in Zwitserland gegeven, vindt men ook een dergelijke zegening voor het vleesch van het „wilde paard.” In een andere bron van het jaar 1593 wordt weer melding gemaakt van wilde paarden in Wasgau. In de rechtsverslagen van Kaiserslautern [175]worden tot in het begin van den dertigjarigen oorlog „wilde paarden” genoemd, die huisden in de diepe bosschen van de Pfalz, zich daar vermenigvuldigden, en des nachts losbrekend als de wilde zwijnen, zóó groote verwoestingen aanrichtten in de bebouwde velden, dat de stad in het jaar 1616 drie afzonderlijke boschwachters tegen de wilde paarden moest aanstellen. Hahn (niet Hehn, maar een ander onderzoeker der huisdieren) heeft in het jaar 1892 op zeer overtuigende gronden de stelling verdedigd, dat de „grimme Schelch”, die in het Nibelungenlied nog als een groot stuk wild genoemd wordt, waarop te gelijk met den tegenwoordig verdwenen oeros werd jacht gemaakt, een wilde hengst is geweest; het woord wordt daarbij afgeleid van „Beschäler” (dekhengst.) Nog in het jaar 1537 leest men, in een keukenrekening uit Lippe, van een hengst, die gezonden werd als „Beschäler” bij de wilde paarden. Toen men uit de moerassen van Ierland bijzonder goed geconserveerde, meestal zelfs nog door stukken huid omgeven geraamten van een hert met een kolossaal gewei had leeren kennen, dat wel is waar tegenwoordig niet meer bestaat, maar in Europa eerst betrekkelijk laat scheen te zijn uitgestorven, werd het een algemeen verbreide hypothese, dat in dien wonderlijken „Schelch” dat toen ten tijde nog voortlevende of in ieder geval in sagen nog gekende reuzenhert stak. Maar feitelijk is er geen enkel verder feit, dat een bewijs zou zijn voor het later voortleven van dat in verschillende opzichten raadselachtige diluviale hert tot in de historische tijden; het zou dus meer dan vermetel zijn, daartoe te concludeeren uitsluitend op grond dat hier een „grimmig” jachtdier uit oude dagen voorkomt, dat wij niet onmiddellijk kunnen thuis brengen. De wilde hengst past echter uitstekend in het kader. [176]
Nu is trouwens ten opzichte van al die „wilde paarden” uit de oudere bronnen beweerd geworden, dat men hier gedeeltelijk ook weer te doen heeft met verwilderde vluchtelingen uit oorlogstijden, die zich in het oerwoud, waar dat nog bestond (en in enkele streken bestond het zelfs zeer laat nog weelderig genoeg), tijdelijk zelfstandig hadden gevestigd; gedeeltelijk echter ook met vorstelijke stoeterijen, waar cultuurpaarden in half verwilderden toestand gehouden werden, die zoowel landbouwer als stadbewoner van tijd tot tijd plaagden als wilde dieren. Dit mag enkele medegedeelde feiten verklaren, doch moeilijk juist de meest interessante. Bij stoeterijen van wilde paarden met „grimmige” dekhengsten in het diepe eenzame woud zou men ook deze vraag kunnen stellen, of niet juist die dieren zelf een bewijsstuk waren voor nog laat behouden gebleven overgangstrappen van het temmingsproces. Ik herinner aan hetgeen vroeger gezegd is van den hengst en zijn zoo late temming. Misschien heeft men nog zeer lang de dekhengsten in een soort van overgangstoestand gehouden als half wilde dieren en dieren van het woud, wat echter niet uitsloot, dat zij reeds hun rechtmatigen eigenaar hadden en in het algemeen beschouwd werden als hulp verleenende cultuurdieren.
In ieder geval heeft de meest zorgvuldige critiek die zaken niet weer geheel uit de wereld kunnen helpen. En zoo neigde zich het tongetje van de weegschaal hoe langer hoe sterker naar Europa toe, terwijl te gelijker tijd even zeker de hoop begraven werd, een wild paard, waarin de voorvader van ons cultuurpaard zou kunnen steken, nog levend terug te vinden. Daartoe was Europa reeds lang te zeer verlicht. Het voorvaderlijke paard scheen evenzeer door zijn getemden kleinzoon te zijn opgezogen als de eveneens reeds [177]lang ten onder gegane oeros van het oude Duitsche woud door het getemde rund.
In die schijnbaar nu zoo volkomen gezuiverde atmosfeer is echter toch weer een nieuwe ontdekking van den allereersten rang als de bliksem ingeslagen. In het jaar 1879 ontmoette de Russische reiziger Przewalski (spreek uit Pschewalski) in het wildste gedeelte der Centraal-Aziatische woestijn (in het Tarim-bekken) een wild eenhoevig dier, dat nu volstrekt geen wilde ezel, maar een absoluut echt wild paard was.
De Kirgiezen noemden het dier „Kertag”, de Mongolen „Taki”. Het was over het algemeen klein, maar met een grooten kop, het droeg ooren als van een paard, manenborstels als van een zebra, zonder kuif, en een staart, die over de bovenste helft alleen korte haren had en eerst van onderen eindigde in den echten paardestaart. De kleur kwam overeen met die der woestijn tusschen rossig en geel, de in het oog vallende dikke pooten waren van de knieën af zwart. Kudden van vijf tot vijftien stuks, merries en veulens met een ouden hengst als leidsman, waren bij elkander. De levendige, scherp speurende dieren hielden het meest van de naakte zoutwoestijn, waar bijna geen water te vinden was. Alleen in den winter was het mogelijk op hen te jagen, als de sneeuw voor de jagers het water kon vervangen. Tweemaal stootte de ontdekker op een kudde, zonder de gelegenheid te hebben hen onder schot te krijgen. Als een stormwind vlogen de dieren den hengst achterna. Maar een huid en een schedel, die langs anderen weg in het bezit kwamen van Przewalski, waren onmiddellijk voldoende om wetenschappelijk het dier te huis te determineeren.
Er was dezen keer geen sprake van verwilderde Mongoolsche [178]cultuurpaarden. Men stond tegenover een echt wild paard, even goed als de zebra’s het wilde paard vertegenwoordigden. Maar nu tegenover het wilde paard, dat men had gezocht: en wel een wild eenhoevig dier, dat klaarblijkelijk uit een zoölogisch oogpunt behoort tot de engere groep, waartoe ons cultuurpaard behoort. Het hoogstmerkwaardige schepsel, waarmede een meer dan honderdjarige twistvraag in een geheel nieuw stadium trad, werd het Przewalskipaard gedoopt.
Na de eerste publicaties trad er weer een pauze in, gedurende welke geen verder bericht kwam, zoodat in de kringen der vakgeleerden reeds weer twijfel opkwam. Toen ondernam de zoöloog Büchner een expeditie naar Dzoengarije, uitsluitend ter wille van het wilde paard. Hij bracht ook gelukkig een paar merries levend naar Rusland mede. In het particuliere park van Falz-Fein in Askania Nova in Zuid-Rusland verscheen het merkwaardige dier voor het eerst als wetenschappelijk gevangene. Toen nu de belangstelling zoo algemeen was geworden, trad de Hamburgsche handelaar in dieren, Karl Hagenbeck, de groote leverancier van al onze groote Europeesche zoölogische tuinen, in het krijt. Hij verschafte zich 28 stuks levend voor den handel, uitsluitend jonge dieren, die allen in de nabijheid van Kobdo in West-Mongolië op Chineesch grondgebied gevangen waren. De Mongoolsche jagers hadden door plotseling opjagen van grootere troepen de veulens er toe gebracht, achter te blijven bij hun vluchtende moeders, en ze met een soort van lasso gevangen. In het kamp gebracht, waren de jonge dieren spoedig gewend geraakt aan tamme merries als pleegmoeders, aan wie men haar eigen jongen had ontnomen,—een leerrijke bijdrage voor het proces, dat zich zeker ontelbare [179]malen op dergelijke wijze had herhaald in de temmingsgeschiedenis van het paard. Uit die bezending zijn al onze grootere dierentuinen van dergelijke exemplaren voorzien, en daar de veulens intusschen groot geworden zijn, kan men zich tegenwoordig van het Przewalskipaard een betere voorstelling maken dan van een aantal reeds veel langer bekende zoogdieren.
Het schoone paartje van den Berlijnschen dierentuin doet bijzonder goed de tegenstelling zien met de verschillende Aziatische wilde ezels, die daar in de nabijheid zijn gehuisvest. Niet gemakkelijk zal men dieren vinden, die meer van elkander verschillen, niemand zal ze meer van elkander willen afleiden. Op het eerste gezicht meent men, dat de rollen omgekeerd zijn; de Koelan lijkt het groote, hooge, slanke paard, het wilde paard lijkt de kleine dikke ezel. Een nadere blik doet dan in het kleine dier toch de lijnen van het paard zien, maar eenigszins als caricatuur. Een zwaar, massief paard met dikke pooten, alsof het samengedrongen was, en klein en laag was gehouden. En daarbij ziet men als speling de pooten van den zebra. Leelijke, maar merkwaardige dieren. Wilde, krachtige loopers over de steppen, wie men reeds kan aanzien wat men nooit in den zebra zou zoeken: dat zij, vergroot, onvermoeide karrepaarden, last- en trekdieren zouden kunnen leveren. Vooral de jonge dieren hebben zóó lange, onbehouwen koppen, dat zij er met hun uitgerekt gezicht tusschen beide uitzien als een slecht uitgevoerde photografie, waarbij de kop door een verkeerd perspectief te groot is genomen tegenover het meer naar achteren staande lichaam. De dikke wangen trekken steeds bijzonder de aandacht. De hoofdkleur komt overeen met die der woestijn, daarin komen zij volkomen overeen met de [180]Koelans, en er zijn maar weinig gevallen, waar twee zoo geheel van elkander afwijkende diervormen op een afstand toch weer zoo overeenstemmen, daar zij beide het product zijn van eenzelfde milieu: ook hier die roodachtige Isabellakleur met een wit toevoegsel, dat ik vroeger heb gekenschetst als een wolkje melk in de koffie. En hoe rijper van kleur de Berlijnsche hengst is geworden, des te zuiverder zijn die kleuren der woestijn afgezet, b.v. de snuit verblindend wit tegen den meer rooden kop. Volkomen als van een wilden ezel ziet er ook de fijne donkere ruggestreep uit, die scherp, als ware het met inkt geschied, voortloopt tot in den staartwortel. Welke beteekenis die streep bij al die bleeke kinderen der woestijn wel mag hebben? Is het een laatste schuilhoek als reserve, waaruit, als het noodig is, op een bepaald oogenblik een soort weer de oude strepen der voorouders zou kunnen te voorschijn roepen.
Maar dan komt er van onderen aan het lichaam van het wilde paard iets, dat hem even duidelijk ook in de kleur onderscheidt van de Aziatische wilde ezels. De Koelans en Dziggetais worden van onderen zóó helder over hun geheele oppervlakte, dat hun pooten formeel verdwijnen, en niets maakt ze zóó licht, zóó zwevend voor het oog als die eigenschap. De kleine, zware armzalige Isabellapaarden staan daarentegen stevig aan den grond vast als op vier dikke koolzwarte stutten. Zij dragen aan het voetbeen over de hoeven echte zwarte kousen. Bij den hengst met zijn veel levendiger kleur loopt de kleur van voren tot over het handgewricht (schijnbaar het armgewricht) en is even ebbenhoutzwart als de beste zwarte kous. En bij die donkere pooten, die de aandacht van hem die het dier beschouwt, concentreeren op het ondergedeelte en dubbel zwaar maken voor [181]het uiterlijk, komt nog als vijfde donkere massa het paardestaartachtige gedeelte van den staart, dat bij den hengst zoo trotsch en donker mogelijk tot op den grond reikt, als kon het van onderen niet duidelijk genoeg den indruk vestigen van den echten paardestaart, terwijl toch aan den woestijnkleurigen gelen wortel nog voor een deel het karakter van den zebra en den ezel onmiskenbaar blijft voortbestaan. In de heldere zoutwoestijn moeten die „kousenpaarden” er uitzien, alsof zij allen juist het moeras waren doorgetrokken.
Terwijl zij des zomers er uitzien als waren zij geschoren, wapenen de Przewalskipaarden zich tegen den tijd van hun steppenwinter met een meer kroesharigen, wollen pels, die vooral van de kin van den hengst als dikke bossen afhangt, en dus een echten boksbaard vormt. Juist dat gebaard zijn van een paard leidt echter weer terug tot onze groote strijdvraag.
In den Berlijnschen zoölogischen tuin is het paar bekend onder den naam van „oorspronkelijke wilde paarden.” Die naam draagt rekening met de tegenwoordig wel algemeen erkende stelling, dat van alle levende wilde eenhoevige dieren tegenwoordig alleen nog het Przewalskipaard voor onze cultuurrassen in aanmerking zou kunnen komen als een oorspronkelijke vorm. Intusschen is er nog een meer uitgebreide beschouwing noodig, om aan dat begrip zijn volle draagwijdte te geven. De verrassende ontdekking van dit Centraal-Aziatische wilde paard moest den blik eerst weer geheel naar Azië richten, maar beperkte dien tevens voor het levende dier daar tot een betrekkelijk nauw gebied. Zooveel als kan worden afgeleid uit verschillen in kleur, bewonen de Przewalskipaarden tegenwoordig in twee variëteiten hun Mongoolsche woonplaats, de wat donkerder soorten [182]het Tarinbekken, een zeer lichte soort daarentegen de woestijn Gobi. Doch het zou in ieder geval een beperkte kring zijn, als dit van oudsher het geval was geweest—het zou de plaats, waar de paarden getemd zijn, historisch vaststellen op een volkomen bepaalde en tamelijk ongeschikte plaats, indien in de Przewalskipaarden werkelijk de eenige en echte oorspronkelijke vorm moet steken. Men kan nu echter aantoonen, dat die tegenwoordige geografische isoleering blijkbaar zelf niets anders is dan een later toeval. Die oorspronkelijke wilde paarden zijn tegenwoordig alleen in het leven gebleven in het gebied der woestijn Gobi, die zoo ver is afgebleven van de cultuur; in een ouderen bloeitijd waren zij daarentegen feitelijk over een onvergelijkelijk veel grooter gebied der aarde verspreid. Nadat men ze nu eenmaal levend op die ééne plek heeft leeren kennen, heeft men ze later, wat de hoofdtrekken betreft, kunnen identifieeren.
In de eerste plaats heeft men kunnen aantoonen, dat Przewalskipaarden nog in de eerste duizend jaren vóór de geboorte van Christus wild in Mesopotamië voorkwamen en daar werden gejaagd. In het Britsch museum te Londen vindt men een marmeren plaat met een in relief aangebrachte voorstelling, die afkomstig is uit het paleis van Sardanapalus in Kujundschik, dus een Assyrisch kunstwerk ongeveer van het jaar 650 vóór Christus, en wel een kunstwerk van den eersten rang. Men ziet daarop twee meesterlijk uitgevoerde kleine paarden in de snelste vlucht, terwijl een derde, blijkbaar een jong dier, een veulen, juist door twee Assyriërs is gevangen. Hij heeft een lasso om den hals, de mannen houden de beide uiteinden vast, terwijl het paard zich nog woest tegen zijn boeien verzet. Dus juist het tooneel [183]als bij de Przewalskipaarden van Hagenbeck! En dat wij hier met geen ander dier kunnen te doen hebben, blijkt onbedriegelijk uit den absoluut onmiskenbaren, wondervol gekarakteriseerden paardekop met de stijve manen en den echten staart van het Przewalskipaard, waar op de halve lengte eerst de echte paardestaart begint. Het tegenwoordig in het verre Mongolië gelocaliseerde dier strekte zich toen nog even ver westelijk uit als tegenwoordig de Aziatische wilde ezels.
Maar in veel vroeger dagen moet het dier zich nog heel wat verder hebben uitgestrekt. In de vroeger vermelde praehistorische tijden van Europa strekten die wilde ezels zich nog uit tot over Zwitserland en Noord-Duitschland. Beenderen van den Dziggetai, zijn bij voorbeeld bij Schaffhausen gevonden. Maar ook hier heeft het Przewalskipaard die dieren vergezeld. Die dierenteekeningen van praehistorische menschen, waarop onmiskenbaar wilde paarden zijn voorgesteld, vertoonen namelijk even onmiskenbaar een type van het Przewalskipaard. Men ziet daar inderdaad zijn langen, dikken kop, zijn borstelige manen, de dikke wangen, den gedrongen lichaamsbouw met dikke buik en krachtige pooten, en bovenal zijn dikken winterbaard onder de kin. Een teekening uit het hol van Combarelles in Dordogne (Frankrijk) stelt den tegenwoordigen bewoner der Chineesche woestijn Gobi zoo onovertroffen juist voor, dat een modern teekenaar zich al bijzonder goed moest hebben geoefend op het weergeven der speciale karakteristiek der dieren, om zoo juist te kunnen treffen. En tevens zijn juist zulke paardenteekeningen der praehistorische kunst gedeeltelijk reeds ontdekt en weergegeven in tijden, lang vóór de ontdekking van het levende Przewalskipaard—men had het dier dus eigenlijk reeds [184]praehistorisch voor Europa, voordat men het levend uit Centraal-Azië kon identifieeren.
Indien echter juist die paardenvorm eertijds bestaan heeft van Schaffhausen af tot aan Babylon en zelfs tot de Chineesche woestijn Gobi, dan lag het waarlijk wel voor de hand, dat hij als werkelijke oorspronkelijke vorm gestaan heeft achter het geheele cultuurpaard—hij en geen ander, waar wij ons ook willen denken, dat bij het paard de symbiose der cultuur begint, hetzij in Europa, of in het centrum van het oosten der oude beschaving of nog verder tot China terug. Aan den anderen kant is het, als dit oorspronkelijke wilde paard eens gelijktijdig ter beschikking gestaan heeft op een zoo ontzaglijk gebied der aarde, even waarschijnlijk, dat juist daarom de temming niet alleen op één plaats en alleen bij één volk van dit uitgestrekte gebied heeft plaats gehad. Het zou kunnen zijn, al is het dan ook op grond van eenzelfden grondvorm, dat de temming onafhankelijk op verschillende plaatsen is gevolgd: in het oude Europa zoowel als bij voorbeeld in den lichtkring der oudste Babylonische cultuur.
Doch in geen geval zou men zich hierbij mogen voorstellen, dat een diersoort, die zich uitstrekte van den Rijn tot de grenzen van China, niet reeds in wilden toestand gesplitst zou zijn in verschillende plaatselijke variëteiten. Immers wij zien tegenwoordig, hoe op dat kleine Chineesche gedeelte twee van die variëteiten van het Przewalskipaard met elkander afwisselen. Evenals de Onagers, Kiangs, Dziggetais bij de tegenwoordige wilde ezels, zoo zullen ook onder die oude Przewalskipaarden talrijke en afzonderlijke vormen zijn voorgekomen, die in beginsel wel allen Przewalskipaarden waren, maar toch in bijzonderheden van elkander afweken. [185]En uit zoodanige verschillende locale rassen zoude nu ook bij dat temmen op verschillende plaatsen uit den aard der zaak het materiaal moeten zijn geput. En dat verklaart ons weer, hoe van het begin af ook in die gefokte rassen, in weerwil van hun aanknooping aan een in hoofdzaken gelijk soort van wilde paarden, locale verschillen zijn te voorschijn getreden.
Het heeft reeds sedert langen tijd de aandacht getrokken van allen, die een diepe studie gemaakt hebben van onze tamme paardenrassen, dat daarin blijkbaar bepaalde anatomische tegenstellingen steken. Men behoeft dit nu wel niet te overdrijven, en daaruit zes of acht scherp gescheiden typen van skelet af te zonderen. Maar men kan het niet ontgaan, bepaalde verschillen of tegenstellingen te zien, die wijzen op het eene of andere diepe geheim bij het ontstaan.
Juist in de hoogste voltooiing, die onze moderne paardenfokkerij heeft bereikt, komt een dergelijke tegenstelling aan het licht. Van oudsher is in de noordelijke, middelste, westelijke gedeelten van Europa een andere soort van paarden gefokt dan in het oosten. Hier lompe, zware dieren met een grof beenderenstelsel en reusachtigen groven en meestal opgevuld gewelfden neus. Daarginds een fijne, zenuwrijke soort met korten, sierlijken neus, waarvan het rechte profiel met zijn lichte uitholling de schoonste lijn voortbrengt, op stevige, maar toch ook sierlijke ledematen. Om ze in hun wezen goed te onderscheiden, zou men die twee grondvormen kunnen definieeren als het karrepaard en het luxepaard, het paard, dat onder alle zweepslagen zijn phlegma behoudt, en het paard, welks vuur met moeite wordt bedwongen, het leelijke, maar brave werkpaard en het edele ros, dat voor den mensch als aesthetisch dier hooge beteekenis heeft [186]gekregen, het paard met spierkracht voor den arbeid en het paard met een hoog ontwikkeld zenuwstelsel. In die beide soorten schijnen twee verschillende vormen van landschap en van een cultuur, die zich aan elk dier landschappen aansluit, naar voren te komen. De ééne soort doet zich voor als het paard uit een ruw, onvruchtbaar land, waar een langzaam zich naar boven werkende cultuur met geringe middelen een ontzaglijken, taaien arbeid tegen haar zin had te verrichten. Onwillekeurig moet men denken aan een landschap in het noorden, waar de regen neerstroomt, en waar een zoodanig zwaar en lomp paard zich, met modder en vuil bedekt, en hijgend voor een zwaar beladen wagen door de natte klei heenwerkt, waarin de raderen ieder oogenblik dreigen in te zakken. Bij dat andere paard ziet men de vrije vlakte vóór zich, met een schitterenden sterrenhemel boven zich, en luchtige tenten: de vlakte, waarover lichte, gespierde ruiters met hun fladderende kleeren heenvliegen, die als het ware met hun paard samengegroeid schijnen, in plaats van boerenknechts, die met de zweep in de hand scheldend achter het paard aanloopen; men vermoedt daarin het luxepaard, dat gevierd en bewonderd wordt, welks naam zich voortplant als dat van een held en dat door de dichters van het volk wordt bezongen.
Karrepaard en Arabisch paard! Ongetwijfeld steken in die tegenstelling werkelijk historische lotgevallen van ver van elkander verwijderde centra der beschaving. Het westersche paard, zooals men de zware, dikneuzige soort heeft genoemd, is lang het beslissende product geweest van de behoeften der eigen Europeesche cultuur. Het was het paard der Noormannen, het typische paard, dat thuis behoorde over de geheele Noordzee-kust; maar ook het bergpaard uit [187]Stiermarken en Tirol, het oud-Fransche en het oud-Engelsche paard. Van werkpaard van den landbouwer tot oorlogspaard gemaakt, is dat zware dier het typische ridderpaard geworden, ook als rijpaard hier bovenal een paard, dat een zwaren last op den rug kan dragen, dat ruiter met wapenrusting en harnas kan voortsleepen en zelf bovendien nog een harnas droeg als een soort van kunstmatigen rhinoceros der cultuur. Dat is het oorlogsros, dat door de sage vergroot is tot het ontzagwekkende paard Bayard, op welks rug alle vier Heemskinderen te gelijk op avonturen uittrekken, het godenpaard van Wotan, dat men gaarne een hoef meer zou hebben toegedicht, om den grootst mogelijken last te dragen, waarbij de fantasie onwillekeurig weer terugkeerde tot de werkelijke oude natuurlijke wegen der neushoorns en Anchitheriën. Tot op zekere hoogte leeft dat oude bloed nog in al onze koude soorten, in al onze voortdurend ook door de moderne arbeidscultuur verder verlangde trek- en sleeppaarden. Het zuiverst is dat bloed misschien nog in het paard uit Tirol en Stiermarken, en in het Pinzgauerras, en betrekkelijk zuiver in de zware Belgische paarden, de Percherons, de Noord-Sleeswijksche „Deensche” paarden, en ook ten slotte als oud reuzenbloed in de reuzen der Engelsche karrepaarden. Geen van die levende rassen is immers tegenwoordig meer zonder gemengd bloed, sommige zelfs zóó, dat juist het gezicht niet meer met het oorspronkelijke overeenkomt. Maar toch is de oude inleg ongetwijfeld nog overheerschend.
Omgekeerd steekt in het echt „oostersche paard”, waarbij wij tegenwoordig in zijn eigenlijke woonplaats aan het „Arabische paard” denken, het oorspronkelijke oude cultuurpaard der geheele edele oostersche cultuur van Babylon af. Het [188]begrip „Arabisch paard” is daarbij uit een historisch oogpunt veel te eng, daar toch ten slotte tegenwoordig de edele paarden van dat type volstrekt niet uit Arabië afkomstig zijn. Op de oude Assyrische beeldhouwwerken zien wij reeds onmiskenbaar het schoone paard met het „droge gezicht”, een ras, zóó voornaam, dat men kan zeggen, dat het Arabische paard eigenlijk reeds toen, en dus reeds zeer vroeg, in zijn geheelen aanleg gereed was.
Als het voorname, edele dier treedt het paard hier de geschiedenis binnen in tegenstelling met de werkdieren, ook uit dat oosten afkomstig, den ezel, het rund, den kameel. Het paard is de geleider naar de groote gebeurtenissen in het menschelijke leven: de feesten, de jacht, het gevecht. Duidelijk blijkt het, dat ook bij het paard in de opleiding tot de cultuur een lange periode is voorafgegaan, waar het niet zoozeer de rol van rijpaard vervulde, waar het evenals thans reeds den wagen trok, maar het trok toen niet den langzaam voortgaanden, krakenden wagen, maar trok den zwevend lichten strijdwagen achter zich voort of den sierlijken luxewagen. In dien vorm komt het paard nog voor in de cultuurperiode, die in de Homerische gezangen wordt geschetst.
In landen, waar het paard nooit zelf getemd was, maar eerst van buiten als edelpaard werd ingevoerd, zooals dit ongetwijfeld in het oude Egypte het geval is geweest, heeft men nog in versterkte mate den indruk, dat het langen tijd een zuiver luxedier is geweest, een kostbaar bezit der koningen en grooten in het land, waaraan de mindere man hun grootheid en macht kon herkennen. Misschien ligt juist in die oorspronkelijke hooge waarde van het paard als oostersch edelras de reden van den merkwaardigen tegenzin tegen het eten van paardevleesch, die reeds door de geheele [189]oudheid heen uit het oosten afkomstig is. Wel leest men, dat het verbod van het gebruik van paardevleesch eerst een voortbrengsel is van het Christendom, dat optrad tegen heidensche offermalen. Dit mag plaatselijk het geval geweest zijn, maar dan gold het alleen noordelijke volksstammen, met wie de wereld van de Middellandsche zee en het oosten voor het eerst in den vorm van het Christendom in aanraking kwam. De afkeer tegen paardevleesch is echter heel wat ouder dan het geheele Christendom.
Hoeveel kringen van beschaving en hoeveel volkeren sedert die dagen der Assyrische paardenteekenaars over het oosten zijn heengetrokken, den wondervollen schat van zijn edel paard heeft hij zich nooit meer laten ontrukken, nooit meer laten begraven onder den zandstorm der geschiedenis. In al de dertig eeuwen tot den tegenwoordigen tijd is daar blijkbaar voortdurend verder gefokt aan het hoogste en edelste type der oostersche paarden, en is dat type voortdurend verbeterd, totdat het ideaal van het tegenwoordige Arabische paard is bereikt. Toen de westersche beschaving later het engere oosten weer op nieuw „ontdekte” op den weg harer eigen verdere ontwikkeling, kwam dit product van de liefde van meerdere duizenden jaren haar niet te gemoet als een oude bouwval, versleten en waardeloos als een oude munt, maar juist in stralende schoonheid te midden van zooveel vervallen grootheid.
Het is nu in hooge mate interessant, dat men nog tegenwoordig kan aantoonen, hoe naar alle waarschijnlijkheid juist in die beide uiterste afzonderlijke fokkerijen, de zware oud-Europeesche en de edele oostersche, in beide gevallen reeds oorspronkelijk verschillende afzonderlijke rassen van het gebruikte oorspronkelijke wilde paard zelf hebben ingewerkt. [190]
In het westersche, ramneuzige, zware en lompe ras steekt ongetwijfeld nog steeds het bloed dier lompe, oud-Europeesche wilde paarden met lange schedels en dikke neuzen, waarvan het beeld ons bewaard is gebleven in de praehistorische teekeningen in de holen. Met absolute duidelijkheid sluiten hier ook de diluviale beenderenoverblijfselen nog aan de skeletten der meest typische rassen van onzen tijd aan.
Omgekeerd bestaat bij het volkomen tegengestelde uiteinde der lijn, waar het oude oostersche edele ros geplaatst is, een in ieder geval zeer groote waarschijnlijkheid, dat daarbij reeds van het begin af gebruik is gemaakt van een meer sierlijk, wild Przewalskipaard met fijner profiel en „droger gezicht”. De voortreffelijke onderzoeker der huisdieren, Konrad Keller uit Zürich, heeft bij zijn beschrijving der zooeven vermelde Assyrische voorstelling van een jacht op wilde paarden, er het eerst de aandacht op gevestigd, dat de overigens niet te miskennen Przewalskipaarden van die teekening toch ook reeds zeer in het oog vallende koppen van Arabische paarden in den veredelden zin vertoonen. Het jachttooneel is zóó uitnemend karakteristiek weergegeven, dat de gedachte nauwelijks geloofwaardig schijnt, dat de kunstenaar hier het wilde dier reeds heeft gestileerd naar het aanwezige tamme ras. In ieder opzicht ligt het meer voor de hand, dat in die dagen in het gebied van den Euphraat nog een wild ras ronddoolde, dat reeds een meer concaaf profiel en andere kleine trekken der Arabische paarden medebracht. Doch dan ligt weer voor de hand, dat dit wilde ras ook van het begin af zelf het materiaal heeft geleverd voor dat oud-oostersche cultuurpaard, dat tot op onzen tijd in het Arabische dier voortleeft.
Ik geloof echter tevens, dat ook de temming uit die beide [191]oorspronkelijke varianten, de lompe met den langen schedel en die met het fijnere gelaat, niet uitsluitend beperkt mag worden gedacht tot een nauw begrensd gebied en tot één enkele historische daad. Ten minste, wat de oorspronkelijk oostersche variante betreft, kan ik mij de zaken niet anders verklaren, dan dat zij behalve in Babylon, waar zij speciaal in den edelen „Arabischen” vorm is overgegaan, ook nog op de meest verschillende andere plaatsen het uitgangspunt is geweest van zelfstandige temmingen. Niet echte Arabische paarden, maar wel cultuurpaarden, die wat hun schedelbouw en hun geheele houding betreft, onmiskenbaar aansloten aan het oostersche ras, zijn onweerlegbaar reeds van oudsher verspreid geweest over een onmetelijk gebied der oude wereld. Als oude grondvorm gaan zij door het ras der Europeesche landen aan het oostelijke gedeelte der Middellandsche zee en van het geheele reuzengebied van den Caucasus tot Hongarije en Rusland. Zij beheerschen China en Indië en kunnen nog vervolgd worden tot in de ponyvormen op Java en in Japan.
Men zou een oogenblik geneigd zijn te meenen, dat dit alles ook reeds van oudere tijden af kan worden teruggevoerd uitsluitend tot den invloed van het groote cultuurcentrum in dien engeren oosterschen hoek, dus ten slotte van uit Babylon. Naast dat zelfstandige noord-Europeesche „karrepaardcentrum” zou dan ten minste voor die geheele lijn Viktor Hehns lievelingshypothese juist zijn van een werkelijk één geheel vormenden oosterschen inval voor elk ander cultuurgebied van het paard in de oude wereld. Voor een bepaalde hemelstreek zou dit juist kunnen zijn, en wel voor alles, wat van cultuurrassen over het gebied der Roode Zee historisch naar Afrika is binnengedrongen. Het oude Egypte uit den [192]cultuurtijd heeft, zooals wij reeds verhaalden, zijn tam paard naar alle waarschijnlijkheid eerst laat en reeds als gereed cultuurras van het Aziatische beschaafde oosten weggenomen, en wel werkelijk het reeds meer of minder ver gevorderde Babylonische edele paard, den lateren „Arabier”. Oost-Afrika heeft het dan ook niet verder gebracht dan het fokken dier Arabische paarden. In het Somaligebied, dat uit een natuurhistorisch oogpunt zoo interessant is, waar de oude wilde ezel samenkomt met het onafhankelijke Afrikaansche wilde paard, den zebra, is het tamme paard uitsluitend binnengetreden als het iets grovere Arabische paard, dat ontslagen was uit de onvermengde fokkerij. Nog in onze dagen noemen de Somali- en Gallastammen het met het Arabische woord „faras”, terwijl zij het woord huispaard in hun taal niet kennen. En zoo is het ook verder naar Zuid-Afrika toe.
Dit is echter uit een historisch oogpunt beschouwd uitzondering, geen regel. Voor alle overige reusachtige Europeesche en Aziatische streken hebben wij daarentegen geen enkelen steun voor de meening, dat zij hun oude paarden met hun oostersche trekken eerst zouden hebben verkregen langs den omweg van het fokken van Arabische paarden. Hoe oud de inval wel zou moeten zijn, blijkt het duidelijkst uit het feit, dat reeds in de latere Zwitsersche paalwoningen paardenbeenderen voorkomen, die hiertoe behooren en niet tot het noordelijke paard met zijn langen kop. Wij kunnen de paalwoningen uit die periode terugbrengen tot het bronzen tijdperk. Het is echter absoluut niet te begrijpen, waarom die Zwitsersche cultuur uit het bronzen tijdperk haar huispaard zou hebben ingevoerd uit ontzettend ver afgelegen landen, terwijl toch in de onmiddellijke nabijheid in hun [193]eigen werelddeel paarden werden getemd, en wel die westersche dikneuzige paarden, die nooit in het oosten zijn gekomen. Het ligt toch veel meer voor de hand, dat die „oostersche” variëteit van het oorspronkelijke wilde paard, waaruit in Babylon het oostersche edele ros is ontstaan, in die dagen veel verder verbreid was, en naast de andere, de meer plompe variant, evenzeer tot in Europa voorkwam. Zij loste dan ook in Europa reeds vroeg op in daar onafhankelijk getemde cultuurrassen, die daardoor van het begin af een zeker „oostersch” type verkregen, zonder toch in oudere dagen ergens in dat gebied op te klimmen tot een hoogte, die maar eenigszins kan vergeleken worden met het edele dier der echt oostersche cultuur. Men zou zich kunnen voorstellen, dat de locale behoefte een rol gespeeld heeft bij de beslissing, welk Europeesch wild ras van de twee de voorkeur zou hebben: in het noorden en westen over het algemeen meer de plompe, zware vorm, in het gebied der Middellandsche zee tot in het gebied der genoemde paalwoningen en in het zuid-oosten, meer de lichte, fijne vorm. Ook is het wel mogelijk, dat reeds de geografische verbreiding dier Europeesche wilde paarden te gemoet kwam aan die behoefte, die men zich afhankelijk zou voorstellen van het locale milieu, en die als het ware reeds van nature met het landschap in overeenstemming is. Het komt mij voor, dat er een aantal gronden voor spreken, dat het zware, diluviale wilde paard met zijn langen kop oorspronkelijk meer de geografische vorm geweest is van die gedeelten van Europa, die uitzien op den Atlantischen oceaan en de Noord- en Oostzee, terwijl de fijnere vorm steeds bleef in de richting der Middellandsche zee, ten zuiden van de Alpen en Karpathen bleef en door middel van Zuid-Rusland te [194]gelijk aansloot aan de steppe van Centraal-Azië en aan het oostersche verbreidingsgebied. De Atlantisch-noordelijke variant, die in die beteekenis meer het wilde paard zou geweest zijn der steppe, die vrijkwam na de gletschervormingen der ijsperiode, zou zich omgekeerd veel noordelijker tot Azië hebben voortgezet, en wel door Siberië, en ten slotte ook tot in de nabijheid van het overlevende Przewalskipaard. De beenderen der diluviale wilde paarden, die men hoog in het noordelijke Siberië vindt, komen ook daarmede overeen,—zij zijn absoluut niet „op oostersche” leest geschoeid. De tegenwoordige Przewalskipaarden der woestijn van Gobi zouden echter juist daar behouden zijn gebleven, waar aan de uiterste oostersche plek de beide geografische gordels elkander raakten. Op dit geheele onmetelijke dubbelgebied zouden wij historisch de mogelijkheid hebben van onafhankelijke temmingscentra, die naar gelang van hun ligging ten opzichte der groote scheidingslijn „westersche” of „oostersche” gefokte rassen voortbrachten. Dat daarbij zulke westersche paarden in hoofdzaak alleen in het werkelijke westen, namelijk aan den Europeeschen westhoek van het bovenste gebied blijvend schenen gefokt te zijn, terwijl over den geheelen anderen gordel van de Middellandsche zee tot in China overal oostersche fokdieren van oudsher verspreid zijn, kan voldoende verklaard worden uit het overwicht der menschelijke cultuur in dien zuidelijken gordel tegenover het Aziatisch-Europeesche noorden, dat het uitsluitend aan den westhoek in noordelijk Europa gebracht heeft tot een groot, werkelijk autochthoon cultuurcentrum. Het moet hierbij een volkomen open vraagstuk blijven, hoeveel verschillende temmingscentra op dien rijken zuidelijken gordel hebben kunnen liggen. Of bij voorbeeld het geheele Europeesche [195]gebied der Middellandsche zee oorspronkelijk het fijnere ras uit één en dezelfde bron heeft betrokken, is een vraag, die bijna even ingewikkeld is als de vraag omtrent de eenheid van oorsprong der geheele cultuur der Middellandsche zee van de alleroudste tijden af, een vraagstuk, waarbij tegenwoordig alles in beweging en beroering is. Reeds in de antieke literatuur uit den tijd der Homerische gezangen heeft de noordoosthoek van het gebied in de nabijheid van Thracië steeds een groote rol gespeeld als van ouds beroemde kweekplaats voor de paardenfokkerij, dus op karakteristieke wijze niet de eigenlijk oostersche hoek, die naar Babylon wijst, maar de aanrakingsplaats met den onafzienbaren horizon der Zuid-Russische steppe, die zeker een oud eldorado van den eersten rang was voor de oude wilde paarden. Als in den twijfelachtigen Russischen Tarpan werkelijk nog een overblijfsel aanwezig was van het oude oorspronkelijke wilde bloed tot op onze dagen, dan zou dat nog een nagalm geweest zijn van die plaats, die voor de geschiedenis van het paard der cultuur van de Middellandsche Zee in eenig opzicht van belang was: de schedel van den Tarpan wordt beschreven als oostersch, maar met westersche bijmengsels; juist die vermenging wijst echter niet op echt wild bloed in dat dier, maar op het feit, dat wij hier te doen hebben met een weer verwilderd cultuurpaard van een reeds ver gevorderde latere kruising van het ras.
Zeker zal het oude China een oud middelpunt voor het temmen en fokken gevormd hebben, dat in geen verband stond met het westelijke. Voor zoover mij bekend is, is het Chineesche cultuurpaard van oudsher een oostersch ras, waarvan echter in weerwil der overoude cultuur niet veel is terecht gekomen. Voor de fijnere Chineesche opvatting van [196]cultuur schijnt het paard steeds een zachten trek van barbaarschheid te hebben behouden, iets als een herinnering aan ruwere en meer primitieve toestanden. Daartoe heeft in ieder geval bijgedragen, dat de Chineesche cultuur van alle op aarde de eenige is geweest, die op haar buitengebied werkelijk nog tot in onze dagen als het ware nog den barbaarschen oorspronkelijken trap der paardencultuur voortdurend voor oogen heeft gehad. Op de grens van den engeren zoom der Mongoolsche cultuur begint nog tegenwoordig in de richting naar Azië een beeld van volkeren, waar de paardencultuur als het ware nog in wording is. Het schijnt haast niet zonder inwendigen grond te zijn, dat juist hier nog een oorspronkelijk wild paard zelf voort leeft. Het is, alsof de paardencultuur tot heden toe hier niet de volle kracht ontwikkelt, die in andere streken ontwikkeld wordt.
Hier zien wij nog trappen van paardenbehandeling, die reeds voor den mensch der oudheid een mythisch barbaarsch karakter vertoonden. Het paard wordt gemolken, als moest het overgebracht worden naar een geheel andere categorie van huisdieren, en wel in die, welke gericht is op de veeteelt in engeren zin, die welke dienstbaar is aan de voeding. Bij arme steppenvolken met karige voeding is die bestemming meestal een overgangstoestand geweest, die eerst op den achtergrond geraakte, toen het paard kwam bij welvarende herdersstammen met een rijke veeteelt, zooals in het oude beschaafde oosten. Oorspronkelijk was het paard als wild paard zuiver jachtdier. Daarbij volgde de periode, dat merries en veulens nu en dan bij de jacht gevangen werden. In dezen eersten tijd lieten zich alleen de merries met haar instinct van onderworpenheid en aanhankelijkheid aan een leider temmen. Kudden, uitsluitend uit merries bestaande, [197]leidden dan gemakkelijk tot het gebruik maken van de paardenmelk. Het kan ook zijn, dat nu en dan het plotselinge verlies van andere huisdieren geleid heeft tot het gebruiken van het paard als noodhulp. Dit geldt echter reeds niet meer uitsluitend het gebruiken van de melk, maar het kan onder bepaalde omstandigheden onmiddellijk een eerste oorzaak geweest zijn, dat men zich met paardenfokken en paardentemmen in het algemeen heeft beziggehouden.
Dergelijke overgangen, al is het dan ook al niet meer met het werkelijk opnieuw beginnen der paardentemming van beneden af, kan men tegenwoordig ook nog waarnemen bij de Toengoezenstammen aan den Amoer; als zij hun van ouds in gebruik zijnd huisdier, dat bij hen werkelijk op ieder gebied dienst doet, het rendier, door verwoestende epidemieën verliezen, dan gaan zij door den nood gedrongen tot paardenfokkerij over, en worden zij „paarden-Toengoezen”. Onwillekeurig moet men daarbij aan onze Europeesche oudste voorvaderen denken, voor wie juist het rendier bij het allereerste begin van hun cultuur minstens éénmaal als gewichtigst jachtdier een werkelijk beslissende rol heeft gespeeld, doch die daarna de post-diluviale afwisseling van klimaat moesten beleven, die met de Toendra, de mossteppe, ook dat rendier bijna uit geheel westelijk en noordelijk Europa verdreef. Als men zich mocht voorstellen, dat met het rendier misschien reeds door dergelijke diluviale jagersstammen bij ons de eerste pogingen zijn in het werk gesteld en proefnemingen zijn verricht, om huisdieren te kweeken, dan zou men bijzonder goed begrijpen, hoe juist in het oude Europa later, toen de toenemende hitte de aanwezige inheemsche rendieren onverwachts wegrukte (misschien ook wel langs den indirecten weg van verwoestende [198]epidemieën), reeds in het grijs verleden zich een uitgebreid en krachtig centrum van paardenfokkerij kon ontwikkelen uit de behoefte, dit huisdier door een ander te vervangen.
Voor die noord-Aziatische jagersstammen van onze dagen is hun getemd rendier bovenal onontbeerlijk als voertuig, hulpdier, transportdier bij hun onafgebroken zwerversleven, dat bepaald wordt door klimaat en zorg voor de voeding. Als men op de praehistorische teekeningen op de muren der holen in Frankrijk de tenten ziet, die reeds in die dagen door de jagers werden opgeslagen, blijkbaar bij hun jachttochten op mammouth en wisent, dan begrijpt men, hoe vroeg reeds dat vraagstuk van het transport een brandend vraagstuk moet zijn geworden. Hier echter is nu weer interessant, dat bij die rendier-Mongolen het rendier van tijd tot tijd ook reeds als rijdier werd gebruikt. In ieder geval is voor de geheele paardenfokkerij in de binnen-Aziatische steppen de mogelijkheid, dat ook het paard bereden kon worden, van oudsher een gewichtige factor geweest. Weer schijnt zich daarin een behoefte af te spiegelen, die door het landschap wordt bepaald: de oneindige steppenvlakte, die onder bepaalde omstandigheden zoo snel mogelijk moest worden doorkruist, mijl na mijl in taaie volharding. Hier was niet de beslissende eisch, zooals bij het Europeesche ridderpaard, een kolossaal paard, dat gemakkelijk het zware gewicht van den berijder kon dragen; niet zooals bij het Assyrische strijd- en pronkpaard de veerkrachtige, zenuwrijke bestormer op een bepaald oogenblik, die met het lichte strijd- of jachtwagentje indrukwekkend op het doelwit losstormde. Maar hier gold het den schijnbaar armzaligen, maar taaien draver, die het ontzaglijk lang kon volhouden, een klein paard behoorende bij kleine menschen [199]zonder veel ballast, dat het echter met dit al den ruiter mogelijk maakte, wat eertijds in de steppen der tertiaire periode de kleine wereldveroveraars, de Hipparions, hadden kunnen volbrengen: het doorkruisen van een ontzaglijk uitgebreid werelddeel tot in andere werelddeelen. Met die taaie Mongoolsche paarden is het mogelijk geweest, die ontzaglijke tochten te volbrengen, waarbij Aziatische volkeren in vliegende vaart met een snelheid als van den stormwind vlogen midden door de Europeesche cultuur, als had er een inval plaats van potsierlijke monsters van een andere planeet. Voor mij ligt over die ontzaglijke invallen historisch nog altijd iets raadselachtigs, iets wat in hun innerlijk wezen voor ons nog niet tastbaar is. Men heeft slechts één analogie daarvoor: de even vlugge tochten van troepen van bepaalde vogels over een even groote uitgestrektheid. Juist op dezelfde wijze als eertijds die Aziatische ruiters, zoo zijn in onze dagen herhaaldelijk geheel onverwachts millioenen exemplaren van het sierlijke zandkleurige steppenhoen, als waren zij meegesleept door een niet te weerhouden natuurkracht, in een rechte lijn uit de Centraal-Aziatische zoutsteppen tot bij ons naar Europa gekomen; tallooze dieren hebben den dood gevonden door aan te vliegen tegen onze telegraafdraden, andere zijn neergeschoten, geen enkele is weer teruggekeerd. Het motief, dat die vogels bezielt, is even onbegrijpelijk als dat der voortdurend in westelijke richting jagende ruiters. De vogel had daarbij de hulp van zijn vleugels. Den mensch zou het nooit mogelijk zijn geworden, als niet de ontwikkeling voorafgegaan was van dien onvermoeid volhardenden ruimtebedwinger, eenig in zijn soort, den paardevoet.
Juist dergelijke reuzenritten doen ons echter ook de werkelijke [200]mogelijkheid zien, hoe, in weerwil van zoo verschillende, ver van elkander verwijderde, lokale temmingscentra vermengingen en invloeden konden ontstaan, die men volgens de rustige hoofdrichting der cultuurgeschiedenis nooit denkbaar geacht zou hebben. Men heeft er op gewezen, dat in de antieke mythe der centauren, de mythe omtrent de fabelachtige wezens met het benedenlichaam van een paard en het bovenlichaam van een mensch, een herinnering kon steken aan zulk een plotseling invallenden en weder verdwijnenden stormvloed van vreemdsoortige barbaarsche ruiters, die vastgegroeid schenen aan hun ruwe paardjes. Het is een zaak, die niet onwaarschijnlijk lijkt en waarover moeilijk kan worden gestreden. Ik geloof echter, dat de centauren (het woord wordt ook in de Indische mythologie teruggevonden), veel te duidelijk behooren tot die wereld van algemeene fantastische stileeringen en combinaties, waaruit tevens het gevleugelde paard Pegasus, de vogel Grijp met de klauwen van een zoogdier, de sirene met het lichaam van een meisje en de pooten van een vogel, de veelkoppige helhond Cerberus en de stierkoppige Minotaurus zijn ontsproten, en waarvan de centrale woonplaats naar alle waarschijnlijkheid in Phoenicië en Babylon was gelegen. Waarom zou juist het paardmensch berusten op een historische herinnering, die toch geen sterveling zal te voorschijn roepen voor zijn makkers uit dienzelfden hoek, de vischmenschen, vogelpaarden en stiermenschen?
Aan de centaurenhypothese zijn dan verdere vermoedens vastgeknoopt: dat het plotselinge opduiken van zulke „verschrikkelijke ruiters” in de westelijke landen het paard zou hebben omgeven met een „bijgeloovigen schrik” (dit zijn de woorden van den onderzoeker der huisdieren Eduard Hahn) [201]en de oostersch-Europeesche cultuur van het paardrijden had afgewend naar het eenzijdige gebruik van het paard uitsluitend als trekdier vóór den wagen. Of ook omgekeerd, dat juist dergelijke invallen der Aziatische steppenruiters het rijden eerst zelf verbreid hadden tot diep in het westen. De laatste meening zou misschien nog het best voor discussie vatbaar zijn, maar ten opzichte van het oostersch-oudgrieksche cultuurgebied schijnt zij mij volkomen onjuist toe. Het oostersche edele ros is, zooals ik reeds heb besproken, van het begin af pronk- en luxepaard geweest, het dier der koningen en edellieden, en niet, zooals bij de Tartaren, een noodzakelijk attribuut in den moeilijken levensstrijd. Het kwam als luxedier veel meer uit vóór den prachtigen wagen, en in den slag voerde het vóór den wagen den aanzienlijken strijder mede, die gewoon was, steeds ten minste één volgeling ter zijde te hebben, die dienst deed hem de speer aan te reiken, het schild te dragen of op andere wijze hulp te bieden, als ware deze op een kleinen burcht geplaatst. Men moet niet uit het oog verliezen, hoe nog in de Ilias eigenlijk alleen heeren- en koningsgevechten geschetst worden. Ik geloof niet, dat men hier een zeker afgrijzen gehad heeft van het paardrijden als van iets spookachtigs, maar dat een edele uit die dagen het veeleer zou hebben beneden zich geacht als iets plebejisch; hij zou gezegd hebben, dat een koning geen stapel koolen was, die men op den rug van een dier laadde. De kunst van het rijden op dat edele paard is eerst na het verval van het oude oosten ontwikkeld, toen het in handen viel van oostersche tent- en woestijnbewoners—maar die ontwikkeling was toen dan ook een bepaalde, door den aard van het land beheerschte ontwikkeling, die volstrekt niet [202]onder den invloed behoefde te staan van vreemde factoren.
Men heeft nog een bijkomend resultaat der paardenfokkerij, en wel van een blijkbaar zeer oude fokkerij uit die invallen der midden-Aziatische steppenruiters willen verklaren: en wel het ontstaan van het muildier. Het muildier, het prachtige product van een mannelijken ezel en van een vrouwelijk paard, is ongetwijfeld ook reeds een oude en waardevolle bezitting der cultuur. Als onze getemde ezel geheel of voornamelijk uit Afrika is gekomen, dan is de kring, waarover hij verspreid was, in beginsel gegeven. Hahn heeft nu geschetst, hoe bij volkeren, die oorspronkelijk alleen ezels bezaten, zulke Tartaarsche ruitervolken het land doorgevlogen zijn en paarden hebben achtergelaten. Het zouden echter alleen merries geweest zijn, waarbij herinnerd wordt aan de tegenwoordige gebruiken in Arabië en andere landen, steeds uitsluitend merries als rijpaarden te gebruiken. Men zou vervolgens getracht hebben, het paard in de ezellanden iets meer tot den ezel te doen naderen, door het te kruisen met den reeds langer bekenden ezel, en daar men alleen merries der paarden tot zijn beschikking had, werd het muildier geschapen. Dat klinkt zeer fraai, maar stelt eigenlijk een ingewikkelden roman in de plaats van een zaak, die men zich veel gemakkelijker kan voorstellen, een algemeen feit, dat plaats heeft zonder invallen van Tartaren. Waar men den ezel reeds voor goed had als cultuurdier, maar met het temmen van inheemsche paarden eerst een begin maakte, zooals bij voorbeeld in het oude Babylon, daar kwam iederen keer weer die eerste tusschenregeering der paardenfokkerij in aanmerking: het eenzijdige begin der proef met paardenmerries. Onmiddellijk op dien aanvangstrap lag het toen reeds genoeg voor de hand, dat tamme ezels de opgekweekte [203]paardenmerries dekten. De overgang zal gemakkelijker gemaakt zijn door dat, wat nog tegenwoordig bij het fokken van alle muildieren een groote rol speelt. Men had een enkelen keer veulens van jonge paarden alleen gevangen (zooals wij vroeger omtrent Hagenbeck bespraken) en liet die, nu hun eigen moeders ontbraken, door zoogende ezelinnen groot brengen. Het zoogen van jonge paarden door ezels levert ook thans nog geen bijzondere moeite op, maar heeft steeds een zeer bepaald resultaat: het zoo groot gebrachte pleegkind heeft volstrekt geen afkeer van een liefdebond met het volk zijner zoogmoeder. Als het paard niet door een ezelin is gezoogd, schuwt, ten minste in den regel, de paardenmerrie den mannelijken ezel, terwijl de laatste volstrekt niet kieskeurig is. Als nu oorspronkelijk op die wijze toevallig een enkelen keer de ban was verbroken, en een jong muildier gelukkig ter wereld kwam, zal waarschijnlijk in het begin alleen reeds de merkwaardigheid der zaak de belangstelling hebben opgewekt. Tot op onze dagen heeft alles, wat samenhangt met het ontstaan van het muildier, voor het groote publiek iets geheimzinnigs aan zich; daaraan knoopt zich alle mogelijke bijgeloof vast, dat een enkelen keer zelfs heeft ingewerkt tot in de wetenschappelijke zoölogie en haar opvattingen omtrent dergelijke bastaardvormingen. Later moet de practijk op zich zelf echter spoedig het nut van dat „monster” hebben aangetoond. Het muildier is een dier, dat alle goede eigenschappen heeft van het karakter van den ezel, gebracht op de grootte en de gestalte van het paard. Dit is het geheim van zijn succes. Hij is het product van de poging, het paard zuiver op te vatten als een middel ter verbetering van den ezel. Een enkele schakel van die poging zal zich overal in de geschiedenis [204]van het paard ingevoegd hebben, waar men den ezel reeds had en van oudsher hoogschatte, maar waar men met het paard nog eerst stond in het stadium der nog onzekere proefnemingen.
Zijn eigenlijken triomf heeft het muildier daarna gevierd als het dier, dat „in den nevel zijn weg zoekt”, en wel in het hooggebergte. Daar is hem bij zijn volle paardekracht en een zekeren paardemoed de smalle hoef van den ezel te stade gekomen. Men kan zoo goed zien, wat het begrip „monster” in de natuur eigenlijk beteekent: alles komt ten slotte neer op de geschikte gelegenheid, dan wordt het monster een genie. Uit een aardrijkskundig oogpunt heeft de mulus (mulus is het Latijnsche woord voor muildier, hinnus dat voor den in ieder opzicht minder belangrijken muilezel, waar dus de moeder een ezelin is),—en wel voor een deel op grond van die speciale gave—ten slotte dat land veroverd als het gewichtigste, in dat land wel het edelste cultuurdier, dat in oude dagen reeds eenmaal het doel is geweest van een zoo grooten inval van paarden: Zuid-Amerika. Zoo jaagt het noodlot steeds rusteloos weder voort.
In ieder geval echter zullen die invallen uit de Aziatische steppe, die, naar het schijnt uitsluitend plaats hadden met oostersche ruwe paarden, hun deel hebben bijgedragen tot de belangrijkste gebeurtenis der geheele latere geschiedenis van het paard: namelijk de dooreenmenging van het algemeen oostersche met het specifiek westersche foktype, terwijl gelijktijdig alle lokaal van elkander afwijkende door fokken ontstane producten van het oostersche grondtype met elkander werden vermengd. Men behoeft zich slechts een paar haltplaatsen te herinneren in de ontwikkeling van de cultuur der oude wereld in de laatste tweeduizend jaren, [205]om te begrijpen, hoe noodzakelijk het was, dat dit mengproces plaats had door de verplaatsingen der cultuurvolken, in wier hand het paard was. De Romeinen doen een tijd lang het geheele gebied van Engeland, Frankrijk en Zuid-Duitschland tot aan de oude streken der beschaving van het oosten tot één enkele beschavingseenheid samensmelten. De volksverhuizing drijft Germanen tot naar het noordelijke deel van Afrika. Het wereldrijk der Arabieren maakt Spanje tot een provincie van het oosten. Er wordt een eindeloos voortdurende poging gedaan, om uit Duitschland en Italië, uit Duitschland en Spanje een blijvende eenheid te vormen. Het westen dringt tijdens de kruistochten in het oosten in, het oosten met de Turken in het westen. Het wereldrijk der Engelschen, uitgaande hoog van den noordwestelijken uithoek van het gebied, begint de verste zuidelijke kusten en oostelijke landen te omvatten. Op al die tochten heen en weer, in alle richtingen, trekt het paard echter mede. Twee fundamenteele resultaten komen tegenwoordig voor Europa voor den dag met de werking van dit proces.
Aan den éénen kant het meer naar voren dringen van het oostersche paardentype in het algemeen ook binnen het oude gebied van het westersche ras, dus ook naar West- en Noordduitschland. De zware achterblijvers van dat westersche ras staan tegenwoordig overal waar zij behouden zijn gebleven, meestal tusschen oostersch invalmateriaal, zij zijn daardoor omringd en uit een geografisch oogpunt tot zelfs in Engeland reeds lang omsloten. Hun eigen bloed is in de meerderheid der gevallen reeds doortrokken met een scheut vreemd westersch bloed. In ieder geval zal dat ras blijven voortduren, zoolang onze cultuur reusachtige Engelsche brouwerspaarden en gemakzuchtige Fransche postpaarden [206]noodig heeft, zoolang de electrische tram nog niet geheel den omnibus en de paardetram heeft verdrongen. Zoolang wij een industrie hebben, waarvoor het paard als trekkracht ten minste op korte afstanden nog steeds de goedkoopste machine vertegenwoordigt, zoolang wij het paard Bayard nog als het ware kunnen gebruiken als den olifant onzer noordelijke cultuur, al is het dan ook niet voor het dragen van vier romantische helden.
Het tweede belangrijke feit is ten slotte het binnendringen ook van het echte edele paard in de engere „oostersche” beteekenis, van het „Arabische” paard, in onze Europeesche paardenwereld, en wel beslissend in den meest noordwestelijken hoek. Het Babylonisch-Arabische edele dier, dat toppunt der geheele paardencultuur, die bereikt is in den oostelijken hoek van het gebied der Middellandsche zee en die duizenden jaren is veredeld, heeft zich ongetwijfeld eerst langzaam in westelijke richting in beweging gezet na den achteruitgang der Romeinsche beschaving in het gebied der Middellandsche zee, te gelijk met het opkomen van het nieuwe oostersche tijdperk der Arabieren zelf. Terwijl de van ouds beroemde paardenlanden van de classieke oudheid, het Russische oosten, den invloed daarvan in het geheel niet ondervonden, en bij hun slechter, oostersch, oud type bleven volharden, marcheerde het edele ros eerst op den noord-Afrikaanschen zoom der cultuur op Europa af. Het is mogelijk, al is het dan ook niet bewezen, dat het westelijk daar naar voren dringend het eerst is gestooten op een afzonderlijk oostersch ras, dat reeds lang getemd was uit inheemsche wilde paarden der noord-Afrikaansche kust, en daarmede kruisend, het tegenwoordige Berber-ras heeft voortgebracht, dat het Arabische bloed met een beslist [207]vreemden trek heeft vermengd. Het heeft daarna, het eerst te gelijk met de Arabieren, Europa betredend op den meest onwaarschijnlijken uithoek, den zuidwestelijken, iets dergelijks gedaan met een eveneens nationaal fokras in Spanje, en zoo het typische Spaansche paard voortgebracht, dat daarna voor het eerst oostersch edel bloed ten minste als toevoegsel van den tweeden graad in het verdere beschaafde Europa (vooral in Oostenrijk) practisch heeft ingevoerd en voor het eerst een Europeesch heerenpaard heeft geschapen, dat ten minste eenigszins Arabische trekken vertoont. Toch bleek die geheele weg slechts een halve en flauwe stoot voorwaarts, evenals het op nieuw ontdekken van het centrum der echte edele paarden door de kruistochten in het bijna verloren gegane oosten. Beslissend werd eerst sedert de tweede helft der zeventiende eeuw het bewuste en voortaan steeds meer systematische ingrijpen en doortasten van de meest noordwestelijk gelegen Europeesche cultuurnatie, de Engelschen. Dat tijdvak stelt het grootste moment vast der geheele geschiedenis van het paard sedert het begin der oud-oostersche cultuur van het edele paard, en tevens het meest belangrijke moderne moment. Het betrof dezen keer niet een toevallige strooming der volksbeweging van oost naar west, maar het gold een bewust invoeren van iets wat op verre afstanden veroverd was, door een volk, dat een internationaal oog ontwikkelde, dat reikte over de geheele aarde met een slimme keuze van datgene, wat te huis het grootst mogelijke nut zou kunnen opleveren. De Engelschman haalde het beste en edelste Arabische materiaal naar zijn vaderland, zooals men dieren haalt voor een zoölogischen tuin, vermengde dat met een kleinen scheut inheemsch, Europeesch bloed, als het ware voor inwendig [208]acclimatiseeren, en schiep als practisch zoöloog dat Engelsche slag van het oorspronkelijk Arabische ras, dat men met volle recht den veredelden Arabier zou kunnen noemen: het Engelsche volbloed-paard, den koning der renpaarden en het nieuwe ideale type der geheele Europeesche, ja zelfs internationale paardenfokkerij.
Op nieuw keerde men nu terug tot de opvatting, die het oude oosten reeds eenmaal had bezeten en practisch had bevestigd: dat dit type, zooals dit in hoofdkenmerken door het Arabische paard werd uitgedrukt, ook voor onze Europeesche cultuur het gegeven heeren- en sportpaard was, het aesthetische paard in tegenstelling met het zware werkdier, het karrepaard. Als men een oostersch ras wilde, dan moest het dit zijn. Zoo is in navolging van het Engelsche paard, al is het dan niet tot een zoo hyper-aristocratisch uiterste, of liever gezegd met een zoo hyper-sportdoel—het Duitsche edelste paard, de Trakehner, met dergelijk vreemd, doch specifiek edel bloed ingeënt, tot zijn tegenwoordigen evenzeer wereldberoemden glans gekomen. Ook het Hongaarsche paard is zoo veredeld, en welke geliefde soorten er nog meer zijn.
Wat oorspronkelijk in den rijkdom der plaatsen, waar het oostersche type oorspronkelijk gekweekt werd, naar onze opvatting niet het geval is geweest, dat is tegenwoordig, dank zij die latere bewuste handeling der cultuur, werkelijk een feit geworden: alle systematisch uitgeoefende en op een hoog doel gerichte Europeesche paardenfokkerij staat voor haar oostersch gebouwd type zonder eenigen twijfel onder den invloed van het oud-oostersche edele paard in de engere beteekenis, het Arabische paard. Als men van de menschheid niets wist, dan die laatste handelingen, waarbij zij zich [209]het paard toegeëigend had, dan zou men daaruit met zekerheid de gevolgtrekking kunnen maken, hoezeer zich het bewustzijn harer beschaving, die individualiteit van haar cultuur als geheel, langzamerhand hoe langer hoe meer tot een organisch geheel heeft afgesloten. Wat eertijds meer of minder blind onderworpen was aan een heen- en weerstroomen van politieke machtsverhoudingen en volksverhuizingen, dat valt tegenwoordig binnen het gebied van het bewuste experiment, dat ten doel heeft de wijze van ontwikkeling en vooruitgang te leeren kennen onafhankelijk van alle geografische grenzen, of grenzen, die in ieder geval alleen in zóóverre in rekening komen, als bij voorbeeld het Arabische paard uit zijn oostersch milieu in het noorden eenig noordelijk bloed, met overleg toegemeten, moest verkrijgen als basis ter acclimatiseering.
Terwijl die triomf van het edele paard werd voorbereid, waren volkomen ongemerkt de werkelijke oorspronkelijke wilde paarden ook in Europa voor goed uitgestorven. De laatste exemplaren schijnen nog op Sardinië te hebben geleefd. Slechts hier en daar komt in de tegenwoordige getemde rassen nog weer eens een wilde troep tastbaar voor den dag, die herinnert aan de verdwenen rassen. Zoo duiken onder onze ponyachtige paarden (die over het algemeen volstrekt niet uitsluitend tot één type behooren) van tijd tot tijd nog bijna echte Przewalskipaarden op, juist met verschillende kenmerken van de Mongoolsche wilde vormen, die tegenwoordig nog in de woestijn van Gobi leven. De dichter Gerhart Hauptmann bezat voor eenigen tijd een dergelijken pony, die nog met zijn woestijngele Isabellakleur en zijn pikzwarte kousen steeds op de meest bedriegelijke wijze deed denken aan den Przewalskihengst van den Berlijnschen [210]dierentuin. Zelfs de merkwaardige streep op den rug komt nog bij noordelijke cultuurpaarden voor. In het algemeen zal men bij alle in het oog loopend kleine rassen meer aan de wilde paarden worden herinnerd. Zij handhaven nog steeds trekken van de oorspronkelijke schepping van het paard, terwijl de reuzenvormen onder de paarden, onverschillig uit welken stam zij afkomstig zijn, absoluut zeker steeds het resultaat van menschelijke inmenging zijn.
Doch bij de allerkleinste soorten van pony’s heeft ongetwijfeld nog een andere factor zijn invloed uitgeoefend, een factor, die ons doet zien, hoe ook het paard, ver van dien eigenaardigen oorspronkelijken grooten ontwikkelingsweg, en zonder eenige medewerking van den mensch, onder den invloed is van een macht, die met onze tegenwoordige kennis volkomen onberekenbaar, ja zelfs absoluut niet te verklaren is. De eigenlijke dwergen onder de ponysoorten, die in hun soort tot een paardentype behooren, dat in ieder opzicht volkomen is afgewerkt, maar alleen op miniatuurmaten is gebouwd, zijn dieren, die alleen op eilanden worden gevonden. Zoogdieren, die op eilanden worden geïsoleerd, zijn echter van oudsher onderworpen aan een volkomen onwrikbare wet: zij worden dwergen. Reeds in voorwereldlijke tijden zijn de dieren, die oorspronkelijk door hun grootte tot de monsters onder de zoogdieren behoorden, het slachtoffer dier wet geworden: op het eiland Malta zijn de olifanten, op het eiland Cyprus het nijlpaard afgedaald tot olifanten- en nijlpaardpony’s. De plek op aarde die, wat het voortbrengen van de meest verschillende soorten van pony’s, tegenwoordig het beroemdst is, is het eiland Sardinië; daar zijn het damhert, zoowel als het edelhert, het wilde zwijn zoowel als het wilde schaap in miniatuurvormen overgegaan; [211]de herten met korte pooten, die in den waren zin van het woord op die van een dashond gelijken, zien er echt bespottelijk uit. Men heeft dit merkwaardige verschijnsel gesteld op rekening van het steeds onderling paren in een beperkte ruimte. Ik voor mij geloof, dat wij eer staan tegenover een geografischen invloed, tegenover dien van de omgeving, den bodem en den streek, van welks geheimzinnige werking wij ook in andere opzichten in de plaatselijke dierenrassen dikwijls de sporen zien, zonder dat de ontwikkelingstheorie ten opzichte hiervan duidelijk stelling heeft kunnen nemen. Men heeft hier nog een bijzonder interessant veld voor de werkelijke uitbreiding dier leer. Een specialistisch onderzoek van de verschijnselen zelf is even noodzakelijk als een nieuwe en vruchtbare gedachte. Intusschen is het speciale raadsel der eilandenpony’s onder de paarden slechts een schakel in het probleem, dat in het algemeen nog zoo duister is.
Over het geheel genomen is het een feit, dat het wilde paard op onze planeet tegenwoordig overal een uitstervend geslacht is. Het deelt in dit opzicht het lot der meeste groote zoogdieren, wier opkomst en bloei het kenmerk was der tertiaire periode.
Indien het paard in weerwil daarvan in de laatste duizendtallen van jaren nog lichamelijk een hooge vlucht heeft genomen en zich bovendien geografisch heeft verbreid, en zelfs in de allerlaatste paar eeuwen in een snel wassend tempo, dan heeft het dit uitsluitend te danken aan de wijze, waarop het zich in symbiose heeft aangesloten aan dat geheel op zich zelf staande en eigenaardige schepsel uit die zoogdierenwereld, die parallel daarmede ontstaan is, maar dat zich sedert dien tijd onafgebroken van sport tot [212]sport heeft opgeheven: wij bedoelen de verhouding van het paard tot den mensch.
De mensch is tegenwoordig in hoogeren zin het noodlot van het paard.
Moeilijk kan men daarbij de gedachte op zijde zetten, dat trouwens ook hier reeds in één richting het hoogste punt voor het paard als doel in de cultuur is overschreden. Het blijkt toch, dat het technische gebruik van het paard in onze cultuur aan het afnemen is. De strijd tusschen electriciteit en paardekracht is tegenwoordig reeds veel verder beslist dan zuiver theoretisch. De menschheid heeft op den duur veel te sterke natuurkrachten noodig als reuzen, die haar bij den arbeid ten dienste staan, om die fijne, van spieren voorziene, levende werktuigen met hun gemakkelijk te verstoren uurwerk, en die fijn georganiseerde beenderen, die immers breekbaar zijn als glas, nog evenzeer te waardeeren als vroeger het geval was. Het zijn de menschelijke hersenen, die het hoogste zijn, wat het leven heeft gesponnen. Als technische macht zijn die hersenen echter tegenwoordig tot een zóó hoogen trap gestegen, dat zij buiten zich zelf niets meer noodig hebben dan de allergrootste onmiddellijk ten dienste staande, natuurkundige beweegkrachten der planeet zelf; het overige, daartusschen gelegen leven, is voor die hersenen niet meer van zoo groot belang.
Anders is het daarentegen over een afzienbaren tijd gesteld met de aesthetische vraag, die in haar hoogere beteekenis ook de begrippen „weelde” en „sport” in zich sluiten.
Dat oude keerpunt van het veredelde paard in de geschiedenis van het oosten, toen het een heerlijk pronkstuk, het sieraad zijns meesters, een vreugde voor het oog werd, en [213]niet hijgend den zwaar beladen wagen door de modder moest trekken, maar geroepen werd tot een hoogeren vorm van arbeid in de cultuur, dat een voorwerp van gejubel werd, als het, naar de woorden van den dichter van het boek Job, hinnikt „vroolijk in zijn kracht”—dat hoogste moment in de geheele geschiedenis van het paard, toen het oude ontwikkelingswerk der natuur als het ware in een kunstwerk werd omgetooverd, en verhoogd werd tot de onsterfelijkheid der ideale schoonheid—dat moment is voor ons nog steeds een waarborg voor de toekomst.
Het is niet de taak van dit boek, te onderzoeken of de wereld onzer beschaving steeds de tegenstelling zal behouden van heer en slaaf. Maar hoe die vraag ook ooit moge worden opgelost: een edele sport, die aesthetisch een hooger gebied van genot opent en zoo in ieder geval ook ethisch veredelt, zal in iedere cultuurwereld, die waard is om daarin te leven, behouden blijven. Daarin ligt de beslissing over het toekomstige lot van het paard. Ik voor mij ben van meening, dat wij niet alleen onze hoop moeten vestigen op een vooruitgang in de beschaving, die musea bouwt, om de marmeren paarden van Phidias, de marmeren menschen van Michel Angelo te behouden voor de eeuwigdurende bewondering der menschheid, maar op een vooruitgang, die ook het leven ademende kunstwerk, het product van den oneindigen strijd in de natuur blijvend weet te waardeeren: naast het naakte menschelijke lichaam het levende edele paard. [214]